Overgeleverd aan de overlevering wordt het pleit beslecht op de grens van percelen.
Een dagje wroeten in de voortuin bewijst maar weer eens dat een buurtgemeenschap onzichtbaar meekeurt. Die sociale controle deert me nauwelijks; ik kan de subtiele surveillance best hebben, zelfs als het verdict aanvankelijk riekt naar bemoeizucht. Het blijft echter fascinerend hoe vlot de tongen losraken en hoe vliegensvlug het oordeel – of vooruit, de roddel – van voordeur tot voordeur reist en zich richting mijn groen en mijn goede voornemens vreet.
Een mens zou in zijn eigen voortuin bijna vergeten dat hij deel uitmaakt van een groter ecosysteem, waarin de sociale cohesie steviger verankerd zit dan onverwoestbare hardhouten palen.
Je hoort mij niet zeggen dat ik louter applaus verwacht omdat ik als frisse buurman de wildernis tem, maar de reorganisatie die ik van plan ben door te voeren lijkt mij een flinke vooruitgang ten opzichte van de oude situatie; zeker als je bedenkt dat mijn voorganger zijn gazon hanteerde als hondentoilet om de wandeltocht naar het park te omzeilen (een historisch dieptepunt dat ik ook slechts via de tamtam vernam en dat dus niet per se waar hoeft te zijn).
Nu word ik in mijn rol van noeste tuinkabouter heus wel getolereerd, maar de wittebroodsfase blijkt voorbij. De ballotagecommissie begint zich langzaam te roeren. Mijn agrarische ambities omtrent het gazon blijken voor het gemiddelde jurylid net iets te frivool. Gezien de prehistorische hoogte van het gras speelde ik met het idee om een geit te adopteren; of desnoods een schaap te houden binnen een iets minder hoge omheining. Die ik dan natuurlijk wel eerst moest oprichten. De crux van het lokale onbehagen zit ’m in die gedroomde erfafscheiding.
Met dank aan de viervoeter van weleer heeft de buurvrouw de woningcorporatie zo ver gekregen om een heus defensiewerk op te trekken; een tactische buffer tussen haar huistijger en de toenmalige vechthond over de gehele lengte van de voortuin. Ik ben persoonlijk erg in mijn nopjes met deze geopolitieke erfenis. De palen reiken tot in de aardkern en zijn vervaardigd uit onverwoestbaar tropisch hardhout. Het geheel ademt een heerlijke onvergankelijkheid. Dit bracht mij op het idee om deze fortificatie op eigen kosten door te trekken langs de trottoirzijde. Daarvoor hoefde slechts een armetierig ijzeren restant met doorgezakt gaas en vermoeide dwarsverbindingen te wijken.
Gewapend met een haakse slijper ben ik gisteren dat dysfunctionele ijzerwerk te lijf gegaan. Het bleek een geluk bij een ongeluk dat mijn slijpschijven opraakten. Was dat niet gebeurd, dan waren de ijzeren palen – die zo mogelijk nog dieper ‘wortelen’ dan het reeds bezongen hardhout – ongetwijfeld ook ten prooi gevallen aan mijn saneringsdrang. Wat later fungeerde de buurvrouw als de ware noodrem. Zij appte mij met een ontwapenende vriendelijkheid: ‘[Iemand] vertelde dat de hekjes aan de voorkant van de tuin eigenlijk bij de huizen horen en dus niet weggehaald mogen worden!!! Ik zou het ff informeren voordat je hout e.d. gaat kopen.’
Een drievoudig uitroepteken als baken van corporatiewijsheid. De keten van de overlevering is sluitend. De ambtelijke molens draaien snel via het struikgewas. Tegen zoveel straatwijsheid kunnen mijn goede voornemens niet op. Wie de perken te buiten wil gaan, stuit vroeg of laat op een muur van huurregels. Mijn vernieuwingsdrift werd vakkundig ingedamd. Terwijl ik wacht op groen licht van de vastgoedbureaucratie, plaats ik visionaire plannen in de vriezer. Gehoorzaam heb ik mijn destructieve gereedschap in de schuur geparkeerd, in afwachting van een definitief besluit. Het zou immers zonde zijn als mijn hardhouten dromen sneuvelen op een paragraaf in een reglement.
Ik dank mijn soortgenoten voor hun waakzaamheid; het is een geruststellende gedachte dat, mocht ik ooit een geit huisvesten, belanghebbenden de omheining hebben goedgekeurd voordat ook het beest begint te mekkeren.
Wat twee Himalaya‑documentaires onthullen over nomadisme, sentiment en de blik van de camera.
Ik heb zo’n vriend die, zodra ik hem enthousiast wijs op een documentaire die mij heeft geraakt, bijna automatisch laat weten dat hij óf die film al heeft gezien, óf het onderwerp allang kent. Daarna volgt steevast een kleine tirade over wat er volgens hem allemaal mis mee is, om vervolgens met een alternatief te komen. Zo ook toen ik hem vertelde over The Nomads of Dolpo, een film die me oprecht had ontroerd. Zijn reactie: ‘Die muziek en die voice-over waren zó irritant dat ik ben afgehaakt, maar het onderwerp is fascinerend. Ik meen me te herinneren dat ik jaren geleden een docu over de zoutmannetjes heb gezien.’ Even later stuurde hij me een link naar Die Salzmänner von Tibet.
Links de sacrale rust van Die Salzmänner von Tibet; rechts de rauwe werkelijkheid van The Nomads of Dolpo, waar een zoon het lichaam van zijn overleden vader op de rug neemt om hem naar de crematieplaats te brengen; een onverwacht onheil dat de karavaan vier dagen ophoudt en de familie extra kwetsbaar maakt voor de oprukkende winter. Een beeld dat het grote verschil in toon tussen beide films pijnlijk zichtbaar maakt. Toegegeven: ‘mijn’ film leunt meer op sentiment, maar ik zou dat geen effectbejag of gemakzuchtige emotie willen noemen.
Laat één ding duidelijk zijn: hij doet dit niet om mij te treiteren. Hij weet zelf ook hoe irritant betweterigheid kan zijn. ‘Excuses dat ik altijd zo overdreven kritisch ben,’ schreef hij er daarom bij, ‘maar ja, je moet het maar doen met zo’n zeikerd van een vriend.’ Bij hem werkt het anders dan bij de meeste mensen: hij reageert niet uit superioriteit, maar uit een diepgewortelde gevoeligheid voor vorm en toon. Alles wat te sentimenteel, te nadrukkelijk of te glad is, schuurt bij hem onmiddellijk. En juist daardoor wijst hij me soms op iets dat ik anders nooit had ontdekt.
En eerlijk is eerlijk: in dit geval had hij een punt. Want als je The Nomads of Dolpo naast Die Salzmänner von Tibet legt, zie je dat het vooral het sentiment is dat de twee films van elkaar scheidt. De eerste is een emotioneel geladen familie‑epos, compleet met muziek die je bij de hand neemt en een voice‑over die je door het verhaal leidt. De tweede is juist bijna ascetisch: een rituele, verstilde observatie waarin geen ruimte is voor sentiment, alleen voor traditie, ritme en de heiligheid van arbeid. Waar Dolpo je raakt in het hart, raakt Salzmänner je in de ziel; en mijn vriend heeft nu eenmaal een ingebouwde allergie voor alles wat te nadrukkelijk aan dat eerste trekt. Juist daarom werd het interessant om beide films naast elkaar te leggen en te zien wat ze, ondanks hun totaal verschillende toon, onthullen over nomadisme in het Himalayagebied.
Juist in deze regio is de rondtrekkende traditie nog niet gereduceerd tot cultureel erfgoed; het is er simpelweg de enige manier om stand te houden. De hoogvlaktes van Tibet en de valleien van Dolpo in Nepal delen een eeuwenoude economie die draait om yaks, zout, gerst en de ritmiek van seizoenen die genadeloos zijn. Toch tonen deze twee documentaires dat nomadisme niet één verhaal is, maar een spanningsveld tussen ritueel en overleving, tussen traditie en verandering, tussen gemeenschap en individu. Hoewel ze dezelfde wereld betreden, doen ze dat met een totaal andere filmische blik, en juist dat verschil maakt zichtbaar hoe veelzijdig dit bestaan is; en hoe verschillend het kan worden verteld.
In Die Salzmänner von Tibet wordt de zoutkaravaan niet gepresenteerd als een economische activiteit, maar als een heilige choreografie. Vier mannen bereiden zich voor op een negentig dagen durende tocht naar het mythische Tsento‑meer, waar zout niet wordt gewonnen maar verzameld onder het toeziend oog van een godin. Alles is ritueel: het kiezen van een gunstige dag, het bereiden van offers, het spreken van een geheime taal, het naleven van voorbeeldig gedrag. De film toont nomadisme als een kosmisch contract: de mens beweegt door het landschap, maar het landschap beweegt ook door de mens.
In The Nomads of Dolpo is de zouttocht geen ritueel maar een familiale migratie. Karma Tshering leidt zijn vrouw, kinderen en yaks door bergpassen boven de vijfduizend meter. De tocht is niet sacraal, maar existentieel: als ze te laat vertrekken, sluit de winter de passen en sterft de kudde. Hier is het trekkersbestaan geen ceremonie maar een levenslijn; een traditie die wankelt onder armoededruk en de vraag of de kinderen dit leven nog willen of kunnen voortzetten. Waar Salzmänner een wereld toont die lijkt te bestaan buiten de tijd, toont Dolpo een wereld die tegen de tijd in probeert te blijven bestaan.
Die verschillen worden pas echt scherp zodra je ziet hoe beide filmmakers de lens hanteren. De camera van Salzmänner is stil, geduldig, bijna monastiek. Ze observeert, dringt zich niet op, bewaart afstand om nabijheid mogelijk te maken. Lange shots van yaks die zich door de vlakte bewegen, rituele handelingen die in real time worden getoond; het is een beeldtaal die doet denken aan klassieke etnografische cinema. De film laat je niet alleen zien wat er gebeurt, maar hoe het voelt om deel uit te maken van een traditie die ouder is dan het geheugen.
De camera van Dolpo is beweeglijker, menselijker, soms zelfs wankel; en dat is precies de bedoeling. Ze volgt de familie door sneeuw, rotspartijen en wind, registreert emoties: vermoeidheid, verdriet, doorzettingsvermogen. Close‑ups van kinderen die worstelen met de hoogte, shots die de gevaren van de passen voelbaar maken, een ritme dat de fysieke inspanning weerspiegelt. Waar Salzmänner contemplatief is, is Dolpo kinetisch. De camera ademt mee met de karavaan.
Ook narratief staan de films lijnrecht tegenover elkaar. Salzmänner vertelt geen verhaal in klassieke zin: geen conflict, geen dramatische boog, geen psychologische ontwikkeling. Het narratief is cyclisch, zoals de seizoenen. De mannen vertrekken, verzamelen zout, keren terug. Het drama zit niet in gebeurtenissen, maar in de betekenis ervan. De film is een mythe in documentairevorm. Dolpo daarentegen is een epos: de dreiging van de winter, de fysieke uitputting, het verlies van een familielid onderweg, de vraag of deze manier van leven toekomst heeft. Het narratief is lineair en emotioneel geladen, een reisverhaal dat de kijker meeneemt in de kwetsbaarheid van een familie die letterlijk tussen leven en dood navigeert.
Wanneer je deze films naast elkaar ziet, ontstaat een dieper begrip van nomadisme in het Himalayagebied. Het is zowel sacraal als praktisch, zowel collectief als familiaal, zowel tijdloos als bedreigd; het is zowel een kosmologie als een economische noodzaak. Samen vormen de documentaires een tweeluik dat laat zien hoe een eeuwenoude levenswijze zich staande probeert te houden in een wereld die steeds sneller verandert.
Misschien is dat wel de reden dat ik beide films koester, elk op hun eigen manier. De één herinnert me eraan dat tradities niet zomaar gebruiken zijn, maar dragers van betekenis. De ander laat zien dat achter elke traditie mensen schuilgaan die moeten leven, lijden, kiezen en doorgaan. Ergens tussen die twee polen – tussen ritueel en overleving – bevindt zich de ruimte waarin nomadisme nog altijd ademt. Misschien is dat ook de ruimte waarin wij, kijkers, iets kunnen leren over onze eigen manier van bewegen door de wereld.
Die manier van bewegen blijft een strikt persoonlijke exercitie. Het verklaart waarom filmvoorkeuren onherroepelijk uiteenlopen. Mijn vriend, met zijn hypergevoelige antenne voor vorm en toon, laveert moeiteloos mee op de meditatieve golven van Salzmänner; hij ziet er een pure, onbevlekte esthetiek in die gevrijwaard blijft van goedkoop sentiment. Ik daarentegen krijg bij dat soort devotionalia al snel last van jeuk. De rauwe, aardse logica van Dolpo ligt mij van nature beter. Waar hij loutering vindt in een kosmos vol rituelen, kies ik voor de overlevingstocht van vlees en bloed.
