Op de koffie komen met een verre vriend

Een vloeibaar compromis tussen taal en therapie.

Het begon met een bericht dat ze in een vlaag van acute machteloosheid naar een verre vriend had gestuurd. Haar zoon leed aan een weigerachtige apathie die in Japan hikikomori wordt genoemd; het hardnekkig binnenskamers blijven, de wereld buiten de deur houden tot een hanteerbaar minimum. Alleen ging het hier niet om extreme opsluiting, maar om een moeizaam bevochten compromis; er bestond in Nederland immers leerplicht. Twee uur per dag moest hij proberen tussen andere kinderen te overleven. Twee schamele uren; een schijntje voor de onderwijsinspectie, een loodzware expeditie voor de dertienjarige.

En toen was daar die dinsdag. Een oudere jongen had gevraagd of hij kwam chillen. En of hij rookte. Een banale, alledaagse interactie, maar voor haar zoon de psychologische equivalent van een aardverschuiving. Prompt weigerde hij zijn woensdagafspraak na te komen. Er moest onderhandeld worden. Kon het niet een uurtje later, want de concentratie bleek nu weg. ‘Terwijl hij überhaupt maar TWEE UURTJES gaat!’ had ze getypt, de frustratie in kapitalen op haar scherm hamerend. ‘En ik heb er dus vrij voor moeten nemen. Terwijl er feitelijk NIETS aan de hand is!’

Uit machteloosheid op de Wiener Melange gedrukt. Misschien lag de oplossing in iets wat zij altijd voor wansmaak had versleten.

De verre vriend, die zich graag tooide met de titel van taalkundige, reageerde met de voor hem kenmerkende breedsprakigheid. Hij bezat de irritante neiging om alledaagse problemen te verheffen tot een existentieel toneelstuk, gezegend met een aplomb dat verdacht veel weg had van een zanger met sterallures die allang op z’n retour is (denk aan Herman van Veen); badend in zijn eigen metaforen en immer overtuigd van de helende werking van welgekozen, goed gearticuleerde woorden.

Hij stuurde geen troost, hij stuurde een etymologische beschouwing. Haar woede over de mislukte woensdag prevelde hij weg als een kwestie van perspectief. Haar zoon zag tegen alles op als een berg, had zij uitgelegd, maar de verre vriend sloeg die klein tot een bult. En een bult, zo dicteerde hij vanuit zijn ivoren toren, was slechts een minieme verheffing in het landschap die kon worden gladgestreken met een niet eens zo’n omslachtige aanpak. Een plan B zeg maar, waarbij de vraag overigens onbeantwoord bleef wat dat alternatief dan wel mocht inhouden.

Nu zat ze hier, in de steriele stilte van de wachtruimte. De onbeholpen beeldsprakerigheid bracht, althans wat de taal betreft, misschien toch een verbintenis teweeg. De bultmetafoor van de verre vriend en háár bergvergelijking doorbraken in elk geval een hoogteverschil in naam. Misschien kon ze haar zoon doen inzien dat hij inderdaad bergen van molshopen maakte en dat het die bult z’n eigen schuld was dat alles onoplosbaarder leek als gevolg van overdrijving; het gigantisch lijkende obstakel kon ook slinken als je het positief benaderde.

Even, uit een behoefte aan overzicht in deze beroerde situatie, verbeeldde ze zich dat het hele dilemma slechts een kwestie was van semantiek en dat ze momenteel meer had aan die verre veelprater dan aan heel het geschoolde therapeutendom dat zich nu op haar probleemkind stortte. Ze klapte het boek dicht dat ze in de wachtkamer zat te lezen, liep naar de koffiecorner en drukte voor het eerst van haar leven op ‘Wiener Melange’; een combinatie van toevoegingen en smaken die haar altijd pervers had geleken.

Het apparaat produceerde een laatste mechanische rochel en vulde het bekertje met een schuimende, drielagige substantie. Ze pakte het warme plastic beet en keek naar de troebele overgang van koffie, melk en cacao. Het was een onwaarschijnlijk brouwsel; een vloeibaar amalgaam waarin de smaakwerelden die ze altijd strikt gescheiden had gehouden, nu noodgedwongen in elkaar overliepen. Ze nam een voorzichtige eerste slok. De smaak was intens, vreemd en absoluut niet te vergelijken met de voorspelbare, bittere filterkoffie die ze normaal gesproken dronk om de tijd te doden. Het was zoet en tegelijkertijd krachtig. Het zette haar zintuigen direct op scherp.

Terwijl de warmte door haar keel zakte, besefte ze dat deze mengeling haar eigenlijk helemaal niet tegenstond. Integendeel. Het was alsof die verre veelprater met zijn bultmetafoor zojuist hoogstpersoonlijk door de cacao heen roerde en haar uitdaagde. Waarom had ze eigenlijk altijd zo braaf geloofd dat alleen de bittere, zwart-wit diagnoses van de deskundigen de juiste remedie waren? Als taal rekbaar was, en als smaken konden muteren, dan waren er misschien heel andere, onorthodoxe routes om haar zoon weer op de rails te krijgen.

Terug naar de roeken van het stoppelveld (deel 1)

De weg naar het klooster in wintertijd.

Ik woonde nog thuis in Breda, maar sinds mijn vader naar Duitsland was vertrokken, dacht ik zelf ook aan weggaan. In de wazige jaren tussen kindertijd en jongvolwassenheid fietste ik soms met Lucien mee naar het Benedictijnerklooster in Oosterhout, zo’n 7 kilometer verderop. Lucien was onze buurman. Mijn moeder, mijn zus en ik, we leefden met de moed der wanhoop in een nieuwbouwwijk die haar glorie leek te zijn verloren. Er was iets op losse schroeven komen te staan in onze huizen. Lag dat aan mij? Ook de buurman miste mijn vader, maar hij had toch voornamelijk z’n eigen sores.

