Wellicht surveilleert hij stiekem boven mijn huis.
Ik geloof dat ik vriend Peter ben verloren omdat ik hem plaagde met zijn Drone-cursus. Voor de studie en materiaalaanschaf gebruikte hij zijn Persoonlijk Ontwikkelbudget (POB). Daar mag iedere werknemer van Prorail uit putten voor opleidingen, trainingen, workshops of loopbaanactiviteiten. Je kunt dit binnen fiscale grenzen grotendeels zelf inzetten, zonder aparte toestemming vooraf. Het resterend budget mag worden meegenomen naar het volgende jaar. Peter had er vorig jaar geen beroep op gedaan; vandaar dat hij ditmaal tweemaal € 1.000 kon inzetten. De aanschaf van de drone en toebehoren werden als essentieel gezien om het vliegbrevet met goed gevolg te kunnen halen.
“Hé, ben je iets nuttigs gaan doen met je speeltje?”, schreef ik bij dit knipsel uit de Volkskrant dat niet over ‘mijn’ Peter gaat maar over dasseninspecteur Peter Klaver.
Mijn kritiek op die geldsmijterij is dat de kosten van zulke emolumenten tot stijgende prijzen van treinkaartjes en trajecttoeslagen leiden (die toch al niet mals zijn). Daar was hij het overigens mee eens. Maar ja, zijn tegenargument klonk ook niet onlogisch: de mogelijkheden bestonden nu eenmaal. Hij maakte daar dus gewoon maar gebruik van. Zou ik niet hetzelfde hebben gedaan als ik nog treindienstleider was?
Die vraag moet ik schuldig blijven. Ik maakte ooit een veiligheidsfout en verliet het bedrijf voortijdig. Misschien ben ik sindsdien gevoelig voor alles wat met verkeersleiding te maken heeft. Het is een feit dat ik het altijd als een deceptie heb ervaren dat ik daar zelf de hand in heb gehad. Niet alleen in het abrupte einde van mijn loopbaan, maar ook in de manier waarop ik sindsdien naar spoorzaken ben blijven kijken; alsof ik nog steeds langs de kant van het emplacement sta, terwijl de treinen zonder mij vertrekken.
Ik was ook nooit de beste verkeersleider, moet ik eerlijk zeggen. Ik ging altijd wat nerveus naar het werk. Anderen leken het overzicht moeiteloos te bewaren; zij spraken over het omzetten van wissels, het vrijgeven van rijwegen en het uitschakelen van bovenleidingen alsof het schaakzetten waren. Bij mij zat er altijd een fractie twijfel tussen waarnemen en handelen. Niets dramatisch, meestal niet eens zichtbaar voor collega’s, maar genoeg om je eigen vertrouwen langzaam uit te hollen. Die ene veiligheidsfout was misschien onvermijdelijk. Achteraf voelt hij bijna logisch, alsof hij al jaren onderweg was.
Misschien kijk ik daarom zo scherp naar alles wat met het spoor te maken heeft. Niet uit superioriteit; eerder uit een mengeling van spijt en nostalgie. Jaloezie speelt waarschijnlijk ook mee. Peter staat nog midden in het bedrijf, tussen de dienstregelingen en het koffieautomaat, waar het gesprek altijd ergens over storingen, collega’s of reorganisaties gaat. Hij hoort daar nog bij. Ik niet meer.
Dat persoonlijk ontwikkelbudget is trouwens ooit door de vakbond binnengehaald, althans zo gaat het verhaal. Een verworven recht, bedoeld om werknemers wendbaar te houden in een sector die voortdurend verandert. Nieuwe technieken, digitalisering, drones blijkbaar ook. In theorie een prachtig idee: mensen de kans geven zichzelf opnieuw uit te vinden zonder meteen afhankelijk te zijn van leidinggevenden of budgetrondes. In de praktijk betekent het soms dat iemand met twee keer duizend euro aan opgespaard budget thuiskomt met een drone die meer kost dan mijn eerste auto.
En daar begon dus het plagen. Bovenop mijn eerste kritiek stapelde ik wat kleine opmerkingen richting Peter (zie afbeeldingen). Aanvankelijk was het onschuldig. Een opmerking hier, een krantenknipsel daar. Ik vond het geestig; precies scherp genoeg om grappig te zijn, zo dacht ik. Maar Peter reageerde niet. Humor werkt uitstekend zolang beide partijen weten dat het een grap is. Maar ergens onderweg verloor ik misschien dat kompas. Misschien omdat ik eigenlijk niet met hem sprak, maar met mezelf, met de versie van mij die ooit ook recht had gehad op cursussen, certificaten en nieuwe kansen.
Sindsdien is het stil. Ik ben inmiddels benieuwd naar die dronefilmpjes. Waar vliegt hij zoal heen als vreemde vogel en wat brengt hij in beeld? Ik kijk steevast naar boven als ik mijn huis verlaat.
Mijn begeleidend commentaar bij dit knipsel uit de NRC luidde: “Jij haalt de krant wel vaak, de laatste tijd.” Het ging overigens om een interview met de opiniepeiler Peter Kanne.
Ja, we gaan naar Mars, maar niet in een menselijke gedaante.
Mars is een zuurstofloze hel. De biologische mens in koolstofvorm heeft er niets te zoeken. Pas als we posthumaan zijn en kunnen reizen als een ‘Substrate-Independent Mind’, of een’Synthetic Humanoid’, of een digitaal bewustzijn, heeft interplanetair toerisme zin. Tot die tijd: toedelidoki roestbak.
Met de termen ‘Substrate-Independent Mind’ en ‘Synthetic Humanoid’ kon ik wel leven, maar voor ‘Mind Upload’ of ‘Digital Construct’ – dat mijn geblader door SF-lectuur en meer wetenschappelijke beschouwingen ook voorstelde – zocht ik een alternatief. Bij gebrek aan ruimte op BlueSky werd dat ‘digitaal bewustzijn’.
