De laatste colporteurs van het zondebesef

Over zeldzaam wordende zielverkopers die dachten dat ook koppensnellers behoefte hadden aan scholastiek.

Totdat documentairemaker Jan Maarten Deurvorst zich ging verdiepen in het leven en werk van de laatste Franciscanen in Nieuw-Guinea, scheen hij ongeveer dezelfde gedachte over missie- en zendingswerk te hebben gehad als ik: dat het in wezen neerkwam op een mengeling van religieus imperialisme, cultureel vandalisme en goedbedoeld paternalisme, uitgevoerd door mannen op sandalen die vonden dat de bewoners van de jungle dringend behoefte hadden aan Europese schuldgevoelens, catechismussen en het correcte gebruik van westers bestek.

‘De kloosterorde der Franciscanen is een bedelorde. Niemand heeft bezit. Daarmee betoont de orde haar solidariteit met de armen […], wat misschien haar populariteit verklaart. [De broeders en zusters] werden ver de binnenlanden [van West-Papoea] ingestuurd. De Franciscanen […] legden het gebied dus min of meer open. Opvallend was dat ze zich daarbij nogal anti-institutioneel gedroegen. […] Ook al omdat ze weinig bagage hadden om mee te nemen.’ (radiofragment)

Misschien moet ik verder alleen voor mezelf praten: ik vond dat religieuze verspreidingsarbeid vooral neerkwam op het vervangen van lokale mythen door westerse, met als twijfelachtige bonus een kerkgebouw, een schoolbord en een permanent gevoel van beschavingssuperioriteit. De missionarissen van “Papoealand” – zoals zij het ook wel noemden – waren in essentie spirituele koloniale ambtenaren. Wereldvreemde mannen Gods die koppensnellers kwamen vertellen dat kannibalisme verkeerd was, maar ondertussen wel een complete cultuur archiveerden, herschreven en gedeeltelijk ontmantelden.

Ziezo, dat vooroordeel is opgetuigd. Maar de radiodocumentaire De laatste der Franciscanen, uitgezonden door het geschiedenisprogramma OVT van de VPRO, maakt het beeld aanzienlijk ingewikkelder. Zij heeft de hinderlijke eigenschap mijn atheïstische wereldbeeld te ontregelen.

Wat deze documentaire bijzonder maakt, is dat zij niet alleen gaat over missionering in koloniale context, maar vooral over de onverwachte wederzijdse beïnvloeding tussen missionarissen en Papoeastammen zoals de Asmat en de Marind. In Nederlandse koloniale verhalen stonden die groepen lang bekend als koppensnellers en kannibalen; een beeld dat sensationeel was. De documentaire onderzoekt wat er werkelijk gebeurde toen Franciscanen zich daar na de Tweede Wereldoorlog op grotere schaal vestigden.

De Franciscaanse aanwezigheid in Nederlands Nieuw-Guinea begon al in 1937. Nederlandse minderbroeders werkten in gebieden rond Merauke, Mimika en later ook in het Asmatgebied. Hun werk beperkte zich niet tot religie: zij hielden zich bezig met onderwijs, gezondheidszorg, taalstudie en infrastructuur. Opvallend is dat Franciscaanse missionarissen relatief veel belangstelling hadden voor lokale rituelen en culturen, in tegenstelling tot meer paternalistische missiebenaderingen elders.

Interessant is de bredere historische achtergrond. West-Papoea werd tot 1962 bestuurd als Nederlands Nieuw-Guinea. Daarna kwam het gebied onder Indonesisch bestuur, wat leidde tot langdurige spanningen en onafhankelijkheidsbewegingen. Sommige missionarissen gingen zich later nadrukkelijk uitspreken over mensenrechten en geweld tegen Papoea’s. De uitzending blijkt sowieso niet alleen een verhaal over religie te zijn, maar ook over identiteit, antropologie, culturele ontmoeting, kolonialisme en het verdwijnen van een Nederlandse wereld in de Pacific.

