Werdegang, zwabberkoers of wonderreis?

Het ontwikkelingstraject van filosofieprofessor Philip Goff.

Fragment uit Terug naar de roeken van het stoppelveld.

Begin jaren zestig besloten mijn ouders om van Rotterdam naar Rijen te verhuizen. Er waren toen nog geen openbare scholen in dat Brabantse dorp. Ik belandde tussen kinderen die ‘van huis uit’ geloofden. Ik weet niet meer wat de aanleiding was, maar op een zeker moment moesten we van onze meester één voor één al onze doopnamen opsommen. Iedereen bleek die te bezitten behalve ik. Het waren er soms wel vijf en sommigen klonken maf en moeilijk. Toch brachten mijn klasgenootjes het er foutloos van af. Was het de bedoeling geweest om mij te vernederen, dan mocht die poging als mislukt worden beschouwd. Ik raakte juist vervuld van trots dat ik ‘slechts’ Ronald heette. Ook al vormde ik de absolute minderheid en had de meester dat aardig blootgelegd, ik voelde mij niet buitengesloten maar uniek; misschien wel een geboren leider. Vanaf die dag drong zich het besef aan mij op dat het een zegen was om ‘niets’ te zijn van huis uit.

Philip Goff presenteert zijn spirituele traject als een moedige zoektocht, maar wat resteert is een geloof dat tot decor is gereduceerd. Het christendom wordt ontdaan van zijn claims, zijn weerbarstigheid en zijn existentiële dreiging, en vervolgens opnieuw aangekleed tot een intellectueel esthetisch object. Dat dit vervolgens als ‘ketters’ en moedig wordt gepresenteerd, maskeert slechts dat hier geen overgave plaatsvindt, maar beheersing. Wie zo gelooft, loopt geen risico, offert niets en hoeft niets te verantwoorden. Het geloof is niet langer een confrontatie met het onzegbare, maar een comfortabel verhaal dat precies past bij degene die het vertelt.

Ik geloof dat ik alle gelovigen expres vreemde vogels ben gaan vinden. Mijn eigen eigenaardigheden nooit buiten beschouwing latend, zijn ze dat in mijn ogen altijd gebleven. Niettemin observeerde ik ze graag en lang in hun vertrouwde omgeving. Enkelen van hen sloten zich vrijwillig op in kloosters of speelden serieus met de gedachte om monnik te worden. Dat vond ik onnavolgbaar. Omdat opofferingen vanwege een geloofsovertuiging mij fascineerden, ben ik hen wat beter gaan volgen. Ook geloofsafval interesseerde me mateloos, juist omdat mij dit zo’n logische reactie leek. Voor mijn beoogd essay voer ik drie typen van ‘zwerfgasten’ op. Ze werden als kind gevormd door het klassieke godsgeloof en zijn daarna een religieuze zoektocht begonnen die een groot deel van hun leven heeft opgeslokt. Ik stel de vraag of het vreemd is dat ze zichzelf nooit volledig aan de eigen haren uit hun geestelijke moerassen omhoog wisten te trekken.

De één heeft “de hele santenkraam” ingeruild voor wat beter in zijn commerciële kraam te pas kwam en verdient inmiddels discutabel veel geld als spiritueel coach, met alle bijbehorende volksverlakkerij van dien. Hij maakt dankbaar gebruik van het bekende principe dat een gek altijd wel een grotere gek vindt die hem bewondert. Tal van goedgelovigen met een religieuze achtergrond staan immers te dringen om, na de geestvernauwing van hun jeugd, opnieuw richting te ontvangen; ditmaal verpakt in een modieus, vaak oosters aandoend vocabulaire, dat vooral de illusie voedt van diepgang, groei en een voortdurend werken aan het zelf. Die honger naar persoonlijke ontwikkeling eindigt opvallend vaak in een kritiekloos aanvaarden van stelligheden, geuit door een goeroe die zich er in zijn arrogante overtuiging nooit voor lijkt te schamen dat hij niets kan bewijzen van wat hij beweert.

