Joris is ontketend

Zijn draak, dat zijn wij allemaal: de cynische gezapige nietsdoeners.

Een van de laatste uitzendingen van de NRC-podcast Het Uur van Pieter van der Wielen heeft Joris Luyendijk als gast. Eerst dacht ik: oh god, daar heb je die veelprater van een Luyendijk weer, die doorgaans wel zinnige dingen zegt, maar… en voelde een soort van tegenzin om hem aan te horen, juist vanwege dat ondefinieerbare ‘maar’. Toch heeft wat hij zei, en zelfs de manier waarop, mij ditmaal volledig overtuigd. De voormalige journalist schetst een fundamentele breuk met zijn oude professie; een breuk die direct voortvloeit uit zijn huidige denkbeelden over de geopolitieke situatie in Europa.

Het medium journalistiek eist een neutraliteit die het onmogelijk maakt om de rauwe, persoonlijke emoties van het front over te brengen. Daarom wil Luyendijk daar geen deel meer van uitmaken. Als voormalig journalist gaat hij nu vaak naar Oekraïne in de rol van ‘engagé’.

Luyendijk manifesteert zich niet langer als de analyserende buitenstaander, maar als een fel geëngageerd denker die vindt dat de tijd van vrijblijvende journalistieke neutraliteit voorbij is. Ik realiseerde me dat dit standpunt volledig aansluit bij wat ik in mijn boek ‘The GreenXtreme’ probeer (lees: aan het proberen ben) te beweren. Dat project dreigt echter een eeuwige aanklacht in spe te blijven, terwijl bij Luyendijk de persoonlijke ontwikkeling richting doen in plaats van toekijken (maar ook het formuleren van deze overgang), veel sneller is gegaan. Zelfs mijn afgunst hierover deed me niet voor hem en dit vraaggesprek terugdeinsen. Ik bespeurde ook niets meer van ijdelheid of pedanterie bij hem. Hij is echt een toegewijd betrokkene geworden, een ware verdediger van onze democratische verworvenheden.

Hieronder volgt een samenvatting van zijn actuele wereldbeeld, zijn felle maatschappijkritiek en zijn psychologische ontleding van de “intellectualiserende klasse”. Ik heb hiervoor de podcast als bron genomen. Ik geloof niet dat er al een boek van hem uit is over deze nieuw ingeslagen weg. Hij heeft zich wel op een zelfde manier in een paar essays uitgelaten. Daarnaar verwijst hij in de uitzending, maar ik heb die (nog) niet gelezen.

​Luyendijk stelt dat Europa zich in een feitelijke oorlogstoestand bevindt. Het conflict in Oekraïne is in zijn ogen geen lokaal grensconflict, maar een gevecht aan ons eigen front. Mocht Oekraïne vallen, dan krijgt het regime van Poetin de beschikking over gigantische agrarische en technologische resources, en het meest ervaren leger van Europa. Dat de Russische autocratie daarna vrijwillig zal stoppen met het invallen van andere soevereine staten, noemt hij gevaarlijk wensdenken.

​Zijn vertrek uit de journalistiek is ingegeven door de strikte beroepsregels van het gilde; met name de eis tot objectiviteit en afstand nemen tot het onderwerp. Die neutraliteit beklemt hem. In tijden van existentiële dreiging ervaart Luyendijk de journalistieke plicht tot hoor en wederhoor en distantie als een keurslijf. Hij wil niet langer de gelegenheidsargumenten van beide kanten belichten, maar “zijn land dienen” door expliciet positie te kiezen. Hoewel hij de term activist accepteert, verkiest hij het Franse engagé. Hij herinnert de luisteraar eraan dat alle grote maatschappelijke verworvenheden – van vrouwenrechten tot de rechtsstaat – historisch gezien door activisten zijn bevochten op een onwillig establishment. Journalistiek reduceert grote existentiële crises (zoals oorlog of klimaatverandering) te vaak tot louter “content” die moet concurreren met triviale virale filmpjes.

Een substantieel deel van het gesprek besteedt Luyendijk aan een aanval op de houding van de Nederlandse publieke opinie en in het bijzonder de intellectuele elite. Hij introduceert hierbij de metafoor van de kinderboerderij die het bestaan van roofdieren is vergeten. Luyendijk verwijt gestudeerde mensen dat ze scepsis en nuance hebben verheven tot een doel op zich. Deze constante drang om te problematiseren, te relativeren en kanttekeningen te plaatsen, fungeert volgens hem als een comfortabele rechtvaardiging om zelf buiten schot te blijven en niets te hoeven riskeren. Hij haat deze apathie van de intellectuele klasse.

In vredestijd is intellectuele twijfel een sieraad van de democratie; in oorlogstijd werkt het verlammend. Luyendijk vergelijkt de houding van de presentator en zijn bubbel met iemand die naast een brandend huis staat te filosoferen of de vlammen wel écht zullen overslaan, in plaats van de brandslang te pakken. Deze ‘vredestijdhouding’ is in deze tijd zeer onwenselijk. Nederland lijdt aan de hardnekkige illusie dat een dictatuur en haar geopolitiek geweld op magische wijze stoppen bij de landsgrenzen. Hij trekt een parallel met de laconieke houding in de vroege dagen van de coronapandemie en de neutraliteitsillusie aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog.

​Het interview escaleert op een fascinerende manier wanneer Luyendijk de presentator aanvalt op diens professionele distantie. Hierin legt hij een directe verbinding met de thematiek uit zijn eerdere boek De zeven vinkjes. De mensen die de afgelopen tachtig jaar carrière hebben gemaakt in de top van de media en de politiek, zijn gesocialiseerd in risicomijdend gedrag, consensus en het strikt volgen van procedures. Dit specifieke type leider is volgens Luyendijk volstrekt ongeschikt voor crisistijd, waarin improvisatie, daadkracht en het nemen van grote risico’s vereist zijn. Hij spreekt van vervormd leiderschap.

Geprivilegieerde mannen (de zogeheten zevenvinkjesmannen) hebben nooit geleerd om werkelijke kwetsbaarheid te tonen, omdat ze overal het voordeel van de twijfel krijgen. Juist die weigering om de eigen kwetsbaarheid – en daarmee de existentiële angst voor de veranderende wereld – onder ogen te zien, creëert een psychologische weerstand. Men vlucht in de ironie, de tegenvraag en de nuchtere distantie om de interne paniek niet te hoeven voelen. Ik denk dat dit onvermogen tot kwetsbaarheid in zijn nieuwe boek ruimschoots aandacht zal krijgen.

Luyendijk pleit voor een collectieve rouwperiode over het wegvallen van het optimisme uit de jaren negentig. Het naïeve idee dat de hele wereld uiteindelijk zou transformeren naar een liberale, westerse democratie is definitief aan diggelen. De gedwongen terugval in een harde, binaire wereldorde is pijnlijk, maar de realiteit moet onder ogen worden gezien.

Volgens Luyendijk verdrijft handelen de angst. Door concreet bij te dragen aan de defensie-industrie, drones te ontwikkelen of humanitaire projecten op te zetten, verdwijnt de verlamming. Wie op het hek blijft zitten twijfelen, heeft de strijd in zijn eigen hoofd al verloren aan de Russische cognitieve oorlogvoering.

Scherven lijmen

De paradox van een overzichtelijk bestaan.

Ik vind het bestaan van Mona Khalil, zoals dat de revue passeert in een stuk in de Volkskrant, al zo veeleisend als ik erover lees, dat ik me niet kan voorstellen hoe iemand zo’n leven daadwerkelijk heeft geleefd. Ik bedoel dat niet denigrerend; ik heb alleen maar respect voor haar. Maar soms zijn de beslissingen die mensen nemen over hun toekomst zo onnavolgbaar. Had ik de keuze, dan zou ik altijd voor veiligheid gaan. Waarom keerde Navalny terug naar Rusland, Bhutto naar Pakistan, Bonhoeffer naar nazi-Duitsland en Mona naar Libanon? Om me tot haar te beperken: zij was restaurator van porselein in Den Haag. Simpel gezegd een ambacht van scherven en ‘hechtingsmiddelen’; overzichtelijk en misschien ook veelzeggend.

Khalil stortte zich op de bescherming van de zeeschildpad als een soort Lenie ’t Hart van de Mediterranee. Schildpaddenlevens ogen niet comfortabel. Hun instinct stelt hoge eisen, vooral aan de vrouwtjes. Ik doel natuurlijk op het jaarlijkse aan land kruipen als zeereptiel. Dit alles om eieren te verstoppen op een warme, donkere plek in een kwetsbaar natuurgebied. Afijn, iedereen kent die filmpjes. Het gestumper over het strand, het moeizame gegraaf in het zand, de verdrietige barensweeën in de manenschijn. Die beruchte schildpaddentraan als theatraal hoogtepunt. Dan nog het afdekken van de kuil vol broedsel met diezelfde onhandige zwemflappen en als klapstuk de trage terugtocht.

