Ornithologische parallellen; 2. Habijt/verenpak

Een roek bezit een broek, volgens ornitologen, maar hij heeft hem overdrachtelijk bijna nooit aan.

Fragment uit Terug naar de roeken in het stoppelveld

De monnik probeert zijn natuur te overstijgen; de roek gehoorzaamt eraan zonder restschuld. Misschien geldt dit onderscheid voor alle monnik–roek-parallellen die ik hier nog naar voren wil brengen. Symbolische gelijkstelling tussen mens en dier blijkt vaak onmogelijk, maar in de lichte tegenstelling openbaart zich ook een vorm van verwantschap. Vandaag wil ik het hebben over het habijt en het verenpak. In het licht van het bovenstaande zou je kunnen zeggen: het habijt verbergt het lichaam, het verenpak ís het lichaam. Beide vormen nogal onopvallende lichaamsbedekkingen in een toch al sober bestaan. Voor roeken was de kleur geen keuze, maar een evolutionaire aanpassing. Het is duidelijk dat monniken er nooit op uit waren de laatste mode te volgen.

De monnik oefent zich in gehoorzaamheid aan een regel; de roek gehoorzaamt zonder oefening zijn natuur. In deze spanning tussen keuze en instinct ligt de kern van hun verwantschap. Dat verschil laat zich niet overbruggen, maar het verheldert de vergelijking. Zo ook, dat zij zich in eenzelfde soort van sober gewaad hullen.

De kleur en het ontwerp van het habijt zijn ontstaan uit soberheid en zelfbeperking. Wat bij de roek onvermijdelijk was, is bij de monnik gekozen; wat bij de roek lichaam werd, is bij de monnik teken: ongeverfde wol, eenvoudige snit, herhaalbaarheid boven individualiteit, armoede als deugd, onopvallendheid als streven. Waar bij de roek kleur en vorm het resultaat zijn van natuurlijke selectie, zijn zij bij de monnik het gevolg van een morele en institutionele keuze. Het zwart van de roek heeft geen betekenis, maar geeft een toestand weer; het uiterlijk van de monnik is beladen met bedoeling. In beide gevallen — en dat is dan toch weer een vergelijking die opgaat — ontbreekt een esthetisch verlangen. Het ene zwart is onvermijdelijk, het andere bedacht; mooi zijn was nooit een streven.

Wat bij de monnik schaamte en kuisheid heet, heeft bij de roek geen equivalent. De vogel kent geen schaamte, zoals hij ook geen zonde kent; zijn verenpak verhult niets en onthult niets, maar doet wat het moet doen. Camouflage is geen deugd, slechts een gevolg. Toch ontstaat er opnieuw een parallel, zij het een scheve. Zowel monnik als roek gaan op in een collectief dat groter is dan het individu. De monnik door zich te voegen naar de orde, herkenbaar en inwisselbaar, de roek door tot een soort te behoren waarvan kleur en vorm geen persoonlijke variatie dulden. Waar bij de monnik herkenbaarheid een oefening in discipline is, is zij bij de roek een biologisch gegeven. Zelfs de tijdelijkheid verschilt: de monnik blijft zijn regel trouw, de roek wisselt van veren en blijft toch dezelfde. Het één vergt volharding, het ander gehoorzaamheid en juist in dat verschil wordt duidelijk hoe ver de vergelijking kan reiken zonder haar te forceren.

Zo eindigt dit tweede deel van mijn ornitologische parallellen: het habijt en het verenpak, soberheid en gehoorzaamheid, bedekking en belichaming; de monnik en de roek tonen hoe uiterlijke vormen verbonden zijn met innerlijke of functionele noden. De vergelijking is nooit perfect; ze dwingt tot terughoudendheid. Maar juist in de spanning tussen het gekozene en het onvermijdelijke, tussen discipline en instinct, openbaart zich een inzicht dat bij mij bleef hangen: dat orde, soberheid en herkenbaarheid in heel verschillende werelden op vergelijkbare manieren betekenis krijgen, al is die betekenis voor mens en vogel fundamenteel verschillend. Het habijt bedekt de mens, het verenpak omhult de vogel. In hun soberheid en gehoorzaamheid weerspiegelt zich eenzelfde stille schoonheid.