Nuance als rookgordijn

Hoe overmatige voorzichtigheid consensus kan vertroebelen.

Soms ontdek je iets van jezelf met terugwerkende kracht. Deze brief bijvoorbeeld. Lange tijd wist ik niet dat hij was afgedrukt. Ik had de krant van die dag gemist. Dat gebeurt weleens. Ik lees de Volkskrant in de digitale versie; veel artikelen verdwijnen ongemerkt uit zicht omdat ze door recenter nieuws worden weggedrukt.

https://www.volkskrant.nl/economie/ondanks-inzet-op-meer-plantaardig-eten-belandt-82-procent-van-europese-voedselsubsidies-bij-veehouderij~b1bc2baa/

Toen ik de brief later probeerde terug te vinden via het zoeksysteem van de krant, bleek dat geen eenvoudige opgave. Brieven worden daar wel degelijk opgeslagen, maar eerder als een verzameling “lezersreacties” dan als afzonderlijke bijdragen, dus niet gemakkelijk op naam op te sporen. Titels worden door de eindredactie bedacht. Wie zijn eigen woorden zoekt, moet dus enig geduld meebrengen.

Uiteindelijk bood een chatbot uitkomst door een alternatieve zoekroute aan te reiken. Tot mijn verrassing bracht die niet alleen deze brief boven water, maar ook andere ingezonden stukken die ik ooit ter beoordeling had opgestuurd, en die kennelijk eveneens zijn gepubliceerd zonder dat ik daarvan op de hoogte was gesteld. Een aangename ontdekking, moet ik toegeven, want opname in de krant was tenslotte het doel van het schrijven.

Toch blijft het een beetje merkwaardig. De brievenredactie vraagt nadrukkelijk om een telefoonnummer te vermelden, wat de indruk wekt dat er vooraf contact wordt opgenomen. Dat is in mijn geval blijkbaar niet nodig gebleken.

Hoe dan ook overheerst de tevredenheid. Het is prettig te merken dat inspanningen niet geheel in stilte verdwijnen. Misschien heb ik mijn fifteen minutes of fame inmiddels zelfs ruimschoots overschreden, zij het met enige vertraging.

You brought some joy inside my tears

Maar helaas gaat morele beoordeling de discussie over een sportprestatie domineren.

In de NRC stond een artikel van Anne Buunk en Sara Khosdelazad. Ik plaats het hier (met impliciete toestemming) omdat ik er iets over kwijt moet.

Na Jutta Leerdams olympische goud op de 1.000 meter volgden reacties die we de laatste tijd steeds vaker zien in progressieve kringen. Terwijl de schaatsster haar sportieve hoogtepunt beleefde, verschoof de publiekelijke aandacht razendsnel van het ijs naar haar morele status. De kern van de kritiek: wie haar sportprestatie bewondert, valideert indirect de omstreden uitspraken van haar Amerikaanse partner, Jake Paul.

Zo werd het bejubelen van Leerdams eigengereidheid door Marijn de Vries in haar NRC-column door critici afgedaan als ‘wit feminisme’. En Ruby Sanders stelde op OneWorld zelfs dat wie Leerdam een podium biedt, bijdraagt aan de normalisering van een fascistisch wereldbeeld. Sport en privéleven zijn volgens haar onlosmakelijk verbonden: alles is politiek.

Jake Paul staat inderdaad voor alles waar progressieve mensen, waar wij onszelf ook toe rekenen, tegen in opstand komen. Maar de felle kritiek op Leerdam, en met name op de mensen die haar toejuichen, legt een dieper probleem bloot. Het is een voorbeeld van een vorm van hedendaags activisme waarin morele zuiverheid belangrijker lijkt geworden dan maatschappelijke verandering.

In haar boek Actie! (2026) noemt politiek filosoof Nori Spauwen dit fenomeen treffend „moreel purisme”. Bij de morele purist wordt de focus op perfectie zo dwingend, dat het een verstikkende werking heeft. Morele paspoorten worden gecontroleerd en wie ook maar één millimeter afwijkt van de ‘ideale’ koers, is de vijand. Dit mechanisme beperkt zich allerminst tot de schaatsbaan.

We zien hetzelfde wanneer klimaatactivisten worden afgeserveerd omdat ze één keer in een vliegtuig zijn gestapt, of wanneer iemand wordt veroordeeld om een ongelukkige woordkeuze in een verder vlijmscherp betoog. In plaats van de pijlen te richten op systemische ongelijkheid, keert de beweging naar binnen. In de ergste vorm leidt dit morele purisme tot een vorm van superiorisme: de eigen standpunten zijn de enige juiste en staan nooit ter discussie.

