Want stel je voor dat je mij in het ware licht ziet?
Beste H,
Als we elkaar nogmaals ontmoeten kan ik het beeld dat ik van mezelf wil creëren niet waarmaken. Ik zal banaal blijken en dat verdraag ik niet. Ik zal afbreuk doen aan wat ik buiten mijn bereik wil handhaven. Het is iets dat schijnbaar bestaat in sommige van mijn beste uitingen. Maar dat ben ik niet. Of toch; heel soms, dus veel sporadischer dan ik zou willen. Affijn, dat van die jeuk aan m’n kont was echt (ik deel dat gegeven als een frivole uitsloverij of een provocatie naar mezelf). Maar ook dat wat ik schreef in het gedicht berust op waarheid: dat ik je soms, tegen mijn zin, moet weggummen. Omdat je de diepste kijker bent onder mijn vrienden. “Maak geen röntgenfoto’s van mij”, schreeuw ik dan. Neem genoegen met de door mij opgerichte façade. Maar je behandelt mij zoals je jezelf behandelt. Mag ik je zelfportret zo zien? Als een hele diepe waarneming? Bijna te diep voor het mooie? (25 april 09:30u)

Beste H,
Waren alle toekomstschetsen maar zo, zoals jij ze vangt in je beeld en de bijbehorende titel. Maar er wordt vaak te veel ingevuld als het om het ‘verre heden’ gaat. Ik bijvoorbeeld schrijf over het ‘openstaande morgen’ met jeuk aan m’n kont. Maar dat is nu; toevallig. Omdat ik zo opstond; krabbend aan m’n gat vanwege die ene hete peper van gisteren. Zie je wel: too much information. Onbegonnen tijd is onbegonnen werk. Dus daar ga ik weer met mijn foefjes. Te veel stelligheid over zoiets onkenbaars. Het ‘uitgestelde nu’ in vloeibaar vooruitzicht. De extrapolatie. Het altijd maar invullen; praten, bekennen, uitleggen. Het besef van de toekomst blijft voor mij een blabla-gebeuren. Dat wil zeggen: zolang ik leef. Wanneer mag ik zwijgen? Wie slaat mij dood? Ik wil eindigen in een goot. (25 april, 02:10u)