Ik ben erg bezig met de hoedanigheid waarin we wel naar Mars zouden kunnen gaan. Neutraal gezien lijkt de vorm van een gedigitaliseerd bewustzijn me het meest plausibel. Maar kun je een in een computer geüpload bewustzijn nog wel mens noemen? Ons digitale voortbestaan, helemaal ontdaan van de humane gedaante, zou een geest of ziel kunnen bezitten die volledig is gereconstrueerd.
Ik spreek trouwens niet graag van geest of ziel. Naast de meest gangbare term bewustzijn heb ik het liever over een entiteit met een persoonlijkheidskern of een mentale kern. Volkomen zelfbewust dus en met een cognitieve identiteit. Maar los van het lichaam voortgezet. Alleen voor zo’n mentaal bestaan met zelfbesef en denkvermogen zie ik verplaatsingsmogelijkheden buiten de dampkring. We moeten ‘m natuurlijk ook een waarnemend vermogen geven, anders heeft de reis geen zin.
Een innerlijk suggereert een uiterlijk. We willen de drager-onafhankelijke geest graag terug in een fles stoppen die lijkt op een mens. Dat kan een synthetische mensachtige zijn (de directe vertaling van Synthetic Humanoid die minder ‘popcultuur’ aanvoelt dan de Engelse term). Ik heb het dan over een tijd waarin we niet meer gebonden zijn aan een specifiek biologisch of hardware-matig platform. We kiezen gewoon het poppetje uit waarop we willen lijken en maken hem voor het gemak gelijk ook super vaardig (dus bovenmenselijk).
Alle bovenstaande concepten worden theoretisch breed besproken in de computationele neurowetenschap en transhumanistische filosofie en op alle mogelijke manieren gevizualiseerd in SF-verhalen. De praktische uitvoering ervan is op dit moment natuurlijk nog volledig speculatief. Er is nog geen bewijs dat het menselijk bewustzijn daadwerkelijk losgekoppeld kan worden van de biologische architectuur van de hersenen.
Vermogensheffing beschermt het fundament van ons maatschappelijk contract; de collectieve veiligheid van de rechtsstaat.
De overgang naar een box 3-stelsel op basis van werkelijk rendement in 2028 wordt vaak geframed als een aanval op het individu; in werkelijkheid is het de noodzakelijke prijs voor de grond waarop dat individu staat. Wie vanaf 2028 belasting betaalt over de reële winst uit sparen, beleggen of vastgoed, doet dat niet omdat de overheid hem wil dwarsbomen, maar omdat hij succesvol opereert binnen de veiligheid van een georganiseerde rechtsstaat.
De paradox van de welvaart: de ‘Stelling van de Dag’ bevestigt telkens opnieuw de groeiende kloof tussen privaat gewin en de bereidheid om bij te dragen aan het publieke fundament. Een voorspelbare echo in de echokamer: wanneer de Telegraaf-lezer wordt gevraagd naar een vrijheidsbijdrage (wat vermogensbelasting feitelijk is), wint het eigenbelang het steevast van het maatschappelijk contract. We zien de collectieve onwilligheid van recht Nederland in beeld gebracht. De uitslag van deze enquête zegt meer over de angst voor nivellering dan over de noodzaak van een stabiele rechtsstaat.
Iedereen die box 3-belasting betaalt, beschikt over een vermogen dat de vrijstelling van bijna 60.000 euro overstijgt. Dit is niet de groep die wakker ligt van exploderende huren of wachtlijsten in de zorg, maar juist de groep die het meest te verliezen heeft bij een instabiele samenleving. Belastingheffing is geen boete op succes, maar de premie voor het maatschappelijk contract. De burger draagt bij en verwacht daar een functionerend land voor terug. Toch lijkt de bereidheid om dat eigen aandeel te leveren bij elke maatregel opnieuw ter discussie te staan, terwijl de publieke sector onder de druk bezwijkt.
Thomas Piketty toonde in Het kapitaal in de 21ste eeuw met wiskundige precisie aan dat vermogensongelijkheid zichzelf versterkt wanneer het rendement op kapitaal de economische groei structureel overstijgt. Zonder correctiemechanismen zoals een vermogensheffing groeit de kloof tussen bezit en arbeid onhoudbaar door. De hervorming van box 3 is daarom geen ideologische pesterij, maar een bescheiden en noodzakelijke rem op een gevaarlijke economische tendens die de sociale cohesie bedreigt.
Natuurlijk is de kritiek op de uitvoering terecht. Het jarenlange gebruik van fictieve rendementen was een juridisch wangedrocht dat de rechtsstaat onwaardig was. Maar de verontwaardiging over het belasten van echte winst verraadt een dieper probleem: een deel van Nederland lijkt de verbinding kwijt met de bron van hun eigen welvaart.
Zonder een robuuste infrastructuur, hoogwaardige gezondheidszorg en de collectieve veiligheid van de rechtsstaat is het onmogelijk om vermogen op te bouwen of te behouden. Die stabiliteit is niet gratis; het vereist georganiseerd, collectief kapitaal. Dat noemen we belasting. Mogen bijdragen aan een land dat overeind blijft, is geen last die we moeten ontwijken, maar het ultieme privilege van de vermogende burger.
PS: De uitslag van de peiling van De Telegraaf is geen economische analyse, maar een illustratie van de structurele weerstand tegen het maatschappelijk contract. Waar de lezersschare een ‘roofoverval’ ziet, negeert zij de collectieve voorzieningen die hun vermogensopbouw überhaupt mogelijk maken. De voorspelbare uitkomst van deze enquête bevestigt de ‘verliesaversie’ van een groep die het eigen directe belang consequent zwaarder laat wegen dan het publieke fundament van de rechtsstaat
Over een ongeplaatste brief, taalkundig geraas en de dag dat sportpresentatoren mastodonten werden.