Dit purisme is uitputtend, ineffectief en vertraagt daadwerkelijke verandering. Een beweging die alleen nog uit de ‘moreel volmaakten’ mag bestaan, krimpt per definitie tot een machteloze splintergroep. We maken de drempel om mee te doen zo verstikkend hoog, dat veel bondgenoten zich niet meer durven uit te spreken uit angst voor publieke terechtwijzing.

Bovendien is het micromanagen van elkaars leven niet alleen ineffectief, het is ook vreselijk saai. Activisme zonder humor, satire en relativering verliest aantrekkingskracht. Terwijl we elkaar de tent uitvechten over de vraag of een gouden medaille wel ‘zuiver’ genoeg is, lachen de werkelijke aanjagers van ongelijkheid in hun vuistje. Elke minuut die we besteden aan deze interne zuiverheid, is een minuut waarin de werkelijke ongelijkheid blijft bestaan.

Het is bovendien ironisch dat juist zij die strijden voor de autonomie van de vrouw, Leerdam nu reduceren tot een verlengstuk van haar partner. Door haar succes volledig te laten samenvallen met het wereldbeeld van de man aan haar zijde, ontnemen we haar precies waar het feminisme voor vecht: een eigen identiteit en moreel gewicht, los van haar privéleven. Het is wrang dat we uitgerekend op het moment van haar grootste sportieve succes een moreel tribunaal over haar privéleven openen.

De strijd voor gelijkheid en inclusiviteit is geen wedstrijd in wie het meest vlekkeloos leeft. Echte verandering ontstaat niet door individuele morele perfectie, maar door de bereidheid om ondanks onze tekortkomingen de handen ineen te slaan. In een complexe wereld zijn fouten onvermijdelijk; de focus moet dan ook verschuiven van het obsessief bestraffen van elke misstap naar het vermogen om te leren en weer samen door te gaan.

In een tijd waarin alles direct op scherp wordt gesteld, is een beetje mildheid juist heel krachtig. Het geeft ons de ruimte om de groep weer groter te maken, in plaats van iedereen af te serveren die niet precies jouw route volgt. Laten we onze energie daarom inzetten waar ze thuishoort: bij het bestrijden van ongelijkheid zelf, voordat iedereen is afgehaakt.

Anne Buunk is klinisch neuropsycholoog in het Universitair Medisch Centrum in Groningen. Ze is actief als Dolle Mina. Sara Khosdelazad is psycholoog in opleiding en onderzoeker. Ze is actief als Dolle Mina.

Ik ben het eens met de schrijfsters. Ik wilde een voorbeeld geven van een andere schaatster: Joy Beune. Zij verdiende wat bij door bloot in de Playboy te verschijnen. Moreel hoog in de boom zittende mensen vielen over haar heen; ook een soort van moreel purisme.

Inhoudelijk is dat naar mijn mening een vergelijkbaar voorbeeld, al zitten er ook verschillen tussen beide situaties. Als je kijkt naar het mechanisme dat de auteurs beschrijven, zit de overeenkomst vooral in de manier waarop morele beoordeling het gesprek over een sportprestatie of autonomie overneemt.

In het NRC-stuk gaat het bij Jutta Leerdam om kritiek die indirect via haar partner Jake Paul loopt: bewondering voor haar sportieve succes zou volgens critici impliciet diens politieke of maatschappelijke standpunten legitimeren. Columnisten zoals Marijn de Vries en stemmen in media als OneWorld (waaronder Ruby Sanders) werden onderdeel van die discussie. De auteurs koppelen dat aan wat filosoof Nori Spauwen “moreel purisme” noemt: de neiging om mensen langs een morele meetlat te leggen die nauwelijks afwijking toestaat.

Bij Joy Beune zie je een vergelijkbaar patroon wanneer haar keuze om naakt in Playboy te verschijnen leidde tot morele verontwaardiging: de discussie verschoof van haar sportprestaties naar haar persoonlijke keuzes. Critici koppelden haar handelen aan bredere morele of ideologische oordelen (“dit schaadt vrouwen”, “dit is niet feministisch”, enzovoort). Haar autonomie als individu kwam onder druk te staan doordat anderen bepaalden wat een “juiste” keuze zou zijn. Dat lijkt sterk op wat de NRC-auteurs beschrijven: een vorm van activisme waarbij persoonlijke morele zuiverheid centraal komt te staan, soms meer dan structurele kwesties.

Er zijn ook verschillen: bij Leerdam gaat de kritiek over associatie met een partner en diens ideeën. Bij Beune ging het om haar eigen keuze over seksualiteit en zelfpresentatie. Ironisch genoeg raakt dat tweede voorbeeld misschien nóg directer aan feministische autonomie: de vraag wie bepaalt wat een vrouw met haar lichaam mag doen.