Uiteindelijk heb ik weinig met esoterische abstracties, zoals mijn lezers inmiddels weten. Ik zie de menselijke conditie het liefst gereduceerd tot wat ze werkelijk is: een bittere, tastbare noodzaak om de winter voor te blijven. Met zo’n ‘zeikerd van een vriend’ wordt mijn blikveld ruimer maar houd ik ook scherp waar mijn nuchterheid ophoudt en zijn sacrale wereld vol vormesthetiek begint.
Laat ik beginnen met u te complimenteren; ik beschouw u als het democratische geweten van ons land. In een tijdperk waarin luidruchtigheid, verontwaardiging en simplificatie vaak worden verward met betrokkenheid, vertegenwoordigt u iets zeldzaams: intellectuele rust. Uw stem – of die nu klinkt in colleges, televisieprogramma’s of podcasts – fungeert als een constante herinnering aan het belang van historische context, relativering en scepsis. Wat mij steeds opnieuw treft, is uw vermogen om grote maatschappelijke kwesties terug te brengen tot hun proporties, zonder ze te bagatelliseren, maar ook zonder ze op te blazen tot morele paniek. Dat is een vorm van publieke dienstverlening die schaars is geworden.
Wat ik bijzonder waardeer, is uw consequente weigering om mee te bewegen met modes van verontwaardiging of ideologische hysterie. In uw podcasts en optredens fileert u populisme niet door het te demoniseren, maar door het te ontleden: u laat zien hoe het ontstaat, waarom het aantrekkelijk is, en waarom het intellectueel vaak zo armoedig blijft. Uw droge humor – soms verkeerd begrepen als cynisme – werkt daarbij als een instrument van ontmaskering. U neemt mensen serieus genoeg om ze niet te paaien. Juist dat maakt uw analyses zo verfrissend: u behandelt het publiek niet als een kwetsbare patiënt, maar als een volwassen gesprekspartner die tegen een stootje kan.
Daarnaast is er de persoonlijke verwantschap die ik voel, hoe eenzijdig die uiteraard ook is. Net als u sta ik wantrouwig tegenover grote verhalen, heilige huisjes en nationale mythologieën. Ik ben atheïst, republikeins gezind, allergisch voor sportverering, ongevoelig voor de dwangmatige verheerlijking van vakanties, en diep sceptisch tegenover alles wat zich aandient als “de stem van het volk” maar zelden meer is dan de echo van ressentiment. In die zin fungeert u voor mij als een intellectueel referentiepunt: niet als iemand die ik klakkeloos volg, maar als iemand bij wie ik mij vaak denkend aantref: ja, precies dát. Juist daarom – en dat is geen paradox – vind ik het zo jammer dat ik op een fundamenteel punt tot een andere conclusie ben gekomen.
Het gaat over kunst, meneer Van Rossem, en dan vooral over een aspect van kunst dat mij zeer lief is. In de laatste podcast over kunst die ik van u beluisterde, besprak u onder andere het leven en werk van de Spaanse schilder Joaquín Sorolla. U stelde hem nadrukkelijk niet ter discussie; integendeel. U nam zijn uitzonderlijke technische vaardigheid als uitgangspunt en gebruikte zijn oeuvre om een bredere, scherpzinnige kritiek te formuleren op wat men gemakshalve “de kunstwereld” noemt: het gezelschap van zelfverklaarde smaakautoriteiten dat Sorolla met argwaan bekeek en bekijkt, juist omdat hij deed wat eigenlijk niet hoorde: hij schilderde zonder zichtbaar lijden. Geen existentiële wanhoop, geen morele zwaarte, maar zonlicht, zee, beweging en levenslust.
Uw sympathie lag daarbij duidelijk bij Sorolla, niet bij zijn kunstzinnige beoordelaars. U liet weinig heel van het idee dat kunst per definitie zwaar, problematisch of droefgeestig moet zijn om serieus genomen te worden. Voor u telde in de eerste plaats het vakmanschap: de beheersing van licht, compositie, anatomie, verf. Dat uitgangspunt keert vaker bij u terug. U heeft meermaals betoogd dat aankomende kunstenaars eerst maar eens moeten laten zien dat zij de klassieke technieken werkelijk beheersen – zoals de grote voorbeelden dat deden – alvorens zij zich storten op experiment, abstractie of concept. Vakmanschap is bij u geen bijzaak, maar een morele ondergrens.
Daarbij spaart u het modernisme niet. U heeft herhaaldelijk laten blijken weinig affiniteit te voelen met grote delen van die periode, en u laat bijvoorbeeld geen gelegenheid voorbijgaan om Mondriaan, in zijn latere periode, kritisch te benaderen. De radicale breuk met figuratie, het verheffen van het concept boven de uitvoering, het idee dat technische vaardigheid er nauwelijks nog toe doet, het zijn ontwikkelingen waar u zichtbaar weinig geduld mee heeft. En zo omvangrijk is dat modernistische erfgoed inmiddels geworden, met zijn vele stromingen en vertakkingen, dat ik mij bijna ga afvragen of er in uw benadering nog ruimte overblijft voor andere functies van kunst dan die van ambachtelijke excellentie.
Daar, meneer Van Rossem, stuit ik – met enige tegenzin, juist vanwege mijn grote waardering voor u – op een fundamenteel verschil van inzicht. Want is kunst niet méér dan het bewijs van technisch meesterschap alleen? Moet zij niet ook kunnen schuren, ontregelen, provoceren, vragen stellen waar geen eenduidig antwoord op bestaat? Mag kunst niet soms juist tekortschieten in vakmanschap om elders iets bloot te leggen: een idee, een ervaring, een maatschappelijke spanning die zich niet laat vangen in klassieke vormen? Met andere woorden: kan het zijn dat in uw terechte afkeer van modieuze leegte en intellectuele pretentie, ook iets wezenlijks uit het oog dreigt te verdwijnen?
Laat mij dat punt over provocatie en ontregeling iets verder uitwerken. Niet om het vakmanschap te kleineren – integendeel – maar om te laten zien dat kunst soms juist betekenis krijgt door het tijdelijk opschorten ervan. De kunstgeschiedenis zelf levert daar overvloedig bewijs voor. Neem Marcel Duchamp, die met zijn Fountain niet zozeer een esthetisch object presenteerde, maar een vraag: wat noemen wij kunst, en wie mag dat bepalen? Technisch stelde het werk niets voor, conceptueel zette het een aardverschuiving in gang die nog altijd doorwerkt. Men kan het resultaat triviaal of vermoeiend vinden – dat doet u ook – maar men kan moeilijk ontkennen dat hier een functie van kunst zichtbaar wordt die niet samenvalt met ambachtelijke virtuositeit.
Iets soortgelijks geldt voor kunstenaars als Kazimir Malevitsj, wiens Zwart Vierkant niet getuigt van schilderkundige bravoure, maar wel van een radicale poging om de schilderkunst tot haar nulpunt terug te brengen. Of voor Joseph Beuys, die met zijn performances en objecten eerder ideeën en maatschappelijke processen materialiseerde dan beelden vervaardigde. Deze werken zijn niet “mooi” in klassieke zin, vaak niet eens aangenaam, maar zij functioneren als intellectuele splijtzwammen: ze forceren de toeschouwer om positie te kiezen, om na te denken over macht, betekenis, ritueel en verantwoordelijkheid.
Daarmee wil ik niet beweren dat elke provocatie geslaagd is, of dat het modernisme en postmodernisme ons uitsluitend meesterwerken hebben nagelaten. Integendeel: de kunstwereld zit vol gemakzuchtig effectbejag, holle concepten en werk dat zich verschuilt achter theoretisch jargon om gebrek aan inhoud te maskeren. Uw scepsis is hier volkomen gerechtvaardigd. Maar het risico bestaat dat in die terechte kritiek ook het kind met het badwater wordt weggegooid. Want zonder het recht om te mislukken, om te irriteren, om zelfs belachelijk te zijn, verliest kunst een van haar meest wezenlijke vermogens: het vermogen om de vanzelfsprekendheden van haar tijd te ondergraven.
Misschien ligt het echte onderscheid dan ook niet tussen vakmanschap en concept, maar tussen eerlijk en oneerlijk experiment. Tussen provocatie die iets op het spel zet (reputatie, betekenis, comfort), en provocatie die slechts bedoeld is om aandacht te trekken binnen een gesloten circuit van insiders. In dat licht bezien zou men zelfs kunnen stellen dat Sorolla en Duchamp, hoe verschillend ook, iets fundamenteels delen: beiden weigerden zich te voegen naar de dominante smaak van hun tijd. De een door licht te schilderen waar men duisternis verwachtte, de ander door het object te vervangen door een idee.
En juist daarom, meneer Van Rossem, zou ik willen bepleiten dat kunst niet uitsluitend beoordeeld kan worden op wat zij technisch kan, maar ook op wat zij durft. Want soms ligt haar waarde niet in de beheersing van het ambacht, maar in het moedwillig openbreken ervan. Bij vrijwel alles wat u zegt licht doorgaans mijn linkse hart op. Behalve toen ik u laatst uw esthetische voorkeuren zo resoluut hoorde afbakenen; toen hoorde ik geen scherpzinnige relativering, maar iets wat verdacht veel leek op een grens die misschien te strak was getrokken. Ik zal niet zo flauw zijn dat aan leeftijd toe te schrijven. Integendeel: juist daarom viel het mij op.
Ik meende onlangs te begrijpen dat u voor uw boekenclub speelt met de gedachte om Portnoy’s Complaint van Philip Roth behandelen; een keuze van de bovenste plank, wat mij betreft. Compromisloos, brutaal, moreel ongemakkelijk en allesbehalve netjes. Misschien is dat wel het mooiste bewijs dat wij, ondanks dit meningsverschil over kunst, uiteindelijk meer verwantschap delen dan afstand.
Hoe een stijlboekfetisjist en een muggenzifter hun hang-ups bevochten.
Ten aanzien van iets zo onbeduidends als een haakje onder een s – beter bekend als de cedille – deed zich een steeds overbodiger wordende woordenwisseling voor, die mijn geduld, mijn verstand, mijn tolerantie en een vriendschap op de proef zouden stellen. Dat vraagt om wat uitleg. Ik begon met de bewering dat de letter ş (uitspraak: s-cedille) niet voorkwam op standaard Nederlandse of Engelstalige toetsenborden. Dat is gewoon waar, dat kun je makkelijk nagaan.
Daarna beweerde ik dat ik de letter ook niet voor de dag kon toveren door middel van het ingedrukt houden van de Alt-toets, gevolgd door het intypen van een ASCII-code. ASCII is een standaard tabel van 128 tekens en daar zit geen s-cedille bij. Ook de zogenaamde Alt-code werkte niet, noch de zogenaamde Unicode. Ik kon dat op mijn eigen toetsenbord aantonen; er verscheen namelijk wel een teken, maar niet de s-cedille.
“Staat NumLock wel aan?” vroeg een behulpzame vriendin.
“Ja, het numerieke toetsenbord is geschikt voor gebruik. Althans…dat lichtje erboven brandt. Is dat nou een teken van AAN of UIT? Ik weet dat nooit. Oh ja, AAN, anders zouden die andere tekens niet verschijnen. Jezus, waarom hebben mensen van die idioot moeilijke namen?”
“Verkeerde vraag. Zoek verder.”
“Ja, fout van mij. Sorry Yeşilgöz.”
Het maakte in feite niet uit dat een makkelijke toetsenbordcombinatie niet werkte. Ik vond, na te lang zoeken, een alternatief dat een iets grotere omweg vereiste, maar me wel bij mijn doel bracht. (Voor de andere zeikertjes onder ons: een druk op Win + R toverde de Run-prompt tevoorschijn. Daar kon ik ‘charmap’ invullen, wat de Character Map liet zien in elk font dat ik maar wilde. Daar kon ik de ş kopiëren en in mijn eigen tekst plakken.) Ziezo, dat was gebeurd.
Later wilde ik Yeşilgöz alsnog de schuld geven want er zou nog meer overbodig gedoe ontstaan.
“Niet toelaten” intervenieerde de verstandige vriendin weer.
“Als Yeşilgöz niet zo vaak in het nieuws was geweest, had ik nooit de behoefte gevoeld om over haar te schrijven en was mijn ş nooit een punt geweest. Nu heb ik minstens twee blogberichten aan haar gewijd en om haar naam correct te schrijven…”
“Ik beëindig dit gesprek.”
“Erdogan is ook een dictator.”
“Dat was het. De mazzel…”
Ja maar…het werd echt vervelend hoor. Had ik de moeite genomen om precies uit te vinden hoe ik die verdomde s-met-cedille kon oproepen – vertraging alom – zou het bovendien overbodig blijken!