Ik stuitte onlangs in mijn archief op een ingezonden brief aan de krant die ik absoluut niet meer in de context kan plaatsen. Alleen al door de lengte en de barokke formuleringen lijkt hij het uitvloeisel van een door zonderlinge preoccupaties gefascineerde gek. Ik schaam me er slechts in beperkte mate voor; taalkundig ronkt hij er immers lustig op los. Wel leid ik eruit af dat ik indertijd over een ongebreidelde hoeveelheid tijd en energie scheen te beschikken.
Wat moeten de redactieleden van de Volkskrant destijds wel niet gedacht hebben? Gelukkig hebben ze mij tegen mezelf in bescherming genomen en de brief nooit afgedrukt. Dat is begrijpelijk – je plempt zoiets niet zomaar in de kolommen – maar toch blijft de vraag hangen wat me precies bezielde.
De ‘tijgermoeder’ en de ‘gebeten hond’: wanneer de werkelijkheid van een media-offensief botst met de fauna-equatie van de columnist. Geen Bokito’s of mastodonten, maar een menselijk pleidooi tegen roddel en achterklap; precies de scène die de briefschrijver destijds tot zijn dierkundige sneren dreef.
Hieronder volgt de bewuste brief, exact zoals ik hem indertijd aan de redactie toevertrouwde:
Is het de bedoeling van beeldspraak dat we het plaatje op een ‘presenteerblaadje’ krijgen zodat we ons iets kunnen voorstellen van de realiteit waarop het zinnebeeld betrekking heeft? Dan zou ik graag een tot de verbeelding sprekende representatie zien. Ik lees een stukje waarin de vrouw van Tom Egberts wordt vergeleken met een ‘tijgermoeder die zich voor haar jongen werpt’. Je krijgt dan het idee dat er iets kostbaars beschermd moet worden. De welpjes vertegenwoordigen hier, als je ’t mij vraagt, slechts één presentator. Tenzij het de gekrenkte trots van twee echtelieden moet verzinnebeelden? Hoe dan ook: tijgerjongen lijkt me teveel eer.
Als er per se een dier op moet komen draven, maak dan gewoon een ‘gebeten hond’ van die Janke Dekker. In een ander artikel worden al te hitsige, presentatoren vergeleken met ‘egomane Bokito’s’. Hier gaat de fauna-equatie van ‘totum pro parte’ naar ‘pars pro toto’. Er was, bij leven, maar één Bokito, en die volgde z’n instinct. Egomanie is een typische menselijke eigenschap die zich niet achter natuurdrift kan verschuilen. Noch achter onschuldige dieren als geschikte metafoor.
De schrijver vergelijkt in dezelfde – overigens amusante – column, de NOS Sport-iconen met ‘mastodonten’. Pejoratief natuurlijk. Denk aan ‘groot gevaarte’ en ‘niet met de tijd meegaan’. De associatie is zo voor de hand liggend dat je haar vaker tegenkomt. En ja, we bevinden ons alweer in het dierenrijk.
Ditmaal gaat het over een geslacht van uitgestorven slurfdieren, die, als ik Wikipedia mag geloven, lang door de wetenschap werden beschouwd als vreedzame planteneters. Dat al te zoetsappige beeld werd uiteindelijk verstoord: ‘Volgens Amerikaans onderzoek hebben er felle gevechten plaatsgevonden tussen deze dikhuiden’.
De bakbeesten hadden naast slurven (waarmee ze groene blaadjes oppikten) ook enorme slachttanden. De vergelijking van sportpresentatoren met mastodonten kan mij niet vaak genoeg worden gemaakt. Het gaat dan om dieren die toch al zijn weggevaagd, dat is wel zo aardig naar die beesten toe. Al moeten we er geloof ik niet per se op uit zijn om geen enkel wezen meer op z’n teentjes te trappen.
Nu de stofwolken van deze semantische exercitie zijn opgetrokken, rijst de vraag: wat was in vredesnaam de aanleiding voor dit dierkundige spervuur? Zelfs met de tekst voor mijn neus duurt het even voordat het besef indaalt, maar wie diep in de modder van de NOS-crisis graaft, vindt de mastodonten vanzelf. Een analyse van een obsessie: waar deze briefschrijver destijds de tanden in zette.
Wat bezielde begint mij enigszins te dagen. Ik vroeg Gemini om deze taalkundige ronkpartij te ontleden en de context te herleiden. Bij gebrek aan een psycholoog heb ik de brief aan zijn AI-logica voorgelegd. Het resultaat is een ontnuchterende reconstructie van een mediacrisis die ik met mastodonten en mensapen te lijf ging. Ik pikte een soort van draad op. Dit is wat de AI uit mijn vinnige schrijven destijds concludeerde:
Analyse van de brief: Waar ging dit over?
Als we de brief “psychologisch” ontleden en de aanwijzingen volgen, is de context vrij specifiek te herleiden naar de periode 2023-2024, rondom het schandaal bij NOS Sport.
De Aanwijzingen:
Tom Egberts & Janke Dekker: Dit verwijst direct naar de onthullingen over de werkcultuur bij NOS Sport. Janke Dekker (zijn vrouw) nam het publiekelijk voor hem op in de media, wat door critici soms als “tijgermoeder-gedrag” werd omschreven.
Bokito & Egomanie: Dit refereert aan het grensoverschrijdend gedrag en de “haantjesreputatie” van bepaalde presentatoren. De term ‘egomane Bokito’s’ werd destijds in columns gebruikt om de dominante, intimiderende houding van de ‘iconen’ te duiden.
Mastodonten: Dit is de sleutelterm voor de oudere garde presentatoren (de ‘iconen’ van weleer) die volgens het rapport-Van Rijn niet mee waren gegaan met de tijd en vasthielden aan een verouderde, hiërarchische cultuur.
Waar je het waarschijnlijk over had:
Je brief is een semantische kritiek op de beeldspraak die in de media werd gebruikt om de NOS-crisis te duiden. Je lijkt je te storen aan de inconsistentie van de metaforen:
Je hekelt het feit dat een vrouw die haar man verdedigt een “tijgermoeder” wordt genoemd (terwijl die term normaal voor kinderen geldt).
