De ware as van Europa

Van de Orkney eilanden via mijn vloerplank linea recta naar Ancona (of net even anders).

Het begon allemaal, zoals zo vaak bij veelbelovende projecten, met een volstrekt triviale irritatie. In dit geval: een houten vloerplank in mijn Arnhemse huiskamer. Een kaarsrecht stuk hout, zoals dat hoort, maar toch niet identiek aan al zijn buren. Het was er later ingelegd. Waarschijnlijk had men ooit onder de vloer moeten zijn. Het orginele eikenhout moest verloren zijn gegaan. Nu lag er in plaats daarvan een goedkoop surrogaat met een afwijkende kleur. Daarom kon het daar niet blijven, vond ik.

Mijn plan was even elegant als ambitieus; ik wilde dit stuk vuren vervangen door een op maat gesneden strook doorzichtig glas. Daaronder een subtiel ledstripje voor de sfeer, en op het glas twee strakke, contrasterende pijlen die in elkaars verlengde de kamer in wezen.

Heet het poëtische vrijheid dat ik de Orkney eilanden liever omdoop tot Vikingeiland en San Marino en Ancona zelfs helemaal links laat liggen, teneinde de suggestie te wekken dat mijn zuidoostlijn in Ithaka uitkomt? 

Het doel? Mijn interieur fysiek verbinden met de kosmos. Op de ene punt van de glazen kompasnaald moest een tot de verbeelding sprekende wereldstad komen te staan; op de andere punt de perfecte tegenpool. Een blikvanger die bij het vallen van de avond oplicht en de bezoeker subtiel influistert: ‘kijk, als je deze lijn duizend kilometer doortrekt, sta je dáár.’

Met een kompas bepaalde ik de exacte as van de planken. De naald loog nooit. De lengterichting van mijn kamer bleek zich standvastig te oriënteren op een koers van 342 graden naar het noordwesten, en bijgevolg 162 graden naar het zuidoosten. Nu hoefde ik de geografie alleen nog maar te dwingen zich naar mijn vloerplanken te voegen.

Mijn overmoedige romantiek, een schuin oog op de kaart en een snelle rekensom brachten me in hogere sferen. Noordwestelijk moest het granieten, mistige Aberdeen liggen; bakermat van robuuste architectuur aan de Schotse kust. En de andere kant op? De ultieme hoofdprijs. De lijn leek zich in een rechte streep door de Alpen te boren om via de Adriatische Zee pardoes te eindigen op Ithaka, het mythische eiland van Odysseus; de plek die in de wereldliteratuur symbool staat voor het ultieme verlangen naar huis. Van Aberdeen naar Ithaka, dwars door mijn Arnhemse huiskamer. De titel van dit bericht borrelde al op in mijn bloghoofd.

Om deze geografische poëzie visueel te bezegelen, vroeg ik AI een overzichtskaart te genereren. Een simpele opdracht, zou je denken: trek een rechte lijn van 342 en 162 graden vanuit mijn locatie in Arnhem en toon de steden die zich aan hun uiteinden bevinden. Toen begon de chatbot te hallucineren. Hij raakte in een diepe, technologische identiteitscrisis. Hij wilde zó graag aan mijn romantische verlangen voldoen, dat hij de wetten van de cartografie ter plekke ophief. De computer stuurde me een kaart waarop Arnhem was herverkaveld en diep in Duitsland lag. Een andere variant toonde een lijn die met een lichte, elegante zwiep om Aberdeen heen boog om toch vooral Ithaka te kunnen raken. De computer probeerde een fysiek onmogelijke, kromme plank in mijn huiskamer te leggen, louter om het sprookje in stand te houden. Kunstmatige intelligentie, zo bleek, vertelt liever een sfeervolle leugen dan de nuchtere waarheid.

De realiteit leert ons dat de aarde hardnekkig rond is. Wie op een platte kaart een liniaal legt, vergeet dat een constante kompasas (de ‘loxodroom’ van mijn vloerplank) op een driedimensionale bol een heel eigen koers vaart. De computer verwarde mijn kompaslijn met een grootcirkel en boog de werkelijkheid om tot een geometrisch gedrocht. Toen de digitale stofwolken waren opgetrokken en de nuchtere natuurwetenschappelijke berekening werd hersteld, bleek Odysseus mijn huiskamer op meer dan een haar na te hebben gemist. Ithaka werd onbarmhartig van het bord gekegeld. Aberdeen bleek net een paar graden te ver naar links te liggen.

Dat feestje ging dus niet door. Maar wat ik ervoor terugkreeg, was de pure, onversneden waarheid. Geen computerillusies meer, maar geometrische zekerheid. Als het glas straks in de vloer ligt en het ledlicht aan gaat, wijzen de pijlen naar de absolute, territoriale uitersten van het Europese continent die mijn huis doorsnijden. Aan de zuidoostkant reist de blik onder een hoek van exact 162 graden langs Bonn, en rakelings langs de minirepubliek San Marino, om na exact 1.090 kilometer te eindigen in de historische Italiaanse havenstad Ancona aan de azuurblauwe Adriatische Zee; poort naar de klassieke oudheid.

Draai ik me om, dan schiet de blik onder 342 graden over de Veluwe, verlaat bij Den Helder de Nederlandse kust, klieft door de woeste Noordzee en komt na 915 kilometer pas weer aan land op de stormachtige, prehistorische Orkney-eilanden in het uiterste noorden van Schotland. Een mythische eilandengroep die eeuwenlang het brute zenuwcentrum vormde van een Noors Viking-graafschap; de plek van waaruit de drakenschepen hun strooptochten over de Britse eilanden coördineerden en waar de echo van het Oudnoords nog altijd door de kliffen jaagt.