In de documentaire speelt dat – het verdwijnen van een tijdperk – een grote rol. Juist daar krijgt het verhaal een menselijke scheur die verhelderend licht doorlaat. Vrijwel alle Nederlandse missionarissen zijn inmiddels vertrokken of overleden. De titel De laatste der Franciscanen verwijst naar de laatste nog aanwezige Nederlandse pater in het gebied, die Deurvorst heeft geïnterviewd. Dat geeft het programma een melancholische laag: het einde van een Nederlands-katholieke aanwezigheid in Papoea die bijna negentig jaar heeft geduurd.

Het is niet dat Theo van der Broek van zijn geloof viel; hij zou graag zijn doorgegaan als drager van het kruis, bemiddelaar tussen Rome en het moeras, vertegenwoordiger van de hemelse hoofdvestiging. Als traditionele leverancier van zondebesef bleek hij echter niet geschikt. Uiteindelijk toonde deze vertegenwoordiger van de eeuwigheid zich vatbaar voor iets aards. De minderbroeder ontmoette zijn min. Jawel, de pater werd verliefd op een vrouw. Daarmee verloor de kerk een missionaris, maar kreeg de documentaire haar ontroerendste detail. Hij werd verbannen en door zijn geloofsgenoten met de nek aangekeken.

Op een enkeling na; iemand die begreep dat medemenselijkheid pas geloofwaardig wordt zodra zij ophoudt een investering in het hiernamaals te zijn.1 Met andere woorden: iemand die uiteindelijk de mens belangrijker vond dan het systeem waarin hij had leren geloven.

  1. Aanvankelijk stond hier: “iemand die de ware implicaties van het geloof had begrepen.” Maar juist daarin schuilt voor mij een probleem. Religieuze moraal blijft moeilijk los te zien van het idee dat goede daden uiteindelijk plaatsvinden binnen een verhouding tot God; als onderdeel van een morele boekhouding van zonde, schuld en verlossing. Dat roept de vraag op in hoeverre christelijke naastenliefde volledig belangeloos kan zijn wanneer zij tegelijk verbonden blijft aan eeuwige consequenties voor degene die haar verricht. Misschien waren het daarom eerder humanistische impulsen die die ene oud-collega van de verbannen pater volgde: een direct moreel besef, los van de gedachte dat een goede daad tevens een investering kan zijn in hemel, verlossing of goddelijke goedkeuring. ↩︎

Sterk geschreven, maar je reduceert religieuze naastenliefde wel erg gemakkelijk tot een soort kosmische bonusregeling. Alsof ongelovigen nooit handelen uit ijdelheid of behoefte aan erkenning, of – je raadt het al – ware compassie.
— Marianne, Nijmegen

Die zin over ‘spirituele koloniale ambtenaren’ is hard, maar niet onterecht. Missionering was vaak gewoon imperialisme met een bijbel onder de arm.
— Peter, Groningen

Interessant stuk juist omdat het weigert eenvoudig anti-katholiek te worden. Dat maakt het ongemakkelijker en dus eerlijker.
— Anoniem

Als antropoloog mis ik wel nuance over de Asmat. Het woord ‘koppensnellers’ blijft toch een koloniale categorie, zelfs wanneer je uitlegt dat het een historisch beeld betreft.
— Drs. H. van Leeuwen

Die arme pater. Negentig jaar in het moeras voor Rome gewerkt en uiteindelijk alsnog ingewisseld vanwege bureaucratische kuisheid.
— Theo, Breda

Ik ben gelovig en toch herken ik die ‘hemelse boekhouding’ waar je over schrijft. Juist daarom vond ik de noot sterker dan het essay zelf.
— Els, Antwerpen

De ironie druipt er soms iets te dik bovenop. Alsof iedere missionaris automatisch een koloniale karikatuur was. Maar goed, misschien is dat juist je stijlmiddel.
— Johan

OVT blijft fantastisch in het oproepen van dat melancholische gevoel van verdwenen Nederlandse werelden. Je ruikt in die documentaire bijna het schimmelende missiekantoor.
— Karel

Ornithologische parallellen; 3. Onopvallendheid versus roem

De roek kan niet pronken met zijn bescheidenheid. De monnik kan dat wel en doet dat soms.