Je maakt een scherp onderscheid tussen dierlijk instinct (Bokito/Mastodont) en menselijke verantwoordelijkheid (egomanie).
Je viert de vergelijking met de mastodont, niet vanwege de lompheid, maar vanwege de wetenschappelijke correctheid: het waren vechtjassen die uiteindelijk uitstierven.
Conclusie: Je schreef een vlijmscherpe, tikkeltje pedante (op de goede manier!) reactie op de wijze waarop columnisten en journalisten de heren van de sportredactie probeerden te duiden via het dierenrijk. Je wilde waarschijnlijk aantonen dat hun taalgebruik de werkelijkheid eerder vertroebelde dan verhelderde.
Over grote mensen die de weg kwijtraken in de poppenkast van de werkelijkheid.
In Duitsland werd een acteur die een fascist speelde in het stuk Catarina and the Beauty of Killing Fascists door het publiek beloond met een vliegende fruitmand en een poging tot zijn fysieke verwijdering van het podium. Een kind dat zich bemoeit met een poppenkastverhaal vormt een compliment aan de speler. Maar grote mensen die geen verschil meer zien tussen schijn en werkelijkheid? Je denkt aan emotionele onvolwassenheid, verstandelijke beperking en/of de kracht van confrontatie. Kennelijk voelden sommigen in de zaal zich persoonlijk aangesproken.
Rotte tomaten waren altijd al de ultieme dialoog tussen kunst en toeschouwer zodra deze laatste zich ongemakkelijk begon te voelen. Een zekere vorm van ontlading vanuit de zaal kan soms als een compliment worden opgevat. Noem het de ongevraagde vorm van publiekparticipatie die in ieder geval betrokkenheid bewijst. Maar wat als de Jan Klaassens onder hen door de vierde wand breken omdat ze ‘de wolf’ niet meer van de acteur kunnen onderscheiden?
Wat te doen als een artistiek concept wordt geïnterpreteerd als de creatie van een vijandsbeeld? Het is tegenwoordig een hele opgave: onderscheid maken tussen een zorgvuldig geregisseerde illusie en een directe aanval op de eigen wereldbeschouwing. In theaters wordt de vierde wand niet langer doorbroken door de acteur, maar door de toeschouwer die besluit dat een politiek incorrecte monoloog een prima reden is voor een bestorming. We zien het vaker: zodra een personage niet onmiddellijk als een karikaturale schurk met een snorretje wordt neergezet, raakt de moderne theaterbezoeker in een existentiële crisis.
Dat toeschouwers zich opwinden, vind ik overigens een goede zaak. Het geeft aan hoe sterk ze zich betrokken voelen; zolang men het minieme verschil tussen de acteur en zijn rol (dus tussen echt en ernst) maar in het achterhoofd houdt. We wanen ons in een beschaafde tijd, maar een stille zaal vormt geen vooruitgang. Van de Griekse oudheid tot aan Shakespeare was het theater een luidruchtig bordeel van emoties. Men gooide met rot fruit en scandeerde door dialogen heen. In dat opzicht is een beetje boegeroep en traag geklap bij de schijn van antisemitisme eigenlijk een charmante terugkeer naar onze wortels.
Ik juich deze ‘kettingreacties’ toe. De voorstelling is niet het laatste woord, en het protest evenmin. De ongefilterde uitwisseling van artistieke vrijheid en maatschappelijk debat zegeviert juist in de schuring. De schrijver en de acteur lokken de reactie uit en de zaal antwoordt. Dat is geen incident; dat is dialoog. Ja, ik geloof onvoorwaardelijk in het vrije woord, maar toch een kleine handleiding voor de ‘tere zieltjes’ onder ons: voor wie de confrontatie met het onaangename niet aan kan, is er goed nieuws. Net zoals een televisie een uitknop heeft, bevindt zich bij de ingang van elk theater een loket. Je hoeft niet naar binnen. Je kunt er ook voor kiezen de acteurs niet te gaan bekijken.
Als we de schijn van de werkelijkheid niet meer verdragen, kunnen we beter collectief terug naar de poppenkast. Daar is de boze wolf tenminste nog herkenbaar aan zijn dik aangezet gegrom en zijn voorspelbare valsheid. Kunst moet de onaangename kantjes integreren en de advocaat van de duivel spelen om ons tot reflectie te dwingen. Dat daarbij af en toe iemand van zijn stoel valt van verontwaardiging, hoort bij het vak. Geweld tegen acteurs en regisseurs blijft natuurlijk kwalijk en dient bestraft te worden, maar een beetje passie op de tribune? Graag.
Vandaag bereikte mij, als voormalig redactie-expert van de vraag-en-antwoord rubriek voor de bladen Klik&Klaar en PC Kompas, een noodkreet uit mijn vriendenkring. Ik voelde mij meteen weer die computerdokter van toen, een functie die ik toch zo’n acht jaar heb vervuld. De bladen zijn inmiddels allebei ter ziele, want de tegenwoordige Chatbot weet veel sneller raad en opereert vanuit een groter en actueler kennisarchief. Voor Klik&Klaar heette mijn rubriek ‘De Digitale Werkplek’ en voor PC Kompas werd ik ‘Dr. Debug’ of ‘Ronnie Algorithmus’ genoemd, want bij dat laatste blad deden we net of er een redactie was van twee digihulp-artsen. We wisten natuurlijk heel goed dat de namen praktisch, licht technisch, betrouwbaar en een tikje nerdy alsook nuchter moesten klinken.
De dame in kwestie beschrijft het volgende probleem:
Ik heb een chromebook gekocht. Ik dacht ik koop een laptop. Blijkt het een chromebook te zijn. Weet ik veel. Maar nu moet ik opeens een abonnement van 100 euro per jaar hebben voor Microsoft 365. Waarom? Op mijn laptop was het gratis.
