Haar “tja” werd een plotseling “ja”

Het faillissement van de platonische vrede; een vriendschap van jaren gereduceerd tot louter voorspel.

Zijn seksuele toespelingen hadden tot dan toe steevast een spottend ‘tja’ op haar lippen getoverd, alsof ze de precieze hoeveelheid enthousiasme probeerde te doseren die nodig was om de vriendschappelijke vrede te bewaren zonder valse hoop te wekken. En toch maakten zijn erotische hints meer bij haar los dan ze liet merken; haar lichaamstaal legde een onwillekeurig protest bloot dat haar eenlettergrepige schamperheid direct tegensprak. Het schreeuwde om een vluchtroute, hoe smalend ze ook bleef glimlachen. Het bracht een nerveuze spanning teweeg die, gemeten naar de graad van cognitieve dissonantie, ook begrepen kon worden als een wanhopige poging om de uiterlijke schijn van onbewogenheid te redden.

Heel haar biologie stak de draak met die gecultiveerde gereserveerdheid. De kuiltjes tussen haar sleutelbeenderen verraadden een plotselinge, oppervlakkige ademhaling en het ritmische kloppen in haar hals hield gelijke tred met zijn herhaalde insinuaties. Terwijl haar verstand nog zocht naar een intellectuele vluchtroute, verwijdden haar pupillen zich onwillekeurig en oncontroleerbaar; een gitzwarte bekentenis die haar honende lachje rücksichtslos tegensprak. Haar vingers zochten nerveus de rand van haar glas, alsof ze zich ergens aan moest vasthouden om niet toe te geven aan de hitte die zichtbaar via haar decolleté omhoog kroop.

Hij zweeg even en liet de stilte tussen hen vallen als een vergeefse adempauze. Het was fascinerend om te zien hoe haar gecultiveerde fatsoen vocht tegen de realiteit van haar eigen huid; een ongelijke strijd die ze eigenlijk al had verloren.
“Je ‘tja’ klinkt heel verstandig,” zei hij, terwijl hij zijn blik traag van haar lippen naar het ritmische kloppen in haar nek verschoof; “maar je lichaam spreekt een heel andere taal.”
Ze wilde antwoorden, dat zag hij aan de lichte trilling van haar onderlip, maar de woorden bleven steken in een ademteug die net iets te lang duurde. De spottend-amicale vrede waar ze zo angstvallig aan vasthield, was flinterdun geworden.

Haar krampachtige grip op het glas bood de uitnodiging waar hij op had gewacht. Hij reikte over de tafel en legde zijn hand vlak naast de hare; niet om haar aan te raken, maar om de warmte te voelen die inmiddels van haar hele lijf af straalde. Ze trok haar hand niet weg. Haar ademhaling stokte even; een minieme hapering in haar verdediging die de spanning in de kamer deed zinderen.
“Als je echt wilt vluchten,” fluisterde hij, terwijl hij de afstand tussen hun gezichten net genoeg verkleinde om de geur van haar parfum vermengd met de opgelaaiende blos van haar wangen zo intens mogelijk te ervaren, “moet je nu opstaan.”

Ze bleef zitten. De seconden tikten weg met een lome, zware traagheid, maar de verwachte opstand bleef uit; haar benen weigerden simpelweg de orders van haar gekrenkte geestvermogen op te volgen. In plaats daarvan liet ze haar hoofd een fractie achteroverhellen, een micro-beweging waarmee ze haar hals nog verder ontblootte, alsof ze zich onbewust schikte in de onvermijdelijkheid van het gebeuren.
“Ik sta niet op,” fluisterde ze, en hoewel haar stem probeerde te klinken als een nuchtere vaststelling, verraadde de hese ademloosheid eronder de totale overgave.

Ze liet de rand van het glas los en gleed met een langzame, bijna tastende beweging over het tafelblad, tot haar nagels de zijkant van zijn duim raakten. Die eerste, minimale aanraking stuurde een schokgolf door haar autonomie; hij zag de rilling over haar schouders lopen terwijl de huid op haar armen zich samentrok in een vlaag van kippenvel. Nu bloosde ze overal. Haar verstand had de strijd gestaakt. Wat overbleef was de pure, ongecensureerde reactie van een lichaam dat veel te lang had moeten hongeren naar wat hij haar zojuist met een paar gewaagde toespelingen had voorgespiegeld.

Hij draaide zijn palm en sloot zijn vingers om de hare; haar huid was heet en vochtig van de nerveuze opwinding die ze, met haar blik strak in de zijne gevangen, niet meer probeerde te ontkennen. De vriendschappelijke vrede werd definitief verscheurd. Voorzichtige verstrengelingen vormden een te mager compromis voor de spanning die het liefdesspel inmiddels dicteerde. Hij liet haar los en bracht zijn hand omhoog, traag genoeg om haar de kans te geven om alsnog terug te deinzen. Ze verzette zich niet. Zijn tastzin vond de zijkant van haar hals, waar de slagader nog altijd als een bezetene tekeerging.