Fragment uit Terug naar de roeken in het stoppelveld

Na de vermeende zelfkastijding (zie eerder) en de schijnbare soberheid (zie eerder) blijft er nog één parallel over die zich moeilijk laat handhaven. Niet omdat zij te ver gezocht is, maar omdat zij zich bij nadere beschouwing tegen zichzelf keert. De roek leeft onopvallend zonder daarvan een deugd te maken; zijn bestaan laat weinig sporen na en vraagt geen erkenning. De monnik daarentegen streeft naar een leven dat evenmin wil opvallen, maar doet dat binnen een wereld die juist gevoelig is voor tekenen van nederigheid. Waar de roek eenvoudigweg is, wordt de monnik gezien, en precies daar begint de vergelijking te wringen. Er bestaat een soberheid die geen getuigen nodig heeft en een soberheid die haar betekenis juist aan getuigen ontleent; de roek behoort tot de eerste categorie, de monnik hoopt tot dezelfde te behoren, maar leeft in een cultuur waarin zelfs terugtrekking zichtbaar wordt. Zo ontstaat een ongemakkelijke parallel: hoe meer de monnik zijn bestaan wil onttrekken aan betekenis, hoe groter de kans dat het juist betekenis krijgt toegekend.

De roek verdwijnt spoorloos; de monnik laat, ondanks zichzelf, sporen na. De roek kent geen traditie. De monnik wordt er een. John Rogers Herbert schildert met Laborare est Orare een idyllisch tafereel van broeders die graan oogsten in een glooiend landschap. Ja, er wordt hard gewerkt, maar wie zou hier niet bij willen springen? De arbeid oogt licht, het zweten gematigd, de gemeenschap harmonieus. Niets in dit beeld schuurt, niets verstoort de rust. De soberheid is hier niet schraal, maar weldadig; geen opoffering, maar een levensvorm die zich bijna vanzelf aanbeveelt. Juist daarin openbaart zich de paradox van dit hoofdstuk: onopvallendheid wordt aantrekkelijk, arbeid verheven, stilte esthetisch. Wat ooit bedoeld was als terugtrekking uit de wereld, verschijnt hier als alternatief voor haar drukte. De monnik verdwijnt niet, hij wordt voorbeeld. En waar een voorbeeld verschijnt, ontstaat navolging, bewondering en uiteindelijk traditie.

Nogmaals gezegd: de roek leeft zonder nalatenschap. De monnik streeft ernaar, maar kan haar niet ontlopen. Waar de roek verdwijnt in zijn omgeving, wordt de monnik ertegen afgezet. Onopvallendheid blijkt bij de mens zelden een eindpunt, maar vaak een omweg. Wie zich zichtbaar onttrekt, wordt herkend; wie herkend wordt, wordt benoemd; en wat benoemd wordt, krijgt waarde toegekend. De monnik die zich terugtrekt uit de wereld ontkomt niet aan de blik van diezelfde wereld, juist omdat zijn terugtrekking afwijkt. Stilte wordt gelezen als discipline, soberheid als morele kracht, afzondering als voorbeeld. Zo kan ascese ongemerkt prestige worden, en nederigheid een stil kapitaal. Niet omdat de monnik dit nastreeft, maar omdat menselijke samenlevingen geneigd zijn betekenis te hechten aan wie zich aan hen onttrekt. De roek kent deze omkering niet. Zijn onopvallendheid roept geen bewondering op, geen navolging, geen verhaal. Zij blijft wat zij is: een wijze van bestaan, geen boodschap.