Yeşilgöz was nog luidkeels aanwezig in de politiek, maar haar naam met cedille vond geen doorgang. Het behoorde niet tot de correcte Nederlandse spelling. Althans niet tot de punctuatie zoals een bekende kranten- en tijdschriftenuitgever die propageert. Dit leerde ik van een oud-journalist van De Gelderlander, die voor die krant op een zeker moment ook een heus stijlboek heeft geschreven. Met andere woorden: als hij niet wist wat de juiste schrijfwijze was, wie dan wel?
Met enige tegenzin deed ik dus precies wat hij voorschreef. Ik veranderde alle s’en met cedilles in gewone s’en en maakte daar braaf (en bozig) melding van:
“Ik heb alle Yesilgözen met haakjes een schop onder hun kont gegeven. En dat terwijl het zoveel tijd heeft gekost om op te zoeken hoe je s-cedille typt. Probeer maar, dan krijg je weer respect voor me.”
Hij schreef: “De ș zit gewoon onder de s hoor; je hoeft alleen de s maar ingedrukt te houden en je kunt kiezen.”
Ik: “Op je mobieltje ja. Ik werk achter m’n toetsenbord. Ik kan geen blogberichten op een mobieltje fabriceren.”
Hij: “Op een MacBook werkt het net zo.”
Stilte.
Ik: “Oh ja?” Stilte. “Tja, dat zou kunnen. Ik heb me als proletariër nooit met Macs ingelaten.”
Hij: “Voor proletariërs is het inderdaad behelpen.”
Ik: “Dus op een Mac-toetsenbord van een MacBook kun je gewoon die toetsen ingedrukt houden zoals op een mobieltje?”
Daar stokte het gesprek. En ik voelde een opborrelend vermoeden: had hij eigenlijk wel gelijk? De vraag bleef me achtervolgen als de appendix die ik mijn schaduw noem. En dus begon ik – koppig als ik misschien ben – aanvullend onderzoek te doen. Niet uit noodzaak, maar uit pure behoefte aan gerechtigheid (het wijsneuzerige equivalent van een middelvingertje in de lucht).
Wat blijkt: Ja, op macOS kun je speciale letters oproepen door een toets ingedrukt te houden; maar alleen als het systeem daarvoor is ingesteld. De standaard toetsenbordindeling van een Mac laat die ş namelijk helemaal niet zien. Daar kom je pas achter als je diep genoeg graaft, en ik groef natuurlijk diep (op zoek als ik was naar mijn gelijk). Ik las: ‘de pop-up met diakritische varianten verschijnt alleen als je de juiste input source hebt geactiveerd, zoals de Turkse layout of ABC-Extended.’
En hoogstwaarschijnlijk – ik durf zelfs te zeggen: met een mate van wetenschappelijke zekerheid – had mijn vriend die instelling niet. Met andere woorden: zijn zelfverzekerde ‘De şzit gewoon onder de s hoor’, GETYPT OP ZIJN MOBIELTJE, maakte een bestudeerde indruk, maar zonder aangepaste Mac-instellingen is dat even waar als zeggen dat je “gewoon” Turks kunt praten als je maar hard genoeg probeert.
Pas toen overviel mij een gevoel van berusting. Misschien zelfs iets van superioriteit, al wil ik dat niet hardop toegeven. Onze vriendschap was niet gebroken; alleen licht beschadigd door een haakje onder een s waarover wij beiden struikelden, ieder op z’n eigen, irritant eigenzinnige, manier.
Uiteindelijk bleek die cedille slechts een detail. De ego’s erachter bezaten aanzienlijk meer overbodige aanhangsels.
Postscriptum:
Ik schreef dit stukje met een milde glimlach en met de warmte in mijn hart die ik koester voor Hans Gülpen: een Limburgse jongen met vier doopnamen en een achternaam die officieel twee bescheiden puntjes draagt. Dat trema heeft hij in de ruim dertig jaar dat hij redacteur was voor De Gelderlander echter nooit gebruikt. Toen zelfs de cedille in Yeşilgöz bij hem geen genade vond, begreep ik: voor Hans is overbodigheid geen detail, maar een ergernis van de hoogste orde. Des te wonderlijker vind ik het dat hij onvermoeibaar mijn pathetische epististels, met altijd wat slordigheden in de interpunctie, blijft lezen. Met dat in gedachten draag ik dit blogbericht met plezier (en een vleugje sardonisch genoegen) aan hem op.
De enig denkbare, nieuwe naam voor GroenLinks/PvdA.
Taalbureau Taaljongen.nl stond voor een klassiek keuzeprobleem: hoe noem je iets dat zichzelf nog niet kent? De fusie van GroenLinks en PvdA vroeg om een naam die zowel historisch als toekomstbestendig was, zonder dat hij zich vastbeet in ideologische grond. Een naam die niet rood, groen of progressief hoefde te heten, maar wél klonk als iets waar iedereen – zelfs de twijfelaar – zich kortstondig in kon herkennen. Taaljongen.nl besloot het simpel te houden. Zo simpel, dat het bijna brutaal werd: FUSIE. Geen slagzin, geen symbool, geen kleur. Alleen het feit zelf.
Er is die mysterieuze ruimte tussen wat gezegd wordt en wat bedoeld is. FUSIE belichaamt die ruimte: een naam die ademt, zweeft, zich vormt en weer oplost. Omdat woorden niet alleen iets betekenen, maar vaak ook iets verbergen. FUSIE is een naam die zichzelf ontkent en daardoor overeind blijft; die niets verklaart, maar alles suggereert. Een politieke wolk die uiteenvalt in letters, om zich daarna weer moeiteloos te herschikken tot iets nieuws.
Dat lijkt banaal, maar is het niet. In een tijd waarin politieke partijen zich verdringen om het meest moreel klinkende label, koos Taaljongen.nl juist voor de lege doos en maakte die leegte tot kracht. FUSIE zegt niets over waar men voor staat, maar alles over waar men vandaan komt: een samenvoeging van twee entiteiten die ooit dachten dat hun verschillen belangrijk waren.
Het bureau weigerde bewust woorden als links, sociaal, progressief, groen of solidair. Zulke termen, zegt Taaljongen.nl, ‘functioneren als seizoensgebonden parfums; aangenaam bij lancering, bedenkelijk bij hergebruik.’ Een naam, daarentegen, moet kunnen overleven wanneer idealen weer verschuiven, standpunten afbrokkelen en partijprogramma’s herschreven worden.
En dat is precies wat FUSIE doet. Of de partij over vijf jaar samengaat met Volt, met D66, of met een paar overgelopen liberalen, het maakt niet uit. De naam blijft actueel. FUSIE is toekomstbestendig, want ze beschrijft geen toestand, maar een beweging. Taaljongen.nl noemt het ‘de enige naam die zichzelf in stand houdt door voortdurend van samenstelling te veranderen.’ Een politieke paradox, verpakt als merkstrategie.
Taaljongen.nl onderzoekt de grillen en de gratie van taal: hoe woorden zowel onthullen als verhullen. FUSIE is daarvan het schoolvoorbeeld; een naam die weigert partij te kiezen, en juist daardoor de essentie raakt. Ze zegt niets, maar roept alles op: beweging, vermenging, compromis. Een woord dat niet vastlegt, maar loslaat. Taaljongen.nl weet dat woorden soms meer macht hebben als ze níet te veel willen zeggen. FUSIE is een naam die elke inhoud overleeft.
Ik viel voor het cliché, zei iemand met een ontwikkelde kunstsmaak.
Van de ene dans kwam de andere. En toen bleef ik dus dansen. Althans: ernaar kijken. Ik kwam geen moment uit mijn stoel. Mijn rug deed nog zeer van het sjouwen met boeken. Ernstige titels, zware onderwerpen; dat is een ander verhaal. Het werd tijd voor luchtigheid. En ook, vermoed ik, voor een ander soort van schoonheid. Toen zat ik plotseling naar filmpjes te kijken van zwierige twintigers. Ze trotseerden een draaischijf. Ik zag afgetrainde lijven, tastend, maar evenwichtig. De symboliek droop er van af, voor mij althans, op een manier die me zeldzaam leek.
Celui qui tombe uit 2014 van Yoann Bourgeois – een choreograaf die zichzelf ‘jongleur van het ongrijpbare’ noemt – maakt van dans een spel met de zwaartekracht. Bourgeois gebruikt fysieke instabiliteit als metafoor voor de menselijke conditie: we proberen allemaal in balans te blijven in een wereld die voortdurend beweegt of onder ons wegzakt. De voorstelling toont zes performers op een groot, ronddraaiend, kantelend houten platform. Dat platform is als een levend organisme: het beweegt, schudt, draait, en daagt de dansers uit om hun evenwicht te bewaren. Het is tegelijk acrobaties, dans en existentiële allegorie: het lichaam dat voortdurend probeert niet te vallen, als beeld van het menselijk streven, de strijd tegen chaos en de zoektocht naar harmonie.
Ik weet inmiddels dat een recensente met veel danservaring – nou ja, ook zij is tot kijken bedaard – dit optreden met eerdere, originelere, dansvoorstellingen heeft vergeleken. Ze sprak van een metafoor die de bocht uit dreigde te vliegen (of woorden van die strekking). Het zat hem ook in de muziekkeuze, gaf ze toe. Ik dacht: het bezit van kennis is belangrijk. Het biedt een afgewogen oordeel. Vergelijkingsmateriaal. Maar kan deskundigheid niet ook een belasting vormen?
Ik had een culturele achterstand wat betreft deze kunstvorm. (Lees: ik koesterde nog geen achterdocht.) Dat gaf me, naar mijn gevoel, het voordeel van onervarenheid. Ik bleek plotseling van deze bewegingen te kunnen houden. Het is te zeggen, ik zou nog steeds niet zo snel naar een zaalvoorstelling gaan, maar je weet hoe dat gaat: YouTube doet suggesties in de trant van je eerdere zoekopdracht. Voor je het weet ‘draai’ je het ene na het andere filmpje. En dan gebeurt het: je raakt ‘verslingerd’ aan iets dat voorheen je aandacht ‘niet kon vasthouden’ (pun intended).
Wat mij ‘aantrekt’ in deze dansuitvoering is het spel met de middelpuntvliedende kracht, dat ik een interessant natuurkundig fenomeen vind. Misschien spreekt het, sinds Einstein, iets minder tot de verbeelding dan zwaartekracht, maar laten we de centrifugale kracht in ere houden. Ik maal gemakkelijk door over beide fenomenen. Het zijn verschijnselen waar ik inmiddels wel goed mee uit de voeten kan.
Eerst gravitatie. Einstein heeft aangetoond dat zwaartekracht ‘slechts’ een vervorming is van het ruimte-tijd-continuüm; het weefsel van de lege ruimte, veroorzaakt door de aanwezigheid van een massa. We zijn met en op onze aarde gewoon constant aan het vallen, om de zon heen, en volgen de vervorming die de massa daarvan in het omringende ruimte-tijdweefsel maakt. We gaan dus langs het pad dat in die ruimte-tijd het kortst is.
Daarnaast zorgt rotatie van de aarde om haar as ervoor dat op voorwerpen op aarde, behalve de zwaartekracht, ook een middelpuntvliedende kracht werkt, min of meer tegen de richting van de zwaartekracht in. Hoe verder van de aardas af, hoe groter deze middelpuntvliedende kracht. Op de evenaar is deze werking het grootst, aan de polen is ze nul. De niet-gecorrigeerde, gemeten zwaartekracht is daarom op hogere breedtegraden groter dan op lagere.
De middelpuntvliedende kracht is een niet-bestaande of schijnkracht volgens de zuiver natuurkundige omschrijving. Met ‘schijn’ wordt dan bedoeld dat deze kracht alleen maar bestaat ten opzichte van het voorwerp dat meedraait. Neem een auto die een bocht neemt. Ten opzichte van de vaste grond waarop deze auto zijn draai maakt is er geen sprake van middelpuntvliedende kracht. Dit is slechts fysische preciesheid, maar zowel zwaartekracht als centrifugale kracht hebben de overeenkomst dat ze in nauwe relatie staan tot de omgeving.
De middelpuntvliedende kracht (centrifugale kracht) is dus eigenlijk geen echte kracht, maar een schijnkracht die we ervaren vanuit het standpunt van de draaiende danser zelf. In dat ‘niet-inertiële referentiestelsel’ lijkt het alsof iets hem naar buiten duwt. In werkelijkheid wil zijn lichaam gewoon rechtdoor (traagheid), terwijl het platform hem in een cirkel dwingt.