Toen gleed zijn hand onherroepelijk omlaag. Via de glooiing van haar boezem, die heftig meeboog op haar ademhaling, dreef de gloed van haar huid hem naar de bovenrand van het verborgene; en ten slotte daaronder, naar de verboden contouren van haar borst die onder de dunne stof van haar kleding uitnodigend aanvoelde. Een smekende, hese zucht ontsnapte aan haar lippen toen zijn pink haar tepel vond, die zich onder de hernieuwde druk onmiddellijk hard en rebels aftekende. Hij had haar fatsoen niet alleen monddood gemaakt, het was fysiek gecapituleerd.

Terwijl hij bezitnam van dit herwonnen territorium, registreerde een overgebleven, cynisch deel van zijn brein de absolute roekeloosheid van deze transactie. Hij vond het fascinerend hoe de calculus van de begeerte werkte; hoe hij in het belang van deze prachtige, vleselijke samensmelting bereid was om de zorgvuldig opgebouwde houdbaarheid van een jarenlange vriendschap op het spel te zetten. Rationeel gezien vormde dit een inferieure deal; een emotioneel faillissement dat op de lange termijn onherroepelijk zijn tol zou eisen. Maar nu wogen de herinneringen aan hun veilige, platonische routine van de afgelopen jaren op geen enkele manier op tegen de tastbare realiteit van het moment. Hij reduceerde hun complete geschiedenis met terugwerkende kracht tot louter voorspel; en het angstaanjagende was dat de wetenschap dat hij alles op het spel zette, de naderende extase een bijna transcendente lading gaf.

Het limbische systeem kende geen geschiedenis. Het trok zich al helemaal niets aan van toekomstige nostalgie. De herinneringen aan hun gedeelde lachsalvo’s, de diepe gesprekken tijdens nachtelijke autoritten en de veilige platonische routine van de afgelopen jaren wogen niet op tegen de zwaartekracht van haar blik, de aanraking van haar hele wezen en vooral ook de overgave aan haar altijd zo zorgvuldig verborgen genotsvocht en lichaamsgeur. De potentiële ravage die hij aanrichtte deed hem op geen enkele manier aarzelen. Integendeel; het besef dat zij met één verkeerde beweging een onomkeerbaar ravijn in zouden storten, gaf de naderende climax de status van een onvermijdelijke wetmatigheid; alsof de val de enige logische bestemming van de klim was geweest, een absolute noodzaak die geen uitstel meer duldde; een grandioze afronding, als het laatste, allesonthullende hoofdstuk van een bloedstollend verhaal.

Je las een fragment uit deel 2 van de autobiografie ‘Predestamped: From Publisher to Window Dresser’, een uitgave van Ronald van Noorden bij eenmansuitgeverij Cum Suis.

Lezersreacties:

Prachtig ‘zinsgebouw’, maar anatomisch gezien betwijfel ik of een blos zo snel van het decolleté naar de oren stijgt zonder hyperventilatie.
Alphons_m

Danst het koppel inmiddels de cha-cha of heeft hij toch te hard op haar teentjes getrapt?
Guus, Oosterbeek

Er gaat geen groot erotisch schrijver aan jou verloren.
Horlepiep#Fan

Van platonisch naar plat en nooit meer terug naar de beschaving.
Truus_V&D

Erg opwindend maar niet heus. Dit blogbericht werkt vooral goed op m’n slappe lachspieren.
Walter, Maassluis

Willem Frederik Hermans schreef ooit: ‘Erotiek is de triomf van de mislukking.’ Dit stuk is daar het levende, ietwat oververhitte bewijs van.
Gerard, Zutphen

Man man man, wat een theoretisch gedoe om een vrouw aan te raken. Tegen de tijd dat jij haar decolleté hebt geanalyseerd via de wetten van de thermodynamica, heeft ze haar jas alweer aan.
Zandloper77

Dit ruikt naar een klassiek gevalletje projectie van de auteur. Als ze echt zo’n nerveuze spanning had, was ze allang naar het toilet gevlucht om haar vriendinnen te appen dat ze met een psychopaat aan tafel zat.
Henk (Arnhem)

Hiep hoi! Eindelijk actie op die website van je. Volgende keer graag wat minder Latijnse termen en wat meer concrete handelingen. Ging die rits nog open of hoe zat dat?
SjaakBalletje

Ik vond het heel romantisch. Die frictie tussen verstand en gevoel is zo herkenbaar.
Annelies (Velp)

Te veel tekst voor een mislukte versierpoging.
Kees013

Recensievoorstel kinderboek Bess Kalb

Hoe een kinderboek onverwacht uitgroeide tot een verhaal over satire, censuur en doorzettingsvermogen.