Lucien was een maatschappelijk werker in dienst van defensie. Hij hielp militairen en hun gezinnen bij persoonlijke of sociale problemen. Die waren er kennelijk volop want hij kon verslagen thuiskomen. Na zo’n werkdag liet zijn vrouw hem wijselijk met rust. Ik niet. Hij kaatste vaak met een tennisbal tegen de achterkant van zijn huis. Door het constante gebonk kon je zijn terugkeer en zijn stemming eigenlijk niet missen. Ik liep dan naar buiten en probeerde door een gat in de heg een gesprek met hem aan te knopen. Ik deed alsof zijn gefrustreerde gedoe mij enorm stoorde. Gelul dat je nu alleen wilt zijn, was mijn boodschap. Als je lawaai maakt, moet je niet zeuren; dan trek je aandacht en vind je mij op je pad.

Ik verdedigde mijn stilte, ongeacht wat hij die dag had meegemaakt. (Ik leerde later dat het ook tot zijn taak behoorde om als eerste de dood van een soldaat aan diens ouders te melden, en dat ik soms niet veel jonger moet zijn geweest dan het slachtoffer.) Ik verzon steeds een ander commentaar als excuus om in contact te blijven. Zo liet ik hem weten dat ik aan het leren was voor een proefwerk of dat ik een spreekbeurt moest voorbereiden. Ik speelde zijn zoveelste klant en mijn geklaag dwong een reactie af. Het liep er dan op uit dat hij mokkend naar binnen ging na een laatste worp vol ingehouden woede. Of we maakten de afspraak om samen naar het klooster te fietsen.

De mis bracht rust; een afleiding, geen oplossing. De weg naar het klooster, dat langzaam uit het landschap oprees, vormde de ware bron van bezinning. Ik heb het over een prachtig voorbeeld van baksteenarchitectuur, met subtiele invloeden van neogotiek en art deco. Het complex maakt deel uit van wat men, samen met enkele andere kloosters, de ‘Heilige Driehoek’ van Oosterhout noemt. Het wordt omgeven door tuinen en parkachtige terreinen, naadloos verbonden met de aangrenzende bossen. En vergeet ook de akkers niet. In de koudere maanden, na de laatste oogst, lagen die er schitterend bij: zompige, spiegelende vlakten, die dienstdeden als fourageerplaats voor roeken.

Geen solisten, die vogels, geen wegvliegers; ze trokken samen op. Misschien wel de meest sociale soort van het hele vogelrijk.

(Fragment uit Terug naar de roeken van het stoppelveld).

Lieuwe spreekt

Zonen die over hun dode vaders vertellen maken me huilerig op een bijna gênante manier.

Vandaag belandde ik bij toeval in een documentaire over de zoon van Theo van Gogh. Lieuwe is een jongen die in tegenstelling tot zijn vader eigenlijk niet in de belangstelling wil staan. Hij verzet zich daarom aanvankelijk tegen een interview dat de voormalige assistente van Theo met hem wil voeren. Voor haar besluit hij een uitzondering te maken; zij loopt tenslotte ook nog steeds met haar verdriet rond om de moord op een opmerkelijk man.

Gedurende een groot aantal dagen trekken zij samen op. Eigenlijk doet de voormalige assistente met Lieuwe precies hetzelfde als wat zij vroeger met Theo deed. Ze bezoeken dezelfde plaatsen. Ik vermeld de dingen die me vooral zijn bijgebleven in dit interview hier puntsgewijs.   

  1. Lieuwe heeft er lang aan gedacht om een kaartje naar de moordenaar van zijn vader te sturen in de gevangenis: ‘Kijk, ik leef een gelukkig leven terwijl jij aan het rotten bent in de gevangenis. Je zit een levenslange gevangenisstraf uit. De politieman die indertijd de keuze had om je dood te schieten of in je been, heeft een goede beslissing genomen. Jou doodschieten zou een gunst geweest zijn. Nu word je dagelijks gedwongen om na te denken over je daad.’ Zoiets. Het is er tot nu toe niet van gekomen om het kaartje te schrijven. Maar dat inwrijverige, jezus, hoe begrijp ik dat.
  2. Lieuwe ging boos naar bed op de laatste dag dat hij samen met zijn vader was. Daarover lijkt hij totaal geen spijt te hebben en dat zegt iets over de relatie die hij met zijn vader had. Hij lijkt te beseffen dat dit soort van kleine huiselijke conflicten geen invloed hadden op de overkoepelende liefde die de mannen voor elkaar voelden. Ze kibbelden wel vaker en ze hielden toch wel van elkaar. Herkenbaar.
  3. Lieuwe bezoekt een tatoeagestudio waar hij wel vaker een tatoeage heeft laten zeggen. Hij laat weten dat zijn vader tegen het zetten van zo’n tatoeage was.
  4. Wat me enorm ontroerde was de volgende uitspraak van Lieuwe: “Elke keer dat ik me scheer is het nog steeds zo dat ik een wond heb. Op die momenten denk ik: ik had een vader nodig.” Ok, hoe vaak scheert een man zich? Ik constateer dat hij nog iedere dag aan zijn vader denkt. 
  5. “[Ik mis] de zondagen samen als we films op tv keken. Zijn buik was een zachte poef waar ik mijn hoofd op kon leggen.”