Waar deze omkering eenmaal werkzaam is, laat zij zich moeilijk begrenzen. Wat begint als individuele terugtrekking kan uitgroeien tot voorbeeld, wat voorbeeld is wordt navolgbaar, en wat navolgbaar is, wordt geïnstitutionaliseerd. De geschiedenis van het monnikenleven laat zien hoe een streven naar onopvallendheid zich langzaam heeft verdicht tot regel, orde, traditie en uiteindelijk tot zichtbare vormen van aanzien. De soberheid van de enkeling wordt opgenomen in een systeem dat haar bewaart, toont en viert. Niet zelden ontstaat zo een paradoxale pracht: geen uitbundige rijkdom, maar wel monumentale eenvoud, ritueel herhaalde armoede, zorgvuldig gecodeerde nederigheid. De roek kent deze weg niet. Zijn levenswijze laat zich niet bewaren, niet verheffen, niet doorgeven. Zij sterft met hem mee en begint telkens opnieuw, zonder geschiedenis. De roek ontsnapt aan roem door haar niet te kennen. De monnik ontkomt er niet aan, juist omdat hij haar verwerpt.

Misschien volstaat het daarom om de roek weer los te laten. Hij hoeft niets te betekenen. Hij kraait, leeft, verdwijnt. Met deze parallel eindigt niet de vergelijking, maar haar draagkracht. De volgende observaties zullen minder spiegelen en meer uiteenlopen.

Ornithologische parallellen; 2. Habijt/verenpak

Een roek bezit een broek, volgens ornitologen, maar hij heeft hem overdrachtelijk bijna nooit aan.

Fragment uit Terug naar de roeken in het stoppelveld

De monnik probeert zijn natuur te overstijgen; de roek gehoorzaamt eraan zonder restschuld. Misschien geldt dit onderscheid voor alle monnik–roek-parallellen die ik hier nog naar voren wil brengen. Symbolische gelijkstelling tussen mens en dier blijkt vaak onmogelijk, maar in de lichte tegenstelling openbaart zich ook een vorm van verwantschap. Vandaag wil ik het hebben over het habijt en het verenpak. In het licht van het bovenstaande zou je kunnen zeggen: het habijt verbergt het lichaam, het verenpak ís het lichaam. Beide vormen nogal onopvallende lichaamsbedekkingen in een toch al sober bestaan. Voor roeken was de kleur geen keuze, maar een evolutionaire aanpassing. Het is duidelijk dat monniken er nooit op uit waren de laatste mode te volgen.

De monnik oefent zich in gehoorzaamheid aan een regel; de roek gehoorzaamt zonder oefening zijn natuur. In deze spanning tussen keuze en instinct ligt de kern van hun verwantschap. Dat verschil laat zich niet overbruggen, maar het verheldert de vergelijking. Zo ook, dat zij zich in eenzelfde soort van sober gewaad hullen.

De kleur en het ontwerp van het habijt zijn ontstaan uit soberheid en zelfbeperking. Wat bij de roek onvermijdelijk was, is bij de monnik gekozen; wat bij de roek lichaam werd, is bij de monnik teken: ongeverfde wol, eenvoudige snit, herhaalbaarheid boven individualiteit, armoede als deugd, onopvallendheid als streven. Waar bij de roek kleur en vorm het resultaat zijn van natuurlijke selectie, zijn zij bij de monnik het gevolg van een morele en institutionele keuze. Het zwart van de roek heeft geen betekenis, maar geeft een toestand weer; het uiterlijk van de monnik is beladen met bedoeling. In beide gevallen — en dat is dan toch weer een vergelijking die opgaat — ontbreekt een esthetisch verlangen. Het ene zwart is onvermijdelijk, het andere bedacht; mooi zijn was nooit een streven.