Toegegeven, Ancona klinkt minder poëtisch dan Ithaka, maar het heeft de onwrikbare schoonheid van de feiten. Mijn huiskamer vormt de ware as tussen Schotse stormen en Italiaanse zon. Graveer ik dat straks met een gerust hart in het glas? Of zal ik me op de valreep toch een kleine, romantische afwijking van de rechte koers permitteren? Het is verleidelijk om bij de ene pijl ‘Vikingeiland’ te schrijven en bij de andere de naam van de ultieme bestemming uit menig epos; het synoniem voor de persoonlijke ontdekkingsreis. Geïnspireerd door het beroemde gedicht van Konstantínos Kaváfis, waarin de reis boven het doel1 gaat, blijkt de tweestrijd tussen de exacte geometrie en de lokroep van de mythologie, eerlijk gezegd, allang beslecht.

  1. Ithaka (1911) is het beroemdste gedicht van de Griekse dichter Konstantínos Kaváfis. Het is een ode aan het leven als reis. De boodschap is helder: het is niet het einddoel dat telt, maar de ervaringen en wijsheid die je onderweg opdoet. Hieronder vind je de klassieke en veelgeprezen Nederlandse vertaling van het gedicht door Hans Warren en Mario Molegraaf:

    Wanneer je op reis gaat naar Ithaka,
    wens dan dat de weg lang mag zijn,
    vol avonturen, vol ervaringen.
    Vrees de Laistrygonen en de Cyclopen,
    en de woedende Poseidon niet,
    zulke monsters zul je op je weg niet tegenkomen
    wanneer je gedachten hooggespannen zijn,
    wanneer een verfijnde emotie
    je geest en je lichaam beroert.
    De Laistrygonen en de Cyclopen,
    de woedende Poseidon zul je niet ontmoeten,
    als je ze niet meedraagt in je ziel,
    als je ziel ze niet voor je neerzet.

    Wens dat de weg lang mag zijn.
    Dat er vele zomerochtenden zullen zijn
    waarop je – met wat een vreugde, met wat een genot! –
    havens binnenvaart die je voor het eerst ziet;
    dat je mag stoppen bij Fenicische handelsposten,
    en mooie waren mag aanschaffen,
    parelmoer en koraal, barnsteen en ebbenhout,
    en allerlei verfijnde parfums,
    zoveel verfijnde parfums als je maar kunt krijgen;
    dat je vele steden in Egypte mag bezoeken,
    om te leren en te leren van de wijzen.

    Houd Ithaka altijd in gedachte.
    Daar aan te komen is je uiteindelijke bestemming.
    Maar overhaast de reis in geen geval.
    Laat hem liever vele jaren duren
    en arriveer pas als oude man op het eiland,
    rijk door alles wat je onderweg hebt verworven,
    zonder te verwachten dat Ithaka je rijkdom zal schenken.

    Ithaka heeft je de mooie reis gegeven.
    Zonder Ithaka was je niet vertrokken.
    Meer heeft het je niet te bieden.

    En vind je het armzalig, Ithaka heeft je niet bedrogen.
    Zo wijs geworden, met zoveel ervaring,
    zul je al begrepen hebben wat Ithaka’s beduiden.
    ↩︎
Hier nog even een voorbeeld van een overcompleet informatiebord, dat bovendien een iets te alternatieve waarheid toont; zoveel zustersteden blijkt het verlengde van mijn kamerplank niet te doorkruisen. Maar het idee voor een lichtgevend baken blijft overeind en komt er dus wel.

Een weekend vol lawaai

Decibel-debielen en een rappende fascist, maar nee, ik zal niet schelden; alleen een beetje muggenziften.

Afgelopen weekend leek Arnhem het toneel van een merkwaardige wedstrijd: welke geluidsbron wist het verst de persoonlijke levenssfeer van anderen binnen te dringen? Aan de ene kant was er het Free Your Mind Festival op de Stadsblokken. Aan de andere kant trad Ye – beter bekend als Kanye West – op in het Gelredome. Over de controverses rond deze artiest, zijn publieke uitspraken en zijn plaats in het hedendaagse culturele landschap valt veel te zeggen. Misschien kom ik daar een andere keer op terug. Voor nu beperk ik mij tot iets veel concreters: de herrie.

De Volkskrant sprak bewonderend over een ‘oorverdovende synthbas’ en een ‘draaikolk van basfrequenties’. Opmerkelijk hoe geluidsoverlast van toon verandert zodra een zogenaamde kunstkenner ervoor applaudisseert. Voor de muziekrecensent zijn trillende neusvleugels en een allesverzengende geluidsmuur tekenen van artistieke grootsheid. Voor de omwonende zijn het vooral redenen om naar de klok te kijken. Wat de één ervaart als een kosmische muziekbeleving, beschrijft de ander als acht uur lang ongevraagde dreunen. Opmerkelijk genoeg heeft vooral de eerste ervaring een eigen vocabulaire ontwikkeld: ‘spectaculair’, ‘krankzinnig’, ‘overweldigend’. De tweede heet simpelweg klagen.

Op de Stadsblokken dreunde urenlang EDM1 over de uiterwaarden. Wie van die muziek houdt, zal dat ongetwijfeld als een feest hebben ervaren. Maar voor duizenden anderen betekende het iets anders: een dag lang onvrijwillig meeluisteren. Lage bastonen houden zich immers niet aan gemeentegrenzen of persoonlijke voorkeuren. Ze trekken zich weinig aan van gesloten ramen, slaapkamers of de wens om een rustige zaterdagavond door te brengen.

Merkwaardig genoeg wordt dergelijke overlast tegenwoordig bijna automatisch gelegitimeerd. Zodra een festival eenmaal populariteit geniet, muteert de overlast in een ‘nobele bijdrage’ aan de levendigheid van de stad; een herrie die omwonenden maar te slikken hebben. Wie klaagt, krijgt al snel het verwijt dat hij niet met zijn tijd meegaat, zuur is geworden of jongeren hun plezier niet gunt.

Maar waarom eigenlijk? Waarom geldt de behoefte van duizenden festivalbezoekers aan luid amusement als een zwaarder belang dan de behoefte van bewoners aan rust in hun eigen huis? Die vraag wordt opmerkelijk zelden gesteld.

