Van fraudejacht naar compensatiejacht

Een herhaling van de reflexmatige politieke dadendrang, maar dan de andere kant op. Maar wacht even: dat wisten we toch al?

Het is weer zover: een ‘onthulling’ beheerst het nieuws. De koppen in de kranten kleuren van verbazing nu blijkt dat mogelijk duizenden ouders onterecht zijn erkend als toeslagengedupeerde. Het wordt gepresenteerd als de nieuwste hype; een plotselinge, schokkende wending in een slepende affaire. Men reageert in Den Haag en op de redacties alsof er een buitenaards fenomeen is geland waar niemand op had kunnen rekenen. Dat is niet alleen pijnlijk; het is een gotspe.

Wie destijds wél zijn werk deed en de diepte in dook, hoeft vandaag namelijk nul procent verbaasd te zijn. In zijn boek ‘Zo hebben we het niet bedoeld’ legde onderzoeksjournalist Jesse Frederik de blauwdruk voor deze misstand in 2021 al haarfijn neer. Maar in de spotlights van de actuele verslaggeving blijft het angstwekkend stil rondom zijn naam en dossierkennis.

Wat we nu zien gebeuren, is de exacte herhaling van de reflexmatige politieke dadendrang die de hele toeslagenaffaire in eerste instantie heeft veroorzaakt; alleen schoot het beleid ditmaal met dezelfde rücksichtsloze vaart de compleet tegenovergestelde richting op. Waar eerst de jacht op de ‘fraudeur’ blind doorsloeg, opende men daarna de jacht op de ‘compensatie’. Uit pure politieke paniek en angst om ook maar één slachtoffer over het hoofd te zien, werden de sluizen opengezet met de beruchte 30.000 euro-regeling en flinterdunne criteria.

Jesse Frederik noemde dit destijds al het waterbedeffect: druk je aan de ene kant de fraudejacht omlaag, dan komt aan de andere kant de ongerichte miljardencompensatie omhoog. Het was toen al een mathematische zekerheid dat er massaal publiek geld terecht zou komen bij mensen die strikt genomen nooit slachtoffer waren van institutionele vooringenomenheid. Het stond gewoon opgeschreven. Je kon het lezen.

Dat de journalistiek deze ‘constatering’ nu als een volstrekt nieuw inzicht presenteert, legt een dieper falen bloot. Het toont het totale disrespect voor diepgaand onderzoek en de chronische weigering om zelf de geschiedenis in te duiken of bronnen te controleren. Actuele journalistiek gedraagt zich te vaak als een goudvis: de wereld begint elke ochtend opnieuw zodra er een persbericht of rapport op de mat valt.

Dit mechanisme is overigens niet nieuw. Joris Luyendijk legde de vinger al op deze zere plek toen hij destijds de journalistieke cultuur fileerde. Luyendijk beschreef hoe de media grossieren in een vorm van collectieve napraterij; het overschrijven van elkaars frames in plaats van het controleren van de feiten. Hij schetste hoe correspondenten in het buitenland op een kluitje naar exact dezelfde, in het oog springende feitjes renden, terwijl het daadwerkelijke nieuws gewoon van het Reuters-bureau werd geplukt. Het mocht alleen niet hardop worden gezegd; dat verstoorde de illusie van de alwetende verslaggever ter plaatse.

Hetzelfde gebeurt nu aan de Haagse perstafels. Het is comfortabeler om mee te deinen op de incidentenjournalistiek en een actueel rapport te verslaan als een ‘verrassende primeur’, dan toe te geven dat de feiten al jaren op tafel lagen. Door de geschiedschrijving van het eigen gilde te negeren, degradeert de journalistiek zichzelf van controleur van de macht tot een doorgeefluik van de reflexen van de nieuwsfabriek.

Het overgrote deel van de media gedraagt zich momenteel alsof de goudvis zojuist een splinternieuw kasteeltje in zijn kom heeft ontdekt.