Sommige beelden van fauna in nood zijn te erg voor woorden. Maar David Attenborough was nog niet klaar met ons. Hij deed de moeder uigeleide. Zij verborg haar tranen in de branding. Nooit zou zij haar kroost geboren zien worden, maar wij natuurvrienden, wij werden verplicht om naar dat desolate ontluiken te blijven kijken. Het grut kroop na een filmische timelapse massaal uit de schalen. Er begon een helse tocht naar zee, nog onbeholpener dan we al zagen. Ondertussen deden roofvogels zich aan hen tegoed. We werden ook bijgepraat over de andere bedreigingen: vervuiling, boze vissers, klimaatopwarming, oorlog, predatoren…

Nou goed, ik had het over het leven van Mona Khalil. Ik eindig hier met een vrij lang citaat uit het genoemde artikel van Tjerk Gualthérie van Weezel, dan begrijpt de lezer misschien waarom mijn behaaglijke dagelijkse ochtendritueel van een krantje en een croisantje soms een bittere bijsmaak krijgt. Mijn burgerhart wil maar niet begrijpen wat voor sommigen die drang naar het gevaar bepaalt.

‘Meer dan een kwart eeuw zette ze zich in voor anderhalve kilometer strand, dat voor de groene zeeschildpad en de dikkopschildpad een van de belangrijkste geboortegronden vormt in het oosten van de Middellandse Zee. Op 4 juni raakte Khalil zwaargewond nadat een bom insloeg naast haar slaapkamer. Ze was na de ontploffing nog bij kennis maar overleed twee weken later alsnog in een ziekenhuis in Beiroet.

Mona Khalil werd geboren als kind van Libanese ouders in Nigeria. De familie keerde terug naar Libanon, maar Mona ontvluchtte het land als twintiger toen er halverwege de jaren zeventig een burgeroorlog uitbrak. Die oorlog groeide uit tot een politiek en religieus ingewikkeld conflict waarbij in vijftien jaar een kwart miljoen mensen omkwamen.

Khalil, die zelf van sjiitische komaf was, vluchtte naar Nederland en bouwde in Den Haag een leven op als restaurator van porselein. Maar dat liet ze in 1999 achter na een levensveranderende ontmoeting tijdens een nachtelijke wandeling op Mansouri, het strand bij haar familiehuis. Daar, zo’n 15 kilometer ten zuiden van de eeuwenoude havenstad Tyrus, stuitte ze op een schildpad die in een zelfgegraven kuil haar eieren liet vallen. Deze dieren komen al sinds de tijd van de dinosaurussen terug naar hun geboortegrond, besefte Khalil. Zij wilde voorkomen dat daar door oorlog, dynamietvissen, vervuiling en hongerige honden en vossen een einde aan zou komen.

Achter die motivatie ging een groot persoonlijk drama schuil. Tijdens een vakantie op Libanon kwam haar zoon en enige kind om het leven. Hij was aan het snorkelen naar zeesterren toen hij door een speedboot werd overvaren. ‘Vanaf dat moment besloot Mona om haar leven in het teken te stellen van de meest kwetsbare wezens die ze vinden kon’, vertelde haar nicht Sara Beydoun zaterdag in The New Arab.

Khalil remigreerde naar Libanon waar ze, als eerbetoon aan het land dat zij achterliet, het huis van haar familie oranje schilderde. ‘Orange House’ werd in de jaren daarna een begrip bij de lokale bevolking. Het pension dat Khalil er samen met vriendin en mede-activist Habiba Sayed jarenlang runde, was de uitvalsbasis voor hun strijd voor de schildpad. Veelal westerse gasten en vrijwilligers verbleven er.

De actie voor behoud van het strand werd door Khalil en Sayed op verschillende fronten gevoerd. Ze ruimden dagelijks met vrijwilligers het strand op en probeerden vervuilers te achterhalen om te voorkomen dat er nog meer schildpadden zouden sterven na het eten van plastic. Nesten schermden ze af zodat honden en vossen de eieren niet konden uitgraven. Kinderen uit de buurt sloten de schildpad in het hart nadat ze aanwezig mochten zijn bij het vrijlaten van de kleintjes die net uit het ei waren gekomen. Vissers kregen de wind van voren wanneer ze schildpadden doodden als zondebokken voor afnemende visvangst.

Dat het werk van de twee vrouwen niet zonder risico’s was, werd al snel duidelijk. In 2006 beschreef de Volkskrant al hoe boze vissers het oranje pension onder vuur namen na klachten van ‘Mona en Habiba’ over hun manier van vissen.

Dat jaar laaiden precies tijdens het broedseizoen gevechten op tussen Israël en Hezbollah in Zuid-Libanon en moesten de schildpadbeschermers enige tijd naar Beiroet vluchten. Bij terugkomst hadden vossen een groot aantal nesten leeggeroofd en troffen ze vervuiling aan doordat Israël olie-opslagtanks had geraakt. Toch bleek het achteraf een succesvol seizoen.

Bij de nieuwe uitbraak van het conflict tussen Israël en Hezbollah besloot Khalil om Orange House niet meer te verlaten. Ze dacht dat de bommen burgers wel ongemoeid zouden laten. Dat bleek dus een fatale misrekening. ‘Onze angst is dat het strand met haar sterft’, zegt haar nicht tegen The New Arab. ‘Onze hoop is dat dit niet gebeurt.’

Tjerk Gualthérie van Weezel

Het theater van de knevelaars

Waarom de geconstrueerde leugen altijd struikelt over zijn eigen details.

Ik las dat Hans Croiset de ‘Blijvend Applaus Prijs’ heeft gekregen voor zijn complete oeuvre. Prachtig natuurlijk, maar bij het horen van die achternaam dwalen mijn gedachten steevast af naar Jules. Of beter gezegd, naar die ene, voor de hele familie zo pijnlijke vraag die er altijd aan voorafgaat: welke Croiset had die ontvoering door neonazi’s ook alweer in scène gezet? Het is een typisch geval van wat ik een ‘pleonasme/tautologie-verwarring’ noem; zo’n feitje dat je een paar keer in je leven opzoekt, om het vervolgens weer even vrolijk te vergeten omdat de kwestie je uiteindelijk toch te weinig interesseert.

Terwijl Quentin Tarantino in ‘Inglourious Basterds’ (2009) nazi’s liet merken om hun identiteit onuitwisbaar te maken, hanteerde Jules Croiset het mes in 1987 in spiegelbeeld; hij kerfde het hakenkruis in eigen vlees om een fictieve dadergroep tot leven te wekken. Een macaber staaltje theater dat de gendarmerie al snel als ‘too much information’ doorzag. Het is een even fascinerende als tragische les in opsporingspsychologie. De leugenaar struikelt zelden omdat hij te weinig vertelt, maar omdat hij de werkelijkheid dwingend wil dicteren. Hij overschreeuwt de waarheid met een overvloed aan details, onwetend dat diezelfde details zich als getuigen tegen hem zullen keren.

Het bleek dus om Jules te gaan, de jongere broer. Zijn naam – en die van de rest van de dynastie – raakte in 1987 voorgoed bezoedeld in Namen in België (what’s in a name?). Juist daar zou hij in een hinderlaag zijn gelokt. Hij werd er in een “grote, donkere auto” geduwd en door deze “knevelaars” (echt zo’n theatraal Jules Croiset-woord) onder het uiten van antisemitische dreigementen richting de Franse grens gevoerd.

De zeventigjarige carrière van de negentigjarige Hans interesseert me subiet geen snars meer. Ik wil weer even alles van deze kidnapping weten, of liever: van de “faux-ontvoering” zoals de Belgische gendarmerie het eufemistisch doopte, nadat zij de feitelijke onmogelijkheden van het scenario hadden blootgelegd. Jules wist de recherche in eerste instantie met veel details te voeden, maar hij hield geen rekening met de nuchterheid waarmee zij zijn fantastische scenario naast de logistieke realiteit van zijn Franse soloritje legden.

Hier loopt de geconstrueerde werkelijkheid steevast in de klassieke val: de absolute controle willen behouden door middel van details. Wie de waarheid spreekt, hoeft alleen maar te putten uit een rommelig, organisch geheugen vol gaten en vage herinneringen. Wie daarentegen een leugen fabriceert, voelt de dwingende noodzaak om de toehoorder preventief te overtuigen. Elke ruimte voor twijfel moet vooraf worden geëlimineerd; dus wordt het verhaal dichtgetimmerd met ankerpunten, citaten, logistieke feiten en emotionele inkleuring. Wat de fantast echter over het hoofd ziet, is dat elk verzonnen detail geen versterking van zijn vesting vormt, maar een nieuw feit dat zich pijnlijk leent voor controle. Juist hier openbaart zich de paradox van de overdaad: de leugen verdrinkt niet in een gebrek aan fantasie, maar in een fatale overvloed ervan. Het perfecte script geldt paradoxaal genoeg altijd als de eerste aanwijzing dat er geregisseerd wordt.