De echte kracht die op de dansers werkt vanuit het standpunt van de natuurkunde, is de middelpuntzoekende kracht (centripetale kracht). Ze trekt hen naar het midden van de draaiing. Zonder die kracht zouden de dansers door hun traagheid (inertie) rechtdoor willen gaan en dus van het platform vliegen. Deze kracht wordt geleverd door de wrijving tussen hun voeten en het draaiende platform, of door hun spieren als ze zich vasthouden. Wanneer het platform draait, moet er voortdurend een kracht naar binnen werken (richting het middelpunt) om hen in cirkelbeweging te houden. Dat is de centripetale kracht.
Ik keer terug naar het zuivere dansoptreden. Je zou je, heel flauw, van deze uitvoering kunnen afvragen: waarom moeilijk doen als het ook makkelijk kan? Een dergelijke gedachte had ik vroeger regelmatig. Dan waren ze mij alweer kwijt, die pathetische springers. Dat is absoluut niet de kritiek die ervaren kijkers op dans hebben. Voor de recensente met haar ontwikkelde smaak kan het juist niet ontoegankelijk en extreem genoeg zijn. Originaliteit is een hoog goed bij kunstminnaars. Juist als er platitudes op de planken prijken, gaan er haren overeind staan.
Ik zei:“Ik zag dit nog nergens. Voor mij is dit heel origineel.”
Zij zei:“Dat begrijp ik, maar ik moest het indertijd beoordelen. Dat was in 2014. Zelfs toen had ik al heel wat draaiplateaus voorbij zien komen.”
Ik bracht mijn liefde voor natuurkunde in. Ik opperde:“Wist je dat er bij middelpuntvliedende krachten ook middelpuntzoekende krachten horen?”
“En?” reageerde zij.
Welk punt was ik van plan te maken?
Met de geïrriteerdheid van iemand wiens pas gecreëerde passie iets te snel wordt gedoofd, vervolgde ik: “Gewoon eens lekker genieten van het overbekende, dat moet toch kunnen? En voor mij was het dat dus NIET, een gemeenplaats bedoel ik. Ik vond dit speciaal en vreemd en wonderbaarlijk. Zoals gezegd, ik was erg onder de indruk. En dan kom jij langs. Jij met je beredeneerde smaak. Jij met je alles overstijgende beschouwing. Die vindt dat kunst moet provoceren, of wakker schudden, of aanzetten tot nieuwe gedachten maar vooral geen herhaling van zetten mag zijn.”
Ze keek me ongenaakbaar en geamuseerd aan.
“Nou, nou, dat moest er even uit, is het niet? Ik heb je vroegtijdig beroofd van je enthousiasme. Tjonge, jonge. Ik heb je wakker geschud en nu moet je weer op zoek naar iets anders moois. Alsof we dat niet allemaal doen. Omdat we geen cultuurbarbaren willen zijn. Omdat we door moeten. Danskunst is geen plaatje dat je grijs kunt draaien. Zal ik je eens wat vertellen, die titel van deze voorstelling, die slaat op jou. ‘Celui qui tombe’, dat ben jij, ten voeten uit. Maar nu moet je opstaan en weer doorgaan. De betovering van deze draaischijf is voorbij.”
Een recensent vergeleek de voorstelling met een vlot. Hij schreef:
‘There’s a point in most French performance pieces when you suspect that Géricault’s famous 19th-century painting The Raft of the Medusa is being referenced, and He Who Falls is no exception. In addition to spinning like a disc on a turntable, the platform acquires a vertiginous tilt. Soon it’s lurching like a ship, or indeed a raft in a storm, and human balances and counterbalances become critical. The individual survives only if the group survives. Bourgeois’s six dancers are, he says, “a mankind in miniature”. These philosophical underpinnings, if weightless, are deftly conveyed. But the performers rarely display anything approaching three-dimensional character; they’re at once hyper-skilled and remote – in this sense more like acrobats than dancers – and in consequence we don’t really engage with them.’
De recensente had deze kritiek misschien gelezen. Zij plakte er in haar stuk nog een andere vergelijking aan vast. Het tableaux vivant van The Raft of the Medusa door Adad Hannah, dat Yoann Bourgeois misschien ook wel kende. En zo associëren we er lekker op los met al onze kennis van zaken.
De zogenaamde vertegenwoordigers van de hogere cultuur, zoeken altijd naar ‘de allerindividueelste expressie van de allerindividueelste emotie’. Ze verlangen steeds weer nieuwe exceptionele ervaringen; een unieke plek in het centrum van de draaischijf, zeg maar. Natuurkrachten volgen hun eeuwenoude wetten maar mensen, met gevoel voor esthetiek, willen op alle mogelijke manieren afwijken van gebaande paden. Dat is een soort van cultuurkracht waarvoor ik doorgaans waardering heb, maar die ik opeens zo vermoeiend vind.
Zelfs de onverkwikkelijke veranderingsdrang van projectonwikkelaars werd mij hier een zorg.
Ik ben hier onlangs neergestreken en meet mijn omgeving in vierkante meters. Daarnaast zoek ik ‘dingetjes’ uit over mijn nieuwe habitat. Zo ontdekte ik (zie eerder) dat er op wikipedia over Angerenstein als wijk met geen woord wordt gerept en dat het gemeentebestuur voor mijn woongebied de benaming buurt hanteert. Mocht het ze al interesseren, dan houden buurtbewoners het woordje wijk in ere. Niet verwonderlijk, zo concludeerde ik, want mythe en verbeeldingskracht, fantasie en legende, vormen de basis waarop localisme is gestoeld. Net als bij nationalisme en populisme zijn feiten immers ook maar meningen.
Tussen sloop en nieuwbouw kon de oude Libanonceder even op adem komen. Dat wil zeggen: als hij toen al niet was murw geslagen.
Het ons kent ons gevoel lijkt hier zo groot dat je heel goed met alleen maar de suggestie van iets waarachtigs kunt leven. Ter bevestiging van het feit dat we het over meer dan alleen maar een buurtpark hebben met wat straatjes eromheen, is er bovendien de Stichting WIJKbelangen Angerenstein, die in haar WIJKkrant met tribaal bevestigende artikelen, het ‘gesundenes Volksempfinden’ levend houdt. Lees dat orgaan en je weet wat men wil dat je waarneemt, en wat er ogenschijnlijk speelt in dit buurtje.
Bij één van die – de sociale cohesie aanwakkerende – artikelen wil ik hier even stilstaan, omdat ik vreesde dat men bij de beschrijving van zo’n verbindend wijkinitiatief het zicht op de werkelijkheid wel erg uit het oog was verloren. Er wordt over dit zogenaamde SOSA-project gerept alsof het een architectonische meesteroplossing is, maar je ziet meteen dat men ten koste van oude esthetiek, elf huiseigenaren heeft bevoordeeld die toch al de middelen hadden om waar dan ook iets exclusiefs te vinden; met de nadruk op exclusie.
Aangespoord door het lovende stukje, liep ik er hoopvol heen, om tot mijn spijt te ontdekken dat de toegankelijkheid tot de omliggende natuur, die een schooltje, een plein, een vijver en een ceder ooit boden, volledig om zeep is geholpen. We hebben nu meer te maken met een ‘gated community’. Ik ken dat van mijn wandelingen door Thailand. Je hoefde maar met een teen in de richting van de toegangspoort te wijzen of een omhooggevallen privébewaker begon z’n machtswellust op jou, armetierig rugzaktouristje, bot te vieren.
Terug naar dat artikel. Men had veel moeite gedaan, zo las ik, om de monumentale ceder te behouden. Helaas: door het hek en zijn achtergrond lijkt de boom een gearresteerde die zijn vonnis met een enkelband in de eigen omgeving mag afwachten. De vijver is wel mooi maar ook hier roept de omheining uitsluiting en straf op. Als je er een blik in werpt voelt het alsof je in iemands privépoel staat te vissen. Wijkbelangen hebben hier duidelijk plaatsgemaakt voor woonbelangen van huizenbezitters met clanachtige privileges en sentimenten.
Ze ondervinden ongetwijfeld veel plezier bij hun jaarlijkse barbecue, maar een vorkje meeprikken is er voor vreemdelingen niet bij. Deze manier van bouwen drukt pottenkijkers weg en ik kan mij als wandelliefhebber en bouwstijlbewonderaar alleen maar verbazen. Je voelt je op deze plek een misleide, een verdwaalde of een opdringerige. Natuurlijk verstomt de kritiek na verloop van tijd. Dat is de tendens bij alle gemutuleerde missers in de woningbouw. Er is heel wat soesa geweest over dit project, naar ik heb begrepen, dus ik loop als nakomertje duidelijk achter de feiten aan.
Je zou ook kunnen zeggen dat ik met een onbedorven, want verse blik naar een oude kwestie kijk. En toch bleek mijn gebrom voorbarig. Bij dat verse observeren van mij had ik één ding nagelaten. Ik was er nog niet aan toegekomen om te kijken hoe het er hier vroeger uitzag. Tja, wat zal ik daarvan zeggen? Ik vrees dat ik mijn eerdere kritiek moet herformuleren. Het wijkblad was niet zozeer het zicht op de werkelijkheid verloren, maar sloot gewoon niet aan bij mijn verwachtingen. Die leken gebaseerd op een prachtig gewaande omgeving die door de veranderingsdrang van vastgoedjongens en metselbazen onder de sloophamer was gekomen.
Dat blijkt niet het geval. Wat hier sinds 1976 stond was een oerlelijk schooltje waar men christelijke kleuterleidsters ‘kweekte’. De latere opleidingsinstituten die zich hier vestigden, alsook de kunstenaars, die er als laatsten gebruik van maakten, hebben de executie van deze onbeduidende doos alleen maar vertraagd. Ik moet eerlijk zijn: lelijkheid is gewoon door lelijkheid vervangen. Louter afgaand op architectonische waarden, hebben we het hier over een budgetneutrale operatie. Er lijkt op dat gebied niets gewonnen of verloren. Alleen is het grootste deel van het omringende groen nu in ‘bezit’ van de bewoners.
De libanonceder werd in 1875 geplant in het prachtige park van Huis Klarenbeek. Zoals dat bomen betaamd heeft hij de veranderzucht in zijn nabijheid lijdzaam moeten ondergaan. Hij werd zorgvuldig ingepast in latere nieuwbouwplannen. Iedere baksteen in de buurt van zijn stam was er één teveel, maar men begon zijn omgeving al vroeg te veranderen. Waar zou je je, na verloop van tijd, nog druk om maken? Ook hij zal zijn zinloze verzet zo langzaamaan wel zat zijn.
Over de bouwsels op de plaats van het voormalige Hof van Klarenbeek kunnen we sinds de tweede helft van de jaren 70 zeggen: het is niets maar het was ook niets. Deze foto van het oude S.O.S.A.-gebouw zegt wat dat betreft genoeg. De afbeelding staat op bladzijde 147 van het boek Angerenstein, van landgoed tot woonwijk uit 2008 van de Stichting Wijkbelangen Angerenstein. De foto is gemaakt door Kees van Koppenhagen.
Voor mij bestaat er niets aangenamers dan het maken van indelingen, lijstjes, schema’s, tabellen en, als het even kan, sub-tabellen met voetnoten. Mijn ex schreef dat toe aan haar overtuiging dat ik een ambulant praktijkvoorbeeld was van iemand met een gedragsstructuur in het autistische spectrum. Ikzelf ben van mening dat we mijn behoefte aan overzicht niet hoeven te medicaliseren. Het feit dat ik ooit een Excel-bestand heb gemaakt voor de optimale indeling van de keukenkastjes, vloeit, naar mijn smaak, gewoon voort uit efficiëntie.
Als we het toch over illustratieve gevalletjes moeten hebben, lijkt het kwalificeren of diagnostiseren van ex-geliefden als zijnde autistisch en/of narcistisch mij een veelvoorkomende ‘after-partnerschap-hobby’. Je zou het subtiel ‘het zoeken naar closure’ kunnen noemen, maar eigenlijk is het gewoon de psychologische variant van de vuilnis buiten zetten: je schuift alles wat niet meer bevalt in een categorie waar je zelf geen invloed op hebt en waar je radicaal afstand van wilt doen zonder je verantwoordelijk te hoeven voelen.
Ik denk dat dit voornamelijk te maken heeft met het verwerken van een teleurstelling over het verlies van: 1. een gedeelde toekomst. 2. nabijheid. 3. een illusie die je zelf zorgvuldig had opgebouwd. 4. de ander als handig projectiescherm. 5. je favoriete sparringpartner in schuldtoewijzing. 6. de Netflix-inlogcode. 7. een toegewijde plantenwatergever als je zelf (te lang) op reis ging. 8. de illusie dat samen afwassen ooit gezellig zou worden.
Maar het kan natuurlijk ook een vorm van revanchistische ondersteuning zijn (“Hier moet ik mijn handen wel van aftrekken!”). Een andere psychologische verklaring zou kunnen zijn dat men stiekem hoopt dat de ex later in een gesticht opduikt en dat men dan kan zeggen: “Zie je wel, ik had het altijd al gedacht.” Enfin, genoeg amateurdiagnostiek. Laten we nu doorgaan naar mijn eerste te publiceren indeling, en wel die van de klassieke muziek.