Geachte hoofdredactie van de Volkskrant,

Bij veel titels wachten Nederlandse uitgeverijen vaak eerst het internationale succes af voordat zij vertaalrechten aankopen. Gezien de uitzonderlijk positieve ontvangst in de Verenigde Staten van het kinderboek Buffalo Fluffalo denk ik dat een Nederlandse uitgave slechts een kwestie van tijd kan zijn. Ik volg de komende maanden daarom actief de catalogi en aankondigingen van uitgevers.

Soms begint de interesse voor een boek niet met een citaat of iets anders dat je erover hoorde, maar met iemand die weigert stil te blijven. Ik wilde niet per se een kinderboek recenseren maar stuitte onverwacht op een bekentenis over moed. Mijn bespreking zou daarom ook gaan over een geweigerde voorleesmiddag en waarom een schrijver uiteindelijk in het Amerikaanse Congres belandde.

Mocht een Nederlandse vertaling worden aangekondigd, dan zou ik u graag aanbieden de recensie voor uw krant te schrijven. Daarbij wil ik niet alleen ingaan op het boek zelf en de internationale ontvangst, maar ook op de bredere culturele context rond auteur Bess Kalb. Zij legde recent een persoonlijke getuigenis af tijdens een hoorzitting in het United States Congress over vrije meningsuiting, naar aanleiding van de annulering van een schoollezing rond haar werk. Die achtergrond werpt een bijzonder licht op haar schrijven voor jonge lezers.

Als zelfstandig uitgever en schrijver volg ik internationale ontwikkelingen binnen het boekenvak en de kinderboekenwereld al geruime tijd. Indien gewenst lever ik de recensie kort na aankondiging of verschijning aan, afgestemd op uw redactionele planning.

De genoemde toespraak vormde voor mij de directe aanleiding om dit voorstel te doen. Ter referentie voeg ik hierbij de link toe:
https://youtu.be/rjINIH-Y_aY?si=YiV6ZNFrHhNz05RC

Met vriendelijke groet,

Ronald van Noorden
(een eenvoudige eenmansuitgever)

Ik zocht geen boek om te bespreken, maar werd verrast door een schrijver die zich indrukwekkend uitsprak. Wat het kinderboek Buffalo Fluffalo van Bess Kalb vertelt over schrijven in een tijd van polarisatie, deed zij helder, komisch, maar vaak ook ontreoerend, uit de doeken tijdens een hoorzitting.

De adelaar, de gevangene en de soepgans


Voorstel voor een vogelgids om de absurditeit van rassenleer en koloniaal denken bloot te leggen.

De titel van mijn verzonnen vogelboek lijkt gekunsteld. Ik zal ‘m daarom meteen maar proberen uit te leggen. De adelaar vertegenwoordigt de ideologie. Dit is de vogel van de macht. Een symbool dat door de nazi’s werd misbruikt om een natuurlijke hiërarchie te veinzen die biologisch niet bestaat. De kooivogel staat voor opsluiting. Dit was degene die door de rassenleer van de nazi’s in een hokje werd geplaatst. Een kooivogel is zijn vrijheid kwijt; hij wordt gereduceerd tot één kenmerk (kleur, zang), net zoals de nazi’s de mens reduceerden tot zijn schedelmaat en andere uiterlijke kenmerken. Als we naar onze genen kijken, lijken we veel meer op de soepgans.

Mijn biologieleraar onderwees ons dat de natuur zich niet laat dwingen. De trotse adelaar werd door de nazi’s gekaapt als symbool voor een ‘zuivere’ en superieure orde. Dit leidde tot gekooide vogels, opgesloten achter tralies van een rassenleer. De nazi wilde geen individuen zien, hij wilde slechts ‘zuivere’ exemplaren, gevangen in de kooi van gecontroleerde afkomst. De wetenschappelijke werkelijkheid is echter een stuk rommeliger, vitaler en democratischer.

Soepganzen symboliseren de realiteit. Ze zijn biologisch gezien het meest interessant. Soepganzen negeren de hekken en paren met wie ze willen. In de vogelwereld is de soepgans een mengelmoes; een vrolijke hybride van tam en wild die zich niet laat beperken. De biologie laat zien dat wij het resultaat zijn van tienduizenden jaren ongebreidelde vermenging. We hebben overal ter wereld elkaars nesten opgezocht. En precies in die mengeling, in die weigering om in een kooitje te blijven zitten, schuilt onze werkelijke kracht.