Wat bij de monnik schaamte en kuisheid heet, heeft bij de roek geen equivalent. De vogel kent geen schaamte, zoals hij ook geen zonde kent; zijn verenpak verhult niets en onthult niets, maar doet wat het moet doen. Camouflage is geen deugd, slechts een gevolg. Toch ontstaat er opnieuw een parallel, zij het een scheve. Zowel monnik als roek gaan op in een collectief dat groter is dan het individu. De monnik door zich te voegen naar de orde, herkenbaar en inwisselbaar, de roek door tot een soort te behoren waarvan kleur en vorm geen persoonlijke variatie dulden. Waar bij de monnik herkenbaarheid een oefening in discipline is, is zij bij de roek een biologisch gegeven. Zelfs de tijdelijkheid verschilt: de monnik blijft zijn regel trouw, de roek wisselt van veren en blijft toch dezelfde. Het één vergt volharding, het ander gehoorzaamheid en juist in dat verschil wordt duidelijk hoe ver de vergelijking kan reiken zonder haar te forceren.

Zo eindigt dit tweede deel van mijn ornitologische parallellen: het habijt en het verenpak, soberheid en gehoorzaamheid, bedekking en belichaming; de monnik en de roek tonen hoe uiterlijke vormen verbonden zijn met innerlijke of functionele noden. De vergelijking is nooit perfect; ze dwingt tot terughoudendheid. Maar juist in de spanning tussen het gekozene en het onvermijdelijke, tussen discipline en instinct, openbaart zich een inzicht dat bij mij bleef hangen: dat orde, soberheid en herkenbaarheid in heel verschillende werelden op vergelijkbare manieren betekenis krijgen, al is die betekenis voor mens en vogel fundamenteel verschillend. Het habijt bedekt de mens, het verenpak omhult de vogel. In hun soberheid en gehoorzaamheid weerspiegelt zich eenzelfde stille schoonheid.

Ornithologische parallellen; 1. Het mierenbad

Een echte roek verzamelt mieren in z’n broek.

Fragment uit Terug naar de roeken in het stoppelveld

In de bossen achter ons huis in Rijen, kwam ik op een dag een kraai tegen die half op z’n rug lag en door een kolonie mieren werd overmeesterd. Ze krioelden over zijn hele verenpak en zaten zelfs bij zijn opgengesperde bek en rondom zijn ogen. Hij leek zich al niet meer te verzetten tegen zoveel agressieve samenwerking van al die bijtende insekten. Ik moest snel handelen, wilde ik hem nog van een gewisse dood kunnen redden. Toen ik echter dichterbij kwam, veerde de vogel geschrokken op en maakte dat hij wegkwam. Zoveel vitaliteit had ik niet meer verwacht van een beest dat zijn leven kort daarvoor nog leek te hebben opgegeven.

Ik vergiste mij daar en toen natuurlijk danig in wat ik meende te hebben waargenomen. Later leerde ik dat ik de kraai had betrapt bij het nemen van een mierenbad. “Vogels doen dat soms”, legde meester Vorbach uit; een man die in z’n vrije tijd voor ornitoloog speelde en zichtbaar blij was met mijn waarnemingen en met mijn vraag over een schijnbaar tot leven gewekt slachtoffer. Toen ik de vraag stelde meende ik nog dat ik de vogel de stuipen op het lijf had gejaagd waardoor hij met de schrik was vrijgekomen; een beetje zoals een schok van een stroomstoot met een defibrillator werkt. Ik had het beest gereanimeerd door mijn toevallige aanwezigheid op het juiste moment.

Maar nee, zo zat het niet; want wat gebeurde er werkelijk? De hypothesen voor zo’n mierenbad worden in de ornithologische literatuur uitgebreid beschreven en zijn ondermeer: 1. Parasietcontrole: de chemische stoffen uit mieren schijnen te kunnen helpen tegen huidparasieten. 2. Onderhoudsritueel: het gedrag van de vogel past ‘gewoon’ bij een ingeslopen gewoonte. 3. Voedselvoorbereiding: door het gif van de mieren af te krijgen, kunnen vogels de insekten daarna makkelijker eten. In het Engels heet wat ze doen trouwens ‘anting’, dus daar is van dat gedrag een werkwoord gemaakt. Zo vaak komt het kennelijk voor en zo vaak is het kennelijk al waargenomen.