Als je het abstract maakt, draait het in beide gevallen om hetzelfde spanningsveld: wordt iemand beoordeeld op haar prestaties en eigen handelen, of op een moreel totaalplaatje dat anderen samenstellen? Dat is de kernovereenkomst: het risico dat morele toetsing omslaat in sociale disciplinering, waardoor ruimte voor nuance, humor of individuele vrijheid kleiner wordt.

Ik vind dat een irritant fenomeen en wilde erop reageren met een provocatie. Vandaar mijn posting.

Ze doet slechts afstand als voorzitter en leider

Vastgereden in de drek van mijn wensgedachten, begrijp ik nu dat ze de stem voor het platteland nog luider gaat vertolken.

Even dacht ik dat ze er mee op zou houden. “Rijd de tractor maar voor, ik betaal de transportkosten.” Maar ze doet slechts afstand als leider. Ze blijft actief als Kamerlid. Ze blijft boeren mobiliseren. Ze trekt alleen de kar niet meer. Dit is geen koerswijziging; dit is stationair draaikonten op het erf.

Van Rossem werd ook gebeld

Maar vooraf. Door een luie donder.

Er werd nog lang nagepraat over de kwestie-Van Berkel. Maarten van Rossem memoreert in zijn podcast hoe Vrij Nederland hem opbelde met de vraag of hij wel echt cum laude was afgestudeerd. Een methodologisch stuitende en ethisch dubieuze werkwijze; een integere journalist begrijpt dat een verklaring van de betrokkene geen verificatie is en raadpleegt direct de objectieve bron of de juiste instantie. Heeft deze redacteur de School voor Journalistiek wel voltooid? Het verschil tussen onderzoeksjournalistiek en primeurjacht is levensgroot; de kloof tussen waarheidsverlangen en roddelzucht zou dat eveneens moeten zijn.

Wat dat aangaat moet ik een compliment maken richting de Volkskrant. In dit geval toonde de redactie aan dat feitelijke verificatie de enige legitieme basis is voor publieke verslaglegging. Waar de een genoegen nam met een lukraak telefoontje, hanteerde de ander de principes van hoor en wederhoor als een wetenschappelijk instrument; niet om een sensatie te bevestigen, maar om de waarheid te isoleren van de ruis. Het bewijst dat journalistiek pas valide wordt wanneer de bewijslast zwaarder weegt dan de verleidelijke snelheid van de primeur. Een dergelijke toewijding aan de bronnen is geen luxe, maar een bittere noodzaak om de erosie van de publieke informatievoorziening tegen te gaan.

Het wederzijds onbegrip is uit balans

Compassie en dialoog dichten de kloof niet meer.

Fascistisch gedrag contextualiseren met verzachtende verklaringen oogt angstig en doelloos. Compassie voor klootzakken schaadt hun slachtoffers. Kwaad met strafrecht aanpakken is geen schande. Stop de slappe vergevingsgezinde psychotalk.

In een van zijn columns haalt Sander Schimmelpenninck fel uit naar het pleidooi van Bernice Franssen, die oproept tot meer compassie en dialoog met radicaal-rechts om de maatschappelijke kloof te dichten.

Volgens de columnist is deze benadering gebaseerd op een naïeve en elitaire misinterpretatie van filosofische concepten, waarbij onterecht wordt gesuggereerd dat er sprake is van een gelijkwaardige ‘cyclus’ van wederzijds onbegrip. De tekst stelt dat empathie een effectief instrument kan zijn in een therapeutische een-op-een-setting, maar dat het volstrekt tekortschiet als politiek antwoord op een beweging die de democratische rechtsstaat actief probeert te ondermijnen.

In plaats van de “toonpolitie” te volgen en begrip op te brengen voor onverdraagzaamheid, pleit de schrijver voor een strijdbaardere houding. Het idee dat men fascistoïde overtuigingen met zachtmoedigheid kan bestrijden, wordt afgedaan als een gevaarlijke vorm van paternalisme die de kwaadwilligheid van de tegenstander uit het oog verliest. De conclusie is helder: in de confrontatie met vijanden van de democratie is het winnen van de ideologische strijd belangrijker dan het bewaren van de lieve vrede of het vermijden van conflict.

Het gaat hier om een klassiek conflict tussen de ethiek van de dialoog en de ethiek van de weerbare democratie. De kern van de kritiek in de column is eigenlijk een fundamenteel meningsverschil over de aard van politiek:

  • Bernice Franssen (en de stroming die zij vertegenwoordigt) ziet politiek als een proces van heling en verbinding, waarbij onbegrip de bron van het probleem is.
  • De columnist ziet politiek als een strijd tussen onverenigbare waarden, waarbij het niet gaat om een gebrek aan begrip, maar om een fundamenteel verschil in intentie (kwaadwilligheid versus democratie).