De tweede persoon die ik bespreek, bleef altijd katholiek in de traditionele zin van het woord. Hij is meegegaan in de modernisering die de kerk zelf heeft doorgemaakt en staat daardoor onmiskenbaar geëmancipeerder in het leven dan toen hij jong was. Zijn religiositeit verlangde nooit naar een uitweg buiten het systeem; integendeel, hij zocht verdieping binnen het kader dat hem was meegegeven. Dat streven bereikte een culminatiepunt toen hij serieus overwoog bij een klooster in te treden en bereid bleek de wereldse pleziertjes, die hij zich inmiddels had verworven, achter zich te laten. Ik heb altijd geloofd in zijn intrinsieke goedheid. Voor mij belichaamde hij iemand die de christelijke boodschap werkelijk had begrepen. Hypocrisie heb ik hem nooit kunnen verwijten. Juist daarom vond ik zijn persoonlijke zoektocht het moeilijkst te doorgronden. Hij leek in staat zijn vrouw en kinderen op afstand te plaatsen ten gunste van een zuiver ideaal; alsof nabijheid, zinnelijkheid en gehechtheid ondergeschikt waren geraakt aan een morele zuiverheid die hij nastreefde. Die zuiverheid had voor hem onmiskenbaar waarde; voor mij bleef zij betekenisloos.

Sta mij toe nu mijn derde zoeker te introduceren. Ditmaal betreft het iemand die ik niet persoonlijk ken: de filosofieprofessor Philip Goff, werkzaam in Cambridge. Ook hier gaat het om een gelovige jongen van huis uit, die op enig moment aan het zwerven raakte. Waar anderen onderweg alles achter zich laten of juist halsstarrig vasthouden aan wat hen is meegegeven, bewandelt Goff een derde route: hij onderzoekt, ontleedt, herformuleert en richt opnieuw in. Langs de omwegen van atheïsme, panpsychisme en een zorgvuldig geselecteerde spirituele gevoeligheid heeft hij uiteindelijk een nieuw onderkomen gevonden in een liberale, mystiek geïnspireerde variant van het christendom, een geloof dat hij met enige trots aanduidt als ‘ketters’.

De vraag is daarbij niet zozeer of Goff gelooft, maar hoe hij gelooft, en vooral: wat hij onderweg heeft achtergelaten. Vanuit zijn academische positie was hij in staat om vrijwel elke relevante geloofstraditie, filosofische stroming en mystieke praktijk aan een kritisch onderzoek te onderwerpen. Dat heeft hem, naar eigen zeggen en volgens zijn bewonderaars, een coherente visie opgeleverd waarin wetenschap, filosofie en mystiek elkaar ontmoeten. Men zou echter ook kunnen zeggen dat hij het geloof heeft ontdaan van zijn weerbarstige onderdelen en opnieuw heeft aangekleed tot een intellectueel draaglijk geheel.

Goff’s verhaal wordt vaak gepresenteerd als een uitzonderlijk samenhangende spirituele ontwikkeling. Opgegroeid in een katholiek gezin raakte hij vroeg vertrouwd met de rituelen en verhalen van het christendom, maar zijn intellectuele nieuwsgierigheid leidde hem al snel naar een atheïstisch wereldbeeld, dat hij decennialang volhield. Opmerkelijk genoeg bleef hij in die periode ontvankelijk voor mystieke ervaringen en ontwikkelde hij een filosofische belangstelling voor het panpsychisme: de gedachte dat bewustzijn geen bijproduct is, maar een fundamentele eigenschap van de werkelijkheid. Daarmee werd de deur naar het religieuze niet gesloten, maar op een kier gehouden, zorgvuldig bewaakt door academische terminologie.