Muziek is zo veelomvattend, en er zijn zoveel verschillende stijlen en stromingen, dat je een heel leven kunt wijden aan het maken van een goed ingedeeld totaaloverzicht. En dat is dan nog vóór je überhaupt een noot hebt beluisterd. Eigenlijk luister ik niet graag naar muziek die ik nog niet heb gecategoriseerd. Ik voelde altijd dat er een grote taak voor mij was weggelegd.
Iemand moest orde scheppen, de chaos indelen, de muzikale jungle temmen. Als ik het niet deed, dan kreeg je zo’n slordige lijst waar Bach naast Bocelli stond en Mozart per ongeluk onder ‘easy listening’ was komen te vallen. Ik heb daar voorbeelden van gezien en moest toen inderdaad onmiddellijk de woorden Risperidon en Haldol googelen (zonder overigens een spoedbestelling te plaatsen). Sta mij dus toe dat ik de klankkast der beschaving voor eens en altijd alfabetiseer. Hier volgt een lijst van alleen nog maar de indeling der stijlen.
(Hier volgt een voorbeeld van de verdere uitsplitsing van Religieus gezang waarbij ik componisten nog maar heel zijdelings noem. Dat wordt later specifieker.)
Religieus gezang in de klassieke muziek omvat een brede verzameling muziekstijlen en genres die worden uitgevoerd in een religieuze of spirituele context. Het omvat onder meer sacrale muziek, liturgische muziek, kerkmuziek, en geestelijke muziek. Hieronder een overzicht van wat elk van deze termen inhoudt en wat eronder valt:
1. Sacrale muziek
Dit verwijst naar muziek die gecomponeerd is voor religieuze doeleinden, ongeacht de specifieke liturgische functie. Het kan zowel binnen als buiten formele erediensten worden uitgevoerd. Voorbeelden:
Mis (Missa) – Een van de meest voorkomende vormen van sacrale muziek, geschreven voor de katholieke eredienst, bestaande uit vaste onderdelen zoals het Kyrie, Gloria, Credo, Sanctus en Agnus Dei. Componisten zoals Johann Sebastian Bach (Mis in b-klein), Mozart (Krönungsmesse), en Beethoven (Missa Solemnis) schreven beroemde missen.
Requiem – Een dodenmis, vaak met plechtige en intense muziek, zoals die van Mozart, Verdi, en Fauré.
Cantates – Composities met zang, vaak geschreven voor de liturgie, zoals Bach’s kerkcantates.
Oratoria – Grootschalige werken voor solisten, koor en orkest, met een religieus thema maar zonder scenische opvoering. Voorbeelden zijn Handel’s Messiah en Haydn’s Die Schöpfung.
2. Liturgische muziek
Dit is muziek die specifiek geschreven is voor gebruik tijdens de eredienst en volgt strikt de structuur van een religieuze viering. Het omvat gezangen en werken die deel uitmaken van de liturgische handelingen.
Gregorisch gezang – Eenstemmige, Latijnse gezangen die tijdens de middeleeuwse katholieke mis werden uitgevoerd. Bekend om hun vloeiende en meditatieve karakter.
Anglicaanse koorwerken – Polyfone werken zoals die door Thomas Tallis en William Byrd zijn gecomponeerd voor de Anglicaanse kerk.
Lutherse koraal – Religieuze liederen in de lutherse traditie, vaak gebruikt in de werken van J.S. Bach, zoals zijn koraalcantates.
3. Kerkmuziek
Kerkmuziek verwijst naar muziek die bedoeld is voor uitvoering in een kerk of een andere religieuze instelling. Deze categorie is breed en omvat zowel formele liturgische werken als meer algemene religieuze composities.
Koraalmuziek – Muziek voor koren, vaak voor gemeenschappelijk gezang in de eredienst. Dit kan variëren van eenvoudige hymnens tot complexe motetten zoals die van Palestrina en Byrd.
Motetten – Polyfone koorwerken zonder instrumentale begeleiding, met een religieuze tekst. Bekende motetcomponisten zijn Josquin des Prez, Bach, en Palestrina.
Passies – Muziek die het lijdensverhaal van Christus vertelt, zoals Bach’s Matthäus-Passion.
4. Geestelijke muziek
Dit is bredere muziek met een spirituele of religieuze lading, maar niet noodzakelijk gebonden aan een specifieke religieuze viering. Het kan ook persoonlijke religieuze reflecties of universele spirituele thema’s bevatten.
Spirituele liederen – Bijvoorbeeld de liederen van John Dowland, die vaak spirituele en existentiële thema’s behandelen zonder strikt liturgisch te zijn.
Psalmen – Muzikale bewerkingen van de bijbelse psalmen, zoals de Psalmen van David door Heinrich Schütz.
Lofzangen – Vaak gericht op het prijzen van God, zoals het Magnificat of het Te Deum.
Er bestaan overeenkomsten tussen mijn zus en mij, maar de verschillen overheersen. Zo is zij een fervente reiziger en ben ik een minstens even enthousiaste thuisblijver. We delen genen maar geen gewoonten. Ja, erfelijk gezien zijn we ‘uitlopers’ aan dezelfde boom, maar wat onze economische omstandigheden betreft, vormt zij de bloeiende loot die exotische vruchten draagt, en werd ik, zo wilde mijn lot, een tamelijk onzichtbare tak in deze dendrologische metafoor. Je zou mij ook – om een bruggetje te slaan naar haar vakantie in Italië, waarvoor zij en haar man hun BMW i7 M70 van stal haalden – de wandelende tak van de familie kunnen noemen.
Mijn zus en ik vertegenwoordigen verschillende vervoersmiddelen: ik ben van de voetverplaatsingen (nooit verder dan de grens), zij bemant het vierwiel- en vliegsegment; veelal voor verre reizen. Zij voert die voornamelijk uit met haar man, havenbaron van een overzees bevrachtings- en expeditiebedrijf aan het Hollandschdiep in Moerdijk.
Hoewel mijn zus en ik op het gebied van levensstijl duidelijk elkaars tegenpolen zijn — zij de jetsetter, ik de huisfilosoof — is er geen spoor van kinnesinne tussen ons te bekennen. We vormen een harmonisch broeder-zusterpaar, al kruisen onze fysieke paden elkaar zelden. Misschien is het juist die geografische afstand die ons in staat stelt de band zo vlot en conflictvrij te houden. Zaten we vaker met elkaar aan tafel, dan zouden er mogelijk scheurtjes ontstaan in het gladgestreken familiecanvas; vooral wanneer het gesprek afglijdt naar politiek. Maar dankzij ons onderlinge instinct — of onze diplomatieke elegantie — slagen we erin zulke struikelblokken moeiteloos te vermijden. Dat doen we deels bewust, deels op de autopiloot, door keurig uit elkaars buurt te blijven.
Toch tonen we ons betrokken. Vlak voor haar vertrek vroeg mijn zus me bijvoorbeeld of ik het leuk zou vinden haar te volgen op Polarsteps.com, een digitaal reisdagboek waarin reizigers hun avonturen delen met foto’s, kaartjes en verslagen. Een soort Instagram, maar dan zonder selfies in de sportschool en mét kaartcoördinaten. Ze vertrekken voor een drieweekse wijnreis door Italië; een zorgvuldig uitgestippelde tocht langs wijngaarden, truffelmarkten en Michelinverleidingen. Zij en haar echtgenoot tuffen in hun glanzende bolide door het Italiaanse heuvelland, terwijl ik me in mijn monikkenmodus nestel achter m’n eeuwige beeldscherm en zo met hen meereis, waarbij ik af en toe een glas supermarktwijn voor mezelf inschenk en proost op hun belevenissen.
Ik heb me voorgenomen een geschikte, meelevende en bij vlagen zelfs geestige broer te zijn in mijn reacties op haar reisverslag. En eerlijk is eerlijk: tot nu toe stel ik mezelf — en, naar ik vermoed, ook de meelezende kring van medevolgers — niet teleur. Al moet ik oppassen dat ik niet te enthousiast raak. De verleiding is groot om haar wijnreis rijkelijk te voorzien van voetnoten, thematische zijsporen en semigeestige terzijdes.
Laten we wel wezen: het is natuurlijk háár voorstelling. Ik ben slechts toeschouwer, geen kleinkunstenaar. Ik houd het dus keurig binnen de perken: ik like, ik bewonder, ik informeer op vriendelijke toon naar Umbrische aangelegenheden en doe mijn bescheiden plasje over het in-vino-veritasfestijn. Geloof me, ik weet: het geheim van een goede familierelatie schuilt vaak in precies dát: interesse tonen, zijdelings contact houden, royaal zijn met ruimte, een licht ironische toon aanslaan. Hieronder kan de lezer oordelen of ik daarin ben geslaagd. Ik kies steeds maar één of een kleine selectie van de vele foto’s die per locatie door mijn zus worden ge-upload, en blur – uit discretie – de gezichten van haar en mijn zwager.
Zus: Dordrecht. En route!! Onze hond gaat altijd mee. Bijgeloof. Hij is al in veel landen geweest. We rijden naar Zwitserland. Hotelletje aan Vierwaldstättersee. Rit van ong 9 uur. Vanmorgen stond ik nog in de etensbak van onze kat Ralph te peuren om zijn schildklierpillen te verstoppen want hij at ze niet zoals gewoonlijk met een worstje. Pffffff LOSLATEN; even geen katten, geen kattenharen, geen allergiepillen (ach, ik hou van die beestjes). Broer: Geniet van de reis, het uitzicht én het haarloze hondengezelschap. Hij kijkt nu nog wat droevig, maar ik ken dat gladde, onbehaarde type: zijn innerlijke berggeit zal bij Basel ontwaken.
Zus: Luzern. Voor ons niet direct een bestemming die je uitkiest om een paar dagen te verblijven. Laat het nou een super leuke en mooie stad zijn. Wij bezochten de Altstadt en gingen kaasfonduen (want ineens heel veel zin in zo’n lekkere vette borrelende gruyerepan). We rijden met volle buikjes terug naar ons hotel en gaan liggen. Morgen naar Italië.
Broer: Wat een gezelligheid, ook voor mij als digitale meekijker. Dit is, voor een verstokte thuisblijver als ik, de meest sfeervolle en effectieve manier van reizen: mijn knip blijft gesloten maar mijn mond valt open.
Zus: Onderweg. Zwitserland. We nemen de route over de Gotthardpas in plaats van de tunnel en dan krijg je dit moois. Het is hier boven de 7.5Cº. We vervolgen zo onze weg via Como naar Faenza. Broer: Jullie initialen, vereeuwigd in een gletscherwand. Op de foto wel te verstaan. Helaas niet in de gletscher, want die trekt zich tegenwoordig terug met de snelheid van een smeltende ijsklont in een glas Franciacorta. Ik weet niets van wijn, dus dat van die Italiaanse bubbeltjes heb ik opgezocht. Bij nader inzien twijfel ik er aan of we hier naar een gletcher kijken. Boven de Gotthardpas? Correctie: het zal wel een aan de kant geveegde hoop sneeuw zijn. Maar goed, toch indrukwekkend. En ik leef mee.
Zus: Faenza. Casa Spadoni. We zijn er, na een best wel vermoeiende reis met veel verkeer, is het aankomen in een oase van rust en schoonheid. Deze oude zijdefabriek is omgetoverd tot een betoverend paradijsje. We worden omvergeblazen door al het fraais om ons heen. Deze agriturismo staat bekend om haar restaurant en boerderij, ergens verderop, waar de Mora Romagnola varkens genieten van hun leven in de vrije natuur. Het zijn bijna zwarte varkentjes met lange slagtanden en kleine oogjes. De hammen en worsten die van ze gemaakt worden schijnen heel bijzonder te zijn. We gaan ze vanavond proeven. Onze vakantie is nu echt begonnen. Dit prachtige, eerste onderkomen is heerlijk van temperatuur (26Cº).
Broer: Van bijna file naar fijne varkens, wat een reis! En dan landen in een voormalige zijdefabriek, dus dan weet je wel hoe zacht je vanavond slaapt. Het is voor mij als meeliftpassagier ook een hele leerzame reis. Die Mora Romagnola’s klinken als een motorclub maar blijken gewoon smakelijke zwijntjes met karakter. Ik kijk reikhalzend uit naar jullie culinaire verslag, want ze moeten wel een keer in de pan natuurlijk, die verwende haute-couture hamleveranciers met hun bio-bubbelleventje, hun jaloersmakende bergzichtbestaan en ondierlijke vrije-uitloopfilosofie. Eet smakelijk en truste voor straks.