Mensen van over de hele wereld hebben zich onderling altijd voortgeplant zodra ze elkaar tegenkwamen. Bij de Homo sapiens is er dus nooit sprake geweest van de vorming van biologische rassen of ondersoorten. Maar de belangrijkste reden dat wij als mensen biologisch zo dicht bij elkaar staan, heeft alles te maken met onze korte geschiedenis. Terwijl vogelsoorten vaak miljoenen jaren de tijd hebben gehad om uit elkaar te groeien, is de moderne mens een relatief nieuw fenomeen.

Dit wordt verklaard door de “Out of Africa”-theorie. Alle huidige mensen stammen af van een relatief kleine groep Homo sapiens die tussen 60.000 en 90.000 jaar geleden vanuit Afrika de rest van de wereld begon te bevolken. Omdat we van zo’n kleine groep afstammen, zijn we genetisch bijna kopieën van elkaar. Er was gewoon geen tijd voor rasvorming: 70.000 jaar is evolutionair gezien een oogwenk. Het is veel te kort om echte biologische rassen of ondersoorten te laten ontstaan.

De verschillen die de nazi’s (en anderen) zo belangrijk vonden, zoals huidskleur of neusvorm, zijn slechts aanpassingen aan het klimaat. Dit noemen we het fenotype. Een lichte huid is simpelweg een biologische aanpassing om in zonarme gebieden (zoals Europa) voldoende vitamine D aan te maken. Een donkere huid beschermt juist tegen schadelijke UV-straling rond de evenaar. Deze uiterlijke kenmerken worden bepaald door een fractie van ons DNA. Ze zeggen niets over de rest van onze biologische blauwdruk, zoals intelligentie, karakter of orgaanfunctie.

In tegenstelling tot vogels op een afgelegen eiland, zijn menselijke populaties nooit lang genoeg geïsoleerd geweest. Zodra twee groepen mensen elkaar tegenkwamen, vond er uitwisseling van DNA plaats. Er zijn dus geen “zuivere” volkeren. Iedereen is een hybride. Zelfs in het DNA van Europeanen en Aziaten zijn sporen gevonden van andere menssoorten zoals de Neanderthaler, wat aantoont dat we altijd zijn blijven mengen.

Het is goed om als westerling de hand in eigen boezem te steken. Ik heb het over de misvattingen van de nazi’s gehad, maar als we iets verder teruggaan in een toch nog zeer recente geschiedenis komen we uit in het koloniale tijdperk. Toen ‘wij’ kolonisten ergens in de wereld aan land gingen en stuitten op mensen die er, opervlakkig gezien, heel anders uitzagen, kwamen we toch gewoon soortgenoten tegen met wie we volkomen verwant waren. Hoe groot de uiterlijke verschillen voor ons kolonisten ook leken, biologisch gezien traden we in contact met onze eigen neven en nichten.

Waarom dachten ‘wij’ kolonisten dan dat het anders was? We keken niet naar genetica (die wetenschap bestond nog niet), maar naar het fenotype (het uiterlijk) en naar cultuur. Omdat iemand een andere taal sprak, andere kleding droeg of een andere huidskleur had, trokken we de foutieve conclusie dat het om een ander soort wezen ging. Wetenschappelijk gezien was er echter geen enkel verschil. Het bewijs daarvoor is simpel en fundamenteel biologisch: we konden samen kinderen krijgen die zelf ook weer vruchtbaar waren. In de biologie is dat het ultieme bewijs dat je tot dezelfde soort behoort. Het was dus geen ontmoeting tussen verschillende rassen of soorten, maar een hereniging van populaties die elkaar enkele tienduizenden jaren niet hadden gezien.

Dwaalgast

De vriendin moest echt af van het idee dat ze een vluchteling de dood in had gejaagd.

Gisteren vloog er bij een vriendin een snip tegen het raam. Het beest overleefde de botsing niet. Toen het mooi gedrapeerd op een blauw fond tussen een paar herfstversieringen dood lag te wezen, begon het determineren. We hadden het in wezen makkelijk want de meeste Nederlandse vogelgidsen bevatten maar twee snipvarianten: de watersnip en de houtsnip. Toch viel het nog niet mee. Na veel wikken en wegen concludeerden we dat het om een houtsnip moest gaan.

Wat ik me gisteren ook weer eens besefte tijdens het bladeren door mijn vogelboeken was het volgende: als je de mensheid zou moeten “determineren” zoals een vogelgids dat doet, zou er maar één pagina zijn, namelijk die van de Homo sapiens. Er zijn geen subpagina’s voor rassen of soorten. Een watersnip en een houtsnip kunnen zich onderling niet voortplanten omdat zij twee verschillende soorten zijn. Terwijl mensen van waar ook vandaan wel kinderen bij elkaar kunnen verwekken. Ik moet hier morgen een iets groter ei over leggen in een nieuw blogbericht.