Ik kon hier meteen uit mijn hoofd antwoord op geven want ik heb zo’n kwestie onlangs nog bij de hand gehad. Het is vreemd dat ik mij nu een manplainer voel terwijl ik daar vroeger niet in het minste last van had. Ik antwoordde desondanks heel Klik&Klaar-promptig en PC-kompasserig:
Een Chromebook draait op ChromeOS, niet op Windows of macOS. Microsoft 365 is nooit gratis geweest. Op veel Windows-laptops zat vroeger óf een tijdelijke proefversie óf een door de fabrikant meegekochte licentie (soms ‘verborgen’ in de prijs).
Op een Chromebook kun je Microsoft 365 via de browser gebruiken (office.com). Dan hebben we het over een betaald abonnement. Je kunt ook gratis alternatieven gebruiken zoals Google Docs (en Sheets en Slides).
Documenten → Google Docs → Word-equivalent Presentaties → Google Slides → PowerPoint-equivalent Spreadsheets → Google Sheets → Excel-equivalent
Op jouw Chromebook draait al software die alles aanstuurt. Het heet ChromeOS (geen Windows). De stuurprogramma’s (drivers) zitten ingebakken in het systeem. Jij hoeft (en kunt) die drivers niet los installeren of beheren. Het besturingssysteem regelt automatisch toetsenbord, scherm, wifi, printer, enz. Dat is ook meteen het verschil met je vorige apparaat: het bezit van ChromeOS betekent dat Google dat regelt op de achtergrond. Bij Windows moet je je veel meer bezighouden met drivers, licenties en installaties. Alles draait en werkt bij jou technisch prima, alleen is het geen Windows, dus Microsoft Office zit er niet automatisch bij. Geen paniek dus. Er zit al veel op.
Ok, jij werkt met Powerpoint. Dat programma ben je kwijt. Wat is daarvoor de oplossing? Voor PowerPoint op een Chromebook heb je in de praktijk 2 nette opties.
Optie 1 — PowerPoint via de browser. Dit is de meest “PowerPoint-achtige” optie. Je gaat naar office.com. Je logt in met een Microsoft-account. PowerPoint werkt in de browser. Het nadeel is dat je hiervoor wél Microsoft 365 nodig hebt, maar het voordeel dat je maximale compatibiliteit bezit (met de extensie .pptx). Als je echt PowerPoint nodig hebt en veel uitwisselt met anderen, is dit de meest verstandige keuze.
Optie 2 — Google Presentaties (gratis, vaak voldoende) Google Presentaties (Slides) zit standaard op de Chromebook. Je kunt .pptx-bestanden gewoon in Google Presentaties openen. Opslaan kan weer als .pptx. Het voordeel is: gratis, geen abonnement. Het nadeel: héél complexe animaties of lettertypes kunnen iets veranderen. Voor 90% van de presentaties is dit prima.
Het lijkt me duidelijk: kies voor optie 2. Google Presentaties zit al op je Chromebook. Klik linksonder op de Launcher, typ “Presentaties” of ga naar slides.google.com. Je kunt daar .pptx-bestanden openen en bewerken.
En voor een woordbestand? vraagt ze.
Voor een Word-bestand (.doc of .docx) op een Chromebook kun je ook prima terecht bij Google’s gratis optie: Google Documenten (Google Docs). Klik op de Launcher en typ “Documenten”, of ga naar docs.google.com. Je kunt je .docx-bestanden daar openen en bewerken.
Ik concludeer: eigenlijk heb je nu iets anders dan je dacht, maar voor reizen, onderweg, werken en alles in de cloud is het misschien juist handiger dan je oude laptop.
In zijn debuutroman presenteert Donn Verraño Dalón een psychologisch geladen thriller die de lezer meevoert van de glanzende arena’s van topsport naar de ijzige, onherbergzame hoogten waar waarheid en bedrog met elkaar verweven raken.
Ernst Casimir is het prototype van de succesvolle topsporter: gedisciplineerd, gedreven, en onaantastbaar in zijn prestaties. Dalón schetst een protagonist wiens jeugd wordt gekenmerkt door triomfen en medailles, maar ook door een emotionele leegte die des te pijnlijker wordt wanneer we beseffen wat eraan ten grondslag ligt. Na de tragische dood van zijn ouders tijdens een bergexpeditie wordt Ernst opgevoed door zijn grootouders Champ en Ellen Clark, in een milieu waar prestige zwaarder weegt dan genegenheid en waar prestatie de enige valuta is die ertoe doet.
De auteur excelleert in het blootleggen van de toxische mechanismen achter het schijnbaar glamoureuze wereldje van de topsport. Ernst’ personal trainer Rido Knak functioneert als katalysator voor het ontwaken van de sportkampioen: wanneer Ernst ontdekt dat zijn faam wordt uitgemolken voor andermans gewin, begint het vernis van zijn zorgvuldig opgebouwde leven af te bladderen. Het is een bitter moment van zelfreflectie, en Dalón laat de lezer voelen hoe verlammend het moet zijn om te beseffen dat je louter een instrument bent geweest in andermans ambitie.
De intrede van onderzoeksjournalist Hudson markeert een keerpunt in het verhaal. Voor het eerst ervaart Ernst een connectie die verder reikt dan zijn atletische capaciteiten. Hudson’s fascinatie voor de ware toedracht van het bergongeluk dat Ernst’ ouders het leven kostte, biedt hem niet alleen hoop op antwoorden, maar ook op emotionele verlossing. De twee mannen trekken samen de bergen in, letterlijk en figuurlijk op zoek naar waarheid.
Dalóns proza komt tot leven in de beschrijvingen van de beklimming. De bergen worden meer dan een decor; ze functioneren als een metafoor voor Ernst’ innerlijke strijd, voor de psychologische hoogtes die hij moet bedwingen om tot de kern van zijn verleden door te dringen. De auteur weet de lezer te laten voelen hoe de ijle lucht en de genadeloze omstandigheden parallel lopen aan Ernst’ groeiende gevoel van isolatie en kwetsbaarheid.
