Uitstel van executie?

Bomen met voorbeschouwers in afwachting van nabeschouwers (of tussenbeschouwers).

Ze kwamen naar m’n bomen kijken. In eerste instantie ging het om de apenboom (ook wel slangenden genoemd), die heer en meester is in mijn voortuin. Ook het groepje coniferen achter het huis, dat een indrukwekkende erfafscheiding vormt, vereiste nader onderzoek. De oudste van de twee mannen hield een klembord vast en bleef maar op een formulier turen waarop hun opdracht stond: de stammen controleren op breekbaarheid. Of zoiets. Ik vroeg of ik met dendrologen te maken had. “Nee,” zei deze overduidelijke aanvoerder kortaf. De ‘krullenjongen’ naast hem hield me overduidelijk voor een enorme eikel.

De slangenden of apenboom (Araucaria araucana) is een conifeer die van nature groeit in het zuiden van Chili en het zuidwesten van Argentinë. Het is een altijdgroene boom die tot 40 m hoog kan worden en een stamomtrek van 1,5 m kan bereiken. De boom wordt ook wel apentreiter, apenleed, apenpuzzel, kandelaarden of apenverdriet genoemd. De naalden zijn schubachtig, dik, driehoekig en scherp. Ze zijn ongeveer 3–5 cm lang en blijven lange tijd (tot vijftien jaar) op de door de naalden bedekte takken. Uiteindelijk verdorren de naalden en komen de takken bloot te liggen.De mannelijke en vrouwelijke delen zijn te vinden op verschillende bomen (twehuizig), sommige exemplaren zijn echter eenhuizing. De vrouwelijke kegels zijn bolvormig en kunnen zo groot als een kleine voetbal worden, en bevatten eetbare zaden; deze zaden worden in Chili op grote schaal geoogst. Mannelijke kegels zijn kleiner en min of meer cilindrisch. Het is bekend dat sommige apenbomen 50 m hoog kunnen worden met een stamdiameter van ongeveer 2 m en meer dan 1000 jaar oud kunnen worden. De apenboom is ook sterk aangepast aan vuur en bosbranden, branden zijn door vulkanisme en menselijke activiteit niet ongewoon in zijn natuurlijk areaal. Zo heeft de apenboom een dikke schors ontwikkeld als bescherming tegen brand. (Bron: Wikipedia)

Natuurlijk had ik meteen door dat zij geen dendrologen waren. Ze droegen tuinkleding en hele zware werkschoenen. In de aanhangwagen achter hun busje lagen cirkelzagen zoals alleen houthakkers en bosbouwers die gebruiken. Toevallig had ik niet lang daarvoor een cryptogram gemaakt waarin het woord dendroloog voorkwam. 16 horizontaal. De omschrijving die daarbij hoorde, luidde: Houtkenner die de waarheid niet sprak (10). Ik vond het leuk om dat woord nu in het echt te gebruiken.

“Klopt het dat deze bomen zouden worden omgezaagd?” vroeg de nestor, nog steeds intens naar zijn papier starend. Ik had zoiets gehoord ja. Toen ik de woning aanvaardde, kon ik er nog niet direct in. Eerst moesten er allemaal werkzaamheden worden verricht: ‘wasbak en toilet badkamer, vervanging radiatoren, aansluiting krachtstroom keuken.’ En inderdaad, op de lijst voor de aannemer, die de consulente van de woningbouwvereniging aan mij voorlas, stond ook dat de bomen eraan moesten. (‘Perceel 39: kappen en afvoeren Araucaria araucana / rooien en afvoeren coniferenhaag (Thuja/Leylandii) – conform bestek.’)

Dat vond ik toen best gek. Ik vroeg haar verbaasd waarom. Ik vond dat die bomen er nog prima uitzagen. Ik was natuurlijk geen kenner maar ze zaten nog goed in het groen. Ze hadden enorme dikke stammen die kaarsrecht omhoog groeiden. Zij was ook geen kenner. Zij begreep mijn verbazing. “Ze zijn wel oud natuurlijk” zei ze nog, maar ze zou gaan informeren naar de reden. Ik weet niet of het door mijn vraag kwam, maar het kappen is uiteindelijk niet doorgegaan. Ik kon de woning betrekken met vegetatie en al.