Kijken we met die psychologische bril naar Jules Croiset, dan zie je de acteur onwillekeurig de regieaanwijzingen dicteren. Een daadwerkelijk getraumatiseerd slachtoffer van een ontvoering herinnert zich na een bevrijding meestal slechts flarden; de textuur van een bekleding, een specifieke geur of het vage verstrijken van de tijd. Jules niet. Jules herinnerde zich een complete theaterproductie.

Hij wist de gendarmerie destijds haarscherp te vertellen hoe de antisemitische dialogen in die grote, donkere auto klonken, kon de politieke motieven van zijn knevelaars tot in detail fileren en schetste een motief dat zo naadloos paste bij de maatschappelijke storm rond het Fassbinder-toneelstuk, waarin hij een rol vertolkte, dat het wel móést kloppen. Elk personage in zijn auto sprak precies zoals de buitenwereld dacht dat een neonazi zou spreken. Het was dramaturgisch vlekkeloos.

Om dit huiveringwekkende relaas van de vermeende ‘fascistische dreiging’ van het ultieme bewijs te voorzien, ging Croiset in zijn zucht naar realisme zelfs over tot fysieke enscenering. Hij toonde de verbijsterde autoriteiten zijn ontblote borstkas, waarin de ontvoerders met een mes een hakenkruis zouden hebben gekerfd. Het was een even macabere als theatrale afleidingsmanoeuvre; een moreel schild dat kritische vragen kortstondig onmogelijk maakte. Wie twijfelt er immers aan een man die de littekens van de haat fysiek met zich meedraagt?

Precies op die schijnbare perfectie liep hij vast. Het bleek de ultieme overdaad in zijn paradoxale constructie. De rechercheurs in Namen lieten zich namelijk niet gijzelen door de enorme emotionele lading van dit antisemitische drama. Terwijl de publieke opinie in Nederland nog trilde op haar grondvesten, hielden de Belgen het hoofd koel; zij ruilden de morele verontwaardiging in voor de landkaart en de stopwatch. Toen zij de theoretische rijtijden naast de werkelijke chronologie legden, de getuigenverklaringen ter plekke controleerden – waar niemand een worsteling rond een grote auto had gezien – en de benzinetank van Croisets eigen wagen peilden, bleek de logistieke realiteit sterker dan het script. De acteur had simpelweg te veel kruisjes op de kaart gezet.

Toen de gendarmerie hem vervolgens confronteerde met de medische realiteit van het hakenkruis – dat qua hoek en diepte verdacht veel weghad van een zelftoegebrachte wond – en hem ook nog vroeg hoe hij zichzelf met een acrobatisch vernuft dat de gemiddelde boeienkoning jaloers zou maken had weten vast te binden in die Franse kelder, stortte het kaartenhuis in. Het spel was uit. De fantasie was te zwaar geworden voor de dunne ijslaag van de werkelijkheid. Jules bekende dat hij de autorit alleen had afgelegd, de brieven zelf had getypt en het mes in eigen hand had genomen.

In Inglourious Basterds dwingt Aldo Raine de nazi’s om hun ware aard voor altijd op hun voorhoofd te dragen; Jules Croiset kerfde het symbool daarentegen in zijn eigen borst om te veinzen dat hij door hen was belaagd. Dezelfde plastische handeling, maar met een volslagen omgekeerde psychologische dynamiek. Ik ga hier zo op door omdat ik stomtoevallig die film weer eens had opgezet, geheel onwetend dat ik de volgende dag, door de prijstoekenning aan Hans Croiset, aan de automutilatie van zijn broer zou worden herinnerd.

Lezersreactie:

Goed bezig Ronald. Als jij je eenmaal ergens in vastbijt…
(Gertrud Wiesenthal, Braunau am Inn)

Mijn reactie:

Jazeker, Gertrud. En ik zou iedereen die iets te verbergen heeft op neo-nazigebied willen meegeven: treed nooit te veel in detail. Dat is mijn parool aan de zelfverloochenaar: tuig geen complex, overgedetailleerd alternatief verhaal op om een dubieus verleden mee af te dekken. Verdruk de ware geschiedenis als je dat niet kunt laten, maar strooi geen overdaad aan zand in mijn ogen. Dat wekt de onderzoeksjournalist in mij acuut uit zijn tent. Bedenk wel, dat ik afstam van een verzetsman én krantenjongen; het opsporen van verzwegen geschiedenissen zit me in het bloed.
Dank voor je reactie, Gertrud. Hoe staat het met jouw eigen onderzoeken daar? Ben je nog iets nieuws op het spoor gekomen? We schrijven elkaar weer snel.

Haar “tja” werd een plotseling “ja”

Het faillissement van de platonische vrede; een vriendschap van jaren gereduceerd tot louter voorspel.

Zijn seksuele toespelingen hadden tot dan toe steevast een spottend ‘tja’ op haar lippen getoverd, alsof ze de precieze hoeveelheid enthousiasme probeerde te doseren die nodig was om de vriendschappelijke vrede te bewaren zonder valse hoop te wekken. En toch maakten zijn erotische hints meer bij haar los dan ze liet merken; haar lichaamstaal legde een onwillekeurig protest bloot dat haar eenlettergrepige schamperheid direct tegensprak. Het schreeuwde om een vluchtroute, hoe smalend ze ook bleef glimlachen. Het bracht een nerveuze spanning teweeg die, gemeten naar de graad van cognitieve dissonantie, ook begrepen kon worden als een wanhopige poging om de uiterlijke schijn van onbewogenheid te redden.

Heel haar biologie stak de draak met die gecultiveerde gereserveerdheid. De kuiltjes tussen haar sleutelbeenderen verraadden een plotselinge, oppervlakkige ademhaling en het ritmische kloppen in haar hals hield gelijke tred met zijn herhaalde insinuaties. Terwijl haar verstand nog zocht naar een intellectuele vluchtroute, verwijdden haar pupillen zich onwillekeurig en oncontroleerbaar; een gitzwarte bekentenis die haar honende lachje rücksichtslos tegensprak. Haar vingers zochten nerveus de rand van haar glas, alsof ze zich ergens aan moest vasthouden om niet toe te geven aan de hitte die zichtbaar via haar decolleté omhoog kroop.

Hij zweeg even en liet de stilte tussen hen vallen als een vergeefse adempauze. Het was fascinerend om te zien hoe haar gecultiveerde fatsoen vocht tegen de realiteit van haar eigen huid; een ongelijke strijd die ze eigenlijk al had verloren.
“Je ‘tja’ klinkt heel verstandig,” zei hij, terwijl hij zijn blik traag van haar lippen naar het ritmische kloppen in haar nek verschoof; “maar je lichaam spreekt een heel andere taal.”
Ze wilde antwoorden, dat zag hij aan de lichte trilling van haar onderlip, maar de woorden bleven steken in een ademteug die net iets te lang duurde. De spottend-amicale vrede waar ze zo angstvallig aan vasthield, was flinterdun geworden.

Haar krampachtige grip op het glas bood de uitnodiging waar hij op had gewacht. Hij reikte over de tafel en legde zijn hand vlak naast de hare; niet om haar aan te raken, maar om de warmte te voelen die inmiddels van haar hele lijf af straalde. Ze trok haar hand niet weg. Haar ademhaling stokte even; een minieme hapering in haar verdediging die de spanning in de kamer deed zinderen.
“Als je echt wilt vluchten,” fluisterde hij, terwijl hij de afstand tussen hun gezichten net genoeg verkleinde om de geur van haar parfum vermengd met de opgelaaiende blos van haar wangen zo intens mogelijk te ervaren, “moet je nu opstaan.”

Ze bleef zitten. De seconden tikten weg met een lome, zware traagheid, maar de verwachte opstand bleef uit; haar benen weigerden simpelweg de orders van haar gekrenkte geestvermogen op te volgen. In plaats daarvan liet ze haar hoofd een fractie achteroverhellen, een micro-beweging waarmee ze haar hals nog verder ontblootte, alsof ze zich onbewust schikte in de onvermijdelijkheid van het gebeuren.
“Ik sta niet op,” fluisterde ze, en hoewel haar stem probeerde te klinken als een nuchtere vaststelling, verraadde de hese ademloosheid eronder de totale overgave.

Ze liet de rand van het glas los en gleed met een langzame, bijna tastende beweging over het tafelblad, tot haar nagels de zijkant van zijn duim raakten. Die eerste, minimale aanraking stuurde een schokgolf door haar autonomie; hij zag de rilling over haar schouders lopen terwijl de huid op haar armen zich samentrok in een vlaag van kippenvel. Nu bloosde ze overal. Haar verstand had de strijd gestaakt. Wat overbleef was de pure, ongecensureerde reactie van een lichaam dat veel te lang had moeten hongeren naar wat hij haar zojuist met een paar gewaagde toespelingen had voorgespiegeld.

