De adelaar, de gevangene en de soepgans


Voorstel voor een vogelgids om de absurditeit van rassenleer en koloniaal denken bloot te leggen.

De titel van mijn verzonnen vogelboek lijkt gekunsteld. Ik zal ‘m daarom meteen maar proberen uit te leggen. De adelaar vertegenwoordigt de ideologie. Dit is de vogel van de macht. Een symbool dat door de nazi’s werd misbruikt om een natuurlijke hiërarchie te veinzen die biologisch niet bestaat. De kooivogel staat voor opsluiting. Dit was degene die door de rassenleer van de nazi’s in een hokje werd geplaatst. Een kooivogel is zijn vrijheid kwijt; hij wordt gereduceerd tot één kenmerk (kleur, zang), net zoals de nazi’s de mens reduceerden tot zijn schedelmaat en andere uiterlijke kenmerken. Als we naar onze genen kijken, lijken we veel meer op de soepgans.

Mijn biologieleraar onderwees ons dat de natuur zich niet laat dwingen. De trotse adelaar werd door de nazi’s gekaapt als symbool voor een ‘zuivere’ en superieure orde. Dit leidde tot gekooide vogels, opgesloten achter tralies van een rassenleer. De nazi wilde geen individuen zien, hij wilde slechts ‘zuivere’ exemplaren, gevangen in de kooi van gecontroleerde afkomst. De wetenschappelijke werkelijkheid is echter een stuk rommeliger, vitaler en democratischer.

Soepganzen symboliseren de realiteit. Ze zijn biologisch gezien het meest interessant. Soepganzen negeren de hekken en paren met wie ze willen. In de vogelwereld is de soepgans een mengelmoes; een vrolijke hybride van tam en wild die zich niet laat beperken. De biologie laat zien dat wij het resultaat zijn van tienduizenden jaren ongebreidelde vermenging. We hebben overal ter wereld elkaars nesten opgezocht. En precies in die mengeling, in die weigering om in een kooitje te blijven zitten, schuilt onze werkelijke kracht.

Mensen van over de hele wereld hebben zich onderling altijd voortgeplant zodra ze elkaar tegenkwamen. Bij de Homo sapiens is er dus nooit sprake geweest van de vorming van biologische rassen of ondersoorten. Maar de belangrijkste reden dat wij als mensen biologisch zo dicht bij elkaar staan, heeft alles te maken met onze korte geschiedenis. Terwijl vogelsoorten vaak miljoenen jaren de tijd hebben gehad om uit elkaar te groeien, is de moderne mens een relatief nieuw fenomeen.

Dit wordt verklaard door de “Out of Africa”-theorie. Alle huidige mensen stammen af van een relatief kleine groep Homo sapiens die tussen 60.000 en 90.000 jaar geleden vanuit Afrika de rest van de wereld begon te bevolken. Omdat we van zo’n kleine groep afstammen, zijn we genetisch bijna kopieën van elkaar. Er was gewoon geen tijd voor rasvorming: 70.000 jaar is evolutionair gezien een oogwenk. Het is veel te kort om echte biologische rassen of ondersoorten te laten ontstaan.

De verschillen die de nazi’s (en anderen) zo belangrijk vonden, zoals huidskleur of neusvorm, zijn slechts aanpassingen aan het klimaat. Dit noemen we het fenotype. Een lichte huid is simpelweg een biologische aanpassing om in zonarme gebieden (zoals Europa) voldoende vitamine D aan te maken. Een donkere huid beschermt juist tegen schadelijke UV-straling rond de evenaar. Deze uiterlijke kenmerken worden bepaald door een fractie van ons DNA. Ze zeggen niets over de rest van onze biologische blauwdruk, zoals intelligentie, karakter of orgaanfunctie.

In tegenstelling tot vogels op een afgelegen eiland, zijn menselijke populaties nooit lang genoeg geïsoleerd geweest. Zodra twee groepen mensen elkaar tegenkwamen, vond er uitwisseling van DNA plaats. Er zijn dus geen “zuivere” volkeren. Iedereen is een hybride. Zelfs in het DNA van Europeanen en Aziaten zijn sporen gevonden van andere menssoorten zoals de Neanderthaler, wat aantoont dat we altijd zijn blijven mengen.