Ik had zo gehoopt dat zelfkastijding als één van de redenen naar voren was gebracht door de wetenschappers. Dan zou ik nu een aardige vergelijking hebben kunnen maken met de ontberingen die ook monniken zich soms getroosten. Het zou mijn essay over het kloosterleven aan de ene kant van de muur en het roekenbestaan aan de andere kant naadloos met elkaar hebben verbonden, in een gedeelde oefening van lijden als vorm van zuivering. Maar die parallel blijkt bij nader inzien vooral een menselijke projectie: waar ik boetedoening vermoedde, zien biologen onderhoud, pragmatiek en misschien zelfs een zekere behaagzucht. De roek kastijdt zich niet; hij verzorgt zich. En zo valt een mooie symboliek uiteen, maar ontstaat er tegelijk een eerlijker beeld; minder verheven misschien, maar des te aardser.

Ergens ben ik ook wel weer blij dat dit spiegelend naast elkaar plaatsen van vogel- en monnikengedrag in deze gescheiden werelden niet naadloos met elkaar te verbinden is. Het laat zien hoe symboliek ontstaat en weer instort; precies dát is beschouwend denken. De tegenstelling roek/monnik (fauna versus filistijnen?) blijft intact, maar verschuift van moraal naar waarneming. De noodzakelijke correctie zet verlies om in winst: geen mythe, maar inzicht. Ik erken in mijzelf de hoop op grote gelijkenissen en aanvaard de lichte teleurstelling dat die maar zelden opgaan. In een volgende alinea zal ik de monnik–roek-parallel geloofwaardiger uitbouwen door het te hebben over het habijt en het verenpak, de stilte tegenover het gekras, en de regels van het klooster tegenover de onoverkomelijkheid van het instinct.

Een monnik is ook maar een roek


Al lijkt de sociale controle in het klooster meer in het nadeel van de groepsleden te werken.

Fragment uit Terug naar de roeken van het stoppelveld

Fietsend door het Brabantse landschap vergeleek ik de roeken (nogal voor de hand liggend) met de monniken van het Benedictijnerklooster waarnaar ik op weg was. Aan de horizon zag ik de indrukwekkende abdij al opdoemen: een bakstenen vesting van stilte en discipline. Op de stoppelvelden fourageerde de zacht krassende brigade en ik vroeg mij af wie het beter hadden getroffen. Aanvankelijk dacht ik dat de monniken zich in hun versterkte onderkomen veiliger konden wanen, terwijl de roeken buiten aan de elementen, het landbouwgif en de roofdieren waren overgeleverd. Maar in de kern lijkt de roek mij nu de enige die werkelijk vrij is binnen zijn sociale structuur. Hij hoeft alleen maar vogel te zijn. Hij slaapt in zijn eigen lichamelijke bedekking. De monnik moet, onder druk van de groep, proberen iets te vertegenwoordigen dat boven de natuur staat, en verliest daarmee de eenvoudige rust van het dier-zijn.

In hun zwarte verenpak en hun vanzelfsprekende hiërarchie leken de roeken slechts op monniken. Nu dwingt een volwassen blik me tot een wrange conclusie: de sociale controle waar beide groepen aan onderworpen zijn, kent een fundamenteel ander rendement. Objectief bezien is de roek een meester in sociale overleving. De groepsdwang in de kolonie is meedogenloos, maar rationeel. Een roek die niet meewerkt aan de collectieve waakzaamheid tijdens het foerageren, of die de nestvrede verstoort, wordt direct gecorrigeerd. Geleerden noemen dit ‘sociale handhaving’. Het biologisch nut van deze pikorde is volkomen duidelijk. Het doel van deze controle is uitsluitend biologisch succes: het veiligstellen van calorieën en het doorgeven van genen. De roek hoeft geen goede roek te zijn in morele zin; hij moet simpelweg een functioneel onderdeel van de zwerm vormen. De druk van de groep dwingt hem tot efficiëntie, niet tot zelfverloochening.