Zus: Nou, daar lig ik dan, aan ‘t zwembad, om kwart voor 8. Dacht even wat baantjes te gaan trekken, maar IK BEN TE VROEG😂. Ze zijn het nog aan ‘t reinigen. Dan maar even zonnen, het is al warm. Jur ligt nog trouwens; onder de draperieën. We gaan na het ontbijt naar Ravenna, daar schijnt een prachtige Basiliek te zijn met de mooiste mozaïeken.
Broer: Met het zwijnenvlees nog heerlijk verterend in de maagjes, op weg naar mozaïek in de basiliek, zeg ik: let vooral op de steunberen! Die werden ruim duizend jaar later toegevoegd (bron: wikipedia). In het gewelf houden engelen het Lam Gods omhoog (bron: wikipedia). Neem vooral de gladde hond mee: dieren lijken toegestaan. Veel plezier vandaag.
Zus: Wij werden er stil van, ZO MOOI, die piepkleine mozaïektegeltjes, wat een werk. Van een afstand lijkt het geschilderd. Dit is de stad ook waar Dante heeft geleefd en is gestorven. We hebben alles gelopen en een ticket gekocht voor de hele reutemeteut. Je bent zoet voor een uurtje of drie. Goed te doen. Heerlijk geluncht.
Broer: Wauw, je zou er gelovig van worden. Of licht in het hoofd (wat, zoals wij weten, hetzelfde is).
Zus: Onderweg naar ons volgende adres, wijken we even van de route om Gubbio te bezichtigen, een vd mooiste dorpjes in Italie; middeleeuws, en ja, dat is bij meer mensen bekend. Hoe druk zal dat zijn in het hoogseizoen. We doen ‘t op z’n Japans: erin en eruit. Is echt mooi en ik stel me er allerlei middeleeuwse taferelen bij voor. Er loopt een riviertje door het dorp. Stel je voor, vroeger, alle viezigheid uit die huisjes in die rivier. We lunchen ergens in the middle of nowhere, tussen de locals. De eerste truffelgerechten zijn binnen. Wat eten die Italianen VEEL: primi, secondi. Wij hebben de helft van onze primi laten staan. Was lekker en helemaal niet duur, dat is ook wel eens leuk. Nu op weg naar La Ghirlanda. High expectations.
Broer: Goed bezig, jullie! Ik heb ooit een Italiaan gekend die zijn gangen achterstevoren at: quartari, tertiari, secondi, primi… lift-off! Daarna ging hij als een raket.
Zus: Ooit las ik een blog van een fotograaf. Ik had namelijk een camera gekregen van Jur. Ik ging dus beetje googelen naar fotografeertips. Op die blog plaatste hij een foto van een prachtige mansion in Italie. Ik werd er meteen verliefd op, MAAR waar bevond het zich en heette het? Dat moest ik dan maar zien te raden; jammer joh. Maar je begrijpt het misschien al: ergens tijdens mijn favoriete bezigheid – het zoeken naar mooie plekjes op deze aardbol – vond ik het. Daar was ie dan: La Ghirlande. Nou, daar MOEST ik heen en zo geschiedde. Broer: Gevonden! Machtig mooi. Geweldig als je er wat geld tegenaan kunt kletteren. Dan zie je nog eens wat.
Zus: Gualdo Cattaneo. Vanochtend wandeling langs de wijnvelden en een prachtig wijnhuis bezocht, lunch in Montefalco, weer zo’n middeleeuws plaatsje met fresco’s in de kerk, moeder wat is ‘t verzengend heet. We gaan op de terugweg langs de super en slaan wat dingen in want vanavond eten we voor ons huisje overlooking de prachtige vallei. Het hotel is inmiddels fully booked want 2 juni is hier een feestdag dus lang weekend gasten. Naast ons, aan ons vast zit nog een kamer, niet wetende dat het verhuurd is hoorden we een zeer klagelijk gejank, als van een hond. Ik op zoek naar Claudia, een Spaans temperamentvol meisje die ons gisteren ontving en ook de enige die Engels spreekt. Claidia niet te vinden, dan maar de keuken in, met handen, voeten en geluiden mijn verhaal gedaan want wat nou als daar een dier opgesloten zit, misschien bij het schoonmaken naar binnen geglipt. Uiteindelijk duidelijk geworden dat het een hondje is van een jong stel wat aan ‘t zwembad ligt pffffff ook weer opgelost. Broer: Marjan (in steenkolen-Italiaans maar met Italiaans temperament): “Scusi! Cane! Dentro! Awoe awoe! Nessuno! Porta chiusa! Forse… pulizia? Aiuto!” Italiaanse Chef Jolly (allroundchef met noordelijke rust, in droog Brits accent): “Blimey, no need for a panic, love. It’s just the young couple’s mutt. Gets all dramatic the moment they’re out of sight. Little bugger thinks he’s been abandoned by the Queen herself.”
Zus: Spoleto, prachtig!! Je parkeert je auto, neemt 7 roltrappen en begint je wandeling op het hoogste punt, hier vandaan uitzicht op het aquaduct, dan wandel je naar beneden via prachtige oude pleinen en gebouwen, schattige straatjes, heel mooi allemaal. We lunchen buiten de stad want na zo’n stad willen wij groen om ons heen, stilte en local cuisine dus gegoogeld en gelukkig schot in de roos: heerlijke risotto met blauwe bessen en Italiaanse rookkaas, daarna een lekkere vette tiramisu met veel mascarpone. Jongens, WAT een heerlijk land. Broer: De geest van Paul Valéry leeft voort (“Il faut toujours redescendre.”). Eerst met zeven roltrappen naar boven, dan alleen maar dalen, en eindigen in een risottoverrukking. Pure decadentie, pure poëzie. Italië zoals het bedoeld is: zonder zweet, mét mascarpone. Voor wie vindt dat klimmen het uitzicht bederft, oftewel: voor de fijnproever die het hemelse zoekt met machinaal gemak, en het aardse viert met de beste wijnen. Wat een land inderdaad! Ik geloof trouwens dat wat Valéry zei, filosofisch bedoeld was; als metafoor voor het leven of het creatieve proces. Maar er is een fraaie karikatuur uit ontstaan van lieden die graag van de schoonheid van de bergen genieten, maar het fysieke afzien van de klim vermijden. Enfin, ik wijk alweer uit. Dit is natuurlijk jullie podium, niet het mijne. Vergeef me: ik ben slechts een losgeraakt brokstuk dat iets te luidruchtig de helling afrolt, op weg naar een dalbeekje. In de diepte van het ravijn, waar ik thuishoor, wacht voor mij pas verkoeling.
Zus: Gualdo Cattaneo. Vandaag, 2 juni, is een nationale feestdag in Italie, we gaan naar Assisi, tenminste dat was het plan maar beetje dom plan want EN nationale feestdag EN super aantrekkelijke plaats waar iedereen heen wil. Politie leidt je om naar parkeerplaats buitenaf waar bussen klaarstaan: dat doen we dus niet. Change of plans; het wordt Bevagna, ik heb hier iets over gelezen. Bevagna leuk en weer zeer oud, maakt eigenlijk niet uit waar je heen gaat hier in Umbrie, het is allemaal prachtig. Nog niet zo overloaded als Toscane. Wij hadden weer fantastische lunch boven op een berg. Nu terug in onze mansion want bloedheet, dus met boek bij het zwembad onder de olijfboom.
Broer: Dagboekaantekening, 2 juni: ‘We lieten de bewonderaars van Franciscus in de file staan en werden door de stilte van Bevagna bevangen. Soms leidt een omleiding tot een openbaring. We zochten het goddelijke in Assisi, maar vonden de genade in Bevagna, alwaar de eerder genoemde heilige F. van Assisi tegen vogels stond te prediken.’ Zus: Een mooiere beschrijving kan IK niet geven Ron; we boffen toch maar dat je ‘meereist’.
Zus: Even een moment van diep besef hoe heerlijk we het hebben; dat we samen heppiedepeppie zijn en dat we van dit wonderschone deel van Italie met haar fantastische cultuur en indrukwekkende geschiedenis mogen genieten. En dan ook nog op deze manier. Thuis zijn onze heerlijke kinderen met wie het zo lekker gaat. Dit allemaal bij elkaar; ik ben een gezegend mens.
Zus: Assisi is een bedevaartsoord en de geboorteplaats van Franciscus van Assisi. Wij waren zeer onder de indruk. Weet niet wat dit kan overtreffen. Heet wel: 30Cº. En je klimt je een ongeluk. We laten de komende dagen de oude stenen maar even voor wat ze zijn. ‘For now’ ietwat verzadigd op dit gebied. Het wordt tijd voor wat wijnproeverijen 🍷. Back to the homebase; we trekken ons weer terug aan het zwembad waar niemand is (en dat is maar goed ook want ik ruil vandaag mijn badpak in voor een bikini). Nog even een voetnoot: bedankt Truus voor de goede zorg voor Ralph want dat was weer even een dingetje. Nu kan ik echt volledig genieten ❤️
Broer: Die Franciscus was een sobere knakker. Dat iemand zich wil bekeren tot een leven van armoede en zich daartoe terugtrekt tot de eenzaamheid van een kluizenaar, komt enigszins logisch op mij over. Maar om je vervolgens aan de melaatsen te gaan wijden? Kijk nou toch uit jongen, je was al zo ziek op je twintigste! Nou goed, je wordt natuurlijk niet zomaar de eerste der Franciscanen (vergeleken daarmee had de laatste der Mohicanen het makkelijker). Zijn geschiedenis vormt een prachtig contrapunt met jullie escapades. Ik zou zijn voorbeeld vooral niet volgen. Morgen wacht er wijn, en zo moet het zijn.
Zus: Vin Santo. Vandaag staat in het teken van wijn proeven. Vroeg op want de eerste wijngaard ligt een uur van ons vandaan in Toscane. Jur had thuis al de meest interessante opgezocht. Super tour, compleet met proeverij, en ook wijn gekocht. Daarna naar een wijndomein waar we 3 of 4 jaar geleden ook waren. Ik wist nog waar, want ik heb daar de heerlijkste dessertwijn ever geproefd: VIN SANTO! Je kunt mijn bad ermee vullen en ik drink ‘t langzaam leeg. Wij lunchen er en drinken nog meer wijn. Jur kent mij natuurlijk al 37 jaar; voor mij geen juwelen. Na het betalen komt ie aan met een schattig kistje met twee lieflijke flesjes Vin Santo. Mijn dag kan niet meer stuk. Broer: Wonderlijk eigenlijk, dat die cypressen er zo slank bij blijven, en zo dapper rechtop blijven staan, tussen al die wijnranken.
Zus: Vandaag, onze laatste dag in Umbrie, gaan we naar Orvieto. Uurtje rijden. Daar is ook weer een wijnhuis en sowieso gaan we de stad zien want het schijnt er prachtig te zijn. En inderdaad, die DUOMO!! We kijken weer onze ogen uit. Dan speelt ineens uit het niets de organist Toccata con Fuga van Bach. Mooier wordt ‘t niet. We laten het hierbij, eten een broodje en gaan naar het wijnhuis Castella della Sala; in een kasteel dus. We kopen wat wijn die thuis nog wat liggen kan (meestal lukt dat bij ons niet) en sluiten maar weer af bij het zwembad. Jur zal waarschijnlijk met de Engelsman, die ook in het hotel verblijft, gaan kletsen over wijn. We kregen tot nu toe heel veel tips van hem. Hij is een fanatieke collector, is overal geweest, heeft thuis een kelder vol met ZOVEEL wijn dat ie die in zijn leven niet meer opkrijgt. Wij moeten nog steeds een wijnkast gaan uitzoeken. Broer: Scan ik die streepjescode, begint er een Fuga te toccelen.
Zus: Loreto op een mooie pinksterdag. Bij toeval deze basiliek ontdekt. Blijkt 1 van de 3 meest belangrijke in heel Italië te zijn. Gelovigen uit de hele wereld trekken hiernaar toe. Vanochtend pakten we de auto om een rustig strandje op te zoeken. Dat lukte niet door een aaneenschakeling van Italianen die op hun vrije dag op weg waren naar hun favoriete strandlido’s. AFSCHUWELIJK en absoluut een no go. De enige plek waar het wat rustig was, bleek een ‘hondenstrand’ maar omdat we geen eten bij ons hadden, zijn we doorgereden. Weg van de kust, en toen dus Loreto aangedaan, dat op een steenworp afstand ligt van het massatoerisme. Ongelooflijk, zo mooi! We hebben besloten om net als gisteren te gaan lunchen bij Il Ritorno (simpele maar heerlijke pan op tafel, prima karaf huiswijn). Voor vanavond hebben we brood en beleg gekocht. Straks zijgen we neer ‘by the pool’; best wel blij om wat vroeger terug te zijn.
Broer: Als ik moest kiezen tussen een plebejeruittocht, een playaroedel of een papenritueel, zou ik de lido’s en het hondenstrand ook achter me laten, het basiliekje meepikken, en daarna vliegensvlug naar die heerlijke pan met voedsel Ritorneren.