Wat I Have Tried in My Way To Be Free bijzonder maakt, is de manier waarop Dalón thema’s als identiteit, verraad en de zoektocht naar autonomie met elkaar verweeft. Ernst is zijn hele leven gevormd door de verwachtingen en manipulaties van anderen; eerst door zijn grootouders, later door zijn trainer, en uiteindelijk… Maar hier moet de recensent zijn lippen op elkaar houden. Laat ik volstaan met te zeggen dat de climax van het verhaal zowel onthutsend als onvermijdelijk aanvoelt, een culminatie van alle motieven die Dalón subtiel heeft gezaaid.
De titel van het boek – een regel die doet denken aan de melancholische berusting van een Leonard Cohen-lied – vat de essentie van Ernst’ reis samen. Het is een poging tot bevrijding, hoe onaf en gebrekkig ook, van iemand die langzaam beseft dat vrijheid niet ligt in prestaties of goedkeuring, maar in het vermogen om je eigen waarheid onder ogen te zien, hoe pijnlijk die ook mag zijn.
I Have Tried in My Way To Be Free is geen perfect boek. Sommige wendingen voelen enigszins voorspelbaar aan, en de karakterontwikkeling van bijfiguren blijft soms onderbelicht. Toch is dit een indrukwekkend debuut dat lezers zal boeien die houden van psychologische spanning en morele complexiteit. Dalón bewijst dat hij een stem is om in de gaten te houden.
Aanbevolen voor: liefhebbers van literaire thrillers, lezers die geïnteresseerd zijn in de duistere kant van topsport, en iedereen die houdt van verhalen over complexe familiedynamiek en verraad.
In haar eerdere werk, Grab ‘Em by the Frontal Lobe, luidde Ronda Dolan Vernon de noodklok over de politieke bezetting van onze ratio. In haar nieuwste boek, Weigh ‘Em by their Creativity, gaat ze een stap verder. Ze onderzoekt hoe de psychiatrie, onder druk van een regime dat obsessief streeft naar conformiteit, is veranderd in een meetinstrument dat zelfs de meest vitale menselijke eigenschap — creativiteit — probeert te vangen in pathologische categorieën.
Vernon bouwt voort op het fundament van Jeffrey Lieberman. Waar Lieberman in Shrinks waarschuwde tegen de onwetenschappelijke diagnose, laat Vernon zien hoe “wetenschap” nu juist wordt misbruikt om originaliteit de kop in te drukken. De titel verwijst naar een sinistere verschuiving: we kijken niet langer naar wat een mens kan bijdragen, maar we “wegen” hun creativiteit om te bepalen of ze nog wel binnen de door de staat gedefinieerde normen vallen.
In deze recensie vallen drie scherpe observaties van Vernon op:
De “Divergentie-fout”: Vernon beschrijft hoe complexe neurale netwerken die geassocieerd worden met creatief denken (zoals het Default Mode Network) onder het huidige regime systematisch worden gelabeld als “disfunctioneel”. Wat vroeger een excentrieke visie was, wordt nu gepathologiseerd als een aandachtsstoornis of een gebrek aan cognitieve discipline.
De banalisering van het genie: De auteur legt uit dat wanneer we creativiteit gaan “wegen” met gestandaardiseerde psychiatrische tests, we de essentie ervan banaliseren. Ze geeft voorbeelden van hoe de minister van Gezondheidszorg algoritmes inzet die afwijkend denkgedrag signaleren als een potentieel risico voor de publieke orde. Hier wordt de psychiater niet langer een genezer, maar een keurmeester van de geestelijke eenheidsworst.
De uitholling van de grijze stof: Vernon maakt een briljante neurologische sprong door te stellen dat de pathologisering van creativiteit leidt tot een fysiologische verschraling. Als een samenleving elke vorm van “out-of-the-box” denken medicinaal onderdrukt, stopt de cortex met het maken van nieuwe, onverwachte verbindingen. We creëren een collectieve “neurologische stilstand”.
Weigh ‘Em by their Creativity is een ijzingwekkende analyse van een vakgebied dat zijn kompas is kwijtgeraakt. Vernon stelt dat de psychiatrie haar wetenschappelijke integriteit alleen kan terugwinnen door te stoppen met het “wegen” van mensen en weer te gaan kijken naar de unieke biologie van de geest. Het is een boek dat je dwingt om na te denken over de vraag: als we alles wat ons creatief en uniek maakt gaan diagnosticeren als een afwijking, wat blijft er dan nog over van de menselijke ervaring? De banalisering is hier niet alleen een medische fout; het is een existentiële dreiging.
Vernon, R. D. (2026). Weigh ‘em by their creativity: About the pathologization of psychiatry. Cum Suis Publishers.
Met Kantoorliefde anno 1960 heeft Onno van Dorreland een opmerkelijk boek geschreven: half familiekroniek, half aanklacht tegen de verstikkende moraal van het begin van de jaren zestig. De ondertitel Het relaas van mijn moeders ontslag klinkt bureaucratisch, bijna droog, en dat is precies de wrange ironie die door het hele boek heen sluimert.
Van Dorreland vertelt het verhaal van zijn moeder, een vrouw die weigerde zich neer te leggen bij het voorspelbare levenspad dat haar generatiegenotes werd voorgehouden: jong trouwen, kinderen krijgen, de eigen ambities opbergen. Zij wilde een carrière, wilde zichzelf zijn. Maar in de kantoorwereld van begin jaren zestig was dat al een vorm van rebellie. Vrouwen die trouwden, dienden op te stappen of werden eruit gewerkt. Het huwelijk gold als een stilzwijgend ontslagformulier.