Hij draaide zijn palm en sloot zijn vingers om de hare; haar huid was heet en vochtig van de nerveuze opwinding die ze, met haar blik strak in de zijne gevangen, niet meer probeerde te ontkennen. De vriendschappelijke vrede werd definitief verscheurd. Voorzichtige verstrengelingen vormden een te mager compromis voor de spanning die het liefdesspel inmiddels dicteerde. Hij liet haar los en bracht zijn hand omhoog, traag genoeg om haar de kans te geven om alsnog terug te deinzen. Ze verzette zich niet. Zijn tastzin vond de zijkant van haar hals, waar de slagader nog altijd als een bezetene tekeerging.

Toen gleed zijn hand onherroepelijk omlaag. Via de glooiing van haar boezem, die heftig meeboog op haar ademhaling, dreef de gloed van haar huid hem naar de bovenrand van het verborgene; en ten slotte daaronder, naar de verboden contouren van haar borst die onder de dunne stof van haar kleding uitnodigend aanvoelde. Een smekende, hese zucht ontsnapte aan haar lippen toen zijn pink haar tepel vond, die zich onder de hernieuwde druk onmiddellijk hard en rebels aftekende. Hij had haar fatsoen niet alleen monddood gemaakt, het was fysiek gecapituleerd.

Terwijl hij bezitnam van dit herwonnen territorium, registreerde een overgebleven, cynisch deel van zijn brein de absolute roekeloosheid van deze transactie. Hij vond het fascinerend hoe de calculus van de begeerte werkte; hoe hij in het belang van deze prachtige, vleselijke samensmelting bereid was om de zorgvuldig opgebouwde houdbaarheid van een jarenlange vriendschap op het spel te zetten. Rationeel gezien vormde dit een inferieure deal; een emotioneel faillissement dat op de lange termijn onherroepelijk zijn tol zou eisen. Maar nu wogen de herinneringen aan hun veilige, platonische routine van de afgelopen jaren op geen enkele manier op tegen de tastbare realiteit van het moment. Hij reduceerde hun complete geschiedenis met terugwerkende kracht tot louter voorspel; en het angstaanjagende was dat de wetenschap dat hij alles op het spel zette, de naderende extase een bijna transcendente lading gaf.

Het limbische systeem kende geen geschiedenis. Het trok zich al helemaal niets aan van toekomstige nostalgie. De herinneringen aan hun gedeelde lachsalvo’s, de diepe gesprekken tijdens nachtelijke autoritten en de veilige platonische routine van de afgelopen jaren wogen niet op tegen de zwaartekracht van haar blik, de aanraking van haar hele wezen en vooral ook de overgave aan haar altijd zo zorgvuldig verborgen genotsvocht en lichaamsgeur. De potentiële ravage die hij aanrichtte deed hem op geen enkele manier aarzelen. Integendeel; het besef dat zij met één verkeerde beweging een onomkeerbaar ravijn in zouden storten, gaf de naderende climax de status van een onvermijdelijke wetmatigheid; alsof de val de enige logische bestemming van de klim was geweest, een absolute noodzaak die geen uitstel meer duldde; een grandioze afronding, als het laatste, allesonthullende hoofdstuk van een bloedstollend verhaal.

Je las een fragment uit deel 2 van de autobiografie ‘Predestamped: From Publisher to Window Dresser’, een uitgave van Ronald van Noorden bij eenmansuitgeverij Cum Suis.

Lezersreacties:

Prachtig ‘zinsgebouw’, maar anatomisch gezien betwijfel ik of een blos zo snel van het decolleté naar de oren stijgt zonder hyperventilatie.
Alphons_m

Danst het koppel inmiddels de cha-cha of heeft hij toch te hard op haar teentjes getrapt?
Guus, Oosterbeek

Er gaat geen groot erotisch schrijver aan jou verloren.
Horlepiep#Fan

Van platonisch naar plat en nooit meer terug naar de beschaving.
Truus_V&D

Erg opwindend maar niet heus. Dit blogbericht werkt vooral goed op m’n slappe lachspieren.
Walter, Maassluis

Willem Frederik Hermans schreef ooit: ‘Erotiek is de triomf van de mislukking.’ Dit stuk is daar het levende, ietwat oververhitte bewijs van.
Gerard, Zutphen

Man man man, wat een theoretisch gedoe om een vrouw aan te raken. Tegen de tijd dat jij haar decolleté hebt geanalyseerd via de wetten van de thermodynamica, heeft ze haar jas alweer aan.
Zandloper77

Dit ruikt naar een klassiek gevalletje projectie van de auteur. Als ze echt zo’n nerveuze spanning had, was ze allang naar het toilet gevlucht om haar vriendinnen te appen dat ze met een psychopaat aan tafel zat.
Henk (Arnhem)

Hiep hoi! Eindelijk actie op die website van je. Volgende keer graag wat minder Latijnse termen en wat meer concrete handelingen. Ging die rits nog open of hoe zat dat?
SjaakBalletje

Ik vond het heel romantisch. Die frictie tussen verstand en gevoel is zo herkenbaar.
Annelies (Velp)

Te veel tekst voor een mislukte versierpoging.
Kees013

Een maatschappelijk acceptabele leugen?

Mensen verdraaien liever hun motieven dan dat ze hun zelfbeeld beschadigen.

Wat was de meest waarschijnlijke prompt die PVV-Kamerlid Maikel Boon aan zijn chatbot voerde om tot de gemanipuleerde AI-afbeelding te komen die hij vervolgens op sociale media verspreidde? Was dat: (1) “Manipuleer deze rechtbanktekening zodanig dat de auteursrechten komen te vervallen”, of eerder iets als: (2) “Geef de verdachten een dreigender, Arabisch uiterlijk”?

Het antwoord laat zich raden. Tegelijkertijd zit er iets opvallends in Boons verdediging. Kennelijk begrijpt hij heel goed dat het maatschappelijk minder schadelijk klinkt om te zeggen dat hij ‘copyright’ probeerde te omzeilen dan om toe te geven dat hij bewust een racistisch effect wilde versterken. Zelfs hier lijkt nog een gradatie te bestaan tussen kwaad en erger.

De morele cosmetica van propaganda, zichtbaar in haar hedendaagse vorm. AI verandert Boon op commando in een erwt. Waarom gaf ik mijn chatbot die opdracht? Omdat de politicus liegt tot hij groen ziet? Of omdat hij in de politiek altijd een groentje zal blijven? Hoe dan ook getuigt zijn cosmetische geweten van een dubbel gedopte domheid: hij laat niet alleen andermans gezichten grimmiger maken, maar kleurt ook zijn eigen motieven zorgvuldig bij tot ze binnen de grenzen van het aanvaardbare vallen. Een goed verstaander doorziet die schijnverpakking natuurlijk direct.

De bewerkte rechtbanktekening stond geruime tijd zichtbaar in een video op de Instagram-pagina van de PVV Noord-Brabant. De oorspronkelijke illustratie van rechtbanktekenaar Petra Urban toonde twee Syrische broers die terechtstonden wegens betrokkenheid bij de dood van hun zus Ryan. In de aangepaste versie waren de gezichten grimmiger gemaakt en was de sfeer van de afbeelding donkerder aangezet. Daarmee veranderde niet alleen het uiterlijk van de verdachten, maar ook de betekenis van het oorspronkelijke journalistieke werk.

Dit staat niet op zichzelf. Boon werd eerder al in verband gebracht met AI-afbeeldingen waarin blonde vrouwen als onschuldige slachtoffers figureerden tegenover mannen met een bewust getinte huid en overdreven agressieve trekken. Ook verschenen AI-bewerkte afbeeldingen van Frans Timmermans in online omgevingen waar gebruikers openlijk geweld en doodswensen uitten. Zulke beelden functioneren allang niet meer als satire of provocatie. Ze zijn bedoeld om vijandbeelden op te roepen en emoties doelgericht op te hitsen.

Daarmee raakt deze affaire aan iets groters dan auteursrecht of onbeholpen gebruik van AI-tools. Het gaat om de normalisering van politieke beeldmanipulatie. AI maakt het inmiddels kinderlijk eenvoudig om bestaande beelden subtiel te verdraaien: iets zwaardere schaduwen, iets bozere ogen, iets meer dreiging in een gezicht. Juist die kleine ingrepen blijken buitengewoon effectief in het bespelen van onderbuikgevoelens.

Opmerkelijk is bovendien dat Boon eerder ontkende betrokken te zijn bij het maken en verspreiden van dergelijke AI-beelden. Zijn huidige uitleg – dat hij slechts dacht auteursrechten te ontwijken – klinkt daardoor weinig geloofwaardig. Misschien is dát nog het meest veelzeggende aan deze affaire: niet alleen dat zulke beelden worden gemaakt, maar dat men intuïtief begrijpt welke motieven nog enigszins toonbaar zijn en welke niet.

Dat mechanisme beperkt zich overigens niet tot politici of propagandisten. Ik herken er iets van uit een volstrekt alledaagse situatie. Een aangetrouwde neef van mij vertelde op familiefeestjes steevast dat hij op de SP had gestemd. Dat kon niet waar zijn, hij is een fervente ultra-rechts stemmer. Toch bleef hij het herhalen, met een bijna merkwaardige hardnekkigheid.