Zus: Sirolo. Vandaag met de shuttlebus van het hotel naar een fraai strand. Dit is vele malen aangenamer omdat het busje veel verder naar beneden rijdt dan wij met onze auto kunnen doen. Toch alsnog een flinke afdaling, maar goed, prachtige baai. Onze eerste dag zonder bezichtigingen, helemaal gewijd aan zwemmen, zonnen en lezen. We lunchen boven het strand dus weer klimmen en dan weer terug. Pan met tagliatelle en seafood. Mijn 4e Tiramisu deze vakantie en deze is ECHT de beste, precies de juiste verhoudingen. Ik ben er gek op en ik MOET en zal nog ijs eten ook, maar dat doe ik in Toscane, daar gaan we overmorgen heen. Morgen boottrip langs de Conero kust, naar strandjes waar je met de auto niet kunt komen. Waarschijnlijk snorkelen. Wel heel vroeg op want boot vertrekt om 09.30 vanuit Numana; half uur van tevoren aanwezig, half uurtje rijden, tsjonge jonge, maar wel een must want deze kuststrook is bjoetifoel. Eerlijk gezegd is La Marche, in tegenstelling tot Umbrië, een deel van Italie waar we niet verliefd op zijn geworden. Dus dit is een eenmalige ervaring!
Broer: Is genoteerd. Resumerend (op grond van enkele proefondervindelijke constateringen tot nu toe): 1. La plache: eenmalig (vooral vanwege de vele plebejers met hun platitudes in strandpaviljoenen). 2. Diepliggende, met de eigen bolide onbereikbare, baaien: eenmalig (mits met shuttlebus door hoteleigenaar gebracht). 3. Tiramisu: te onweerstaanbaar dus continuerend (mits bikini definitief in de koffer in de kofferbak achter slot en grendel blijft). 4. Bezienswaardigheden: valt te bezien (zijn er hoogteverschillen? is er een liftje? Oordeel wordt per geval geveld; steen kan je gaan opbreken maar bordkarton is ook weer niet de bedoeling). 5. Wijnproeverijen: behoeft geen betoog (het doel van de reis mag niet uit het oog worden verloren, zelfs niet als we dubbel zien). 6. Wijn bij de maaltijd: onuitputtelijk (laat maar komen, laat maar stromen; wij zijn tenslotte doorleefde oenologen cq. smaakbewuste sommeliers). 7. Umbrië: behoeft geen betoog (de naam spreekt boekdelen: komt van het Latijnse ‘umbra’, wat ‘schaduw’ of ‘luwte’ betekent, hoewel anderen beweren dat de naam ‘Umbria’ te maken heeft met ‘het samenkomen van vissen in de paartijd om eieren te leggen’, waar ook niets mis mee is). 8. Boottochten: dit oordeel is nog hangende (of liever: dobberend. Aan de kade van Numana; zie morgen).
Zus: Met een volle boot naar spaggia di Due Sorelli. Tijdens de tocht daarheen geeft de intens gebronsde kapitein uitleg over ????, wij verstaan er HELEMAAL niets van; thuis maar taalcursus doen. Strand is mooi, wij zijn qua rotsformaties in de Algarve zeer verwend, dus die twee zusjes, mwah, wel mooi die witte gesteenten, het maakt de zee superblauw en onze lifeguard kleurt er ook prachtig bij 😵💫. Eenmaal terug maken we nog een wandeling door Sirolo en lunchen we wederom bij Il Ritorno, deze keer neem ik als dolce de Semifreddo di Mandorle, het beeld van de lifeguard snel verdringend. Broer: ‘Il Ritorno’ doet z’n naam echt eer aan (tot zover mijn kennis van het Italiaans). Zaten jullie op de SIMBA of de CALIPSO en ging die BIMBO met die letters op haar BIBSA ook mee? (Doe mij dan maar een Moltofreddo).
Zus: Enoteca Tognoni wordt vermeld in iedere blog over Bolgheri. Het plaatsje is piepklein maar oh zo schattig. We zijn vroeg en reserveren een tafel in de Enoteca. We hebben daar de mogelijkheid om mooie wijnen te proeven per glas (je kiest uit 5 en 10 cl). We hebben nog wat tijd en rijden naar een wijnhuis in de buurt, een beroemde ook, en daar doen we een bescheiden proeverijtje. We zijn blij nu eindelijk in HET wijngebied van Italie te zijn. De natuur is overweldigend mooi hier. Weg van die naaldbomen, is het klimaat hier anders; je ziet al best wat grote trossen. Terug in Bolgheri proeven we de duurdere wijnen want ‘why nut’. Tenslotte houden we van een stevige. Op de rondjes onder aan het glas staat naam en prijs van een fles. Wij vinden de wijnen lekker maar worden niet omvergeblazen. Die Sassicaia (meest beroemde wijn hier)? MWAH. We hadden flink op onze wijnapp gezocht en komen erachter dat we net zo goed naar Boonstoppel in Dordt kunnen gaan. MAAR toch een leuke ervaring! Broer: Nondeju. Wat heerlijk als je de middelen hebt om je hier aan over te geven zonder wakker te liggen van de prijzen. Ik besef weer eens dat ik een enorme krent ben, ontstaan uit een slecht gerijpte, zure druif. Als de wijn me niet omver zou blazen, dan wel de rekening. Wat fijn dat jullie daar zo ontspannen mee omgaan. Jullie hebben elkaar echt gevonden; een gouden combi!
Tot zover deze vergaande vorm van meebeleven. Ik herinner mij Italië als vakantieland voornamelijk vanuit het perspectief van een puber op de achterbank van een vierkante Fiat met roestplekken (waarvoor ik mij schaamde, zoals voor alles op die leeftijd). Mijn ouders moesten zonodig die kant op en ik werd te onvolwassen geacht om thuis te mogen blijven. Het werd een hectische ervaring vol…Italianen.
Andermans pelgrimages werkten op mij zelden aanstekelijk, maar van deze Polarstepspresentatie stond ik paf; waarschijnlijk omdat ik passief – want vanaf mijn vaste thuispost – kon participeren. Ook het schematische kaartje dat de BMW-verplaatsingen bijhield werkte aanlokkelijk. Meebeleven dekt de lading niet; het voelt alsof ik een reis heb geadopteerd. Voor het eerst begrijp ik iets van de onblusbare behoefte aan buitenlandse belevenissen. Dit was een prachtig avontuur.
Onafhankelijkheid, machtsuitoefening en meeloopgedrag.
Soms wil je een eerder geplaatst blogbericht herschrijven en opnieuw delen, omdat uit de reacties blijkt dat je bedoelingen niet duidelijk genoeg zijn overgekomen. In dit geval gaat het mij om een fundamenteel onderscheid tussen drie vormen van onwaarachtigheid. Niet elke vorm van misleiding is namelijk even verwerpelijk. Er bestaat een verschil tussen een leugentje om bestwil in dienst van de kunst, tussen verdraaiing als instrument van de macht, en tussen het schaamteloos meebuigen uit carrière-overwegingen. Anders gezegd: ik wil de spanning onderzoeken tussen onafhankelijke fictie, manipulerend beleid en volgzaam spreekbuisgedrag. Drie houdingen, drie motivaties: creatieve vrijheid, machtshandhaving en meeloperij.
In het vervolg laat ik drie voorbeelden zien, elk met een eigen soort ‘onwaarheid’. En ik nodig de lezer uit om zich af te vragen: welke van deze drie verdient eigenlijk de meeste afkeuring? Ter illustratie geef ik drie voorbeelden – drie ‘exhibits’ – elk belichamend een ander type onwaarachtigheid: artistieke fictie, politieke vervalsing en ideologische meeloopretoriek. De verschillen zijn soms subtiel, de uitwerking niet. Wat begint als spel of stijlkeuze, kan eindigen als massale misleiding. De vraag die daarbij steeds terugkomt, is: wanneer wordt onwaarachtigheid werkelijk kwalijk?
Exhibit Nr. 1: Een boekcover. Van een boek dat ik zogenaamd schreef. In werkelijkheid is het een mockup, laten we zeggen een oefening in zelfpromotie, over een window dresser met literaire aspiraties. Dan hebben we het over tweedegraads onechtheid. De inhoud bestaat niet. De buitenkant wel. Vorm zonder inhoud: een klassieker.
Exhibit Nr. 2: Het MAHA-rapport, dat onlangs werd gepresenteerd door minister van Volksgezondheid Robert F. Kennedy Jr. en zijn commissie. Make America Healthy Again heet het. Een pleidooi voor de gezondheid van kinderen, gebaseerd op studies die, oeps, niet bestaan of verkeerd geciteerd blijken te zijn. Gelukkig kun je zulke onwaarheden eenvoudig corrigeren door het rapport gewoon een beetje aan te passen. Beetje kneden, beetje bijsturen en de regering Trump sukkelt in al z’n leugenachtigheid voort tot het zoveelste schandaal.
Exhibit Nr. 3: Karoline Leavitt, Trump-woordvoerster, die het hele MAHA-debacle afdeed als ‘opmaakfoutjes’. Alsof het ontbreken van bewijs slechts een kwestie is van verkeerd geplaatste voetnoten.
Dus ik vraag u: wat is de érgste vorm van onechtheid? De fictieve façade van een verzonnen boek? De inhoudelijke vervalsing van een beleidsrapport? Of de bagatelliserende retoriek die alles reduceert tot een “formatting issue”? De lezer mag het zeggen. Maar lees eerst nog even mijn toelichting op alle drie de gevallen.
Laat ik, voordat men mij de maat neemt, direct schuld bekennen en Exhibit Nr. 1 persoonlijk verduidelijken (en verdedigen). Ja, ik heb een boekcover gefabriceerd van een boek dat niet bestaat. En nee, ik zie daar ethisch geen enkel bezwaar in. Integendeel: het is artistieke vrijheid, zelfexpressie, misschien zelfs een mild gebaar richting de denkbeeldige lezer die dit werk ooit had kunnen lezen. Geen misleiding, maar een spel. Geen oplichterij, maar een knipoog. Wat ik mezelf wél aanreken, is de opmaakfout. De titel valt weg tegen de achtergrond. Onleesbaar. Dát is pas schandalig. Dáár had een commissie zich over moeten buigen. Als we dingen verzinnen, laat het er dan op z’n minst goed uitzien.
Dan Exhibit Nr. 2: het MAHA-rapport. Een document dat pretendeert de gezondheid van Amerikaanse kinderen te beschermen, maar zich baseert op studies die niet bestaan, foutief geciteerd zijn of simpelweg uit de lucht komen vallen als engelen die te veel ivermectine hebben geslikt. Het werd plechtig gepresenteerd door minister Robert F. Kennedy Jr., die kennelijk zijn roeping als kwakzalver in marmeren zalen heeft gevonden. En ja, ik weet het, Kennedy is geen Trump, maar de geur is dezelfde: die van gladgestreken pseudowetenschap, netjes verpakt in patriotisme, met een strikje van “wij maken ons zorgen.” Het is niet eens subtiel meer. De waarheid wordt hier niet per ongeluk overgeslagen, ze is met opzet van het schoolplein gestuurd.
Onschuldige opmaaklol
Dit is geen op zichzelf staand incident. We hebben het over een politieke cultuur waarin orkanen met viltstift worden bijgetekend (Sharpiegate), waarin een pandemie “onder controle” was terwijl mensen stierven bij tienduizenden, waarin de verkiezingsuitslagen als fraude werden bestempeld omdat men simpelweg verloor (de lijst van voorvallen is veel langer*). En nu dus dit: een rapport over kinderen dat kinderen gebruikt om onwaarheden te verspreiden. Het zou tragisch zijn als het niet zo misselijkmakend was. Want ergens houdt het een keer op; al was het maar omdat de waarheid uiteindelijk altijd bovendrijft.
Exhibit Nr. 3 brengt ons bij Karoline Leavitt, Trumpwoordvoerster oftewel: wandelend spreekbuismeubelstuk van het post-truth tijdperk. In haar reactie op de ophef rond het MAHA-rapport sprak ze over “formatting issues,” alsof de afwezigheid van wetenschappelijke onderbouwing te herleiden was tot een slordig geplakte paginanummering of een vergeten regelafstand. Leavitt heeft zich ontwikkeld tot wat men in journalistieke kringen een ‘geselecteerde echo’ noemt. Er zijn stemmen die haar omschrijven als ‘a well-groomed amplifier of autocratic nonsense,’ of als ‘de spindoctor die vergeten is dat je soms ook een patiënt moet genezen, niet alleen symptomen verhullen.’