Natuurlijk is een stad geen bibliotheek. Samenleven betekent dat mensen elkaar soms tot last zijn. Dat geldt voor verkeer, bouwprojecten, sportevenementen en festivals. Volledige stilte kan niemand claimen. Toch lijkt er de laatste jaren een verschuiving te hebben plaatsgevonden. Waar vroeger werd geprobeerd om overlast zoveel mogelijk te beperken, lijkt tegenwoordig vooral gezocht te worden naar manieren om haar te rechtvaardigen.

Neem de eindtijd van middernacht. Die wordt vaak gepresenteerd als een genereuze concessie aan omwonenden. Alsof burgers dankbaar zouden moeten zijn dat de muziek niet nog langer doorgaat. Maar tegen die tijd hebben velen al acht uur onafgebroken basdreunen moeten verdragen. De vraag is dan niet of het om twaalf uur stopt, maar waarom zulke intensieve geluidsoverlast überhaupt als normaal wordt beschouwd.

Afgelopen weekend bleek die eindtijd bovendien niet eens het werkelijke einde. Na de muziek volgde vuurwerk. Waarom precies, blijft een raadsel. Alsof de boodschap moest zijn dat de stilte vooral niet te vroeg mocht terugkeren. Daarna ging het feest op sommige plekken informeel verder. Het officiële einde bleek in de praktijk vooral een administratief begrip.

Wat mij misschien nog het meest fascineert, is de culturele verandering die hierachter schuilgaat. Veel mensen hebben hun oordeel over populaire cultuur grotendeels opgeschort. Niet omdat ze alles werkelijk waarderen, maar omdat ze bang zijn om als ouderwets of elitair te worden weggezet. Het idee dat men onderscheid mag maken tussen verschillende vormen van cultuur lijkt verdacht te zijn geworden.

Daardoor ontstaat een merkwaardige situatie. Iedereen heeft voorkeuren, maar bijna niemand durft ze te verdedigen. Men spreekt liever over smaak alsof alle smaken noodzakelijkerwijs gelijkwaardig zijn. Wie kritiek heeft op een muziekstijl, een festivalcultuur of een bepaalde vorm van massavermaak, wordt al snel beschuldigd van arrogantie.

Maar cultuurkritiek is niet hetzelfde als minachting voor mensen. Je kunt erkennen dat duizenden bezoekers oprecht genieten van een dancefestival en tegelijkertijd constateren dat een samenleving die steeds meer lawaai produceert misschien ook iets verliest. Rust bijvoorbeeld. Concentratie. Reflectie. Het vermogen om niet voortdurend geprikkeld te worden.

“Brood en spelen” was ooit een politieke strategie om de bevolking tevreden te houden. De moderne variant lijkt vooral uit steeds luidere en steeds grotere evenementen te bestaan. Alsof iedere leegte onmiddellijk moet worden opgevuld met geluid, licht, spektakel en afleiding.

Misschien blijft dit uiteindelijk de vraag die mij bezighoudt. Niet waarom mensen naar festivals gaan; zij zoeken ontspanning, een volstrekt legitiem streven. De werkelijke kwestie draait om de vraag waarom ontspanning zo vaak alleen nog denkbaar lijkt in de vorm van maximale prikkeling. Waarom stilte steeds verder transformeert tot een zeldzaamheid, terwijl lawaai aan terrein wint.

En waarom degene die rust zoekt zich steeds vaker moet verantwoorden, terwijl degene die haar verstoort dat nauwelijks hoeft te doen.

  1. EDM, oftewel Electronic Dance Music. Als het specifiek gaat over de subcultuur van nachtenlang doorhalen in duistere loodsen of op massale weides, spreken we simpelweg van ravemuziek of dancemuziek. Binnen die gigantische vergaarbak hangt het er maar net vanaf hoe hard die bas precies beukt en hoe snel die beats per minuut (BPM) elkaar opvolgen. De geschiedenis heeft de neiging om deze geluiden op te knippen in nogal specifieke smaken: House, Techno, Trance, Hardcore/Gabber, vraag me niet wat het precies was wat ik twee avonden moest aanhoren. ↩︎

Eieren voor je geld

Van de meedogenloze mechanica van de megastal naar de menswaardige moraal van de vierkante meter.

De eerste keer dat mijn vader mij meenam naar één van zijn klanten in Brabant, deed hij dat uit pure trots. Ik was zeven. Mijn wereld scheen groot maar bleek overzichtelijk. Ik zat zonder gordel op de skai-lederen voorbank van onze roestige Opel Blitz. Mijn verwachtingen konden niet groter zijn. Destijds – eind jaren zestig – trilden vrachtauto’s nog op hun grondvesten wanneer de motor aansloeg. In onze gammelbak rook het steevast naar een mengsel van diesel, oude tabak en verschraald strooisel, wat mijn brein voor altijd als vertrouwde nestgeur zou opslaan. We waren op weg naar een kippenhouder die door mijn vader als graanhandelaar van voer werd voorzien.

Hij bedreef een vorm van ruilhandel die vandaag de dag in geen enkel economisch handboek zou passen. Hij leverde de brandstof voor de eierproductie: grofpapieren zakken, voorzien van zijn bedrijfslogo, met een uitgekiende mengeling van maïs, gerst, tarwe en havermoutkorrels. In ruil voor die granen kreeg hij eieren terug. Maar de cyclus was pas écht rond wanneer de beesten hun beste tijd hadden gehad. Zodra de productie haperde en de legkippen economisch gezien ‘afgeschreven’ waren, nam mijn vader het tanig geworden pluimvee zelf af.