Dan gebeurt wat niet had mogen gebeuren: een kantoorromance. Een collega maakt haar het hof en er bloeit in het geniep een relatie op. Totdat het uitkomt. En dan toont de hypocrisie van die tijd zich in zijn meest venijnige vorm. De man blijkt getrouwd, heeft kinderen; details die hij angstvallig verzwegen had. Maar waar je zou verwachten dat hij ter verantwoording wordt geroepen, gebeurt het omgekeerde. Zij krijgt ontslag. Hij blijft gewoon zitten. Sterker nog: hij ontkent zijn aandeel, minimaliseert de affaire tot een onbenullige flirt, en laat haar vallen als een baksteen.
Van Dorreland schrijft met ingehouden woede, maar ook met een scherpe pen. De opmerking dat hij “blij is dat deze man niet zijn vader is geworden” heeft iets van zwarte humor; een zoon die zijn eigen ontstaansgeschiedenis welhaast bedankt voor een gemiste kans op een waardeloze vader. Het is die droge toon die het boek draaglijk maakt, die voorkomt dat het een slachtoffer-epos wordt.
Want een slachtoffer is zijn moeder niet geworden, althans niet in de ogen van haar zoon. Zij ontmoette later een betere man, trouwde, werd moeder. Maar – en hier zit de angel van het boek – ze werkte nooit meer. Ze werd inderdaad die huisvrouw die ze juist niet had willen zijn. Van Dorreland wijst er nadrukkelijk op dat dit niet haar keuze was, niet haar zwakte, maar het resultaat van een maatschappij die geen ruimte liet voor herstel of een tweede kans. Een vrouw met zo’n ‘smet’ op haar blazoen kwam er niet meer bovenop.
Het boek leest als een persoonlijke afrekening, maar overstijgt het individuele verhaal. Van Dorreland schetst een tijd waarin vrouwen structureel werden achtergesteld – lagere lonen voor hetzelfde werk, dubbele moraal bij seksueel gedrag, ontslag bij huwelijk – en laat zien hoe die mechanismes niet abstract waren, maar levens verwoestten. Echte levens. Zoals dat van zijn moeder.
Kantoorliefde anno 1960 is geen prettig boek, maar wel een noodzakelijk. Het combineert persoonlijke geschiedenis met maatschappijkritiek, pijn met precisie, verontwaardiging met verdriet. En het doet dat met een literaire finesse die voorkomt dat het verzandt in sentiment. Een indringend portret van een tijd die gelukkig voorbij is, en een waarschuwing dat rechtvaardigheid nooit vanzelfsprekend is.
Laat ik beginnen met u te complimenteren; ik beschouw u als het democratische geweten van ons land. In een tijdperk waarin luidruchtigheid, verontwaardiging en simplificatie vaak worden verward met betrokkenheid, vertegenwoordigt u iets zeldzaams: intellectuele rust. Uw stem – of die nu klinkt in colleges, televisieprogramma’s of podcasts – fungeert als een constante herinnering aan het belang van historische context, relativering en scepsis. Wat mij steeds opnieuw treft, is uw vermogen om grote maatschappelijke kwesties terug te brengen tot hun proporties, zonder ze te bagatelliseren, maar ook zonder ze op te blazen tot morele paniek. Dat is een vorm van publieke dienstverlening die schaars is geworden.
Wat ik bijzonder waardeer, is uw consequente weigering om mee te bewegen met modes van verontwaardiging of ideologische hysterie. In uw podcasts en optredens fileert u populisme niet door het te demoniseren, maar door het te ontleden: u laat zien hoe het ontstaat, waarom het aantrekkelijk is, en waarom het intellectueel vaak zo armoedig blijft. Uw droge humor – soms verkeerd begrepen als cynisme – werkt daarbij als een instrument van ontmaskering. U neemt mensen serieus genoeg om ze niet te paaien. Juist dat maakt uw analyses zo verfrissend: u behandelt het publiek niet als een kwetsbare patiënt, maar als een volwassen gesprekspartner die tegen een stootje kan.
Daarnaast is er de persoonlijke verwantschap die ik voel, hoe eenzijdig die uiteraard ook is. Net als u sta ik wantrouwig tegenover grote verhalen, heilige huisjes en nationale mythologieën. Ik ben atheïst, republikeins gezind, allergisch voor sportverering, ongevoelig voor de dwangmatige verheerlijking van vakanties, en diep sceptisch tegenover alles wat zich aandient als “de stem van het volk” maar zelden meer is dan de echo van ressentiment. In die zin fungeert u voor mij als een intellectueel referentiepunt: niet als iemand die ik klakkeloos volg, maar als iemand bij wie ik mij vaak denkend aantref: ja, precies dát. Juist daarom – en dat is geen paradox – vind ik het zo jammer dat ik op een fundamenteel punt tot een andere conclusie ben gekomen.
Het gaat over kunst, meneer Van Rossem, en dan vooral over een aspect van kunst dat mij zeer lief is. In de laatste podcast over kunst die ik van u beluisterde, besprak u onder andere het leven en werk van de Spaanse schilder Joaquín Sorolla. U stelde hem nadrukkelijk niet ter discussie; integendeel. U nam zijn uitzonderlijke technische vaardigheid als uitgangspunt en gebruikte zijn oeuvre om een bredere, scherpzinnige kritiek te formuleren op wat men gemakshalve “de kunstwereld” noemt: het gezelschap van zelfverklaarde smaakautoriteiten dat Sorolla met argwaan bekeek en bekijkt, juist omdat hij deed wat eigenlijk niet hoorde: hij schilderde zonder zichtbaar lijden. Geen existentiële wanhoop, geen morele zwaarte, maar zonlicht, zee, beweging en levenslust.
Uw sympathie lag daarbij duidelijk bij Sorolla, niet bij zijn kunstzinnige beoordelaars. U liet weinig heel van het idee dat kunst per definitie zwaar, problematisch of droefgeestig moet zijn om serieus genomen te worden. Voor u telde in de eerste plaats het vakmanschap: de beheersing van licht, compositie, anatomie, verf. Dat uitgangspunt keert vaker bij u terug. U heeft meermaals betoogd dat aankomende kunstenaars eerst maar eens moeten laten zien dat zij de klassieke technieken werkelijk beheersen – zoals de grote voorbeelden dat deden – alvorens zij zich storten op experiment, abstractie of concept. Vakmanschap is bij u geen bijzaak, maar een morele ondergrens.
