De VS hebben hun beste president vermoord

…terwijl een psychopathische schurk niet eens wordt geïmpeacht.

Als mijn ouders, begin jaren zestig, in Rotterdam waren gebleven, zou ik nooit op een christelijke school zijn beland. Maar in Gilze-Rijen kon ik er niet aan ontkomen; er was daar geen onderwijs voorhanden zonder bijbel. Zodoende leerde ik van Jezus’ zondedood; zijn eigen Heilige Vader haalde hem voortijdig weg bij de mensen. Thuis werd dat verhaal genuanceerd (“God bestaat niet”), maar een andere vergelijkbare tragische gebeurtenis diende zich alweer aan: de grote leider van Amerika werd op 22 november 1963 vermoord. “Door zijn eigen mensen”, beweerde mijn vader. We hebben thuis nooit iets anders geloofd. De moord op Kennedy – niet alleen de dood zelf, maar ook het raadselachtige karakter ervan, de tegenstrijdige verklaringen, de vermoede betrokkenheid van staatsinstanties en de eindeloze stroom speculaties en reconstructies – fascineerde hem mateloos. Dit werd thuis zichtbaar aan de groeiende plank vol boeken over Dallas, Oswald en de complotten rond de aanslag.

Toen ik begon aan JFK and the Unspeakable: Why He Died and Why It Matters van James W. Douglass, dacht ik dat ik een zoveelste boek over de moord op John F. Kennedy zou lezen. Maar Douglass doet iets veel fundamentelers: hij legt de anatomie bloot van een staatsgreep. Hij laat zien dat de vraag wie Kennedy doodde onlosmakelijk verbonden is met de vraag waarom hij een existentiële bedreiging vormde voor de instituten van zijn eigen land. Dat verschil is essentieel.

Inmiddels heb ik ook het JFK-gedeelte van Martyrs to the Unspeakable gelezen, en de optelsom van beide boeken is voor mij onontkoombaar. Waar JFK and the Unspeakable de gedetailleerde, bijna obsessieve reconstructie is van de politieke confrontaties, functioneert Martyrs als de morele slotsom. Douglass stapt hier weg van de feiten om de gruwelijke betekenis van de moord te duiden: Dallas was geen tragisch incident, maar een noodzakelijke interventie van een systeem dat vrede als een direct gevaar voor de nationale veiligheid beschouwde.

Wat mij in beide boeken zo aangreep, is de gedocumenteerde transformatie van Kennedy. Hij was aanvankelijk een overtuigd kind van de Koude Oorlog, gevormd door machtspolitiek. Maar de Cubacrisis was zijn breekpunt. Douglass toont aan dat Kennedy daar veranderd uitkwam. Hij besefte dat hij de leiding had over een apparaat dat richting totale zelfvernietiging dreef; een systeem van generaals en adviseurs die nucleaire escalatie niet alleen acceptabel, maar zelfs wenselijk achtten. Hoe meer ik Douglass las, hoe duidelijker het werd dat Kennedy’s daaropvolgende koerswijziging zijn doodvonnis tekende.

Zijn openlijke toenadering tot Chroesjtsjov en de beroemde vredesrede aan de American University waren geen loze retoriek; het waren daden van openlijk verzet tegen het diep gewortelde militaire establishment. Het meest overtuigende bewijs voor de noodzaak van zijn eliminatie vind ik echter in Vietnam. National Security Action Memorandum 263 – Kennedy’s concrete plan om de troepen terug te trekken – was de definitieve splijtzwam. Douglass laat zien dat de oorlogsmachine een eigen momentum had gekregen dat geen halt meer toeriep voor een president. De snelheid waarmee dit beleid na de moord door Lyndon B. Johnson werd teruggedraaid, spreekt boekdelen.

De kracht van Douglass’ argumentatie zit niet in één enkel bewijsstuk, maar in de verstikkende opeenstapeling van spanningen tussen Kennedy en de legertop en veiligheidsdiensten. De openlijke vijandschap van de CIA na de Varkensbaai en de woede van de militaire haviken vormden de opmaat naar een onvermijdelijke botsing. Douglass schetst het beeld van een president die door de structuren die hem geacht werden te dienen, werd geïsoleerd en uiteindelijk geëlimineerd.

Het begrip ‘the Unspeakable’, dat Douglass ontleent aan Thomas Merton, is daarom de enig juiste kwalificatie. Het beschrijft de ijzingwekkende werkelijkheid van een schaduwmacht waarin militarisme en geheimhouding zo verstrengeld zijn dat democratische controle slechts een illusie is. Douglass confronteert de lezer met een moreel trauma dat men liever negeert omdat de implicatie te groot is: Kennedy werd niet vermoord door een eenling, maar geëxecuteerd door zijn eigen regering.