Het is goed om als westerling de hand in eigen boezem te steken. Ik heb het over de misvattingen van de nazi’s gehad, maar als we iets verder teruggaan in een toch nog zeer recente geschiedenis komen we uit in het koloniale tijdperk. Toen ‘wij’ kolonisten ergens in de wereld aan land gingen en stuitten op mensen die er, opervlakkig gezien, heel anders uitzagen, kwamen we toch gewoon soortgenoten tegen met wie we volkomen verwant waren. Hoe groot de uiterlijke verschillen voor ons kolonisten ook leken, biologisch gezien traden we in contact met onze eigen neven en nichten.

Waarom dachten ‘wij’ kolonisten dan dat het anders was? We keken niet naar genetica (die wetenschap bestond nog niet), maar naar het fenotype (het uiterlijk) en naar cultuur. Omdat iemand een andere taal sprak, andere kleding droeg of een andere huidskleur had, trokken we de foutieve conclusie dat het om een ander soort wezen ging. Wetenschappelijk gezien was er echter geen enkel verschil. Het bewijs daarvoor is simpel en fundamenteel biologisch: we konden samen kinderen krijgen die zelf ook weer vruchtbaar waren. In de biologie is dat het ultieme bewijs dat je tot dezelfde soort behoort. Het was dus geen ontmoeting tussen verschillende rassen of soorten, maar een hereniging van populaties die elkaar enkele tienduizenden jaren niet hadden gezien.

Dwaalgast

De vriendin moest echt af van het idee dat ze een vluchteling de dood in had gejaagd.

Gisteren vloog er bij een vriendin een snip tegen het raam. Het beest overleefde de botsing niet. Toen het mooi gedrapeerd op een blauw fond tussen een paar herfstversieringen dood lag te wezen, begon het determineren. We hadden het in wezen makkelijk want de meeste Nederlandse vogelgidsen bevatten maar twee snipvarianten: de watersnip en de houtsnip. Toch viel het nog niet mee. Na veel wikken en wegen concludeerden we dat het om een houtsnip moest gaan.

Wat ik me gisteren ook weer eens besefte tijdens het bladeren door mijn vogelboeken was het volgende: als je de mensheid zou moeten “determineren” zoals een vogelgids dat doet, zou er maar één pagina zijn, namelijk die van de Homo sapiens. Er zijn geen subpagina’s voor rassen of soorten. Een watersnip en een houtsnip kunnen zich onderling niet voortplanten omdat zij twee verschillende soorten zijn. Terwijl mensen van waar ook vandaan wel kinderen bij elkaar kunnen verwekken. Ik moet hier morgen een iets groter ei over leggen in een nieuw blogbericht.

Niet alleen de gelijkenis van het verse kadaver met de boekafbeeldingen leidde tot die conclusie, maar ook de bijbehorende omschrijving. Samengevat: houtsnippen horen thuis in vochtige bossen; als je er een aantreft op een binnenplaats in het hart van Amsterdam, is het beest zo goed als zeker verdwaald. Bij een watersnip kun je daar nog aan twijfelen. Er stroomt tenslotte water door het IJ. Mijn vriendin had zich enigszins schuldig gevoeld, want toen zij het dier – in nog levende staat – naderbij kwam, was het verschrikt opgeschoten. Vanachter een bamboestruik in haar ‘cours’ (zoals zij dat karig beplante vierkant tussen de apartementen noemt) vloog ‘snippie’ in een laatste opleving, zijn noodlot tegemoet.

Er was geen redden meer aan geweest, aldus mijn troostende verklaring. De vogel verkeerde waarschijnlijk al geruime tijd in een verhoogde staat van paniek. Ik vermoedde dat de eerste vuurwerkknallen hem volkomen gedesoriënteerd de stad in hadden gejaagd. De vriendin moest haar aandeel in zijn doodsnood niet overdrijven. Kwam ze niet altijd en overal op voor noodlijdende medeschepsels en deed ze dan niet alles wat in haar macht lag? Wat ze in dit geval kon, kwam neer op bezorgdheid tonen (aan de voortvluchtige in zijn nog levende hoedanigheid) en ‘een stukje nazorg’ (aan het hoopje ongeluk dat na de botsing zielloos ter aarde was gestort). Wat had ze anders kunnen doen dan toekijken? Ik bedoel: als stadsmens?