Daarbij spaart u het modernisme niet. U heeft herhaaldelijk laten blijken weinig affiniteit te voelen met grote delen van die periode, en u laat bijvoorbeeld geen gelegenheid voorbijgaan om Mondriaan, in zijn latere periode, kritisch te benaderen. De radicale breuk met figuratie, het verheffen van het concept boven de uitvoering, het idee dat technische vaardigheid er nauwelijks nog toe doet, het zijn ontwikkelingen waar u zichtbaar weinig geduld mee heeft. En zo omvangrijk is dat modernistische erfgoed inmiddels geworden, met zijn vele stromingen en vertakkingen, dat ik mij bijna ga afvragen of er in uw benadering nog ruimte overblijft voor andere functies van kunst dan die van ambachtelijke excellentie.
Daar, meneer Van Rossem, stuit ik – met enige tegenzin, juist vanwege mijn grote waardering voor u – op een fundamenteel verschil van inzicht. Want is kunst niet méér dan het bewijs van technisch meesterschap alleen? Moet zij niet ook kunnen schuren, ontregelen, provoceren, vragen stellen waar geen eenduidig antwoord op bestaat? Mag kunst niet soms juist tekortschieten in vakmanschap om elders iets bloot te leggen: een idee, een ervaring, een maatschappelijke spanning die zich niet laat vangen in klassieke vormen? Met andere woorden: kan het zijn dat in uw terechte afkeer van modieuze leegte en intellectuele pretentie, ook iets wezenlijks uit het oog dreigt te verdwijnen?
Laat mij dat punt over provocatie en ontregeling iets verder uitwerken. Niet om het vakmanschap te kleineren – integendeel – maar om te laten zien dat kunst soms juist betekenis krijgt door het tijdelijk opschorten ervan. De kunstgeschiedenis zelf levert daar overvloedig bewijs voor. Neem Marcel Duchamp, die met zijn Fountain niet zozeer een esthetisch object presenteerde, maar een vraag: wat noemen wij kunst, en wie mag dat bepalen? Technisch stelde het werk niets voor, conceptueel zette het een aardverschuiving in gang die nog altijd doorwerkt. Men kan het resultaat triviaal of vermoeiend vinden – dat doet u ook – maar men kan moeilijk ontkennen dat hier een functie van kunst zichtbaar wordt die niet samenvalt met ambachtelijke virtuositeit.
Iets soortgelijks geldt voor kunstenaars als Kazimir Malevitsj, wiens Zwart Vierkant niet getuigt van schilderkundige bravoure, maar wel van een radicale poging om de schilderkunst tot haar nulpunt terug te brengen. Of voor Joseph Beuys, die met zijn performances en objecten eerder ideeën en maatschappelijke processen materialiseerde dan beelden vervaardigde. Deze werken zijn niet “mooi” in klassieke zin, vaak niet eens aangenaam, maar zij functioneren als intellectuele splijtzwammen: ze forceren de toeschouwer om positie te kiezen, om na te denken over macht, betekenis, ritueel en verantwoordelijkheid.
Daarmee wil ik niet beweren dat elke provocatie geslaagd is, of dat het modernisme en postmodernisme ons uitsluitend meesterwerken hebben nagelaten. Integendeel: de kunstwereld zit vol gemakzuchtig effectbejag, holle concepten en werk dat zich verschuilt achter theoretisch jargon om gebrek aan inhoud te maskeren. Uw scepsis is hier volkomen gerechtvaardigd. Maar het risico bestaat dat in die terechte kritiek ook het kind met het badwater wordt weggegooid. Want zonder het recht om te mislukken, om te irriteren, om zelfs belachelijk te zijn, verliest kunst een van haar meest wezenlijke vermogens: het vermogen om de vanzelfsprekendheden van haar tijd te ondergraven.
Misschien ligt het echte onderscheid dan ook niet tussen vakmanschap en concept, maar tussen eerlijk en oneerlijk experiment. Tussen provocatie die iets op het spel zet (reputatie, betekenis, comfort), en provocatie die slechts bedoeld is om aandacht te trekken binnen een gesloten circuit van insiders. In dat licht bezien zou men zelfs kunnen stellen dat Sorolla en Duchamp, hoe verschillend ook, iets fundamenteels delen: beiden weigerden zich te voegen naar de dominante smaak van hun tijd. De een door licht te schilderen waar men duisternis verwachtte, de ander door het object te vervangen door een idee.
En juist daarom, meneer Van Rossem, zou ik willen bepleiten dat kunst niet uitsluitend beoordeeld kan worden op wat zij technisch kan, maar ook op wat zij durft. Want soms ligt haar waarde niet in de beheersing van het ambacht, maar in het moedwillig openbreken ervan. Bij vrijwel alles wat u zegt licht doorgaans mijn linkse hart op. Behalve toen ik u laatst uw esthetische voorkeuren zo resoluut hoorde afbakenen; toen hoorde ik geen scherpzinnige relativering, maar iets wat verdacht veel leek op een grens die misschien te strak was getrokken. Ik zal niet zo flauw zijn dat aan leeftijd toe te schrijven. Integendeel: juist daarom viel het mij op.
Ik meende onlangs te begrijpen dat u voor uw boekenclub speelt met de gedachte om Portnoy’s Complaint van Philip Roth behandelen; een keuze van de bovenste plank, wat mij betreft. Compromisloos, brutaal, moreel ongemakkelijk en allesbehalve netjes. Misschien is dat wel het mooiste bewijs dat wij, ondanks dit meningsverschil over kunst, uiteindelijk meer verwantschap delen dan afstand.