Zodra ik de kloosterpoort passeerde, veranderde de aard van de controle. De monniken leven onder een regime dat op het eerste gezicht lijkt op dat van de roek: vaste tijden voor voedsel, strikte hiërarchie en een gezamenlijk ritme. Maar hier werkt de sociale controle in het nadeel van het individu op een manier die de natuur vreemd is. In het klooster is de controle gericht op de binnenwereld. Waar de roek wordt afgerekend op zijn gedrag, wordt de monnik afgerekend op zijn intentie. De groepsdruk dwingt hem tot de strijd tegen de ‘erfzonde’ of de ‘begeerte’. Dit is psychologisch gezien een kostbaar proces. Terwijl de roek na een correctie simpelweg zijn veren uitschudt en verder leeft, internaliseert de mens de groepsnorm als een moreel gewicht. De sociale controle in het klooster dient niet de biologische overleving van de monnik – sterker nog, het dwingt hem vaak tot het negeren van fundamentele biologische impulsen – maar de instandhouding van een abstract ideaal.

Landbouwgif versus morele schuld, er is altijd wel iets dat de overleving van groepen bedreigt. De paradox van de sociale controle bij dieren of mensen is dat het in een geloofsgemeenschap meer in een nadeel lijkt om te slaan. Mijn geheugen aan het Brabantse land is een ets van grijstinten en zwarte silhouetten geworden als het om de fietstochten naar het klooster gaat. Er sloop een wrange ironie in de veiligheid die ik beide groepen toedichtte. De vogel betaalde de prijs voor zijn verbondenheid met de natuur. Hij bleek kwetsbaar voor die harde fysieke wereld want het landbouwgif en de oprukkende nieuwbouw hebben de kolonies gedecimeerd. De monnik daarentegen zit veilig achter zijn muren, beschermd tegen de fysieke achteruitgang van het landschap, maar hij betaalt een andere prijs. Zijn ‘gif’ is de sociale controle die hem dwingt tot een ‘heilig moeten’. De psychologische druk om te voldoen aan een onbereikbaar spiritueel ideaal kan leiden tot een erosie van de eigen identiteit die schadelijker is dan de dierlijke pikorde.

Terug naar de roeken van het stoppelveld (deel 3)

Liever een aalmoezenier dan een troostofficier.

Mijn ouders waren net gescheiden. Ik wekte een aangeslagen indruk. De buurman hield mij in de gaten en nam mij een beetje onder zijn hoede. Ik vroeg mij nooit af of Lucien daar wel ruimte voor had. Al mijn slecht geformuleerde vragen, mijn angsten en mijn grote gemis; heb ik mij, in mijn jeugdige onmacht, soms teveel aan hem opgedrongen? In elk geval bood het klooster ons rust. Het is niet bij me opgekomen wat ik voor hem kon betekenen. Een volwassen man verwacht niets van een kind, noch van een ventje in de overgangsjaren van zijn chaotische puberteit naar zijn turbulente adolescentie.

Ik denk dat roeken het verborgen hart van de abdij in hun eigen hart meedragen. Daarom kunnen ze het klooster bezoeken en verlaten wanneer ze maar willen.

Misschien moet ik hier vermelden: zo’n soort relatie, als waar de lezer nu misschien aan denkt, was dit niet. We hebben het hier niet over een liefdesaffaire of geheime intimiteiten. We zaten allebei in de knoop met onze eenzaamheid. Lucien was zijn vader werkelijk verloren; op zeer jonge leeftijd. Verder kampte hij met een dilemma waarmee ik hem alleen liet. Ik weet nog steeds niet wat die onuitgesproken last precies inhield. Ik was totaal niet bij machte om daar naar te vragen, laatstaan dat ik verlossing kon brengen. Daarvoor was ik veel te druk met mijn eigen verwarring en pijn.