Dat fascineert me. Want waarom zou iemand liegen over iets wat zo overduidelijk met zijn eigenlijke standpunten vloekt, en bovendien niet eens bijzonder prestigieus klinkt? Vermoedelijk omdat de leugen minder over politiek ging dan over identiteit. Door te beweren dat hij SP stemde, presenteerde hij zichzelf impliciet als sociaal bewogen, kritisch op ongelijkheid en solidair met ‘gewone mensen’. Niet de politieke overtuiging stond centraal, maar het morele imago dat ermee werd opgeroepen.

Precies daarin zit de parallel met Boons verdediging. Ook daar lijkt de feitelijke waarheid ondergeschikt aan het beeld dat iemand van zichzelf wil bewaren. “Ik wilde alleen auteursrechten omzeilen” klinkt als een technische fout; dom misschien, maar niet kwaadaardig. Het alternatief zou betekenen dat men openlijk toegeeft bewust op raciale vooroordelen te hebben ingespeeld. En dat tast niet alleen de reputatie aan, maar ook het eigen zelfbeeld.

Interessant genoeg verraadt zo’n leugen juist dat er nog altijd een morele grens wordt gevoeld. Wie werkelijk geen onderscheid meer ervaart tussen fatsoen en onfatsoen, hoeft zijn motieven ook niet zachter voor te stellen dan ze zijn. Nu echter werd de leugen een vorm van cosmetica voor het geweten.

Dat zie je vaker bij mensen die hun imago voortdurend subtiel proberen bij te sturen. Ze kiezen niet zomaar een willekeurige onwaarheid. Ze kiezen zorgvuldig de versie van de werkelijkheid waarin ze nét iets redelijker, fatsoenlijker of menselijker lijken dan hun gedrag eigenlijk rechtvaardigt.

Misschien verklaart dat ook waarom zulke mensen vaak zo verontwaardigd reageren wanneer hun gedrag wordt blootgelegd. Niet alleen omdat ze betrapt zijn, maar omdat de zorgvuldig opgebouwde morele verpakking ineens scheurt. Soms bewaakt iemand liever de schijn van fatsoen dan het fatsoen zelf.

Lezersreactie:
Choose your battles, Ronald. Zullen we even stilstaan bij de verschrikkelijke daad van die twee broers? En laten we vooral de vader niet vergeten; de feitelijke aanstichter en indoctrinant die de boel heeft opgehitst en vervolgens lafhartig naar het buitenland is gevlucht. Ik kan de woede van Boon heel goed begrijpen. Het zou toch in eerste instantie over dit soort van barbaarsheid moeten gaan? Ik vraag me af of jij nog wel de hardcore atheïst bent waar je je altijd op voor liet staan. Waarom richt je je pijlen op een AI-plaatje in plaats van op de ideologie die dit soort gezinsmoorden voortbrengt?

Mijn reactie:
Het korte antwoord is: ja, ik ben nog exact dezelfde atheïst. Mijn standpunt over religieus geïnspireerd geweld is onveranderd en sluit naadloos aan bij bijvoorbeeld de filosofie van Sam Harris. Uit naam van het geloof – en specifiek binnen de dogmatische ereregelingen van patriarchale culturen – worden de meest huiveringwekkende wreedheden gelegitimeerd. De moord op Ryan is een gitzwart moreel failliet. De rol van de vader als ideologische aanstichter, die jonge geesten vergiftigt en daarna de benen neemt, is ronduit abject. Wie de geschriften van Harris kent, weet dat rede en menselijk welzijn de enige ijkpunten zijn; religieuze dogma’s vormen daarop een directe bedreiging. Over de aard van die daad bestaat tussen ons dus geen millimeter ruimte voor discussie.
Maar dat brengt ons bij de kern van de zaak: waarom verwoordt een politicus als Boon diezelfde filosofische of maatschappelijke kritiek dan niet gewoon? Waarom grijpt hij niet naar het geschreven woord, naar een messcherp debat over de doctrine van de eermoord, of naar een rationele ontleding van deze culturele misstand? Antwoord: omdat ultrarechts daar simpelweg de intellectuele capaciteit en de bijbehorende innerlijke beschaving voor mist.
Om een geloofskwestie op een objectieve, universele manier te fileren, heb je argumenten nodig. Je moet de rede aan je zijde hebben. Ultrarechts intellectueel onvermogen compenseert dat gebrek aan overtuigingskracht door te vluchten in primitieve beeldtaal. Men debatteert niet; men hitst op. Ultrarechtse politici hebben geen goed geformuleerde filosofische bezwaren tegen religieus dogmatisme; ze hebben een tribale afkeer van de ander. Door de werkelijkheid niet te analyseren maar visueel te misvormen (grovere trekken, een donkerdere huid), verlagen zij een legitieme maatschappelijke discussie tot een racistisch schimmenspel.
Boon strijdt niet tegen het religieuze kwaad van de vader; hij gebruikt het lijk van een jonge vrouw als politiek vliegwiel. En dat is precies de intellectuele armoede die aan dit soort manipulaties voorafgaat.

De VS hebben hun beste president vermoord

…terwijl een psychopathische schurk niet eens wordt geïmpeacht.

Als mijn ouders, begin jaren zestig, in Rotterdam waren gebleven, zou ik nooit op een christelijke school zijn beland. Maar in Gilze-Rijen kon ik er niet aan ontkomen; er was daar geen onderwijs voorhanden zonder bijbel. Zodoende leerde ik van Jezus’ zondedood; zijn eigen Heilige Vader haalde hem voortijdig weg bij de mensen. Thuis werd dat verhaal genuanceerd (“God bestaat niet”), maar een andere vergelijkbare tragische gebeurtenis diende zich alweer aan: de grote leider van Amerika werd op 22 november 1963 vermoord. “Door zijn eigen mensen”, beweerde mijn vader. We hebben thuis nooit iets anders geloofd. De moord op Kennedy – niet alleen de dood zelf, maar ook het raadselachtige karakter ervan, de tegenstrijdige verklaringen, de vermoede betrokkenheid van staatsinstanties en de eindeloze stroom speculaties en reconstructies – fascineerde hem mateloos. Dit werd thuis zichtbaar aan de groeiende plank vol boeken over Dallas, Oswald en de complotten rond de aanslag.

Toen ik begon aan JFK and the Unspeakable: Why He Died and Why It Matters van James W. Douglass, dacht ik dat ik een zoveelste boek over de moord op John F. Kennedy zou lezen. Maar Douglass doet iets veel fundamentelers: hij legt de anatomie bloot van een staatsgreep. Hij laat zien dat de vraag wie Kennedy doodde onlosmakelijk verbonden is met de vraag waarom hij een existentiële bedreiging vormde voor de instituten van zijn eigen land. Dat verschil is essentieel.

Inmiddels heb ik ook het JFK-gedeelte van Martyrs to the Unspeakable gelezen, en de optelsom van beide boeken is voor mij onontkoombaar. Waar JFK and the Unspeakable de gedetailleerde, bijna obsessieve reconstructie is van de politieke confrontaties, functioneert Martyrs als de morele slotsom. Douglass stapt hier weg van de feiten om de gruwelijke betekenis van de moord te duiden: Dallas was geen tragisch incident, maar een noodzakelijke interventie van een systeem dat vrede als een direct gevaar voor de nationale veiligheid beschouwde.

Wat mij in beide boeken zo aangreep, is de gedocumenteerde transformatie van Kennedy. Hij was aanvankelijk een overtuigd kind van de Koude Oorlog, gevormd door machtspolitiek. Maar de Cubacrisis was zijn breekpunt. Douglass toont aan dat Kennedy daar veranderd uitkwam. Hij besefte dat hij de leiding had over een apparaat dat richting totale zelfvernietiging dreef; een systeem van generaals en adviseurs die nucleaire escalatie niet alleen acceptabel, maar zelfs wenselijk achtten. Hoe meer ik Douglass las, hoe duidelijker het werd dat Kennedy’s daaropvolgende koerswijziging zijn doodvonnis tekende.

Zijn openlijke toenadering tot Chroesjtsjov en de beroemde vredesrede aan de American University waren geen loze retoriek; het waren daden van openlijk verzet tegen het diep gewortelde militaire establishment. Het meest overtuigende bewijs voor de noodzaak van zijn eliminatie vind ik echter in Vietnam. National Security Action Memorandum 263 – Kennedy’s concrete plan om de troepen terug te trekken – was de definitieve splijtzwam. Douglass laat zien dat de oorlogsmachine een eigen momentum had gekregen dat geen halt meer toeriep voor een president. De snelheid waarmee dit beleid na de moord door Lyndon B. Johnson werd teruggedraaid, spreekt boekdelen.

De kracht van Douglass’ argumentatie zit niet in één enkel bewijsstuk, maar in de verstikkende opeenstapeling van spanningen tussen Kennedy en de legertop en veiligheidsdiensten. De openlijke vijandschap van de CIA na de Varkensbaai en de woede van de militaire haviken vormden de opmaat naar een onvermijdelijke botsing. Douglass schetst het beeld van een president die door de structuren die hem geacht werden te dienen, werd geïsoleerd en uiteindelijk geëlimineerd.