Niets leek verloren te gaan in die pragmatische jaren (behalve het milieu natuurlijk, maar de zorgen daarover volgden later). De uitgediende hennen kregen een postume bestemming die even nuchter was als macaber: het vlees en de slachtafvallen werden doorverkocht aan Felix-Bonzo in Etten-Leur, waar het werd verwerkt tot voer voor honden en katten. De kaal geplukte botten gingen op transport naar de lijmindustrie in het noorden des lands, om te worden opgelost tot beenderlijm. Utilitarisme ten top: een rimpelloze, bijna poëtische carrousel van graankorrels tot huisdierbrokken en kleefstoffen.

Als zevenjarige overzag ik die volledige bedrijfsketen natuurlijk nog niet; ik keek vooral uit naar de boerderij, naar het erf, naar de pastorale idylle die ik associeerde met het buitenleven. De schokkende realiteit die achter de staldeuren wachtte, openbaarde zich wel aan mijn zintuigen, maar sloeg mijn nostalgische droombeeld niet in één klap aan diggelen. Een kind laat zich immers gewillig indoctrineren door de belangrijkste man in zijn universum. Wanneer mijn vader, als baken van ratio en vooruitgang, kalm sprak, tussendoorgrapjes maakte, en boertjes amicaal op de schouders sloeg, kon er toch niets aan de hand zijn?

Bovendien schreef de tijdgeest nog geen moreel protest voor. We bevonden ons aan de vooravond van het ecologische bewustzijn; het concept ‘dierenleed’ stond hooguit als abstract agendapunt genoteerd op de pamfletten van vroege milieuactivisten. Terwijl Roel van Duijn en zijn Provobeweging in de Amsterdamse grachtengordel experimenteerde met het gratis Witte Fietsenplan, dweepte met de Club van Rome en in vroege macrobiotische winkeltjes filosofeerde over een gifvrije, organische samenleving, reikte zijn links-radicale tegencultuur nog láng niet tot de nuchtere, katholieke zandgronden van Brabant. In Gilze-Rijen regeerde de wederopbouw. Efficiëntie was een deugd, schaalvergroting de heilige graal.

Wanneer onze Blitz het erf op draaide, trad ik een wereld binnen die balanceerde tussen kinderlijke fascinatie en sluimerend afgrijzen. Ik was simpelweg te jong om de morele breuklijnen te zien. Er werd veel te veel vriendschappelijkheid aan de dag gelegd onder de beulen om mij als zevenjarige wezenlijk op te winden. De Brabantse pluimveehouders toonden trots hun nieuwste mechanische snufjes. Mijn Rotterdamse vader bleek op zijn beurt niet minder groos om wat hij, onder de rivieren, commercieel voor elkaar had getoverd. Tussen de jovialiteit en het handeldrijven door, was er geen ruimte voor sentiment.

In die luidruchtige stallen zouden mensen vandaag niet vrolijk worden. Maar hedendaagse consumenten, met hun verfijnde ethische kompas en biologische supermarkten, bestonden nog niet in West-Brabant. Het collectieve bewustzijn was nauwelijks gespleten. Men keek naar een legbatterij zoals men naar weefgetouwen in een textielfabriek keek: als een triomf van menselijk vernuft over de grillen van de natuur. Dierenwelzijn was geen ethische categorie, maar een productiefactor. Een kip die aan één stuk door legde gold als gezond; een kip die daarmee stopte werd levenstocht en lijm. Zo overzichtelijk was de moraal.

De boeren demonstreerden fier hun lopende banden. Het leek inderdaad een technologisch hoogstandje dat eieren volautomatisch, en zonder te breken, onder de kont van de kippen vandaan, naar één centraal verzamelpunt rolden. Maar de legbatterijen stonken, de kippen zaten opeengepakt en boven elkaar gepropt. Daaronder bevonden zich diepe giergreppels die je niet overleefde, mocht je er onverhoeds in vallen. Met de wijsheid van de terugblik zou ik later deze reductie van leven tot mechanica gaan inzien. Daar en toen hoefde ik alleen maar stevig de hand van mijn vader vast te houden om positief vooruit te blijven kijken, net als hij.

Het claustrofobische bestaan van pluimvee waarin elk natuurlijk gedrag is wegbezuinigd, ging mij later pas tegenstaan, toen ik de leeftijd had bereikt om tegendraads te zijn. De gitzwarte, kolkende brij van ammoniak en uitwerpselen, waarvan de dampen je adem afsneden, zouden mijn Proustiaans opgeslagen geuren nooit helemaal verdrijven, maar ze kregen wel een moreel tegengewicht. Het puur-commerciële vooruitgangsgeloof bleek geen eeuwig leven beschoren; de ronkende vaart van de bio-industrie begon te haperen toen de consument ontwaakte uit zijn gerieflijke onverschilligheid. De mechanica verloor haar glans; de reductie van een levend wezen tot louter een eier- of lijmfabriek werd onhoudbaar. Het kostte een generatie om het anachronisme te ontmaskeren en te beseffen dat vooruitgang zonder scrupules een doodlopende weg is.

Hoe wezenlijk anders is de realiteit wanneer ik vandaag de dag door mijn eigen Arnhemse straat wandel. Achter een van de huizen bevindt zich een modern antwoord op de Brabantse schaalvergroting: het TokHok. Geen blinkende, volautomatisch lopende banden of angstaanjagende giergreppels hier; wel een groepje gevederde vrienden die in alle rust en waardigheid de wetten van de natuur volgen. Met de regelmaat van een vriendelijk tokkende klok houden deze dames de eierproductie op peil. Ze scharrelen, nemen een stofbad en tonen onbekommerd al het natuurlijke gedrag dat in de omgeving van mijn jeugd zo rigoureus was wegbezuinigd.

Het is een prachtig, lokaal initiatief dat, in al zijn kleinschaligheid, een revolutie predikt. Waar we vroeger afhankelijk waren van ondoorzichtige, industriële systemen, heroveren ze hier de voedselketen op de vierkante meter. Het vormt een ethisch baken; een levend alternatief tegenover de zielloze machine van de megastal. Bij deze achtertuin-pioniers kan de kip weer gewoon een vogel zijn in plaats van biologisch kapitaal met een anoniem nummer. De transparantie is terug; je haalt je eieren bij mensen die hun makers tenminste nog bij de voornaam kennen.