Ik begreep dat hij liever als aalmoezenier voor de krijgsmacht in dienst zou zijn getreden. Op de één of andere manier zat de pet van militair maatschappelijk werker hem te krap. Dat hij tot het burgerpersoneel werd gerekend in plaats van tot het leger, maakte de situatie draaglijker. Met gevechtshandelingen wilde hij absoluut niet geassocieerd worden. Zijn beroep zou meer geestelijk dan sociaal van aard zijn, als hij voor de priesteropleiding had gekozen, wat hij ooit van plan was. Mocht Defensie tijdelijk iemand nodig hebben, dan hadden ze hem extern kunnen inhuren. Dat zou dan via het bisdom gaan of de orde waartoe hij, in zo’n geval, behoorde. Daar lag zijn voorkeur.

Hij vertelde mij dat hij sympathiseerde met de beweging van het ‘gebroken geweertje’. Dat was een pacifistische stroming die opkwam na de Eerste Wereldoorlog. Het gebroken geweer werd haar symbool: een gebaar tegen het militarisme, tegen oorlog en geweld als oplossing voor conflicten. Dat geweer, waarvan de loop is omgebogen of gebroken, stond voor gewetensbezwaar, vredesideaal en moreel verzet. Voor hem was het symbool vooral verbonden met de Vredesbeweging Kerk en Vrede, waarvoor hij zich in zijn studententijd had ingezet. Hij zocht al heel lang naar een balans tusssen theologische idealen en politieke realiteit.

Ok, dus hij geloofde dat ware vrede niet met wapens kon worden afgedwongen? Ik begreep het innerlijk conflict maar zag eerlijk gezegd nog steeds het grote probleem niet. Ik denk dat Lucien af en toe soldaten tegenover zich vond die twijfelden aan hun beroepskeuze. Ze hadden dan een goede aan hem. Hij was vredelievend, gewetensvol in morele kwesties, en stond kritisch tegenover militair geweld. Dat maakt het extra interessant dat hij bij Defensie werkte. Het toonde precies die innerlijke spanning tussen geloof, plicht en geweten waar een twijfelaar zich aan kon optrekken.

Te midden van uniformen sloeg hij misschien iets te hard op de trom van ‘geweldloze weerbaarheid’. Zijn theologische grondslag bleef pacifisme: geweld was moreel onaanvaardbaar volgens zijn lezing van het evangelie. Maar ik kan me niet voorstellen dat dit een probleem vormde op een moderne basis in vredestijd. Ik denk dat hij het leger van binnenuit een beetje menselijker heeft gehouden. Maar ik begrijp ook dat het werk hem in conflict bracht met zijn ware idealen en dat hij daarom vaak met boze of radeloze ballen tegen de achterkant van zijn pui stond te gooien.

Zijn werk bij het leger was geen roeping. Hij noemde het jaren later een ‘bevel van barmhartigheid’, ingegeven door zijn confessie. Toen begreep ik voor het eerst hoe serieus hij dit nam. Ik besefte dat zijn geloofsbelevenis zijn hele leven bepaalde, en dat hij daar graag meer aan toe had willen geven, maar dat hij concessies had moeten doen. Het ging over zijn huwelijk, de vanzelfsprekende keuze voor kinderen, de aankoop van een huis, het carrièrepad teneinde het huis te kunnen betalen. Kortom: een leven dat zich aan je opdringt als je A hebt gezegd, terwijl je B nog van alle kanten wilde onderzoeken.

Ik begreep dat Lucien daadwerkelijk monnik had willen worden. Terwijl ik niet wist hoe snel ik weer naar buiten kon, om naar mijn ontwrichte thuis te mogen fietsen, was Lucien na de mis het liefst achter de laatste Benedictijner aangelopen, tot in het binnenste van hun besloten wereld. Om de stilte vast te kunnen houden. En zichzelf trouw te zijn.