Het begrip ‘the Unspeakable’, dat Douglass ontleent aan Thomas Merton, is daarom de enig juiste kwalificatie. Het beschrijft de ijzingwekkende werkelijkheid van een schaduwmacht waarin militarisme en geheimhouding zo verstrengeld zijn dat democratische controle slechts een illusie is. Douglass confronteert de lezer met een moreel trauma dat men liever negeert omdat de implicatie te groot is: Kennedy werd niet vermoord door een eenling, maar geëxecuteerd door zijn eigen regering.

Ik bleef achter met de wetenschap dat ik geen ‘ketters’ geschiedenisboek had gelezen, maar een verslag van een keerpunt. Dallas was de gewelddadige vernietiging van een historische richting die Amerika even leek in te slaan. Kennedy stierf als martelaar, vermoord door een systeem dat vrede gevaarlijker vond dan de ondergang van de wereld.

Annex: De onuitspreekbare werkelijkheid van vandaag

Wie denkt dat de krachten die Douglass beschrijft met de jaren zijn getemd door democratische controle of moreel voortschrijdend inzicht, kijkt naar een land dat niet bestaat. Integendeel; het systeem is alleen maar efficiënter geworden in het verbergen van de naden, terwijl de corruptie zich als een veenbrand heeft verspreid. De Amerikaanse democratie balanceert momenteel op een afgrond, voortgestuwd door een Republikeinse schurkenbende die de instituten niet langer wil dienen, maar wil gijzelen.

De parallel met Kennedy is wrang, maar noodzakelijk. JFK probeerde via diplomatieke weg een brug te slaan naar Chroestsjov om de wereld te behoeden voor een nucleaire apocalyps. Dat was een daad van moed, een poging tot vrede vanuit een moreel kompas. Als we dat leggen naast het huidige geflirt van Trump met Poetin, zien we de ultieme pervertering van diplomatie. Waar Kennedy zocht naar vrede via openheid en dialoog, zien we nu een sinistere verstandhouding die niet is gestoeld op wereldvrede, maar op de gedeelde bewondering voor autocratie en eigenbelang.

Het is de paradox van de macht: Kennedy werd geëlimineerd omdat hij de vrede zocht binnen een systeem dat oorlog nodig had; de huidige machthebbers ondermijnen de vrede juist door de fundamenten van de democratie zelf te slopen.

Ik ben er heilig van overtuigd dat de ‘Unspeakable’ vandaag de dag nog steeds de dienst uitmaakt, zij het in een moderner jasje. Het militair-industrieel complex waar Eisenhower voor waarschuwde en waar Kennedy zijn tanden op stukbeet, is inmiddels gefuseerd met een ongekende financiële hebzucht en een totale minachting voor de waarheid. Dit ondoorzichtige netwerk van het Pentagon, de inlichtingendiensten en hun commerciële belangen is geenszins getemd; het wordt simpelweg gefaciliteerd door een politieke klasse die de burgerrechten liever bij het grofvuil zet dan de eigen privileges opgeeft.

Misschien is dat wel de meest bittere pil: we kijken niet langer naar een systeem dat een president elimineert omdat hij te progressief is, maar naar een systeem dat de volledige staatsstructuur aanpast aan de grillen van de meest corrupte elementen binnen de samenleving. De moord op JFK was het startschot voor een proces dat nu zijn voltooiing nadert. De ‘stilte’ waar Douglass over spreekt, is inmiddels een oorverdovend lawaai geworden van desinformatie en politiek opportunisme.

Lezersreactie:
Ik zou van ‘impeached’ de nederlandse versie maken. In het Nederlands schrijf je doorgaans: hij wordt geïmpeacht, dus mét trema en als vernederlandste werkwoordsvorm. Het werkwoord wordt dan behandeld zoals andere uit het Engels overgenomen werkwoorden: uploaden → geüpload, deleten → gedeletet, improviseren → geïmproviseerd. Het trema in geïmpeacht laat zien dat je de i apart uitspreekt. In meer journalistieke of informele stijl kun je de Engelse vorm onveranderd laten, zoals je deed: “Trump wordt impeached.” Maar volgens Nederlandse spellingslogica is geïmpeacht de meest vernederlandste en taalkundig consistente vorm.

Antwoord: Ok, bij deze aangepast. Op jouw risico.

Overleven tussen bomen

Leven buiten de ‘beschaving’ als droom, vanzelfsprekendheid of noodzaak.

Het overleef je in de bossen? Die vraag klinkt tegenwoordig bijna romantisch. We denken aan tiny houses, permacultuur, off-grid leven en de vrijheid van een bestaan dicht bij de natuur. Maar dezelfde vraag kreeg in andere tijden en op andere plekken een totaal andere betekenis. Voor Papoea’s was leven in en met de natuur eeuwenlang vanzelfsprekend. Voor onderduikende Joden tijdens de oorlog werd kennis van het landschap een kwestie van leven of dood. Ja, voor hedendaagse earthshipbouwers of zelfvoorzieningsdromers is het vaak een experiment; soms ideologisch, soms existentieel. Toch hebben die werelden iets gemeen: ze laten zien dat natuurkennis nooit vrijblijvend is geweest.

Bosverblijven: een tiny house, een onderduikershol en een papoeahut. Wie zoekt naar de blauwdruk van een leven dat naadloos aansluit bij onze menselijke biologie, komt onherroepelijk uit bij de Papoea’s; althans, bij hun bestaan voordat de westerse bemoeizucht de natuurlijke orde kwam herindelen. Critici zullen direct de traditie van het koppensnellen of kannibalisme opvoeren als bewijs voor een ‘onbeschaafd’ tekort. Maar laten we eerlijk zijn: wie het gedrag van andere primaten of roofdieren bestudeert, ziet dat geweld een integraal onderdeel is van overleving. De westerse mens is de enige diersoort die zijn eigen agressie heeft gelegaliseerd in wetboeken, om vervolgens verbaasd te kijken naar de onversneden wreedheid van het ecosysteem.

De tentoonstelling Tijd voor Papoea in Wereldmuseum Leiden zette mij opnieuw aan het denken over wat het eigenlijk betekent om ‘in de natuur’ te leven. In het Westen beschouwen we zo’n bestaan vaak als primitief of als een gebrek aan ontwikkeling. Maar wie kijkt naar de kennis die volkeren als de Papoea’s gedurende eeuwen opbouwden, ziet eerder het tegenovergestelde. Weten welke planten eetbaar zijn, hoe je water vindt, hoe je een onderkomen bouwt uit wat het landschap biedt, hoe je leeft zonder het ecosysteem direct uit te putten, dat is geen romantische hobby, maar een vorm van beschaving op zichzelf. Misschien alleen een beschaving die niet gebouwd werd uit beton, plastic, asfalt, algoritmes en spreadsheets.

Een heel andere betekenis krijgt die natuurkennis in de verhalen rond de Zefat-groep, waarover een vriend van mij samen met Ab van Dien een filmproject maakte voor Herinneringscentrum Kamp Westerbork. Daar werd het bos geen plek van vrijheid of harmonie, maar een schuilplaats. Mensen groeven kuilen om zichzelf verborgen te houden, letterlijk wegzakkend in de aarde om te kunnen overleven. Het confronteert je met een ongemakkelijke waarheid: de natuur beschermt niemand vanzelf. Zonder kennis van terrein, seizoenen, camouflage en foerageren wordt een bos eerder een vijand dan een toevluchtsoord. Het idee van ‘off-grid leven’ klinkt anders wanneer het geen keuze meer is, maar een laatste mogelijkheid.

Toch herken ik ergens ook de aantrekkingskracht van dat andere perspectief: het verlangen naar een eenvoudiger bestaan, in een tiny house tussen bomen, omringd door een permacultuur die misschien genoeg oplevert om jezelf en anderen te voeden. Niet uit pure noodzaak, maar uit onvrede met een wereld die steeds drukker, kunstmatiger en afhankelijker aanvoelt. Earthships, zelfvoorzienende woningen en off-grid experimenten lijken soms moderne pogingen om iets terug te vinden wat verloren is gegaan. Tegelijk schuilt daar misschien ook een paradox in. Veel mensen – ikzelf inbegrepen – kunnen over zo’n leven fantaseren juist omdat we zijn opgegroeid in een samenleving waarin supermarkten, elektriciteit en infrastructuur vrijwel altijd beschikbaar zijn. De romantiek van zelfvoorziening ontstaat vaak pas op het moment dat echte afhankelijkheid verdwenen is.

Toch is er nog iets dat deze drie werelden met elkaar verbindt. Geen van hen blijkt uiteindelijk onaantastbaar. Iedere vorm van leven buiten de moderne beschaving staat onder druk, al gebeurt dat telkens op een andere manier.