Kennelijk heeft men het besluit om ze te vellen toen niet van tafel geveegd maar uitgesteld, want vandaag stonden dus die mannen voor mijn deur. De oude rot keek van zijn formulier naar boven en van boven naar zijn formulier. “Moeten ze om?” vroeg ik. “Niet goed te zeggen” antwoordde hij “daar zal iemand naar moeten komen kijken.” “Maar zijn jullie dan niet degenen die daarover gaan?” vroeg ik. “Nee, daar zijn ze veel te groot voor”, zei de stamoudste. “Als deze bomen ommoeten, zal er een kraan nodig zijn.”

Ik begreep dat deze bomen deze mannen boven het hoofd waren gegroeid. De apenboom in mijn voortuin moest minstens van mijn leeftijd zijn. “Zijn jullie uiteindelijk wel degenen de de bomen gaan vellen? Ik bedoel: als ze om moeten?” wilde ik nog weten. Alweer fout. “Nee, wij zijn hoveniers” sprak de werkleider, alsof daarmee alles was verklaard. Hij had zijn oordeel wat dit adres betreft kennelijk geveld want hij kon nu eindelijk opkijken uit het klembord. Hij werd er onverwacht vrolijk van. Dit klusje was duidelijk afgerond. Hij hoefde niet te handelen; afvinken bleek voldoende.

Mijn bomen mochten nog even doorgroeien.

Verdwenen bedoelingen

Heiligdommetjes die hoogbejaarden moesten huisvesten?

We kunnen het helaas nog niet over de eerste bewoner van mijn huis hebben. Terwijl dat toch het leukere verhaal is. Het bleek een kerkmeester te zijn. Hij moest toezicht houden op de orde tijdens de mis. Dat vond men een serieuze taak en hij manifesteerde zich dan ook als een ernstige, om niet te zeggen strenge man. In de buurt van meneer Koetsier – want zo heette hij – moest je je koest houden. Sloeg hij koorknaapjes? Dat kan ik niet zeggen. We moeten ons eerst storten op het huis waar hij woonde; het huis dat nu mijn huis is en een aantal vragen oproept. Het spijt me dat dit stukje niet over een potentiële sadist gaat maar over een onschuldig stulpje.

Niet ieder bouwsel in Nederland vermag zich in gelijke mate te verheugen in de zegen, dan wel in de vehoogde aandacht of speciale attentie, van de Paus.

Het adres waar ik woon maakt onderdeel uit van een blokje van serievormige katholieke ‘keurslijfjes’ die in de jaren veertig in gebruik werden genomen. De Roomse kerk mocht zich eigenaar en opdrachtgever noemen, maar natuurlijk heeft er in Vaticaanstad nooit ook maar een penningmeester (laatstaande een paus) naar getaald. De Woningbouwvereniging St. Joseph was nauw betrokken bij de ontwikkeling. Ze werden gerealiseerd als onderdeel van het uitbreidingsplan voor de stad. Ze moesten voorzien in de groeiende behoefte aan een plek voor paapsgezinden: een mooie processie van aan elkaar geplakte doorsneewoningen die misschien net iets meer allure bezaten dan de zoveelste rijtjeshuizen omdat ze bedoeld waren als onderdeel van een hofje.

Als we deze woningen met de nummers 35 t/m 61 denkbeeldig op de lange zijde van een L plaatsen, dan zou er nog een bejaardentehuis worden gerealiseerd op de korte zijde van die letter, en wel het dichtst in de buurt van de St. Josephkerk. Dat is echter niet doorgegaan omdat er toen – welk een tijd – nog te weinig katholieke bejaarden waren! Het vreemde is dat ergens wordt vermeld dat aan de Beatrixstraat in 1940 twee blokken ‘bejaardenwoningen’ werden opgeleverd met de naam ‘Meihof’. De vermelding zegt: ‘Voor de realisatie hiervan had pastoor Van der Loo van de Sint Jozefkerk zich erg ingespannen. De naam en het jaartal 1940 staan op een sluitsteen boven in het verbindingspoortje tussen de twee blokken.’

Dat is waar, die sluitsteen bevindt zich daar. Maar dit zou betekenen dat het blokkencomplex met de naam ‘Meihof’, waarin ik woon, in de analen als ‘bejaardenwoningen’ werden aangeduid. Als dit waar is, waarom werd er dan ook nog over het realiseren van een bejaardenhuis gerept? Ik heb naar het antwoord gezocht. Misschien vormt dit een verklaring: in de katholieke woningbouw uit die tijd werd de term ‘bejaardenwoning’ niet gebruikt in de moderne zin van kleine seniorenwoningen. Men bedoelde vaak: woningen ‘voor ouderen of echtparen op leeftijd’ die nog zelfstandig woonden, maar een zekere rust en nabijheid tot de kerk of hun gemeenschap zochten. Met andere woorden: ‘bejaardenwoningen’ konden toen best redelijk ruime eensgezinswoningen zijn, alleen bedoeld voor een wat oudere doelgroep.