Het ‘nieuws’ dat nu als een schokgolf door medialand gaat, werd half juni 2026 door NRC naar buiten gebracht na een eigen onderzoek gebaseerd op interne memo’s en zeven anonieme bronnen binnen de Belastingdienst. Sindsdien nemen vrijwel alle landelijke media – van NOS en RTL Nieuws tot Hart van Nederland – het frame een-op-een over; het ministerie van Financiën zou “minstens twintigduizend ouders ten onrechte hebben aangemerkt als gedupeerden,” die nu allemaal minimaal 30.000 euro op hun rekening hebben gekregen.

Als je de huidige berichtgeving analyseert, zie je exact de dynamiek die Joris Luyendijk beschreef. De media duiken massaal bovenop het sensationele getal (“20.000 nep-gedupeerden!”) zonder de historische context mee te wegen.

In de brede stroom van de actuele berichtgeving rondom deze specifieke NRC-onthulling schittert de naam van Jesse Frederik door afwezigheid.

Terwijl de vakjury’s zoals de VVOJ (Vereniging van Onderzoeksjournalisten) hem in de professionele luwte alle credits gaven voor het blootleggen van hoe deze compensatieregeling gierend uit de hand liep, negeren de dagjesjournalisten aan de Haagse perstafels zijn blauwprint volledig. Men kiest liever voor het overschrijven van een voorgekouwd stukje dan te refereren aan de journalist die in 2021 en 2022 al met concrete documenten aantoonde dat medewerkers klaagden over massale overcompensatie door de politieke haast.

Het is alsof de geschiedenis pas begint op de dag dat de NRC er een nieuw stempel “Primeur” op drukt. De nieuwsfabriek draait op volle toeren, maar vergeet zijn eigen archief te openen.

Het gaat niet om jou

Misschien valt er vanaf nu een astronomische schemering over mijn blogberichten.

Normaal gesproken neem ik nooit iets serieus aan mijn dromen; waarschijnlijk omdat ze nooit lucide genoeg zijn om er iets van te willen onthouden. Maar gisteren trad er een markant individu in op. Hij sprak door alle vergeten belevenissen heen. Wat hij zei zou me bijblijven voor de duur van de droom: “Morgen tien over tien.” Het enige wat ik deed was die zin herhalen. Dat werd door beiden opgevat als een bevestiging.

Aan het eind van de droom scheen ik de afspraak te zijn vergeten. Vandaag droomde ik weer heel belevingsrijk. Alles wat ik me daarvan kan herinneren is dat het zich afspeelde in dezelfde setting als gisteren. Ik was me, zoals gezegd, van geen afspraak meer bewust, maar op een zeker moment kreeg ik een notificatie. Het bleek om de korte uitwisseling met de man van gisteren te gaan. Vanaf dat moment ging ik me haasten.

Rennen in een droom spot met je lichaam dat redelijk bewegingloos in een bed ligt. Ik belandde in een loge vol identieke wezens. Ze waren niet erg vriendelijk tegen me. Ik merkte dat ze wisten met wie ze van doen hadden. Ze wekten zonder uitzondering de indruk dat ze me kenden en zelfs weet hadden van mijn toekomst. Notificaties zijn niet bedoeld om iemand te laat te laten komen. Misschien was ik precies op tijd.

Helaas hield de droom toen op. ik keek op de klok van mijn mobieltje. Het was 4:30u, het begin van de civiele schemering. Deze fase start zodra de zon minder dan 6 graden onder de horizon staat; begin juli is dat rond deze tijd. Er is dan al zoveel indirect zonlicht dat je moeiteloos kunt zien. 5:20 van deze zelfde dag markeert het astronomische moment waarop de bovenrand van de zonneschijf de horizon snijdt: de officiële zonsopkomst.

Door het verstrooide licht in de hogere luchtlagen is de nachtelijke duisternis op dit moment al lang en breed verdreven. Al dromend meende ik even dat ik te laat was voor mijn afspraak, hoewel de tijd van leven nooit werd vermeld terwijl ik sliep. Wie zegt mij dat de afspraak van tien over tien met de man uit mijn dromen zich niet in de werkelijkheid zal afspelen? Als dat waar is, heb ik nog tijd genoeg. Deze woorden schrijf ik op om 6:45u.