Niet alleen de gelijkenis van het verse kadaver met de boekafbeeldingen leidde tot die conclusie, maar ook de bijbehorende omschrijving. Samengevat: houtsnippen horen thuis in vochtige bossen; als je er een aantreft op een binnenplaats in het hart van Amsterdam, is het beest zo goed als zeker verdwaald. Bij een watersnip kun je daar nog aan twijfelen. Er stroomt tenslotte water door het IJ. Mijn vriendin had zich enigszins schuldig gevoeld, want toen zij het dier – in nog levende staat – naderbij kwam, was het verschrikt opgeschoten. Vanachter een bamboestruik in haar ‘cours’ (zoals zij dat karig beplante vierkant tussen de apartementen noemt) vloog ‘snippie’ in een laatste opleving, zijn noodlot tegemoet.

Er was geen redden meer aan geweest, aldus mijn troostende verklaring. De vogel verkeerde waarschijnlijk al geruime tijd in een verhoogde staat van paniek. Ik vermoedde dat de eerste vuurwerkknallen hem volkomen gedesoriënteerd de stad in hadden gejaagd. De vriendin moest haar aandeel in zijn doodsnood niet overdrijven. Kwam ze niet altijd en overal op voor noodlijdende medeschepsels en deed ze dan niet alles wat in haar macht lag? Wat ze in dit geval kon, kwam neer op bezorgdheid tonen (aan de voortvluchtige in zijn nog levende hoedanigheid) en ‘een stukje nazorg’ (aan het hoopje ongeluk dat na de botsing zielloos ter aarde was gestort). Wat had ze anders kunnen doen dan toekijken? Ik bedoel: als stadsmens?

Oeps. Die laatste opmerking was, vrees ik, één vergoelijking te veel van het goede.

Brief aan mijn voormalige teamleider

‘Ik sta aan het hoofd van een eenmans-collectief van volledig naar mijn hand te zetten entiteiten.’

Beste Leo,

Ik heb het eerder meegemaakt op Facebook: ik plaatste een bericht dat op meerdere manieren uit te leggen was, waarna iemand me publiekelijk vroeg of het wel goed met me ging. Zo’n vraag is in die context zelden oprecht; het is een retorische zet, bedoeld voor meelezers. De onderliggende boodschap was: “Kijk eens hoe vreemd hij doet.” Het bleek een poging om mijn omgeving te polsen: “Vinden jullie hem ook zo’n mafketel?” Een subtiele uitnodiging om gezamenlijk afstand te nemen van mijn vermeende excentriciteit.

Jouw bericht was van een heel andere orde, en dat waardeer ik. Juist omdat je de vraag in een persoonlijk bericht stelde, voelde ik de oprechtheid die ik altijd in jou als teamleider heb gewaardeerd: een mens die werkelijk hart heeft voor de ander. Natuurlijk werd ook jij getriggerd door mijn post; de afbeelding met alle anagrammen van mijn naam suggereert immers een zekere mate van ‘versnippering’. Maar ik heb niet het idee dat je bang was dat ik een klinische dissociatieve identiteitsstoornis had ontwikkeld. Je zag simpelweg dat ik weer eens van me liet horen en was oprecht benieuwd hoe het met de mens achter het bericht ging.

Welnu, het gaat goed met me. Om je vragen te beantwoorden: ja, ik ben nog steeds postbode, al doe ik dat tegenwoordig vier dagen per week. Ik bezorg de post in Arnhem, de stad waar ik inmiddels een heel prettig thuis heb gevonden. Wat die afbeelding betreft: de anagrammen zijn voor mij pure intellectuele spielerei. Het is een spel met identiteit dat nauw samenhangt met mijn eenmansuitgeverij. Er schuilt een bewuste paradox in de naam Cum Suis. Hoewel het “met de anderen” betekent, zijn die “anderen” in mijn geval de denkbeeldige schrijvers die ik zelf in het leven heb geroepen. Waar de wereld soms overweldigend dichtbij kan komen, kies ik ervoor om de fysieke anderen op afstand te houden en hen te vervangen door personages die ik zelf regisseer.

Je zou het kunnen zien als een artistieke noodzaak. Het opvoeren van al die pseudoniemen is geen uiting van een verwarde geest, maar een manier om verschillende invalshoeken te verkennen zonder de beperkingen van één enkele naam. Het is een veilige, gecontroleerde vorm van gezelschap. En dat de boeken op mijn site vaak “Mockups” zijn? Dat is voor mij niet vreemd, maar eerder een vorm van conceptuele kunst. Het is het visualiseren van een potentieel; de architectuur van een idee voordat de eerste steen daadwerkelijk is gelegd. Voor een buitenstaander lijkt het misschien alsof ik een luchtspiegeling verkoop, maar voor mij is het een noodzakelijke stap in het creatieve proces: het vormgeven van een wereld die er nog niet is, maar die in mijn hoofd al volledig bestaat.