Het kan ook zijn dat het oorspronkelijke plan inderdaad in een hofje met bejaardenwoningen en eengezinswoningen voorzag, maar dat dit plan is versoberd of samengevoegd. Een bejaardenhuis (in collectieve zin, dus met voorzieningen) werd nooit gebouwd. In plaats daarvan heeft men wellicht de hele reeks huizen als gewone gezinswoningen uitgevoerd, met behoud van de naam ‘Meihof’ als herinnering aan het oorspronkelijke plan. Dat zou verklaren waarom deze wel gerealiseerde woningen ruimer zijn dan ‘bejaardenwoningen’; ze zijn technisch gewoon gezinswoningen, maar historisch ontstaan uit een parochiaal, later losgelaten, plan waarin ouderenzorg en huisvesting verweven waren.

Kijk, dat is nou het rotte van historische werkelijkheden: ze weigeren zich te schikken naar een goed verhaal over een schijnbare schoft. Je wilt iets spannends schrijven over de eerste bewoner van je huis, en belandt in een kluwen van onvolledige archieven en tegenstrijdige bronnen. Ik voel me een halve archivaris nu. Ik moet het stof uit m’n haren kloppen. Waar is de wijn, de geur van wierook, het flakkerende kaarslicht, de kerkmuziek en het hemelse gezang tegen de achtergrond waarvan ik een verhaal over een mogelijke smeerlap kan ontvouwen? Ik zit opeens vast in een moeras van onduidelijkheden, vermoedens en onvolledige bouwplannen uit 1940 en het wordt nergens spannend.

Ik denk dat ik Conclave uit de kast trek van Robert Harris en vandaag vroeg naar bed ga. Het boek schijnt nog beter te zijn dan de film. Nee wacht; maak daar Betrayal van, samengesteld door een journalistenteam van The Boston Globe (en ook al verfilmd; zie Spotlight).

Een lezer schreef: ‘Koetsier was een prima sympathieke man. Het hele gezin trouwens.’

Ik weet niets meer van Koetsier dan wat ik hierboven over hem heb opgeschreven. Dat de kerkmeester streng was en dat je als kind een beetje zenuwachtig werd als hij zich in je buurt bevond, houd ik voor waar. Die informatie komt namelijk van dezelfde lezer. Maar ik moet toegeven dat tussen strengheid en wreedheid veel verschil zit.

Het stukje dat ik aangaf liever te hebben geschreven dan wat ik hier uit de doeken doe over mijn huis, zal er nooit van komen. Ik gaf een denkbeeldige situatie weer: namelijk die van een valse kerkmeester, of erger. Ik zou het veel leuker vinden om daarover door te gaan omdat zoiets nu eenmaal een plot verschaft en het een zeker vooroordeel zou bevestigen dat ik over kerkmeesters koester (en over het katholicisme in z’n geheel).

Maar of de heer Koetsier ook daadwerkelijk een sadist was, laat ik in het midden door er het bijvoeglijk naamwoord ‘potentiële’ voor te zetten. Later ben ik even voorzichtig als ik het woord ‘smeerlap’ gebruik; daar plaats ik namelijk het woord ‘schijnbare’ voor. De lezer geeft aan dat Koetsier niets kwaads over zich had; hij kan dat absoluut beter weten dan ik.

De mannen in het zwart

Een typisch geval van overalertheid.

Het verhaal is rond. Het raadsel was banaal. De man in het zwart heeft ook bij mij aangebeld, zoals bij andere huurhuizen in mijn straat. Hij kwam slechts op asbest controleren. Hij werkte voor de woningcorporatie. Dat hij ook nu weer geheel in het zwart was gekleed – net als toen ik hem voor de boeman aanzag die hij niet bleek te zijn – maakte het verhaal van zo’n twee weken daarvoor iets aannemelijker. Hoewel nog steeds onvergeeflijk. Want het berustte op een misverstand.