Een belangrijk keerpunt vormde zijn ontdekking van de mystieke tradities binnen het christendom, met name die van de Oosters-Orthodoxe Kerk. In tegenstelling tot de westerse nadruk op schuld, straf en verzoening herinterpreteert Goff de kern van het christendom als een proces van ‘deificatie’: niet verlossing door plaatsvervangend lijden, maar geleidelijke deelname aan het goddelijke. Het is een lezing die theologisch niet nieuw is, maar die opvallend goed aansluit bij zijn eerdere filosofische overtuigingen, alsof de mystiek hier niet zozeer corrigeert, maar bevestigt.

Binnen deze interpretatie wordt de kruisiging van Jezus niet langer begrepen als een noodzakelijk offer, maar als een daad van radicale solidariteit. God identificeert zich met menselijk lijden en positioneert zich aan de zijde van de zwakken en gemarginaliseerden. Deze visie is ethisch aantrekkelijk en emotioneel overtuigend, maar laat zich ook lezen als een subtiele herschrijving: het harde dogma maakt plaats voor een moreel aanvaardbare symboliek, waarin het kwaad wordt erkend zonder dat er een almachtige, straffende God voor verantwoordelijk hoeft te worden gehouden.

Tegelijkertijd verkent Goff niet-westerse tradities, zoals Advaita Vedanta, waarin het individuele zelf samenvalt met een universeel bewustzijn. Hij erkent de elegantie van dit denken, maar haakt uiteindelijk af bij het probleem van het lijden, dat daar te gemakkelijk als illusie wordt opgevat. Zijn ‘ketterse’ christendom biedt hier een uitweg: lijden is reëel, kwaad bestaat, maar God is nog onderweg. De schepping is onvoltooid, en God evolueert mee; een gedachte die opmerkelijk goed past bij een modern, procesmatig wereldbeeld.

In dit raamwerk vermengt Goff pantheïstische en panentheïstische elementen. Alles is doordrongen van het goddelijke, maar God overstijgt het geheel ook. Jezus krijgt daarbij een exemplarische rol: niet uniek in wezen, maar exemplarisch in graad. Hij fungeert als prototype van wat de mens potentieel kan worden. Het christendom wordt zo een spiritueel oefenprogramma, ontdaan van zijn exclusiviteitsclaims.

Goff positioneert zijn geloof nadrukkelijk als pluralistisch en kritisch. Andere religies — van hindoeïsme tot soefisme — worden erkend als legitieme pogingen tot waarheid. Zijn christendom is geen dogmatische overtuiging, maar een combinatie van hoop, praktijk en esthetische voorkeur. Het biedt gemeenschap en ritueel, zonder de intellectuele vrijheid wezenlijk te beperken. Zekerheden worden vermeden, maar betekenis blijft behouden.

Zo bezien laat Goff’s spirituele traject zich lezen als een zorgvuldig georkestreerde zoektocht waarin niets definitief wordt losgelaten en niets onverenigbaars wordt toegelaten. Wat overblijft is een geloof dat zijn scherpe randen heeft verloren, maar daardoor des te draaglijker is geworden voor de moderne intellectueel.

Tja, wat zal ik er afsluitend van zeggen? Philip Goff laat zien hoe spiritualiteit in onze tijd kan worden gered door haar te herformuleren tot een intellectueel aanvaardbaar ontwerp. Het geloof wordt daarbij niet verworpen, maar zorgvuldig gestript van alles wat werkelijk tegenspreekt, verstoort of verplicht. Wat resteert is een esthetisch en moreel comfortabel systeem dat zich presenteert als diepgang, maar in wezen elk risico op radicale confrontatie vermijdt. Het is een geloof dat niets eist, niets bewijst en uiteindelijk vooral bevestigt wat al gedacht werd.