Oeps. Die laatste opmerking was, vrees ik, één vergoelijking te veel van het goede.

Alternatieve covers

Zou, wat makkelijk was voor Ron, niet te eenvoudig worden voor onze lezer?

Onze bewaker Ron draagt in zijn vrije tijd graag vrouwelijke kleding. Dat zou, in een wereld met iets meer verbeeldingskracht en iets minder protocol, op het werk misschien ook moeten kunnen. Maar zo’n wereld is dit sanatorium helaas nog niet. Als CEO van Sanatorium Nervosa heb ik daar destijds toch een stokje voor gestoken; niet uit afkeer, niet uit angst, maar uit dat eigenaardige mengsel van verantwoordelijkheidsgevoel en institutionele lafheid dat zich zo graag vermomt als redelijkheid.

Even voor de duidelijkheid: Ron behoort tot geen enkele afkorting in het LHBTIQA-spectrum. Ron draagt in zijn vrije tijd graag vrouwelijke kleding. Er wordt in het boek niets gezegd over zijn genderidentiteit, noch over zijn seksuele oriëntatie. Kledingvoorkeur is genderexpressie, en die valt niet automatisch onder LHBTIQA-categorieën. Juist het feit dat hij niet netjes in een letter past is zijn kracht. Mocht men Ron willen onderbrengen in een afkorting, dan zou dat vooral iets zeggen over de behoefte van de lezer om orde aan te brengen, niet over Ron.

Ik zei: Was het maar zo makkelijk voor onze Ron, en meende dat ook. Want Ron bekleedt nu eenmaal een representatieve en gezagdragende functie, en gezag is hier een kostbaar, broos goed dat wij angstvallig proberen te bewaren door het zo herkenbaar mogelijk te houden.

Dat zegt waarschijnlijk meer over het sanatorium dan over Ron. Of over mij. Misschien over ons allemaal. Want terwijl Ron ’s avonds moeiteloos zichzelf kan zijn, moet hij overdag het uniforme gezicht dragen dat wij veiligheid noemen. En ik, ik draag het jasje van degene die beslist waar expressie ophoudt en functie begint. Discrimineer ik daarmee? Mogelijk. Maar dan wel op die keurige, weloverwogen manier die zich verschuilt achter woorden als context, kwetsbaarheid en orde. Dit boek is geen verontschuldiging, geen aanklacht en geen beleidsstuk. Het is hooguit een poging om Ron ruimte te geven waar ik die eerder heb ingeperkt; op papier, waar gezag minder dwingend is en kleding eindelijk mag zeggen wat zij altijd al wist.

Om veiligheidsredenen heeft Ron van E. (Dr. No) ervoor gekozen om niet op foto’s te verschijnen. Uiteraard blijft ook de achternaam van onze bewaker voor het publiek verborgen. Sommige bewoners van psychiatrische ziekenhuizen verblijven daar op gerechtelijk bevel in plaats van uit eigen keuze. Dit maakt het van cruciaal belang om streng te controleren wie het gebouw verlaat. Beveiligers ontvangen daarom vaak dagelijkse updates over wie wel en niet naar buiten mag of het gebouw mag verlaten. Evenzo kunnen artsen beperken wie een patiënt mag bezoeken, vooral als de bezoeker een gevaar vormt voor de patiënt. Beveiligers moeten erop toezien dat elke bezoeker geautoriseerd is en geen verboden voorwerpen, zoals wapens of drugs, het ziekenhuis binnenbrengt.

Alle medewerkers van psychiatrische ziekenhuizen hebben de plicht de privacy van patiënten te beschermen, maar beveiligers in psychiatrische instellingen weten vaak meer over patiëntgeschiedenissen dan collega’s in reguliere ziekenhuizen. Zo kunnen beveiligers aanwezig zijn bij therapiesessies of op de hoogte zijn van de dosering van medicatie die een patiënt gebruikt om angst te verminderen. De wet verbiedt beveiligers deze informatie met wie dan ook te delen — zelfs met familieleden — zonder specifieke, schriftelijke toestemming. Ik durf te stellen dat Dr. No op een bepaald moment in onze relatie meer over mij wist dan mijn verloofde.