Mijn vergissing ontstond nadat ik als nieuwe bewoner was toegevoegd aan de straatapp. Daar verscheen een waarschuwing: ‘Ter info: er is een oplichter actief in de Irenestraat en Beatrixstraat. Hij belt aan in zwarte werkkleding, beweert dat hij Theunissen heet en dakreparaties uitvoert. Hij zegt schade te hebben gezien, vraagt om een aanbetaling voor materiaal bij de Praxis en verdwijnt vervolgens. Zijn gegevens kloppen niet: G. Teunissen Klusbedrijf Kvk 09160841: niet bestaand. Telefoonnummer 06-16862856: onjuist.’

Het toeval wilde dat ik, toen ik nog volop aan het verhuizen was, door een man werd aangesproken op straat. Ik kan mij niets van zijn uiterlijk herinneren, alleen maar dat hij niet in het zwart was gekleed. Toch vond ik dat ik mijn nieuwe whatsapp-vrienden op de hoogte moest stellen van wat ik wel wist: ‘Die man sprak ook mij aan over een losliggende loodflap. Maar wat ik niet begrijp: toen hij die aanwees, meende ik die echt los te zien liggen. Had hij dat dan zelf gedaan, toen hij bijvoorbeeld voor iets anders op het dak was? Saboteert hij de boel? (Ik heb overigens geen gebruik gemaakt van zijn diensten.)’

Buurman R. antwoordde: ‘Dat doet hij dus inderdaad.’ En ik: ‘Wat? Rukt hij dat gewoon los? Maar dat moet gebeurd zijn toen ik hier nog niet woonde. Dan ligt dat ding daar los en móet ik dus wel iemand laten komen! Da’s gewoon vernieling.’ Een andere buur nuanceerde het: ‘Hij gaat eerst met een dakpan het dak op, maakt dan een loodflap los en vraagt daarna om geld. In jouw geval vermoed ik dat het lood al wat oud is en misschien al wat los of scheef zat. Dat maakt het makkelijker voor hem, dan hoeft hij niet eerst het dak op.’

Ik wilde graag kwijt dat ik, in mijn ogen, best verstandig had gereageerd. Ik had tegen de ‘losliggende-loodflap-man’ gezegd: “Oh, daar moet ik de woningbouwvereniging dan even naar laten kijken.” Dat leek me voor een oplichter niet interessant meer. Ik dacht er verder niet bij na, behalve dat het me geruststelde dat ik als huurder gewoon melding kon doen bij Volkshuisvesting. Die sturen wel iemand, dacht ik. Men had trouwens ook de wijkagenten ingeschakeld. Die schreven dat ze op de hoogte waren van deze man, en dat het goed was dat we alert bleven.

Daarna werd het stil. Totdat ik, twee weken later, een man in het zwart bij mijn buurvrouw zag aanbellen. In de straatapp schreef ik: ‘Zou iemand mij even willen dm’en of bellen over de man in het zwart waarover hier een discussie was losgebarsten? Ik wil geen valse beschuldiging uiten, maar iets verifiëren. Het gaat om het bezoek van een asbestcontroleur. Niet bij mij, maar bij iemand die niet op deze app zit en dus niet op de hoogte is. Ik hoop dat ik spoken zie, maar toch…’ (P.S. Ik heb het nummer van de wijkagent gebeld, maar krijg geen gehoor. Ik wil niet iemand zijn die moord en brand schreeuwt zonder reële aanleiding. Maar die is er wel naar mijn gevoel.)

De les voor mij: ik had beter moeten doorvragen. Mijn oude buurvrouw is bepaald niet gek. Alertheid is mooi, maar bemoeizucht niet. Ik moest het schaamrood op mijn kaken er even uitwandelen. Ik belde mijn zus. “Het is echt niet zo raar dat je dit verkeerd hebt ingeschat, gezien wat er tegenwoordig allemaal gebeurt,” troostte zij mij. Ik pakte dit gretig op: “Ja, de wereld zit vol oplichters, en Arnhem heeft wat dat betreft best een reputatie. Maar in plaats van de straat op te rennen, had ik iets langer met de buurvrouw moeten praten.”

Ik had bij haar aangebeld, maar liep direct door om de nummerplaat van de man te noteren. Toen ze opendeed, riep ik van een afstand: “Is hij op het dak geweest?” Waarop ze antwoordde: “Nee, hij is de asbestcontroleur.” Ik dacht toen: ook niet in orde, en sprak andere buren aan. Pas later vertelde ze mij dat hij gewoon van de woningcorporatie was.

Ik had mij het hoofd op hol laten brengen door overalertheid en een te snelle aanname.