In plaats van een klinisch syndroom (MPS?), is het eerder een passie voor de constructie. Ik bouw aan een universum waarin ik zowel de uitgever, de auteur als de compagnon ben. Een eenmans-collectief, zogezegd. En dan is er nog het punt waar mijn omgeving — vaak ongevraagd — het meest over struikelt: mijn schaamteloze gebruik van AI. Men werpt al snel termen op als ‘intellectuele armoede’, ‘gebrek aan authenticiteit’ of zelfs ‘valsspelen’. Ik zie dat fundamenteel anders. Voor mij is AI een medewerker, een medeontwerper en een klankbord dat precies die ‘ongrijpbare ander’ invult. Omdat het geen mens van vlees en bloed is, kan ik deze entiteit volledig naar mijn hand zetten zonder de ruis van interpersoonlijke frictie.

Ik blijf te allen tijde de architect. Ik lever de concepten, de eerste tekstuele aanzetten en de visie. Alles gaat door het filter van mijn eigen bemoeienis; ik heb zelf het kader geschapen — de uitgeverij, de blogomgeving, de hele context — waarbinnen deze experimenten kunnen bestaan. Ik voel me in de eerste plaats een kunstenaar. Alles wat op mijn pad komt en bruikbaar is, absorbeer ik en transformeer ik met behulp van mijn eigen creativiteit tot iets nieuws.

Het is opvallend dat de kritiek vaak komt van degenen die zelf zelden met iets origineels voor de dag komen. Ik heb dan ook weinig geduld met het dedain van mensen die de techniek niet begrijpen en mijn werkwijze vanuit een soort conservatisme veroordelen. Voor mij is het geen armoede, maar een verrijking van het instrumentarium waarover ik als eenling beschik.

Beste Leo, dit is in een notendop hoe ik er nu in sta. Ik ben nog steeds diezelfde eigenwijze geest die je kende van de NS, maar dan in een nieuwe omgeving en met een gereedschapskist die eindeloos veel groter is geworden.

Ik hoop dat het met jou ook goed gaat.

Hartelijke groet,

Ronald

Niet allemaal tegelijk graag

Hoeveel ballen kan één man in de lucht houden?

Lieve Ana,
Namens de hele staf van Sanatorium Nervosa willen wij jou kolossaal bedanken voor je inspanningen, vooral nu de donkere dagen op ons af denderen en onze overmoedige slede, zoals ieder jaar rond deze tijd, in een nogal steile afdaling dreigt te raken. Jij bent ons stille genie, het Manusje-van-Alles die onze chaos in de meest perfecte work flows omzet. Zonder jou zouden Ronda Dolan-Vernon’s dossiermappen in een versnipperaar zijn verdwenen, Rev. Dr. Ann Lando-Ono’s […] in een gebedshuis veranderen, en zouden Noald ‘Varn’ O’Donner’s ergotherapie-elastieken in een gordiaanse knoop zijn geeindigd!

Zoals je weet, sta ik, de Ronald van Noorden-variatie die momenteel de lakens uitdeelt (en soms de vloeren dweilt), op het punt om een… eh… interne retraite te beginnen. Dit brengt ons bij de zwaarmoedige kant van de mij vertrouwde, maar soms verwarrende, bipolaire stoornis. Terwijl ik op mijn ‘normale’ dagen, in de manische fase, de CEO/patiënt speel die barst van de ideeën (zoals het aanleggen van een helihaven op het dak of het adopteren van 73 therapiekatten), is er nu een verschuiving. De depressieve fase die eraan komt, impliceert dat de energie en het enthousiasme totaal wegvloeien.

Wat betekent dat voor jou, Ana? In mijn manische fase zou ik misschien roepen dat je voor Kerst een gouden eenhoorn als bonus krijgt! Maar als depresieveling: Ik zal de komende weken de ‘afwezige aanwezige’ zijn. Ik ben er wel, in mijn kamer, maar mijn aanwezigheid zal lijken op een stilgelegde ventilator; functioneel in de herinnering, maar niet meer in beweging. Ik heb geen puf om zelfs maar een simpele to-do-lijst te maken.

Kortom: De bipolaire stoornis is een constante achtbaan. Nu ga ik even omlaag, en daarom wordt de roep op jouw talenten, om de boel draaiende te houden, des te groter! Alle zeven van onze hardwerkende krachten (zie de foto!) staan te popelen om jou te prijzen. Ana, bedankt dat je in deze ‘hoog-laag’-tijden de constante factor bent. Geniet van de komende feestdagen. Rust uit wanneer je kunt. En weet dat we intens dankbaar zijn voor jouw inzet. Met de meest correct gespelde groeten, namens het hele Nervosa-team,

Ronald van Noorden (Huidig CEO/Baas in eigen bed)

Ronda Dolan-Vernon (Psychiater): “Ana’s ordening is mijn zen. Ze is de enige die de anagrammen van onze patiëntencijfers begrijpt. Onno van Dorreland (Psycholoog): “Ana is de stabiliteit. Zonder haar zouden de therapieschema’s meer op een schilderij van Escher lijken dan op een plan.” Rev. Dr. Ann Lando-Ono (Kapelaan): “Zij is een zegen, een wonder. Dorrena von Nøland: “Moge haar ‘ø’ van Nøland eeuwig correct gespeld blijven.”