Beveiligingsmedewerkers in psychiatrische ziekenhuizen vervullen vele rollen: van het beschermen van artsen en verpleegkundigen tot het bieden van gezelschap aan bewoners. In psychiatrische ziekenhuizen verblijft een zeer uiteenlopende groep mensen, variërend van personen die hulp zoeken voor relatief lichte psychische aandoeningen tot mensen die zijn opgenomen wegens strafrechtelijke ontoerekeningsvatbaarheid. Goede beveiligers doen daarom geen aannames over bewoners, maar blijven wel voortdurend waakzaam.

Een ongelukkige realiteit van het leven in een psychiatrisch ziekenhuis is dat sommige bewoners een gevaar vormen voor zichzelf. Beveiligers moeten alle bewoners beschermen. Dit kan betekenen dat zij kamers inspecteren op mogelijke risico’s, zoals schoenveters die gebruikt kunnen worden om zichzelf op te hangen. Het betekent ook dat zij moeten inschatten welk niveau van geweld gepast is bij patiënten die de controle verliezen. Zo kan iemand die een psychotische episode doormaakt eigendommen beginnen te vernielen en moet die persoon worden vastgehouden. Een goede beveiliger vermijdt overmatig en langdurig gebruik van dwangmiddelen, terwijl hij er toch voor zorgt dat patiënten geen gevaar vormen voor zichzelf of anderen.

Vooral in instellingen waar strafrechtelijk ontoerekeningsvatbaren verblijven, spelen beveiligers een actievere rol dan in reguliere ziekenhuizen. Het kan zijn dat je wordt toegewezen aan een afdeling die je voortdurend moet patrouilleren, en in sommige gevallen krijg je zelfs de taak een specifieke arts of verpleegkundige te beschermen. Wanneer medisch personeel met een patiënt werkt, kun je bij de gesprekken aanwezig zijn en wordt van je verwacht dat je ingrijpt als de patiënt gevaarlijk wordt.

(fragment uit: https://sanatoriumnervosa.wordpress.com/)

Brief aan mijn voormalige teamleider

‘Ik sta aan het hoofd van een eenmans-collectief van volledig naar mijn hand te zetten entiteiten.’

Beste Leo,

Ik heb het eerder meegemaakt op Facebook: ik plaatste een bericht dat op meerdere manieren uit te leggen was, waarna iemand me publiekelijk vroeg of het wel goed met me ging. Zo’n vraag is in die context zelden oprecht; het is een retorische zet, bedoeld voor meelezers. De onderliggende boodschap was: “Kijk eens hoe vreemd hij doet.” Het bleek een poging om mijn omgeving te polsen: “Vinden jullie hem ook zo’n mafketel?” Een subtiele uitnodiging om gezamenlijk afstand te nemen van mijn vermeende excentriciteit.

Jouw bericht was van een heel andere orde, en dat waardeer ik. Juist omdat je de vraag in een persoonlijk bericht stelde, voelde ik de oprechtheid die ik altijd in jou als teamleider heb gewaardeerd: een mens die werkelijk hart heeft voor de ander. Natuurlijk werd ook jij getriggerd door mijn post; de afbeelding met alle anagrammen van mijn naam suggereert immers een zekere mate van ‘versnippering’. Maar ik heb niet het idee dat je bang was dat ik een klinische dissociatieve identiteitsstoornis had ontwikkeld. Je zag simpelweg dat ik weer eens van me liet horen en was oprecht benieuwd hoe het met de mens achter het bericht ging.