P.S. Eén dingetje tot slot: de eigenaren van het Tokhok zitten niet zozeer om eieren verlegen (die stroom blijft dankzij de Barneveldse dames wel lopen) maar wel om eierdozen. Het is de tastbare ironie van het moderne idealisme: we dwingen de bio-industrie op de knieën, maar stranden bij de logistieke frictie van het alledaagse karton. Mocht u dus nog lege doosjes hebben rondslingeren; breng ze naar mijn straatgenoten op nummer 23. Het is een kleine, onmisbare handreiking aan een heroverde moraal.

De perken te buiten?

Overgeleverd aan de overlevering wordt het pleit beslecht op de grens van percelen.

Een dagje wroeten in de voortuin bewijst maar weer eens dat een buurtgemeenschap onzichtbaar meekeurt. Die sociale controle deert me nauwelijks; ik kan de subtiele surveillance best hebben, zelfs als het verdict aanvankelijk riekt naar bemoeizucht. Het blijft echter fascinerend hoe vlot de tongen losraken en hoe vliegensvlug het oordeel – of vooruit, de roddel – van voordeur tot voordeur reist en zich richting mijn groen en mijn goede voornemens vreet.

Een mens zou in zijn eigen voortuin bijna vergeten dat hij deel uitmaakt van een groter ecosysteem, waarin de sociale cohesie steviger verankerd zit dan onverwoestbare hardhouten palen.

Je hoort mij niet zeggen dat ik louter applaus verwacht omdat ik als frisse buurman de wildernis tem, maar de reorganisatie die ik van plan ben door te voeren lijkt mij een flinke vooruitgang ten opzichte van de oude situatie; zeker als je bedenkt dat mijn voorganger zijn gazon hanteerde als hondentoilet om de wandeltocht naar het park te omzeilen (een historisch dieptepunt dat ik ook slechts via de tamtam vernam en dat dus niet per se waar hoeft te zijn).

Nu word ik in mijn rol van noeste tuinkabouter heus wel getolereerd, maar de wittebroodsfase blijkt voorbij. De ballotagecommissie begint zich langzaam te roeren. Mijn agrarische ambities omtrent het gazon blijken voor het gemiddelde jurylid net iets te frivool. Gezien de prehistorische hoogte van het gras speelde ik met het idee om een geit te adopteren; of desnoods een schaap te houden binnen een iets minder hoge omheining. Die ik dan natuurlijk wel eerst moest oprichten. De crux van het lokale onbehagen zit ’m in die gedroomde erfafscheiding.

Met dank aan de viervoeter van weleer heeft de buurvrouw de woningcorporatie zo ver gekregen om een heus defensiewerk op te trekken; een tactische buffer tussen haar huistijger en de toenmalige vechthond over de gehele lengte van de voortuin. Ik ben persoonlijk erg in mijn nopjes met deze geopolitieke erfenis. De palen reiken tot in de aardkern en zijn vervaardigd uit onverwoestbaar tropisch hardhout. Het geheel ademt een heerlijke onvergankelijkheid. Dit bracht mij op het idee om deze fortificatie op eigen kosten door te trekken langs de trottoirzijde. Daarvoor hoefde slechts een armetierig ijzeren restant met doorgezakt gaas en vermoeide dwarsverbindingen te wijken.

Gewapend met een haakse slijper ben ik gisteren dat dysfunctionele ijzerwerk te lijf gegaan. Het bleek een geluk bij een ongeluk dat mijn slijpschijven opraakten. Was dat niet gebeurd, dan waren de ijzeren palen – die zo mogelijk nog dieper ‘wortelen’ dan het reeds bezongen hardhout – ongetwijfeld ook ten prooi gevallen aan mijn saneringsdrang. Wat later fungeerde de buurvrouw als de ware noodrem. Zij appte mij met een ontwapenende vriendelijkheid: ‘[Iemand] vertelde dat de hekjes aan de voorkant van de tuin eigenlijk bij de huizen horen en dus niet weggehaald mogen worden!!! Ik zou het ff informeren voordat je hout e.d. gaat kopen.’

Een drievoudig uitroepteken als baken van corporatiewijsheid. De keten van de overlevering is sluitend. De ambtelijke molens draaien snel via het struikgewas. Tegen zoveel straatwijsheid kunnen mijn goede voornemens niet op. Wie de perken te buiten wil gaan, stuit vroeg of laat op een muur van huurregels. Mijn vernieuwingsdrift werd vakkundig ingedamd. Terwijl ik wacht op groen licht van de vastgoedbureaucratie, plaats ik visionaire plannen in de vriezer. Gehoorzaam heb ik mijn destructieve gereedschap in de schuur geparkeerd, in afwachting van een definitief besluit. Het zou immers zonde zijn als mijn hardhouten dromen sneuvelen op een paragraaf in een reglement.

Ik dank mijn soortgenoten voor hun waakzaamheid; het is een geruststellende gedachte dat, mocht ik ooit een geit huisvesten, belanghebbenden de omheining hebben goedgekeurd voordat ook het beest begint te mekkeren.

Aan de polymath in het park

Van wereldwijs en wetenswaardig naar wetmatig.

Ik verberg je voornaam achter deze kleine letter uit respect. De m staat voor massa als een extreem geconcentreerde vorm van energie; zij vormt het fundament van alles wat tastbaar is, terwijl de reflectie daarvan bepaalt wat wij uiteindelijk zien. Nadat ik onaangekondigd bij je had aangeklopt namen we plaats aan de tafel voor je huis. Steeds wanneer ons gesprek op een onderwerp uitkwam dat voortvloeide uit jouw belezenheid, bleek daar iets bij te horen; een dierbaar bezit dat je binnen bewaarde en naar buiten bracht. Zo toonde je me het horloge van wijlen je vader (of was het de Pontiac van je opa?). Je had het onlangs gekregen van je tante bij een bezoek aan Katwijk, waar een deel van je familie woont.