Wat gaat er straks gebeuren? Misschien kom ik de genoemde man daadwerkelijk tegen. Het blijkt een speciale afgezant te zijn. Zal hij mij iets op het hart drukken dat ik niet mocht missen? “Hou op met die zinloze blogberichten. Stort je nu eindelijk eens op het afronden van dat ene boek.” Misschien heeft hij het echt goed met mij voor en opent hij mijn ogen nog effectiever voor de realiteit: “Het gaat niet om jou.”

Omdat dit zich afspeelt in de werkelijkheid zal ik het nooit vergeten. Ik zal natuurlijk mijn conclusies trekken. Misschien hoort de lezer nooit meer van me. De trouwe geabonneerde ook niet. Dan was dit mijn laatste aankondiging, bericht en overdenking. Ik vond het leuk zolang het duurde. Vaarwel.

Lezersreacties:

Veel lezers wilden weten wat er om 10:10 uur heeft plaatsgevonden. Sommigen waren ook opvallend geïnteresseerd in de aard van de drugs die ik gebruikt zou hebben. Anderen informeerden slechts of het wel helemaal goed met me ging; op die typische, vileine manier die zoveel wil zeggen als dat ze er definitief van overtuigd zijn dat ik ben doorgedraaid.

Laat ik hoofdzakelijk op de eerste vraag ingaan. Daarmee wek ik jegens de belangstellenden naar de tweede vraag immers subtiel de suggestie dat de geestverruimende substanties nog lang niet zijn uitgewerkt; terwijl ik de bezorgde vragenstellers van de derde categorie in de waan laat dat hun sombere vermoedens omtrent mijn geestelijke gezondheid volkomen terecht waren.

Welnu: ​Bedankt voor de belangstelling. Er vond om tien over tien inderdaad een ontmoeting plaats.

De persoon in kwestie wees mij op een versje dat ik ooit schreef voor het poeziealbum van mijn drie jaar oudere zus. Ik was destijds pas vijf; ik kon zo’n rijmpje natuurlijk nooit zelfstandig hebben gecomponeerd. Dat wordt ook direct duidelijk uit de regels waarmee hij kwam aanzetten. De laatste twee zinnen daarvan luiden:

‘Ik gebruik hier woorden op de tast;
mijn moeder houdt mijn handje vast.’


De inzage in dit reeds lang vergeten album heeft mij diep geëmotioneerd, zoals de gehele ontmoeting een volstrekte openbaring was. Tegelijkertijd drong zich een besef aan mij op dat mij oprecht gelukkig maakte: vanaf de allereerste ademtocht in een mensenleven vindt er al registratie plaats. Wat ongetwijfeld ook wil zeggen dat alle pogingen tot kunst die je in woorden bedrijft, altijd talloze meelezers kennen.

​Dat was de hoofdboodschap die mij werd meegegeven. Het maakt ten diepste niet uit welk medium je gebruikt, welke taal je bezigt, hoe onbeholpen de vorm is of wat de exacte inhoud behelst; het hele universum leest mee. Dat onwrikbare gegeven geldt voor alle uitingen van iedereen.

De amechtige, haast krampachtige pogingen om voortdurend dingen onder de aandacht van tijdgenoten te brengen, vergen in dat licht bezien bizar veel overbodige energie. Datzelfde geldt voor de onvermijdelijke zoektocht naar uiterlijke waardering die daarachter schuilgaat. Terwijl die bewijsdrang helemaal niet hoeft. De interventie had dan ook puur tot doel dat ik meer zou gaan creëren vanuit een zuivere innerlijke drang tot expressie, en niet langer vanuit ijdelheid en de zucht naar erkenning.

Het ‘het gaat niet om mij’ waarvan ik van tevoren al vermoedde dat het de kern van de boodschap zou zijn, is daarmee zowel waar als onwaar gebleken. Het is waar in de zin dat het ego en de persoonlijke ijdelheid er totaal niet toe doen; je bent immers slechts een doorgeefluik in een oneindig groter geheel. Maar het is tegelijkertijd onwaar, omdat iedere individuele pennenstreek – hoe klein of op de tast geproduceerd ook – vanaf het allereerste begin wordt gezien en gekend. Je doet er als creator dus wel degelijk toe, zolang de creatie maar voortkomt uit de pure noodzaak om te maken.