Als een Belgische filibuster

Veel te veel woorden en dan opeens doodstil.

Welkom op de tweede VrijMiPo, georganiseerd door eenmansuitgeverij Cum Suis. Vandaag presenteren we een gedicht over een man die veel woorden nodig had om tot een definitief stiltepunt te komen. Hij werd een zichzelf steeds nadrukkelijker manifesterende veelschrijver voor wie tenslotte het doek viel. Het leek mij goed om dit gedicht uit de mottenballen te halen toen ik las over de Belgische parlementariër Vincent Van Quickenborne die gedurende vijf vergadersessies zo lang mogelijk aan het woord probeerde te blijven. Door te filibusteren hoopte hij een wet over fraudeopsporing tegen te houden.

In het geval van Van Quickenborne werd hem de mond gesnoerd door de voorzitter die afgelopen woensdag ten einde raad, na 23 uur aaneengesloten luisteren, genoeg van hetzelfde had gehoord. Van Quickenbornes microfoon werd tot zijn eigen woede uitgezet. ‘U bent niet waardig’, riep Vincent richting de voorzitter. ‘U chanteert het parlement.’ Maar de voorzitter paste gewoon een regel toe: het kamerlid viel teveel in herhaling en dat is niet toegestaan. Nadat hij zelfs stambomen van collega’s had aangehaald om de tijd vol te praten, raakte zijn inspiratie op. Had hij maar origineel moeten blijven.

De ‘J.’ in het gedicht wordt het zwijgen opgelegd door de dood, waarvoor hij zelf heeft gekozen. Van Quickenborne voelde zich waarschijnlijk veel vitaler en dacht nog helemaal niet aan ophouden. Hij streed immers voor een goede zaak. Hij voerde zijn marathonspeech om een wetsvoorstel te blokkeren dat de overheid toegang zou geven tot ieders bankgegevens, waarna slimme algoritmes verdachte transacties uit die financiële berg kunnen opdiepen. Zo’n digitale speurhond vond hij een ernstige inbreuk op de privacy. En dus bleef hij praten. Heel lang. En tamelijk vol van zichzelf.

Ik vermoed dat ijdelheid bij langdradige toespraken een niet te onderschatten drijfveer is. De ‘J.’ in mijn gedicht is doordrenkt van diezelfde neiging tot opvallend aanwezig zijn; een soort van zelfvoldane profilering die uiteindelijk vooral potsierlijk blijkt. Zijn val komt voort uit dezelfde pronkzucht die hem overeind hield. Hij heeft in zijn leven weinig bereikt, maar kiest voor een afscheid dat groter is dan alles wat daaraan voorafging. Je zou bijna denken dat hij pas in het zelfopgelegde zwijgen beseft hoe overbodig hij eigenlijk was.

Het zal u niet verbazen: deze overpeinzingen richten zich uiteindelijk op mijzelf. Ook ik heb de neiging om te vervluchtigen in pathos. Ik verloor me jarenlang in gedichtjes die ik schreef vanuit een romantisch soort grootsheid die langzaam oploste in twijfel. Inmiddels ben ik op een leeftijd waarop ik weleens denk: had ik niet beter een echt vak kunnen leren? Overigens heb ik in m’n leven één beroep uitgeoefend dat me met enige trots vervulde. Ik was railverkeersleider voor Prorail. Je kunt dat worden door een interne opleiding van een maand of vier.

Helaas kwam aan die carrière van ‘treindienstleider’ op een zeker moment een einde door een veiligheidsfout. Dat falen heb ik verwerkt, maar sindsdien voelde ik me in geen enkele functie nog echt van nut. Het schrijven was een merkwaardige uitweg: een pure drang tot literaire aanwezigheid. In manische tijden schreef ik mezelf voorbij; in depressieve kwam er vrijwel niets van terecht. Uiteindelijk blijkt: er bestaan praktischer vormen van communicatie dan eindeloze speeches of gedichten die niemand leest. Hier volgt niettemin het gedicht ‘Waarom’, dat te vinden is op bladzijde 19 van de bundel ‘Het Eenmansimperium’.

📱🔄 Voor de juiste weergave van de bladspiegel en regelafbreking adviseer ik om je telefoon in landscape mode (horizontaal) te houden. Zo zie je het gedicht zoals het bedoeld is.