Ik schrijf je dit omdat onze ontmoeting, daar aan die tafel in het park, in mij bleef resoneren. Je bent voor mij de “entiteit met het grootste associërende vermogen” die ik persoonlijk ken. Ik heb je ook “een vulkaan in rommelende rust” genoemd, die, zodra de as van de dagelijkse stilte wordt weggeblazen, een magma aan kennis en anekdotes over de bezoeker uitstort. Ergens anders noemde ik je “een menselijke deeltjesversneller” bij wie de kleinste herinnering tot bijna lichtsnelheid wordt opgejaagd totdat deze botst met een nieuw inzicht. Dat is uiteraard beeldspraak, een stijlvorm die me eigenlijk niet past. Metaforen zijn meer jouw manier van naar de wereld kijken, van communiceren en de chaos ordenen.

Je sprak die middag over je “val uit de causaliteit” rond je achttiende; een breuklijn in je persoonlijke tijdsbeleving waaraan je onlangs werd herinnerd bij het zien van de film The Sound of Falling. Het was alsof je aan die rand van je volwassenheid de zwaartekracht van oorzaak en gevolg voor het eerst werkelijk voelde. Terwijl je me door je stereoscoop liet turen naar de driedimensionale diepte van Napels en Venetië – beelden waarin de ruimte tastbaar werd maar de tijd bevroor – strooide je met tijdsbegrippen die ik nog steeds probeer te ordenen. Het was precies daar, terwijl we vanuit eigen stilstand door die kijker naar statische werelden staarden, dat je met het begrip ‘interpassiviteit’ op de proppen kwam.

Ik begreep dat je hiermee aan Robert Pfaller of wellicht Slavoj Žižek refereerde; die vreemde paradox waarbij de handeling van het genieten of het ervaren wordt uitbesteed aan een object, waardoor wij zelf lethargisch kunnen blijven. Het turen door die lenzen en dia’s zou de ultieme metafoor kunnen zijn (misschien bedoelde jij dat ook zo): de kijker ‘ziet’ de diepte voor ons, wij consumeren slechts de illusie. Het is een fascinerende gedachte dat wij, in onze drang naar ervaring, steeds vaker apparaten laten dromen in onze plaats. In dit geval betrof het een heel ‘lief’ apparaat, want oud en vervaardigd met degelijke Duitse precisie.

Wat me werkelijk fascineert, zijn de Latijnse woorden die je op je huis hebt geschreven en in de bast van een boom hebt gekerfd. Aan de ene kant is er het Nunc Fluens, het stromende nu dat vluchtig wegglipt en de tijd creëert (‘nunc fluens facit tempus’). Maar jij raakt duidelijk meer in de ban van een kwaliteit die gedragen wordt door het Nunc Stans: het staande (onveranderlijke) nu. Je citeert graag het ‘nunc stans facit aeternitatem’ (het staande nu maakt de eeuwigheid). Voor Boëthius was dat de perfecte, gelijktijdige bezitting van een eindeloos leven; een moment dat niet voorbijgaat maar alle tijd omvat. Het tijdloze heden bevat tegelijkertijd alle momenten.

Zoiets internaliseer ik misschien alleen maar met wietboter op mijn paasbroodje. Thuisgekomen voelde ik de dwingende behoefte aan ordening en een nuchter, maar geenszins ontnuchterend, tegenwicht. Want hoe eloquent je ook spreekt over die spirituele eeuwigheid, mijn visie op ‘ruimtetijd’ hecht meer aan kwantitatieve wetmatigheden en analytische bewijsvoering die ik op school en door latere zelfstudie heb geleerd. Ik zoek de eeuwigheid niet in drugsgerelateerde, metafysische of serendipitaire ervaringen, maar in de onveranderlijke natuurconstanten. Dat is mijn mathematische geraamte.

Ik moet bekennen dat ik het kwadrateren tot precies de tweede macht in E=mc² lang niet goed begreep. Ik dacht dat die ‘2‘ een soort kunstmatige ingreep was om de vergelijking in balans te houden. Maar ik ontdekte – ook zo rond mijn achtiende – dat het geen menselijke afspraak is, zoals de 100 graden waarbij water kookt. Die ‘2‘ vloeit voort uit de diepe symmetrie van ons universum. De lichtsnelheid c is niet zomaar een snelheid, maar de koppeling tussen afstand en tijd. Zodra we het ruimtetijd-interval berekenen (s² = (ct)² – x² – y² – z²), volgt de noodzaak om c te kwadrateren; alleen zo rijmt de tijdseenheid met de afstand.

Dit kwadraat fungeert als een geometrische hoeksteen en definieert het vlak binnen de vierdimensionale ruimtetijd, vergelijkbaar met hoe de oppervlakte van een vierkant steevast ‘zijde kwadraat’ dicteert. Hier schuilt geen esoterisch gedoe achter, maar een pure wiskundige blauwdruk. Mocht dat kwadraat ook maar een fractie afwijken – zeg naar 2,00001 – dan zouden sterren weigeren te branden en de chemie die ons leven mogelijk maakt simpelweg niet bestaan. In de deeltjesversnellers van het CERN levert men dagelijks het bewijs voor deze onverbiddelijke precisie, tot ver achter de komma. Die ‘magie’ van de natuurwetenschap gaf mij een euforie die misschien wel lijkt op wat jij voelt bij je Nunc Stans.

Voor mij is de symmetrie in tijd (behoud van energie) en ruimte (behoud van impuls) de werkelijke ‘eeuwigheid’. Het universum is een uiterst efficiënte boekhouder; elke gram die verdwijnt, verschijnt elders als energie, precies volgens de regels van de calculus. Fysici als Erik Verlinde suggereren zelfs dat tijd een emergent verschijnsel is; een illusie die opborrelt uit een tijdloos heelal. Zij gebruiken een metafoor die jou moet aanspreken: het heelal als een roman. In een dichtgeslagen boek staan alle gebeurtenissen – onze jeugd en onze gesprekken aan de tafel – er al. Tegelijkertijd. Tussen de kaften is de tijd statisch.