Voor veel Papoea-gemeenschappen wordt een eeuwenoude levenswijze langzaam afgebroken door een oprukkende buitenwereld. Zendingsdrang, economische exploitatie, ontbossing en klimaatverandering dringen gebieden binnen waar mens en natuur ooit een vanzelfsprekende eenheid vormden. Wat voor buitenstaanders soms als “achtergebleven” werd gezien, blijkt ondertussen juist kennis te bevatten die de moderne wereld grotendeels is kwijtgeraakt. Ironisch genoeg vernietigt dezelfde beschaving die zichzelf als vooruitgang presenteert vaak precies datgene wat zij zegt te willen beschermen: cultureel evenwicht, biodiversiteit en verbondenheid met de leefomgeving.

Ook de onderduiker leeft in een wereld die voortdurend dreigt te verdwijnen. Niet langzaam, maar abrupt. Eén moment van verraad, één strenge winter, één tekort aan voedsel kan het einde betekenen. Het geïmproviseerde bestaan in bossen, holen of zelfgegraven kuilen vraagt een lichamelijke en geestelijke hardheid die nauwelijks voorstelbaar is voor wie veiligheid gewend is. De natuur wordt daar geen romantisch decor, maar een plek waar kou, honger en angst voortdurend aanwezig blijven. Overleven betekent er niet terugkeren naar eenvoud, maar dag na dag proberen mens te blijven onder onmenselijke omstandigheden.

En dan is er de moderne dromer, die misschien vrijwillig tussen de bomen wil leven, maar ontdekt hoe moeilijk het is om werkelijk afstand te nemen van de wereld die hij bekritiseert. Veel dromen over zelfvoorziening ontstaan juist in samenlevingen waarin bijna niemand nog écht afhankelijk is van eigen natuurkennis. Dat maakt het verlangen oprecht, maar ook tegenstrijdig. De moderne maatschappij blijft trekken, verleiden en sussen. Comfort blijkt moeilijker los te laten dan ideologie. Wie droomt van een eenvoudig bestaan merkt vaak hoe diep hij ongemerkt verweven is geraakt met elektriciteit, speciaalzaken, digitale netwerken en ander gemak. Misschien lijkt dat op iemand die wil afvallen terwijl overal voedsel wordt aangeboden: niet gebrek aan overtuiging vormt het grootste obstakel, maar de constante aanwezigheid van verleiding. De materialistische wereld die we vervloeken, is vaak dezelfde wereld waarvan we afhankelijk zijn geworden.

Misschien vormen de Papoea’s wel de ultieme belichaming van een leven dat werkelijk ‘klopt’; tenminste, als we het hebben over hun leven voordat onze bemoeizuchtige ‘beschaving’ de boel kwam verstoren. Natuurlijk hoor ik de morele verontwaardiging over koppensnellen en kannibalisme; praktijken die inderdaad lastig te verkopen zijn in een glossy tijdschrift. Maar wie de mens als zoogdier beschouwt in plaats van als moreel superieur wezen, ziet dat de natuur nooit een ethische commissie heeft aangesteld. Wij vinden hun geweld primitief, maar onze eigen methoden om de wereld te vernietigen zijn simpelweg efficiënter georganiseerd.

Het filmproject ‘Van de stobbe en de bossen’, waarover in dit blogbericht wordt gesproken, werd gemaakt door Martin van den Oever en Petra Timmer samen met Ab van Dien voor herinneringscentrum Kamp Westerbork en het Joods Historisch museum.

Mijn superieure lijden (2)

Een vriendschappelijke interventie voerde mij terug naar de onvervalste versie van een vaderlands verhaal.

Ik ben opgevoed in een gezin dat werd gestut door het zuchten en kreunen van oudere zussen. Vier om precies te zijn. Dankzij hen raakte ik al vroeg vertrouwd met de twee fundamentele vormen van gedesillusioneerde liefde. Je zou kunnen zeggen dat ik een onvrijwillige masterclass volgde in het breken van harten. In het begin was dat louter leerzaam; het ging toen namelijk niet om mijn eigen hart dat sneuvelde. Ik had me nog nooit met vrouwen ingelaten. Ik kon hen dus ook geen hartzeer bezorgen.

Normaal nu. Na een natsukashii navigeerde ik ontnuchterd van Nippon naar Nederland.

Het lot maakte mij tot de Benjamin. Mijn zussen waren de eersten die teleurstelling in de liefde ervoeren, en wel in de eenvoudige variant. Zij koesterden hoogdravende verwachtingen over een minnaar, om vervolgens met een schok te ontdekken dat de jongeman in kwestie niet de emotionele diepgang bezat om een kroon te kunnen zetten op zijn perfecte uiterlijk. De held bleek gewoon een figurant. In zo’n geval ben je een illusie armer, maar laten we wel wezen: het liefdesobject heeft in feite nooit bestaan.

Men huilt om een fata morgana dat bij nader inzien een hoopje zand blijkt te zijn. Het werd niets, maar er was ook niets. Niets werkelijks. Dit type liefdesverdriet is een milde vorm van existentiële griep. Het vraagt om een kuurtje van zelfmedelijden en theatraal achterafge-analyseer waaraan je als huisgenoot beleefde maar minimale aandacht besteedt. Een nieuwe aanbidder volstaat doorgaans als medicijn. Liefdesverdriet van deze categorie is een luxeprobleem van jewelste.

Nee, dan mijn ervaringen! Deze kwamen wat laat op gang maar ergens in de nadagen van mijn jeugd – ik was al 21 – moest er wel een vrouw in mijn leven binnenwandelen. Dat had op een gegeven moment meer met kansberekening te maken dan met charme. Sindsdien werd ik het structurele slachtoffer van de andere sekse die, precies zoals mijn zussen, hun verwachtingen als een strenge meetlat langs mijn lichaam en mijn hersenen legden. Dat laatste niet in de zin van intelligentie, maar uitgelegd als inlevingsvermogen of zoiets.

Ook ik bleek de ware niet; ik kon de torenhoge ambities van hun verbeelding niet stutten en kreeg, exact zoals de onfortuinlijke minnaars van mijn zussen, de wacht aangezegd. Hier wringt de schoen, en hier begint mijn superieure lijden. Waarom, zo hoor ik de lezer vragen, zou mijn lijden de zieligheid van mijn teleurgestelde zussen zo glansrijk verslaan? Heel simpel: wanneer je wordt afgewezen, blijft het object van je liefde irritant aanwezig. Dat is veel pijnlijker. Dat zal je nooit meer loslaten.

Zij — ik hanteer de vrouwelijke vorm, ik spreek hier immers vanuit de empirische data van mijn eigen ellende — blijft in je universum ronddolen. Ze manifesteert zich op de meest tactloze manieren, bijvoorbeeld door doodleuk opnieuw verliefd te worden. Hoe groot de geografische afstand ook is, het nieuws van haar herwonnen geluk sijpelt altijd door de kieren van je bestaan; het voelt alsof er in een toch al gehavend hart een nieuw mes wordt geplant met chirurgische precisie.

Ik durf de stelling aan dat ik aanzienlijk zieliger was dan alle vrouwen die mijn pad hebben gekruist, zussen en maîtresses incluis. De feiten liegen niet. Terwijl mijn zussen hun desillusie met verbazingwekkende efficiëntie overwonnen en bespraken met een kersverse opvolger, kende ik lange perioden van solitair geweeklaag. Zij ruilden hun spookbeelden in voor nieuwe kandidaten; ik bleef achter zonder troostende vervanging, starend naar de plek waar de werkelijkheid mij de deur had gewezen.

Het is een zware last, de enige van een groot gezin te zijn die écht weet wat verliezen is en daar de rest van zijn leven op moet teren.

Aanleiding voor de verandering t.o.v. gisteren (zie eerder):

Lezersreactie: Goed verhaal, Ronald. Maar [het] verhaal over de man met vier zussen en de teleurstellende liefde vraagt helemaal niet om een Japanse context. Het is van zichzelf sterk genoeg. Alle toevoegingen in kaders, over Deshima enz., zijn mijns inziens overbodig en smaken als een slecht dessert. Skip het gefotoshop of bewaar dat voor andere afdelingen van je website. Leer je nu eens te beheersen.
Ik: Dank je wel Hans. Ik besef meteen dat je gelijk hebt.

Mijn superieure lijden (1)

Adana wa ‘Kawaii Karimero’ desu.

Mijn naam is Kawaii Karimero. Ik ben opgevoed in Dejima in een huis dat werd gestut door het zuchten en kreunen van oudere zussen. Vier om precies te zijn. Dankzij hen raakte ik al vroeg vertrouwd met de twee fundamentele vormen van gedesillusioneerde liefde. Je zou kunnen zeggen dat ik een onvrijwillige masterclass volgde in het breken van harten. In het begin was dat louter leerzaam; het ging toen namelijk niet om mijn eigen hart dat sneuvelde. Ik had me nog nooit met vrouwen ingelaten. Ik kon hen dus ook geen hartzeer bezorgen.