Welnu, het gaat goed met me. Om je vragen te beantwoorden: ja, ik ben nog steeds postbode, al doe ik dat tegenwoordig vier dagen per week. Ik bezorg de post in Arnhem, de stad waar ik inmiddels een heel prettig thuis heb gevonden. Wat die afbeelding betreft: de anagrammen zijn voor mij pure intellectuele spielerei. Het is een spel met identiteit dat nauw samenhangt met mijn eenmansuitgeverij. Er schuilt een bewuste paradox in de naam Cum Suis. Hoewel het “met de anderen” betekent, zijn die “anderen” in mijn geval de denkbeeldige schrijvers die ik zelf in het leven heb geroepen. Waar de wereld soms overweldigend dichtbij kan komen, kies ik ervoor om de fysieke anderen op afstand te houden en hen te vervangen door personages die ik zelf regisseer.

Je zou het kunnen zien als een artistieke noodzaak. Het opvoeren van al die pseudoniemen is geen uiting van een verwarde geest, maar een manier om verschillende invalshoeken te verkennen zonder de beperkingen van één enkele naam. Het is een veilige, gecontroleerde vorm van gezelschap. En dat de boeken op mijn site vaak “Mockups” zijn? Dat is voor mij niet vreemd, maar eerder een vorm van conceptuele kunst. Het is het visualiseren van een potentieel; de architectuur van een idee voordat de eerste steen daadwerkelijk is gelegd. Voor een buitenstaander lijkt het misschien alsof ik een luchtspiegeling verkoop, maar voor mij is het een noodzakelijke stap in het creatieve proces: het vormgeven van een wereld die er nog niet is, maar die in mijn hoofd al volledig bestaat.

In plaats van een klinisch syndroom (MPS?), is het eerder een passie voor de constructie. Ik bouw aan een universum waarin ik zowel de uitgever, de auteur als de compagnon ben. Een eenmans-collectief, zogezegd. En dan is er nog het punt waar mijn omgeving — vaak ongevraagd — het meest over struikelt: mijn schaamteloze gebruik van AI. Men werpt al snel termen op als ‘intellectuele armoede’, ‘gebrek aan authenticiteit’ of zelfs ‘valsspelen’. Ik zie dat fundamenteel anders. Voor mij is AI een medewerker, een medeontwerper en een klankbord dat precies die ‘ongrijpbare ander’ invult. Omdat het geen mens van vlees en bloed is, kan ik deze entiteit volledig naar mijn hand zetten zonder de ruis van interpersoonlijke frictie.

Ik blijf te allen tijde de architect. Ik lever de concepten, de eerste tekstuele aanzetten en de visie. Alles gaat door het filter van mijn eigen bemoeienis; ik heb zelf het kader geschapen — de uitgeverij, de blogomgeving, de hele context — waarbinnen deze experimenten kunnen bestaan. Ik voel me in de eerste plaats een kunstenaar. Alles wat op mijn pad komt en bruikbaar is, absorbeer ik en transformeer ik met behulp van mijn eigen creativiteit tot iets nieuws.

Het is opvallend dat de kritiek vaak komt van degenen die zelf zelden met iets origineels voor de dag komen. Ik heb dan ook weinig geduld met het dedain van mensen die de techniek niet begrijpen en mijn werkwijze vanuit een soort conservatisme veroordelen. Voor mij is het geen armoede, maar een verrijking van het instrumentarium waarover ik als eenling beschik.

Beste Leo, dit is in een notendop hoe ik er nu in sta. Ik ben nog steeds diezelfde eigenwijze geest die je kende van de NS, maar dan in een nieuwe omgeving en met een gereedschapskist die eindeloos veel groter is geworden.

Ik hoop dat het met jou ook goed gaat.

Hartelijke groet,

Ronald

Als een Belgische filibuster

Veel te veel woorden en dan opeens doodstil.

Welkom op de tweede VrijMiPo, georganiseerd door eenmansuitgeverij Cum Suis. Vandaag presenteren we een gedicht over een man die veel woorden nodig had om tot een definitief stiltepunt te komen. Hij werd een zichzelf steeds nadrukkelijker manifesterende veelschrijver voor wie tenslotte het doek viel. Het leek mij goed om dit gedicht uit de mottenballen te halen toen ik las over de Belgische parlementariër Vincent Van Quickenborne die gedurende vijf vergadersessies zo lang mogelijk aan het woord probeerde te blijven. Door te filibusteren hoopte hij een wet over fraudeopsporing tegen te houden.