Ik bleef achter met de wetenschap dat ik geen ‘ketters’ geschiedenisboek had gelezen, maar een verslag van een keerpunt. Dallas was de gewelddadige vernietiging van een historische richting die Amerika even leek in te slaan. Kennedy stierf als martelaar, vermoord door een systeem dat vrede gevaarlijker vond dan de ondergang van de wereld.

Annex: De onuitspreekbare werkelijkheid van vandaag

Wie denkt dat de krachten die Douglass beschrijft met de jaren zijn getemd door democratische controle of moreel voortschrijdend inzicht, kijkt naar een land dat niet bestaat. Integendeel; het systeem is alleen maar efficiënter geworden in het verbergen van de naden, terwijl de corruptie zich als een veenbrand heeft verspreid. De Amerikaanse democratie balanceert momenteel op een afgrond, voortgestuwd door een Republikeinse schurkenbende die de instituten niet langer wil dienen, maar wil gijzelen.

De parallel met Kennedy is wrang, maar noodzakelijk. JFK probeerde via diplomatieke weg een brug te slaan naar Chroestsjov om de wereld te behoeden voor een nucleaire apocalyps. Dat was een daad van moed, een poging tot vrede vanuit een moreel kompas. Als we dat leggen naast het huidige geflirt van Trump met Poetin, zien we de ultieme pervertering van diplomatie. Waar Kennedy zocht naar vrede via openheid en dialoog, zien we nu een sinistere verstandhouding die niet is gestoeld op wereldvrede, maar op de gedeelde bewondering voor autocratie en eigenbelang.

Het is de paradox van de macht: Kennedy werd geëlimineerd omdat hij de vrede zocht binnen een systeem dat oorlog nodig had; de huidige machthebbers ondermijnen de vrede juist door de fundamenten van de democratie zelf te slopen.

Ik ben er heilig van overtuigd dat de ‘Unspeakable’ vandaag de dag nog steeds de dienst uitmaakt, zij het in een moderner jasje. Het militair-industrieel complex waar Eisenhower voor waarschuwde en waar Kennedy zijn tanden op stukbeet, is inmiddels gefuseerd met een ongekende financiële hebzucht en een totale minachting voor de waarheid. Dit ondoorzichtige netwerk van het Pentagon, de inlichtingendiensten en hun commerciële belangen is geenszins getemd; het wordt simpelweg gefaciliteerd door een politieke klasse die de burgerrechten liever bij het grofvuil zet dan de eigen privileges opgeeft.

Misschien is dat wel de meest bittere pil: we kijken niet langer naar een systeem dat een president elimineert omdat hij te progressief is, maar naar een systeem dat de volledige staatsstructuur aanpast aan de grillen van de meest corrupte elementen binnen de samenleving. De moord op JFK was het startschot voor een proces dat nu zijn voltooiing nadert. De ‘stilte’ waar Douglass over spreekt, is inmiddels een oorverdovend lawaai geworden van desinformatie en politiek opportunisme.

Lezersreactie:
Ik zou van ‘impeached’ de nederlandse versie maken. In het Nederlands schrijf je doorgaans: hij wordt geïmpeacht, dus mét trema en als vernederlandste werkwoordsvorm. Het werkwoord wordt dan behandeld zoals andere uit het Engels overgenomen werkwoorden: uploaden → geüpload, deleten → gedeletet, improviseren → geïmproviseerd. Het trema in geïmpeacht laat zien dat je de i apart uitspreekt. In meer journalistieke of informele stijl kun je de Engelse vorm onveranderd laten, zoals je deed: “Trump wordt impeached.” Maar volgens Nederlandse spellingslogica is geïmpeacht de meest vernederlandste en taalkundig consistente vorm.

Antwoord: Ok, bij deze aangepast. Op jouw risico.

Flaneren met Wittgenstein

Over mode-filosofie en de logica van het sadistische universum.