Waarom


Waarom J. moesten je zinnen opeens weer praalwagens zijn
in onze nietsvermoedende straten?
Waarom dat amalgaam van beeldenbrouw op onze
doordeweekse magen?
Wij waren het toch eens geworden dat het Poëtisch Tijdperk
voorbij was?

Hadden wij niet hartelijk gelachen op die avondjes
(waar we toch maar heengingen)
om de vijftiger halvegaren,
de tachtiger adjectieven-adventisten
en al die kleine stuiptrekkende stormlopers
daartussen en daarna?

Roerend eens wij – toch? – dat het warrige,
dat poëzie zo duister maakt,
en zo mooi voor sommigen,
niet meer was dan effectieve onduidelijkheid.
Dat je met boterzacht dichten geen beleid kon maken.
Dat het eigenlijk maar een vreemde en ook wat domme leer is
van hoe je dingen anders zegt?

Waren olla vogala niet volkomen doodgebroed?
Geen krachtig medium nee. Ons niet gezien. Voorbij.
Meer iets voor brave mensen.
Ik hoopte dat we dat hadden afgerond.

Maar nee hoor, net toen wij dachten dat je een woord
kon loslaten op het moment dat je
een woord moest loslaten
liet je jezelf los,

nadat je, ook weer zo pathetisch,
wel een half uur aan het randje had staan schreeuwen
dat er een briefje voor ons klaarlag
(dat eigenlijk geen brief was
maar een soort gedicht).

Wat een boodschap was dat.
Je had toch ook gewoon die pen kunnen wegsmijten
i.p.v. jezelf?

©Ronald van Noorden, ©2012 Uitgeverij Cum Suis

En we noemen hen: FUSIE

De enig denkbare, nieuwe naam voor GroenLinks/PvdA.

Taalbureau Taaljongen.nl stond voor een klassiek keuzeprobleem: hoe noem je iets dat zichzelf nog niet kent? De fusie van GroenLinks en PvdA vroeg om een naam die zowel historisch als toekomstbestendig was, zonder dat hij zich vastbeet in ideologische grond. Een naam die niet rood, groen of progressief hoefde te heten, maar wél klonk als iets waar iedereen – zelfs de twijfelaar – zich kortstondig in kon herkennen. Taaljongen.nl besloot het simpel te houden. Zo simpel, dat het bijna brutaal werd: FUSIE. Geen slagzin, geen symbool, geen kleur. Alleen het feit zelf.

Er is die mysterieuze ruimte tussen wat gezegd wordt en wat bedoeld is. FUSIE belichaamt die ruimte: een naam die ademt, zweeft, zich vormt en weer oplost. Omdat woorden niet alleen iets betekenen, maar vaak ook iets verbergen. FUSIE is een naam die zichzelf ontkent en daardoor overeind blijft; die niets verklaart, maar alles suggereert. Een politieke wolk die uiteenvalt in letters, om zich daarna weer moeiteloos te herschikken tot iets nieuws.

Dat lijkt banaal, maar is het niet. In een tijd waarin politieke partijen zich verdringen om het meest moreel klinkende label, koos Taaljongen.nl juist voor de lege doos en maakte die leegte tot kracht. FUSIE zegt niets over waar men voor staat, maar alles over waar men vandaan komt: een samenvoeging van twee entiteiten die ooit dachten dat hun verschillen belangrijk waren.

Het bureau weigerde bewust woorden als links, sociaal, progressief, groen of solidair. Zulke termen, zegt Taaljongen.nl, ‘functioneren als seizoensgebonden parfums; aangenaam bij lancering, bedenkelijk bij hergebruik.’ Een naam, daarentegen, moet kunnen overleven wanneer idealen weer verschuiven, standpunten afbrokkelen en partijprogramma’s herschreven worden.

En dat is precies wat FUSIE doet. Of de partij over vijf jaar samengaat met Volt, met D66, of met een paar overgelopen liberalen, het maakt niet uit. De naam blijft actueel. FUSIE is toekomstbestendig, want ze beschrijft geen toestand, maar een beweging. Taaljongen.nl noemt het ‘de enige naam die zichzelf in stand houdt door voortdurend van samenstelling te veranderen.’ Een politieke paradox, verpakt als merkstrategie.

Taaljongen.nl onderzoekt de grillen en de gratie van taal: hoe woorden zowel onthullen als verhullen. FUSIE is daarvan het schoolvoorbeeld; een naam die weigert partij te kiezen, en juist daardoor de essentie raakt. Ze zegt niets, maar roept alles op: beweging, vermenging, compromis. Een woord dat niet vastlegt, maar loslaat. Taaljongen.nl weet dat woorden soms meer macht hebben als ze níet te veel willen zeggen. FUSIE is een naam die elke inhoud overleeft.