Dat lijkt mijn wetenschappelijke vertaling van jouw ‘staande nu’ vriendschappelijk in jouw richting te bewegen. Ik schrijf je dit niet om je Latijnse begrippen of je liefde voor Tao of Jung onderuit te halen, maar om mijn observatie met je te delen dat de kil overkomende natuurkunde wellicht uitkomt bij iets dat verdacht veel weg heeft van jouw visie. We zijn blijkbaar allemaal onderdeel van het gedeelde geheugen van een informatieverwerkend universum. De tijd stroomt misschien wel, maar alleen omdat wij weigeren het boek dicht te slaan. En zolang het boek openligt, geniet ik van de voetnoten die jij eraan toevoegt.

Met een vriendschappelijke groet, Ronald

Brief aan mijn voormalige teamleider

‘Ik sta aan het hoofd van een eenmans-collectief van volledig naar mijn hand te zetten entiteiten.’

Beste Leo,

Ik heb het eerder meegemaakt op Facebook: ik plaatste een bericht dat op meerdere manieren uit te leggen was, waarna iemand me publiekelijk vroeg of het wel goed met me ging. Zo’n vraag is in die context zelden oprecht; het is een retorische zet, bedoeld voor meelezers. De onderliggende boodschap was: “Kijk eens hoe vreemd hij doet.” Het bleek een poging om mijn omgeving te polsen: “Vinden jullie hem ook zo’n mafketel?” Een subtiele uitnodiging om gezamenlijk afstand te nemen van mijn vermeende excentriciteit.

Jouw bericht was van een heel andere orde, en dat waardeer ik. Juist omdat je de vraag in een persoonlijk bericht stelde, voelde ik de oprechtheid die ik altijd in jou als teamleider heb gewaardeerd: een mens die werkelijk hart heeft voor de ander. Natuurlijk werd ook jij getriggerd door mijn post; de afbeelding met alle anagrammen van mijn naam suggereert immers een zekere mate van ‘versnippering’. Maar ik heb niet het idee dat je bang was dat ik een klinische dissociatieve identiteitsstoornis had ontwikkeld. Je zag simpelweg dat ik weer eens van me liet horen en was oprecht benieuwd hoe het met de mens achter het bericht ging.

Welnu, het gaat goed met me. Om je vragen te beantwoorden: ja, ik ben nog steeds postbode, al doe ik dat tegenwoordig vier dagen per week. Ik bezorg de post in Arnhem, de stad waar ik inmiddels een heel prettig thuis heb gevonden. Wat die afbeelding betreft: de anagrammen zijn voor mij pure intellectuele spielerei. Het is een spel met identiteit dat nauw samenhangt met mijn eenmansuitgeverij. Er schuilt een bewuste paradox in de naam Cum Suis. Hoewel het “met de anderen” betekent, zijn die “anderen” in mijn geval de denkbeeldige schrijvers die ik zelf in het leven heb geroepen. Waar de wereld soms overweldigend dichtbij kan komen, kies ik ervoor om de fysieke anderen op afstand te houden en hen te vervangen door personages die ik zelf regisseer.

Je zou het kunnen zien als een artistieke noodzaak. Het opvoeren van al die pseudoniemen is geen uiting van een verwarde geest, maar een manier om verschillende invalshoeken te verkennen zonder de beperkingen van één enkele naam. Het is een veilige, gecontroleerde vorm van gezelschap. En dat de boeken op mijn site vaak “Mockups” zijn? Dat is voor mij niet vreemd, maar eerder een vorm van conceptuele kunst. Het is het visualiseren van een potentieel; de architectuur van een idee voordat de eerste steen daadwerkelijk is gelegd. Voor een buitenstaander lijkt het misschien alsof ik een luchtspiegeling verkoop, maar voor mij is het een noodzakelijke stap in het creatieve proces: het vormgeven van een wereld die er nog niet is, maar die in mijn hoofd al volledig bestaat.

In plaats van een klinisch syndroom (MPS?), is het eerder een passie voor de constructie. Ik bouw aan een universum waarin ik zowel de uitgever, de auteur als de compagnon ben. Een eenmans-collectief, zogezegd. En dan is er nog het punt waar mijn omgeving — vaak ongevraagd — het meest over struikelt: mijn schaamteloze gebruik van AI. Men werpt al snel termen op als ‘intellectuele armoede’, ‘gebrek aan authenticiteit’ of zelfs ‘valsspelen’. Ik zie dat fundamenteel anders. Voor mij is AI een medewerker, een medeontwerper en een klankbord dat precies die ‘ongrijpbare ander’ invult. Omdat het geen mens van vlees en bloed is, kan ik deze entiteit volledig naar mijn hand zetten zonder de ruis van interpersoonlijke frictie.

Ik blijf te allen tijde de architect. Ik lever de concepten, de eerste tekstuele aanzetten en de visie. Alles gaat door het filter van mijn eigen bemoeienis; ik heb zelf het kader geschapen — de uitgeverij, de blogomgeving, de hele context — waarbinnen deze experimenten kunnen bestaan. Ik voel me in de eerste plaats een kunstenaar. Alles wat op mijn pad komt en bruikbaar is, absorbeer ik en transformeer ik met behulp van mijn eigen creativiteit tot iets nieuws.

Het is opvallend dat de kritiek vaak komt van degenen die zelf zelden met iets origineels voor de dag komen. Ik heb dan ook weinig geduld met het dedain van mensen die de techniek niet begrijpen en mijn werkwijze vanuit een soort conservatisme veroordelen. Voor mij is het geen armoede, maar een verrijking van het instrumentarium waarover ik als eenling beschik.