De Tractatus was zo’n boek waarmee ik vroeger liep te pronken zoals anderen met een Louis Vuitton of de Gazzetta dello Sport. De taalfilosoof draait zich nu misschien om in zijn graf vanwege mijn onzuivere woordgebruik. Pronken met een dure handtas behoort tot een andere categorie; daar draait alles om geld en status. En die beroemde roze sportkrant? Die trok weliswaar aandacht, maar dan van een publiek dat mij volkomen koud liet. Bovendien wordt alles in die krant door de lezer gespeld. Bij Wittgensteins beruchte werk lag dat anders. Ik kon de eerste zin citeren en kende ook de legendarische uitsmijter: “Wovon man nicht sprechen kann, darüber muss man schweigen.” Een prachtig ironisch credo voor iemand die het boek vooral gebruikte om indruk te maken. Steeds opnieuw probeerde ik het te begrijpen, maar mijn werkelijke kennis kwam uiteindelijk uit secundaire bronnen. Willem Frederik Hermans bewees als vertaler het wél volledig te hebben doorgrond. Door zijn lens werd de Tractatus Logico-Philosophicus bijna onaantastbaar.

Hermans had een broertje dood aan ‘gezwam’. In de Tractatus vond hij de ultieme munitie tegen de zweverige naoorlogse ethiek en religie. Voor hem was Wittgenstein een opruimdienst. De beroemde stelling 7 vertaalde Hermans als: “Houd je kop als je niet weet waar je het over hebt”. Het is ironisch dat ik het werk als mode-item gebruikte, terwijl Hermans het inzette als een vlijmscherp scalpel. In zijn essaybundel Het sadistische universum presenteert hij Wittgenstein als de enige die de wereld werkelijk durft te zien als een verzameling feiten, los van menselijke moraal. Wittgenstein vond dat de meeste mensen hem niet hadden begrepen. Zelfs Bertrand Russell kreeg er, afgaande op de inleiding tot de engelse vertaling, verbaal van langs. Dat ik enkel de eerste en laatste zin kende, maakte mij in zekere zin een eerlijker lezer dan degenen die deden alsof ze de logische proposities wisten te doorgronden.

Ik gebruikte de Tractatus niet alleen om indruk te maken, maar ook in de hoop de sleutel te vinden die Hermans erin leek te hebben ontdekt. Waar ik verdwaalde in de mist van logische proposities, gebruikte hij de Tractatus als een vlijmscherp scalpel. De beroemde slotzin van Wittgenstein hanteerde Hermans niet als een bescheiden advies, maar als een intellectueel executiepeloton. Alles wat naar metafysica, morele verheffing of spiritueel gezwets rook, werd door hem zonder pardon als gezwam terzijde geschoven.

In zijn essays hield hij Wittgenstein omhoog als een stopbord tegen vaagtaal. Wie begon over ‘de zin van het leven’ of ‘de schoonheid van de ziel’, maakte zich volgens hem schuldig aan intellectuele oplichting. Hermans was daardoor bijna ‘bulletproof’: hij verschanste zich achter een muur van logische onwrikbaarheid. De wereld bestond uit feiten, niet uit verborgen bedoelingen of goddelijke plannen. Voor iemand als ik, die allergisch is voor elke zweem van spirituele mistvorming, had dat wereldbeeld iets bevrijdends, al ging er ook een ijzige kilte van uit.

Die fascinatie sijpelde door in zijn romans. In Nooit meer slapen probeert Alfred Issendorf wanhopig de werkelijkheid met kennis, kaarten en metingen te bedwingen, maar juist daarin gaat hij ten onder. Hij struikelt niet alleen over stenen in Finnmark, maar ook over het onvermogen van taal en logica om de chaos van de werkelijkheid volledig vast te leggen. In De donkere kamer van Damokles wordt waarheid zelfs zo rekbaar dat feiten en interpretaties niet langer van elkaar te scheiden zijn. Alsof Hermans uiteindelijk moest erkennen dat Wittgensteins logische vestingwerk toch scheuren vertoonde zodra echte mensen, oorlogen en angsten het betraden.

De ironie blijft dat ik de Tractatus onder mijn arm klemde om erbij te horen, terwijl Hermans het gebruikte om anderen buiten te sluiten. Mijn eigen ‘mislukking’ – niet verder komen dan de eerste en laatste zin – is misschien wel de eerlijkste verhouding die ik ooit met het boek heb gehad. Wittgenstein schreef dat men de ladder moest wegwerpen nadat men haar had beklommen. Ik had die ladder nooit echt beklommen, maar ik poseerde er wel mee. Misschien schuilt juist daarin iets wezenlijk menselijks: de onbedwingbare neiging om de stilte toch weer met woorden te vullen, zelfs wanneer we diep vanbinnen weten dat we eigenlijk zouden moeten zwijgen.

Lezersreactie:
Ik denk eerlijk gezegd niet dat Hermans Wittgenstein echt heeft begrepen, maar dat hij de taalfilosoof vooral exploiteerde voor zijn eigen project: het ontmaskeren van de menselijke moraal als een verzameling misverstanden. Voor hem was de zwijgplicht uit de laatste zin van de Tractatus louter het ultieme wapen om de Nederlandse literatuur te zuiveren van wat hij ‘het vage, het ethische en het zalvende’ noemde.