In het geval van Van Quickenborne werd hem de mond gesnoerd door de voorzitter die afgelopen woensdag ten einde raad, na 23 uur aaneengesloten luisteren, genoeg van hetzelfde had gehoord. Van Quickenbornes microfoon werd tot zijn eigen woede uitgezet. ‘U bent niet waardig’, riep Vincent richting de voorzitter. ‘U chanteert het parlement.’ Maar de voorzitter paste gewoon een regel toe: het kamerlid viel teveel in herhaling en dat is niet toegestaan. Nadat hij zelfs stambomen van collega’s had aangehaald om de tijd vol te praten, raakte zijn inspiratie op. Had hij maar origineel moeten blijven.

De ‘J.’ in het gedicht wordt het zwijgen opgelegd door de dood, waarvoor hij zelf heeft gekozen. Van Quickenborne voelde zich waarschijnlijk veel vitaler en dacht nog helemaal niet aan ophouden. Hij streed immers voor een goede zaak. Hij voerde zijn marathonspeech om een wetsvoorstel te blokkeren dat de overheid toegang zou geven tot ieders bankgegevens, waarna slimme algoritmes verdachte transacties uit die financiële berg kunnen opdiepen. Zo’n digitale speurhond vond hij een ernstige inbreuk op de privacy. En dus bleef hij praten. Heel lang. En tamelijk vol van zichzelf.

Ik vermoed dat ijdelheid bij langdradige toespraken een niet te onderschatten drijfveer is. De ‘J.’ in mijn gedicht is doordrenkt van diezelfde neiging tot opvallend aanwezig zijn; een soort van zelfvoldane profilering die uiteindelijk vooral potsierlijk blijkt. Zijn val komt voort uit dezelfde pronkzucht die hem overeind hield. Hij heeft in zijn leven weinig bereikt, maar kiest voor een afscheid dat groter is dan alles wat daaraan voorafging. Je zou bijna denken dat hij pas in het zelfopgelegde zwijgen beseft hoe overbodig hij eigenlijk was.

Het zal u niet verbazen: deze overpeinzingen richten zich uiteindelijk op mijzelf. Ook ik heb de neiging om te vervluchtigen in pathos. Ik verloor me jarenlang in gedichtjes die ik schreef vanuit een romantisch soort grootsheid die langzaam oploste in twijfel. Inmiddels ben ik op een leeftijd waarop ik weleens denk: had ik niet beter een echt vak kunnen leren? Overigens heb ik in m’n leven één beroep uitgeoefend dat me met enige trots vervulde. Ik was railverkeersleider voor Prorail. Je kunt dat worden door een interne opleiding van een maand of vier.

Helaas kwam aan die carrière van ‘treindienstleider’ op een zeker moment een einde door een veiligheidsfout. Dat falen heb ik verwerkt, maar sindsdien voelde ik me in geen enkele functie nog echt van nut. Het schrijven was een merkwaardige uitweg: een pure drang tot literaire aanwezigheid. In manische tijden schreef ik mezelf voorbij; in depressieve kwam er vrijwel niets van terecht. Uiteindelijk blijkt: er bestaan praktischer vormen van communicatie dan eindeloze speeches of gedichten die niemand leest. Hier volgt niettemin het gedicht ‘Waarom’, dat te vinden is op bladzijde 19 van de bundel ‘Het Eenmansimperium’.

📱🔄 Voor de juiste weergave van de bladspiegel en regelafbreking adviseer ik om je telefoon in landscape mode (horizontaal) te houden. Zo zie je het gedicht zoals het bedoeld is.

Waarom


Waarom J. moesten je zinnen opeens weer praalwagens zijn
in onze nietsvermoedende straten?
Waarom dat amalgaam van beeldenbrouw op onze
doordeweekse magen?
Wij waren het toch eens geworden dat het Poëtisch Tijdperk
voorbij was?

Hadden wij niet hartelijk gelachen op die avondjes
(waar we toch maar heengingen)
om de vijftiger halvegaren,
de tachtiger adjectieven-adventisten
en al die kleine stuiptrekkende stormlopers
daartussen en daarna?