Dejima is kleinschalig, museaal en historisch accuraat. Met zijn houten pakhuizen en woningen lijkt het exact op het kunstmatige eilandje in het centrum van Nagasaki dat in de 17e eeuw werd aangelegd om de Nederlandse handelaren te isoleren van de Japanse bevolking. In Dejima voel je de geschiedenis van eenzame Nederlandse koopmannen die jarenlang op een houten vlonder naar de zee staarden. Dat is een speciaal soort melancholie dat mijn personage in zijn rol van vertaler goed kan uitstralen. (Voor deze fotobewerking heb ik, met impliciete toestemming, een foto van de Japanse beroemdheid Tsuji Hitonari gebruikt. Dat leek me om meer dan één reden een uitstekende match. Zie onder.)

Het lot maakte mij tot de Benjamin. Mijn zussen waren de eersten die teleurstelling in de liefde ervoeren, en wel in de eenvoudige variant. Zij koesterden hoogdravende verwachtingen over een minnaar, om vervolgens met een schok te ontdekken dat de jongeman in kwestie niet de emotionele diepgang bezat om een kroon te kunnen zetten op zijn perfecte uiterlijk. De held bleek gewoon een figurant. In zo’n geval ben je een illusie armer, maar laten we wel wezen: het liefdesobject heeft in feite nooit bestaan.

Men huilt om een fata morgana – wij noemen dat hier Shinkirō – dat bij nader inzien een hoopje zand blijkt te zijn. Het werd niets, maar er was ook niets. Niets werkelijks. Dit type liefdesverdriet is een milde vorm van existentiële griep. Het vraagt om een kuurtje van zelfmedelijden en theatraal achterafge-analyseer waaraan je als huisgenoot beleefde maar minimale aandacht besteedt. Een nieuwe aanbidder volstaat doorgaans als medicijn. Liefdesverdriet van deze categorie is een luxeprobleem van jewelste.

Nee, dan mijn ervaringen! Deze kwamen wat laat op gang maar ergens in de nadagen van mijn jeugd – ik was al 21 – moest er wel een vrouw in mijn leven binnenwandelen. Dat had op een gegeven moment meer met kansberekening te maken dan met charme. Sindsdien werd ik het structurele slachtoffer van de andere sekse die, precies zoals mijn zussen, hun verwachtingen als een strenge meetlat langs mijn lichaam en mijn hersenen legden. Dat laatste niet in de zin van intelligentie, maar uitgelegd als inlevingsvermogen of zoiets.

Ook ik bleek de ware niet; ik kon de torenhoge ambities van hun verbeelding niet stutten en kreeg, exact zoals de onfortuinlijke minnaars van mijn zussen, de wacht aangezegd. Hier wringt de schoen, en hier begint mijn superieure lijden. Waarom, zo hoor ik de lezer vragen, zou mijn lijden de zieligheid van mijn teleurgestelde zussen zo glansrijk verslaan? Heel simpel: wanneer je wordt afgewezen, blijft het object van je liefde irritant aanwezig. Dat is veel pijnlijker. Dat zal je nooit meer loslaten.

Zij — ik hanteer de vrouwelijke vorm, ik spreek hier immers vanuit de empirische data van mijn eigen ellende — blijft in je universum ronddolen. Ze manifesteert zich op de meest tactloze manieren, bijvoorbeeld door doodleuk opnieuw verliefd te worden. Hoe groot de geografische afstand ook is, het nieuws van haar herwonnen geluk sijpelt altijd door de kieren van je bestaan; het voelt alsof er in een toch al gehavend hart een nieuw mes wordt geplant met chirurgische precisie.

Ik durf de stelling aan dat ik aanzienlijk zieliger was dan alle vrouwen die mijn pad hebben gekruist, zussen en maîtresses incluis. De feiten liegen niet. Terwijl mijn zussen hun desillusie met verbazingwekkende efficiëntie overwonnen en bespraken met een kersverse opvolger, kende ik lange perioden van solitair geweeklaag. Zij ruilden hun spookbeelden in voor nieuwe kandidaten; ik bleef achter zonder troostende vervanging, starend naar de plek waar de werkelijkheid mij de deur had gewezen.

Het is een zware last, de enige van een groot gezin te zijn die écht weet wat verliezen is en daar de rest van zijn leven op moet teren. Misschien dat ik mij daarom wel goed voel als figurant. Ik loop rond als ‘Oranda-tsūji’ op de waaiervormige weergave van een kunstmatig eilandje dat in de 17e eeuw werd aangelegd om de Nederlandse handelaren te isoleren van de Japanse bevolking. Als onderdeel van het Historisch ervaringspersoneel – de toeristen noemen dat roleplayers of re-enactors – is de rol van Nederlandse tolk mij op het lijf geschreven.

De held van mijn boek zou Kawaii Karimero gaan heten, omdat zijn zussen hem zo noemen. Kawaii betekent schattig of lieflijk. Zij konden hem plagen met z’n eeuwige jongensachtigheid maar zij boden hem ook altijd bescherming en zij functioneerden als een soort van juffen, al was dat soms voor lessen van hoe het juist niet moet.

Het hele gezin is opgegroeid tussen de nep-grachten van het waaiervormige eiland in het centrum van Nagasaki. Als we nep zeggen moeten we trouwens oppassen. Ja, de waterwegen waren eerst gedempt en zijn later weer uitgegraven om het eilandkarater te herstellen. Maar het gezin leeft niet in een simulacrum (een kopie zonder origineel); het eiland Desima heeft de tijd juist overleefd. Biedt dat niet een fascinerende omgeving voor de vorming van iemands identiteit?

De bijnaam Karimero moet ik ook nog verklaren. In Japan is Calimero een heel ander verhaal dan elders. Hij is daar namelijk nog altijd zeer bekend. Sterker nog, het is grotendeels aan Japan te danken dat het kuiken wereldwijd zo populair is geworden. Hoewel Calimero een Italiaanse creatie is (van de gebroeders Pagot), zijn de twee grote animatieseries geproduceerd door Japanse studio’s. Omdat de series decennialang op de Japanse televisie te zien waren, herkennen meerdere generaties Japanners het personage direct. Het wordt daar beschouwd als een klassieke mascotte.

In tegenstelling tot veel andere landen waar Calimero langzaam uit het collectieve geheugen verdween, bleef er in Japan altijd een markt voor knuffels, briefpapier en andere producten met zijn beeltenis. Het is overigens een interessant biologisch fenomeen dat een kuiken decennialang uit een ei kan kruipen zonder ooit de eierschaal op zijn kop te verliezen. Je kunt concluderen dat de schaal met een soort organische lijm aan zijn schedel is vergroeid, wat de nodige vragen oproept over zijn schedelontwikkeling.

De specifieke uitspraak “Zij zijn groot en ik is klein, en dat is niet eerlijk, o nee” is trouwens een puur Nederlandse creatie. De tekst werd in de jaren ’70 bedacht door de Nederlandse vertalers. In Japan zegt Calimero dit niet. De Japanse versie van het personage is minder gefocust op het “slachtofferrol-complex” dat in Nederland zo iconisch is geworden. Hoewel hij ook in Japan een dapper maar onhandig kuiken is dat tegen onrecht strijdt, ontbreekt de specifieke herhaalbare catchphrase over zijn lengte.

Het ‘Calimero-complex’ is een Europees psychologisch begrip. Het charmante “ik is klein” (de bewuste grammaticale fout in het Nederlands) is uniek voor onze taalregio. De mensen die mij kennen en op de hoogte zijn van mijn minderwaardigheidscomplex, begrijpen dat ik met dat gegeven ook nog iets moet in het potentiële verhaal.

Maar als ze mij inderdaad zo goed kennen, weten ze waarschijnlijk ook dat het er nooit van zal komen om dit boek daadwerkelijk te schrijven.

Ik heb voor de begeleidende foto bij dit blogbericht een selfi van Tsuji Hitonari gebruikt die ik vond op zijn Instagram-account. Daarvoor liet ik de origenele achtergrond verdwijnen. Nu poseert hij voor vier geisha’s in een toeristenoord.

Tsuji is een ware ‘renaissance man’ in de Japanse popcultuur: zanger, rockmuzikant, regisseur en winnaar van de prestigieuze Akutagawa-prijs voor literatuur. Hij past perfect in een verhaal dat in mijn hoofd aan het onststaan is. Hij woont al jaren in Parijs.

Hij is de belichaming van de Japanse intellectueel die gefascineerd is door Europa, maar altijd zijn Japanse ziel behoudt. Dit spiegelt mijn personage in Dejima: iemand die leeft in een Europese schil in Japan (en die daar overigens nooit weggaat omdat hij zijn rol van figurant in een levend museum heel serieus neemt).

Zijn boeken en liedjes gaan vaak over melancholie, eenzaamheid en de complexiteit van de liefde tussen culturen. Zijn bekendste werk, Sayanora Itsuka (Goodbye Someday), is een schoolvoorbeeld van het type hartzeer waar mijn personage ook mee worstelt.