Mijn antwoord:
Tja, we zullen nooit weten of Wittgenstein W.F. Hermans niet ook had bekritiseerd als de taalfilosoof het werk, de uitspraken en de vertaling van de Nederlandse schrijver had gekend. Hermans heeft in een interview alle filosofie als een vorm van bellettrie bestempeld. Dat was niet vlijend bedoeld en het is niet duidelijk of die kwalificatie ook voor de Tractatus gold. In ieder geval maakte hij dankbaar gebruik van de reputatie van Wittgenstein en diens boek; namelijk dat zij onaantastbaar autoritair waren.
Waar tijdgenoten zich overgaven aan psychologische duidingen of morele verheffing, sneed Hermans alles weg wat niet aan de strikte eisen van de logica voldeed. Hij vond dat wie de taal misbruikte om over onbewijsbare zaken te spreken, zich schuldig maakte aan intellectuele oplichting. Het maakte hem tot de meest gevreesde polemist van zijn tijd. Hermans’ wereldbeeld was dat van de technocraat en de geoloog: de natuur is er, de feiten liggen vast, en elke menselijke poging om daar een hogere betekenis aan te geven is gedoemd te mislukken.
Wetenschappelijk gezien is de Tractatus een poging om de taal te zuiveren tot een instrument dat enkel nog de werkelijkheid spiegelt. Voor Hermans was dat de enige legitieme vorm van schrijven. Omdat mensen niet kunnen zwijgen over zaken waarover ze niets weten, ontstaat er een ‘sadistisch universum’ waarin iedereen elkaar met woorden bedriegt. Hermans bewees daarmee dat Wittgenstein weliswaar gelijk had dat we moesten zwijgen, maar dat de menselijke natuur te ijdel en te angstig is om dat ook daadwerkelijk te doen. Hij dreef de spot met die onbedwingbare drang om de stilte te vullen met onzin; een drang waar ik, met mijn boek onder de arm op zoek naar status, me ook een beetje schuldig aan maakte.
Het maakt mij eerlijk gezegd niet zoveel uit of Hermans Wittgenstein helemaal bevatte. De filosoof heeft hem in ieder geval uitgedaagd om de uiterste consequentie van de feitelijkheid op te zoeken. Waar anderen de leegte tussen de feiten opvullen met spiritueel cement of morele troost, dreef Hermans de spot met die vluchtwegen. Hij eiste, net als Wittgenstein, dat we de wereld onder ogen zagen zoals ze is: een verzameling feiten die onze taal weliswaar kan spiegelen, maar die zich verder niets van ons aantrekt.
Voor Hermans was die begrenzing van de taal geen beperking, maar een morele plicht. Hij wilde dat we stopten met het uitwisselen van ‘gezwam’ en terugkeerden naar een verstandige, zuivere uitwisseling over datgene wat wél vaststaat. Of hij de logische formules nu tot in de finesses doorgrondde of niet; hij begreep de provocatie van de Tractatus als geen ander: durf te zwijgen over wat je niet weet, zodat wat je wél zegt, eindelijk weer gewicht krijgt. In die zin was hij geen nihilist, maar een radicale realist die de ladder van Wittgenstein beklom om het uitzicht op de kale, onversierde waarheid te kunnen verdedigen.

IJdelheid in ijle lucht

Over geldingsdrang die niet goed van de grond komt.

In mijn top veertien van reizigers die naar plekken gaan waar ze niets te zoeken hebben, staat de bergbeklimmer bovenaan. Deze hoogtehobbyist of beroepsklauteraar haalt de ecologische voetafdruk van een gemiddelde vakantieganger op z’n sloffen. Zijn leven is een zinloze verspilling van aardse middelen teneinde zijn egocentrisme in verticale banen te leiden.

Klimmen is zonder meer slecht voor het milieu. Daarmee vergeleken kunnen we de verstilde activiteit van een schrijver bijna deugdzaam noemen. Maar veel auteurs zoeken spannende onderwerpen en daarvoor gaan ze vaak de deur uit. Van alle reisboekenschrijvers – op zich al een heel vervuilend volkje – is de inkt van de klimboekenschrijver het meest bezoedeld. Eerst moet je schade aanrichten alvorens de schande te kunnen beschrijven.