Roerend eens wij – toch? – dat het warrige,
dat poëzie zo duister maakt,
en zo mooi voor sommigen,
niet meer was dan effectieve onduidelijkheid.
Dat je met boterzacht dichten geen beleid kon maken.
Dat het eigenlijk maar een vreemde en ook wat domme leer is
van hoe je dingen anders zegt?

Waren olla vogala niet volkomen doodgebroed?
Geen krachtig medium nee. Ons niet gezien. Voorbij.
Meer iets voor brave mensen.
Ik hoopte dat we dat hadden afgerond.

Maar nee hoor, net toen wij dachten dat je een woord
kon loslaten op het moment dat je
een woord moest loslaten
liet je jezelf los,

nadat je, ook weer zo pathetisch,
wel een half uur aan het randje had staan schreeuwen
dat er een briefje voor ons klaarlag
(dat eigenlijk geen brief was
maar een soort gedicht).

Wat een boodschap was dat.
Je had toch ook gewoon die pen kunnen wegsmijten
i.p.v. jezelf?

©Ronald van Noorden, ©2012 Uitgeverij Cum Suis

En we noemen hen: FUSIE

De enig denkbare, nieuwe naam voor GroenLinks/PvdA.

Taalbureau Taaljongen.nl stond voor een klassiek keuzeprobleem: hoe noem je iets dat zichzelf nog niet kent? De fusie van GroenLinks en PvdA vroeg om een naam die zowel historisch als toekomstbestendig was, zonder dat hij zich vastbeet in ideologische grond. Een naam die niet rood, groen of progressief hoefde te heten, maar wél klonk als iets waar iedereen – zelfs de twijfelaar – zich kortstondig in kon herkennen. Taaljongen.nl besloot het simpel te houden. Zo simpel, dat het bijna brutaal werd: FUSIE. Geen slagzin, geen symbool, geen kleur. Alleen het feit zelf.

Er is die mysterieuze ruimte tussen wat gezegd wordt en wat bedoeld is. FUSIE belichaamt die ruimte: een naam die ademt, zweeft, zich vormt en weer oplost. Omdat woorden niet alleen iets betekenen, maar vaak ook iets verbergen. FUSIE is een naam die zichzelf ontkent en daardoor overeind blijft; die niets verklaart, maar alles suggereert. Een politieke wolk die uiteenvalt in letters, om zich daarna weer moeiteloos te herschikken tot iets nieuws.

Dat lijkt banaal, maar is het niet. In een tijd waarin politieke partijen zich verdringen om het meest moreel klinkende label, koos Taaljongen.nl juist voor de lege doos en maakte die leegte tot kracht. FUSIE zegt niets over waar men voor staat, maar alles over waar men vandaan komt: een samenvoeging van twee entiteiten die ooit dachten dat hun verschillen belangrijk waren.

Het bureau weigerde bewust woorden als links, sociaal, progressief, groen of solidair. Zulke termen, zegt Taaljongen.nl, ‘functioneren als seizoensgebonden parfums; aangenaam bij lancering, bedenkelijk bij hergebruik.’ Een naam, daarentegen, moet kunnen overleven wanneer idealen weer verschuiven, standpunten afbrokkelen en partijprogramma’s herschreven worden.

En dat is precies wat FUSIE doet. Of de partij over vijf jaar samengaat met Volt, met D66, of met een paar overgelopen liberalen, het maakt niet uit. De naam blijft actueel. FUSIE is toekomstbestendig, want ze beschrijft geen toestand, maar een beweging. Taaljongen.nl noemt het ‘de enige naam die zichzelf in stand houdt door voortdurend van samenstelling te veranderen.’ Een politieke paradox, verpakt als merkstrategie.

Taaljongen.nl onderzoekt de grillen en de gratie van taal: hoe woorden zowel onthullen als verhullen. FUSIE is daarvan het schoolvoorbeeld; een naam die weigert partij te kiezen, en juist daardoor de essentie raakt. Ze zegt niets, maar roept alles op: beweging, vermenging, compromis. Een woord dat niet vastlegt, maar loslaat. Taaljongen.nl weet dat woorden soms meer macht hebben als ze níet te veel willen zeggen. FUSIE is een naam die elke inhoud overleeft.