Juist daarin schuilt volgens mij niet alleen de aantrekkingskracht, maar ook de fundamentele zwakte van dit project. In het werk van Philip Goff fungeert religie uiteindelijk als een aankleedpop: het oude keurslijf is afgeworpen, maar het lichaam blijft hetzelfde. Door selectief te citeren, herinterpreteren en combineren wordt het christendom herschapen tot een systeem dat naadloos aansluit bij hedendaagse morele en intellectuele voorkeuren. Wat als ‘ketterij’ wordt gepresenteerd, blijkt bij nader inzien een vorm van spirituele maatwerkproductie, waarin elk element dat werkelijk schuurt, wordt vervangen door symboliek, procesdenken en goedbedoelde vaagheid. Het resultaat is geen geloof dat bevraagt of ontwricht, maar een overtuiging die zich probleemloos laat dragen; juist omdat zij nergens meer werkelijk op het spel staat.

PS 1: Wie na het lezen van dit stukje nieuwsgierig is geworden naar de ideeën van Philip Goff, kan terecht in zijn boek Why? The Purpose of the Universe (Oxford University Press, 2023). Daarin gaat hij dieper in op vragen over bewustzijn, kosmisch doel en de herinterpretatie van religieuze tradities; precies de thema’s die ik hier voorzichtig heb verkend.

PS2: Ik heb geprobeerd zo objectief mogelijk te blijven bij het schetsen van Goff’s gedachte-ontwikkeling. Toch kon ik er niet omheen: hier zien we opnieuw het patroon van iemand die als kind werd gevormd door het klassieke godsgeloof, zichzelf later gedurende vele jaren als atheïst bestempelde en nu, na een omzwervende intellectuele en spirituele zoektocht, vrij voorspelbaar uitkomt bij spiritualiteit, mystiek en een persoonlijke interpretatie van het christendom. Dat doet bijna denken aan een Werdegang, een levenspad dat kronkelt en zich ontvouwt in fasen van afwijzing, herwaardering en innerlijke synthese. Anderen, waaronder enkele van zijn kritische collega’s en universitaire recensenten, zouden dit eerder een zwabberkoers noemen: een traject dat heen en weer beweegt tussen filosofische zekerheid en existentiële twijfel, waarbij de uiteindelijke bestemming voornamelijk scepsis oproept.

Panentheïsme is een filosofische en theologische stroming die een middenweg probeert te vinden tussen het klassieke godsbeeld (God staat los van de wereld) en pantheïsme (God ís de wereld).

De term komt uit het Grieks:

  • Pan: alles
  • En: in
  • Theos: God

Letterlijk betekent het dus: “Alles is in God.”

In het panentheïsme wordt God gezien als de bezielende kracht die door het hele universum stroomt en waarin het universum zich bevindt. Het grote verschil met andere visies is:

  1. Immanent: God is overal aanwezig in de natuur en de kosmos (net als bij pantheïsme).
  2. Transcendent: God is tegelijkertijd groter dan het universum. Als het universum zou ophouden te bestaan, zou God volgens deze leer nog steeds bestaan. Het universum is een deel van God, maar God is niet beperkt tot het universum.

Heeft dit een wetenschappelijke onderbouwing? Nee. Het is belangrijk om dit kritisch te bekijken. Drie opmerkingen:

  • Geen wetenschappelijke theorie: Panentheïsme is een metafysische of filosofische opvatting, geen wetenschappelijke. Het doet uitspraken over de “aard van het zijn” die niet toetsbaar of falsifieerbaar zijn met de wetenschappelijke methode.
  • Compatibiliteit: Veel panentheïsten (zoals aanhangers van de procestheologie) stellen dat hun wereldbeeld juist goed samengaat met de wetenschap. Zij zien bijvoorbeeld de wetten van de natuur of de evolutie als de manier waarop “God” zich uitdrukt in de materie.
  • Panpsychisme: Er is een raakvlak met de filosofische stroming van het panpsychisme (het idee dat bewustzijn een fundamentele eigenschap van materie is), waar tegenwoordig in de analytische filosofie en sommige hoeken van de neurowetenschap serieus over gedebatteerd wordt. Echter, panentheïsme voegt daar een religieuze/goddelijke laag aan toe die wetenschappelijk gezien niet te bewijzen valt.