Of het allemaal naar waarheid is opgetekend valt trouwens te betwijfelen. Soms wordt er te hoog opgegeven over de prestaties. Wat de bereikte hoogte in werkelijkheid was blijft in nevelen gehuld. IJdelheid reikt ver. Een narcist fabuleert – als je ’t mij vraagt – gemiddeld iets gemakkelijker dan normale stervelingen. Verzonnen triomfen zijn niet van de lucht in de klimsport.

Ik weet niet of Ronald Naar als voorbeeld kan dienen. Hij beschreef hoe hij de top van de 8125 meter hoge Nanga Parbat bereikte. Zijn reisgezel Frank Moll stelde dit in twijfel. Naar klom opnieuw in de pen. Dat was wat de man deed: hij schreef of hij steeg. Tussendoor schoot hij plaatjes als zelfverklaard fotograaf. Echter: een selfie op die berg ontbrak helaas. Er is nooit een topfoto geschoten c.q. opgedoken.

Bergbeklimmer Frank Moll uitte zijn twijfels in een interview met het blad Op Pad. Ook hier hebben we met een klimboekenschrijver te maken, maar omwille van het bovenhalen van de waarheid, zoals hij het zelf – akelig nobel – verwoordde, raakten de eigen klimprestaties een beetje ondergesneeuwd en begon hij de man, die hij ooit zo bewonderde, zwart te maken.

Iedere bergsporter met een handig pennetje kan een oeuvre opbouwen in veelvoud: 1. Beschrijving van de eigen reis naar de top (het klassieke reisboek). 2. Het in twijfel trekken van de claims van andere klimmers (het klokkenluidersgenre). 3. Het verdedigen van jezelf als anderen jouw woord in twijfel trekken (de polemiek of het verdedigingsgenre). Frank Moll is uiteindelijk vooral de schrijver geworden van de roman ‘Hoog Verraad’, een categorie op zich waarin alle eerder genoemde categorieën aan bod komen maar dan in fictievorm.

Naars verweer werd misschien wel zijn grootste krachttoer. ‘Hoge toppen vangen veel wind’ is een aardig boek geworden maar iedereen overtuigen lukt nooit. Hij schreef (en procedeerde) tegen de klippen op om zijn versie van de toedracht te bewijzen. Toch wel triest voor megalomane topsporters als, na al dat ijle streven op onmogelijke plekken, boos geschrijf in een kamertje thuis de meest verwoestende kracht wordt van je levenslange geldingsdrang.

Frank Moll is door de rechter het zwijgen opgelegd. Hij mocht in het openbaar niet meer zeggen dat Naar een leugenaar was. Koos hij daarom voor literaire middelen? De lezer krijgt een fictievariant voorgeschoteld met personages die meteen doen denken aan hemzelf en Naar. We lezen over een klimvriendschap die eindigt in wederzijdse haat. Kan de waarheid zo belangrijk zijn? Of de fabricage van een boekje dat voor literatuur moet doorgaan?

We zien hier vooral een paranoïde obsessie, vergelijkbaar met wat het klimmen zelf was voor beide klimmers. Beide mannen hadden veel te bewijzen. Ze zaten elkaar als boze haantjes in de weg. Wat Naar betreft denk ik: waarom niet berusten in het feit dat ‘het zelf’ wel weet waar het geweest is? Je zou zeggen dat de ware vorm van ‘zelfrealisering’ zonder dit welles nietesspelletje kon.

Maar erg zen zijn ze niet, die klimmers. Anders zouden ze wel afzien van het klimmen en wat meer in hun hoofd reizen. Dat is bovendien veel beter voor het milieu.

📱🔄 Voor de juiste weergave van de bladspiegel en regelafbreking adviseer ik om je telefoon in landscape mode (horizontaal) te houden. Zo zie je het gedicht zoals het bedoeld is.

Veertien richels, veertien sommetten


Dat hijgend zich naar bergtoppen begeven,
op eigen kracht, om ’t planten van een vlag,
als acrobatentoer, spektakelstunt, en het verslag
in beeld gebracht, is dat hun hoogste streven?

Naar boven willen reiken, uit ijdelheid,
in ijle lucht, om de volharding van de geest,
of om te zeggen: daar en daar zijn wij geweest,
lijkt mij zo plat, zo’n opgezochte strijd.

Wat ik als kind in huis wel deed op treden,
dromend van steiltes en bereikte hoogten,
op richels pal staand, theatrale schreden,

heb ik nooit in werkelijkheid beoogd, en
wat ik liever zag, uit leedvermaak tevreden,
is dat ze vallen; zijn ze snel beneden!


©Ronald van Noorden ©2012 Uitgeverij Cum Suis