Beste Leo, dit is in een notendop hoe ik er nu in sta. Ik ben nog steeds diezelfde eigenwijze geest die je kende van de NS, maar dan in een nieuwe omgeving en met een gereedschapskist die eindeloos veel groter is geworden.

Ik hoop dat het met jou ook goed gaat.

Hartelijke groet,

Ronald

Uitstel van executie?

Bomen met voorbeschouwers in afwachting van nabeschouwers (of tussenbeschouwers).

Ze kwamen naar m’n bomen kijken. In eerste instantie ging het om de apenboom (ook wel slangenden genoemd), die heer en meester is in mijn voortuin. Ook het groepje coniferen achter het huis, dat een indrukwekkende erfafscheiding vormt, vereiste nader onderzoek. De oudste van de twee mannen hield een klembord vast en bleef maar op een formulier turen waarop hun opdracht stond: de stammen controleren op breekbaarheid. Of zoiets. Ik vroeg of ik met dendrologen te maken had. “Nee,” zei deze overduidelijke aanvoerder kortaf. De ‘krullenjongen’ naast hem hield me overduidelijk voor een enorme eikel.

De slangenden of apenboom (Araucaria araucana) is een conifeer die van nature groeit in het zuiden van Chili en het zuidwesten van Argentinë. Het is een altijdgroene boom die tot 40 m hoog kan worden en een stamomtrek van 1,5 m kan bereiken. De boom wordt ook wel apentreiter, apenleed, apenpuzzel, kandelaarden of apenverdriet genoemd. De naalden zijn schubachtig, dik, driehoekig en scherp. Ze zijn ongeveer 3–5 cm lang en blijven lange tijd (tot vijftien jaar) op de door de naalden bedekte takken. Uiteindelijk verdorren de naalden en komen de takken bloot te liggen.De mannelijke en vrouwelijke delen zijn te vinden op verschillende bomen (twehuizig), sommige exemplaren zijn echter eenhuizing. De vrouwelijke kegels zijn bolvormig en kunnen zo groot als een kleine voetbal worden, en bevatten eetbare zaden; deze zaden worden in Chili op grote schaal geoogst. Mannelijke kegels zijn kleiner en min of meer cilindrisch. Het is bekend dat sommige apenbomen 50 m hoog kunnen worden met een stamdiameter van ongeveer 2 m en meer dan 1000 jaar oud kunnen worden. De apenboom is ook sterk aangepast aan vuur en bosbranden, branden zijn door vulkanisme en menselijke activiteit niet ongewoon in zijn natuurlijk areaal. Zo heeft de apenboom een dikke schors ontwikkeld als bescherming tegen brand. (Bron: Wikipedia)

Natuurlijk had ik meteen door dat zij geen dendrologen waren. Ze droegen tuinkleding en hele zware werkschoenen. In de aanhangwagen achter hun busje lagen cirkelzagen zoals alleen houthakkers en bosbouwers die gebruiken. Toevallig had ik niet lang daarvoor een cryptogram gemaakt waarin het woord dendroloog voorkwam. 16 horizontaal. De omschrijving die daarbij hoorde, luidde: Houtkenner die de waarheid niet sprak (10). Ik vond het leuk om dat woord nu in het echt te gebruiken.

“Klopt het dat deze bomen zouden worden omgezaagd?” vroeg de nestor, nog steeds intens naar zijn papier starend. Ik had zoiets gehoord ja. Toen ik de woning aanvaardde, kon ik er nog niet direct in. Eerst moesten er allemaal werkzaamheden worden verricht: ‘wasbak en toilet badkamer, vervanging radiatoren, aansluiting krachtstroom keuken.’ En inderdaad, op de lijst voor de aannemer, die de consulente van de woningbouwvereniging aan mij voorlas, stond ook dat de bomen eraan moesten. (‘Perceel 39: kappen en afvoeren Araucaria araucana / rooien en afvoeren coniferenhaag (Thuja/Leylandii) – conform bestek.’)

Dat vond ik toen best gek. Ik vroeg haar verbaasd waarom. Ik vond dat die bomen er nog prima uitzagen. Ik was natuurlijk geen kenner maar ze zaten nog goed in het groen. Ze hadden enorme dikke stammen die kaarsrecht omhoog groeiden. Zij was ook geen kenner. Zij begreep mijn verbazing. “Ze zijn wel oud natuurlijk” zei ze nog, maar ze zou gaan informeren naar de reden. Ik weet niet of het door mijn vraag kwam, maar het kappen is uiteindelijk niet doorgegaan. Ik kon de woning betrekken met vegetatie en al.

Kennelijk heeft men het besluit om ze te vellen toen niet van tafel geveegd maar uitgesteld, want vandaag stonden dus die mannen voor mijn deur. De oude rot keek van zijn formulier naar boven en van boven naar zijn formulier. “Moeten ze om?” vroeg ik. “Niet goed te zeggen” antwoordde hij “daar zal iemand naar moeten komen kijken.” “Maar zijn jullie dan niet degenen die daarover gaan?” vroeg ik. “Nee, daar zijn ze veel te groot voor”, zei de stamoudste. “Als deze bomen ommoeten, zal er een kraan nodig zijn.”

Ik begreep dat deze bomen deze mannen boven het hoofd waren gegroeid. De apenboom in mijn voortuin moest minstens van mijn leeftijd zijn. “Zijn jullie uiteindelijk wel degenen de de bomen gaan vellen? Ik bedoel: als ze om moeten?” wilde ik nog weten. Alweer fout. “Nee, wij zijn hoveniers” sprak de werkleider, alsof daarmee alles was verklaard. Hij had zijn oordeel wat dit adres betreft kennelijk geveld want hij kon nu eindelijk opkijken uit het klembord. Hij werd er onverwacht vrolijk van. Dit klusje was duidelijk afgerond. Hij hoefde niet te handelen; afvinken bleek voldoende.

Mijn bomen mochten nog even doorgroeien.