Waarom kiest iemand zo radicaal voor de rol van reclamelakei of blindvolger in een regime dat z’n eigen leugens niet eens meer fatsoenlijk hoeft te verpakken? Heeft het te maken met macht, met carrière, met ideologische driften die nog niet door de realiteit zijn ingehaald? Of is het gewoon makkelijker om op een zinkend schip de purser te blijven, zolang het buffet openblijft? Hoe dan ook: als “formatting issues” de samenvatting wordt van vier jaar presidentschap, dan weet je dat de inhoud al lang van de pagina’s is gewist.
Gelukkig is er de kunst. Kleinkunst in dit geval, want wie werkelijk wil begrijpen wie Leavitt is, hoeft alleen maar te kijken naar comédienne Lisandra Vazquez, die haar met zoveel verve, spot en precisie persifleert dat je soms vergeet dat je niet naar Leavitt zelf kijkt. En daarmee zijn we weer terug bij exhibit Nr. 1: de kunstmatige representatie, de uitvergroting, de fictionele façade. Want anders dan bij Leavitt is het bij Vazquez tenminste opzettelijk ironisch. Je kunt in al je onechtheid dus gewoon ook eerlijk zijn.
Karoline Leavitt versus Lisandra Vazquez
Misschien draait het uiteindelijk niet om de leugen zelf, maar om de context waarin ze wordt verteld. In de kunst knipoogt ze naar de waarheid, in de politiek maskeert ze haar, en in de propaganda vermomt ze zich als deugdzame bezorgdheid. En wie daarin meegaat, doet dat soms uit overtuiging, soms uit opportunisme. Maar zeg nu zelf: welke van de drie roept de meeste weerzin op? Niet elke vorm van onwaarachtigheid is even schadelijk, maar allemaal zeggen ze iets over de verhoudingen waarin ze ontstaan. De kunstenaar kiest voor illusie om vrijheid te winnen. De machthebber kiest voor vervalsing om die vrijheid in te perken. En de meeloper kiest voor gemak, carrière, of simpelweg overleving (‘Wiens brood men eet, diens woord men spreekt’). De vraag is niet alleen welke vorm het ergst is, maar ook: welke laten we ongemoeid? Kunst mag misleiden, zolang ze er eerlijk over is. Macht verdraait, omdat ze zich onkwetsbaar waant. En wie dat met droge ogen verdedigt als ‘opmaakfoutjes’, maakt van ironie een rookgordijn. Misschien is dat wel de grootste onwaarachtigheid: doen alsof je niets te verbergen hebt, terwijl je niets te vertellen hebt.
*Een beknopte lijst van waarheidsovertredingen en realiteitsvervorming onder de Trump Administration:
De aanval op de Capitol (6 januari 2021) – Een poging tot staatsgreep gevoed door fabels. De bestorming van de waarheid in real time.
Sharpiegate (2019) – Toen Trump een orkaanvoorspelling eigenhandig “corrigeerde” met een viltstift om zijn eerdere uitspraak te staven. Klimaatwetenschap, maar dan als kleurplaat.
“We have it totally under control” (januari 2020) – Over COVID-19, vlak voordat tienduizenden Amerikanen stierven en ziekenhuizen overspoeld werden. Vrede op aarde, met ventilatoren.
Bleachgate (april 2020) – Trump suggereerde dat ontsmettingsmiddel misschien ingespoten kon worden bij mensen om het virus te doden. De wetenschap haalde diep adem (en nam afstand).
De herhaaldelijke bewering dat de verkiezingen van 2020 “gestolen” zijn – Omdat verliezen simpelweg geen optie was. Rechters, hertellingen, en zelfs Trumps eigen kiescommissie vonden géén bewijs, maar het narratief bleef.
Charlottesville (“very fine people on both sides”, 2017) – Over een neonazi-optocht waarbij een vrouw werd doodgereden. Een “gebalanceerde” kijk op haat, zogezegd.
De familiegesponsorde regeringsaanpak – Jared Kushner kreeg het Midden-Oosten, Ivanka “empowerde” vrouwen, en Eric en Don Jr. mochten de tweets op smaak brengen. Diplomatie als familiebedrijf.
De immigratieban (“Muslim ban”, 2017) – Een presidentieel decreet dat niet alleen moreel omstreden was, maar ook juridisch werd teruggefloten — meerdere keren.
Kinderen in kooien (2018) – Migrantenkinderen gescheiden van hun ouders aan de grens. Later gepresenteerd als “een humanitaire maatregel.”
Altering hurricane maps vs. altering medical reports – Van Sharpiegate tot MAHA-rapport: het patroon blijft gelijk. Eerst de waarheid, dan het potlood.
Alternative facts (2017) – Kellyanne Conway verdedigde leugens over de inauguratie-opkomst met deze Orwelliaanse term. Waarheid? Keuzeoptie.
De beautytreatment van dictators – Kim Jong-un was “a smart cookie”, Poetin “a strong leader”, en Mohammed bin Salman “maybe did it, maybe didn’t” (over de moord op Khashoggi). Realpolitik als fanclub.
Het weer opzeggen van het Klimaatakkoord van Parijs (2017) – “Ik ben president van Pittsburgh, niet van Parijs.” Vervuilen met vlagvertoon.
De verheerlijking van hydroxychloroquine (2020) – Naar eigen zeggen nam hij het zelf ook. Het hielp tegen malaria, niet tegen feiten.
Het uit de WHO stappen midden in een pandemie (2020) – De logica: als je je oren dichtdoet, bestaat het virus niet.
Het Clinton-obsessie-circus – “Lock her up” als standaard refrein, nog jaren na de verkiezingen. Alsof hij ’s nachts wakker werd van e-mails.
De Bible photo-op (2020) – Protesten tegen politiegeweld werden hardhandig uiteengedreven, zodat Trump met een Bijbel (op z’n kop) op de foto kon voor een kerk. Religie als rekwisiet.
Het ontslag van inspecteurs-generaal en ambtenaren – Onafhankelijke toezichthouders werden massaal aan de kant gezet. Controlemechanismen? Te negatief.
De mislukte coronatest-infrastructuur – “Iedereen die een test wil, kan er een krijgen.” Spoiler: dat was niet zo. Tenzij je NBA speelde.
De ‘perfecte’ telefoontjes – Naar Oekraïne (2020), waarin hij Zelensky onder druk zette om compromitterende info over Biden te vinden. Dat leidde tot de eerste impeachment. “Perfect” volgens Trump zelf. Zwart-wit, volgens iedereen met een geweten.
Het laten verdwijnen van het vertaalteam voor pandemieën (2018) – In 2018 werd het pandemieteam bij de National Security Council ontbonden. Want wat kon er gebeuren?
Covfefe (2017) – De legendarische onafgemaakte tweet. De eerste officiële presidentiële typo die tot filosofisch debat leidde.
De injectie van politiek in onafhankelijke instellingen – FBI, CDC, FDA: alles werd politiek gereviseerd. Het ministerie van Volksgezondheid als verkiezingsinstrument.
De geheime belastingaangiftes – Hij zou ze “binnenkort” vrijgeven. Spoiler: dat gebeurde pas via gerechtelijke dwang, en ze lieten zien dat hij nauwelijks belasting betaalde. Great businessman.
Trump University – Technisch van vóór zijn presidentschap, maar in toon volledig op één lijn: een “universiteit” die vooral leergeld vroeg. Letterlijk.
Het voortdurend herhalen van leugens tot ze waar lijken – Volgens The Washington Post meer dan 30.000 feitelijke onjuistheden in vier jaar tijd. Een gemiddelde van 21 per dag. Productiviteit in post-truth.
Het benoemen van rechters die het systeem langdurig conservatief verankeren – Waaronder drie Hooggerechtshofrechters, mede verantwoordelijk voor de afschaffing van Roe v. Wade. Geen leugen, maar wel een blijvend gevolg van een man die zwoer bij chaos.
De wall die nooit kwam (of werd betaald door Mexico) – De Grote Muur bleef steken in een paar honderd mijl hekwerk. Betaald door de Amerikaanse belastingbetaler.
De demonisering van de pers (“Enemy of the people”) – Kritische media werden consequent beschuldigd van leugens, terwijl propaganda als “truth” verkocht werd. Orwell zou instemmend grinniken — of huilen.
De poging om poststemmen te saboteren – Door de Postmaster General bewust postverwerking af te remmen. Post-truth werd letterlijk snail mail.
De Lafayette Square ‘rechtzetting’ – Het officiële verhaal was dat de ordetroepen demonstranten “toevallig” uit het park verwijderden vlak vóór Trumps fotomoment met de Bijbel. De werkelijkheid: het park werd leeggeknuppeld voor een PR-foto. Een scenariowijziging in real-time.
De orkaan die afboog dankzij een Sharpie (Sharpiegate) – Omdat Trump ten onrechte zei dat orkaan Dorian ook Alabama zou treffen, werd er later een kaart getoond waarop het orkaanpad… met een stift was aangepast. Meteorologie à la Trump.
“Stand back and stand by” – Tijdens een presidentieel debat vroeg men hem zich te distantiëren van racistische groeperingen. Zijn antwoord aan de Proud Boys: een bijna militaire opdracht. Dog whistle? Nee hoor, dit was een megafoon.
De Trump Tower bijeenkomst met Russische advocaten (2016) – “Adoptiebeleid”, volgens het officiële verhaal. In werkelijkheid ging het over het verkrijgen van dirt over Hillary Clinton. Verloedering in ruil voor verkiezingswinst.
De poging om Groenland te kopen (2019) – Echt gebeurd. Trump wilde Groenland kopen van Denemarken. Toen Denemarken het belachelijk vond, annuleerde hij het staatsbezoek. Imperialisme met kinderwens.
De suggestie om Californië ‘terug te geven’ aan Mexico – Een van de off-the-record hersenspinsels van de president. Als je dan toch alles opnieuw wil onderhandelen…
Het injecteren van bleekmiddel (2020) – Tijdens een persconferentie vroeg Trump zich hardop af of desinfectiemiddel niet “geïnjecteerd” kon worden in mensen om COVID-19 te bestrijden. De medische wereld sloeg collectief de handen voor de ogen.
De hernoeming van COVID-19 tot ‘Kung Flu’ – Een racistische grap in speeches, bedoeld om China de schuld te geven — maar ook om af te leiden van beleidstekort. Viruspolitiek met een vleugje nativisme.
De aanstelling van familieleden in sleutelposities – Jared Kushner en Ivanka Trump kregen officiële functies in het Witte Huis. Geen ervaring nodig, zolang je bij de familie hoort. In het Trump Hotel, zeg maar.
De heroïsche mislukking van de Tulsa-rally (2020) – Trump dacht een stadion vol aanhangers aan te treffen. Bleek dat TikTok-gebruikers massaal nepkaartjes hadden gereserveerd. Jongeren: 1, Oranjereus: 0.
De beschuldiging dat windmolens kanker veroorzaken (2019) – Ja, echt. “The noise causes cancer,” zei hij. Wetenschappelijk gezien volstrekt onzinnig, maar wel goed voor de olie-industrie.
Het vernietigen van documenten (2022 onthuld) – Na zijn termijn bleek dat Trump documenten doorscheurde, liet verdwijnen en zelfs in het toilet spoelde. Archiefbeheer zoals een kleuter zijn tekeningen selecteert.
Het Mar-a-Lago-documentenschandaal (2022–) – Geheime documenten in een privéclub bewaard, in dozen tussen golfclubs en schoonmaakspullen. Bij een ander zou dit spionage heten. Bij Trump: “mijn persoonlijke souvenirs.”
De omarming van QAnon – Hij retweette tientallen QAnon-gerelateerde accounts en weigerde afstand te nemen. Een president die samenzweringswaan omarmt alsof het beleid is.
De eindeloze recounts en audits in Arizona – Duizenden dollars uitgegeven aan het controleren van al lang vastgestelde verkiezingsuitslagen. De enige die fraude pleegde, was ironisch genoeg… een Trump-stemmer.
Het “Go back to your country” tegen vier congresvrouwen (2019) – Een expliciete racistische uitval naar vrouwen van kleur die — o ja — allemaal Amerikaans staatsburger zijn. Drie van hen zelfs geboren in de VS.
Het uitlachen van een gehandicapte journalist (2015) – Een van de eerste momenten dat de wereld dacht: dit wordt hem nooit. Maar het werd hem. Moraal: onderschat nooit het gebrek aan moreel besef.
Het in twijfel trekken van de geboortestatus van Kamala Harris (2020) – Na Obama was zij het volgende doelwit van birther-achtige theorieën. Ironisch genoeg geboren in Oakland, Californië. Duidelijker Amerikaans dan Trump zelf.
De claim dat hij de ‘meest milieuvriendelijke president ooit’ was – Terwijl hij tegelijkertijd natuurgebieden opende voor olieboringen. Het enige groen aan zijn presidentschap was het geld.
De permanente campagne-modus – Zelfs na zijn verlies ging Trump door met rallies, fondsenwerving en retoriek alsof hij nog regeerde. Een exit die voelt als een seizoensfinale met te veel cliffhangers.