Het is interessant om te vermelden dat dit debat in de politieke filosofie bekendstaat als de “Paradox van de tolerantie” van Karl Popper. Deze stelt dat als een samenleving onbeperkt tolerant is, zelfs tegenover degenen die intolerant zijn, de toleranten uiteindelijk zullen worden vernietigd en de tolerantie met hen.

De achterkant van de ontamerikanisering

Dank Marcia voor de plastische voorstelling van zaken.

We ontamerikaniseren onze digitale systemen of anders: “Vol overgave de dikke lillend-witte Amerikaanse presidentiële reet likken.” Marcia Luyten plaatst het woord ‘ondernemen’ in een nieuwe ‘konttext’. Het vult een afzichtelijk gat, zeg maar. ONT- of KONTamerikaniseren, that is the question.

De paradox van de agro-industrie

Agro-industrie & boerocratie doen denken aan anarcho-primitivisme: landbouw als bron van een cliëntelistische staat die boeren helpt via subsidies en uitzonderingsregels. Resultaat: een sector die vasthoudt aan een vervuilend overlevingsmodel. En die critici bedreigt.

De begrippen agro-industrie en ‘boerocratie’ vertonen een sterke ideologische verwantschap met het anarcho-primitivisme. Deze stroming voert de wortels van hiërarchie en sociale dwang terug naar de neolithische revolutie: het moment waarop de mens overstapte van het jagen en verzamelen naar vaste landbouw. In deze visie was de ‘uitvinding’ van de boer de noodzakelijke voorwaarde voor de geboorte van de staat, die immers afhankelijk was van belastbare overschotten.

In de moderne tijd heeft de staat de agro-industrie verder vormgegeven via een complex stelsel van prijssteun, garanties en uitzonderingsbepalingen. Dit beleid was primair gericht op schaalvergroting en maximale productie, waarbij de ecologische grenzen vaak ondergeschikt werden gemaakt aan economische belangen. Hierdoor is een systeem ontstaan waarin boerenbedrijven structureel afhankelijk zijn geworden van subsidies en industriële input (zoals kunstmest en bestrijdingsmiddelen).

Deze ‘lock-in’ creëert een situatie waarin de agrarische sector vastzit in een kapitaalintensief model. De weerstand tegen strengere milieunormen komt dan ook voort uit een economisch overlevingsmechanisme: binnen het huidige agro-industriële kader is de overstap naar een natuurinclusieve bedrijfsvoering voor velen financieel onhaalbaar zonder de volledige afbouw van het huidige systeem.

PS: Ik spreek in het BlueSky-bericht van een cliëntelistische staat, omdat ik wil wijzen op de politieke “vriendjespolitiek” waarbij de staat de agrarische achterban tevreden houdt met gunstige regels in ruil voor steun. Misschien had ik nog beter kunnen kiezen voor het woord corporistisch. Een corporatistische staat kenmerkt zich namelijk door de nauwe verwevenheid tussen de overheid en grote belangengroepen (zoals de agro-industrie). Dit dekt precies de lading van de ‘boerocratie’: een systeem waarin beleid, subsidies en uitzonderingsregels worden afgestemd op de belangen van de gevestigde machtsblokken. En dan is er een nog ontoegankelijker woordencombinatie, namelijk ‘Interventionistische staat’. Dat is een neutrale, wetenschappelijke term voor een staat die de markt kunstmatig stuurt (via die subsidies en prijssteun).

Mijn Valentijn, who bist du?

Wellicht surveilleert hij stiekem boven mijn huis.

Ik geloof dat ik vriend Peter ben verloren omdat ik hem plaagde met zijn Drone-cursus. Voor de studie en materiaalaanschaf gebruikte hij zijn Persoonlijk Ontwikkelbudget (POB). Daar mag iedere werknemer van Prorail uit putten voor opleidingen, trainingen, workshops of loopbaanactiviteiten. Je kunt dit binnen fiscale grenzen grotendeels zelf inzetten, zonder aparte toestemming vooraf. Het resterend budget mag worden meegenomen naar het volgende jaar. Peter had er vorig jaar geen beroep op gedaan; vandaar dat hij ditmaal tweemaal € 1.000 kon inzetten. De aanschaf van de drone en toebehoren werden als essentieel gezien om het vliegbrevet met goed gevolg te kunnen halen.

“Hé, ben je iets nuttigs gaan doen met je speeltje?”, schreef ik bij dit knipsel uit de Volkskrant dat niet over ‘mijn’ Peter gaat maar over dasseninspecteur Peter Klaver.

Mijn kritiek op die geldsmijterij is dat de kosten van zulke emolumenten tot stijgende prijzen van treinkaartjes en trajecttoeslagen leiden (die toch al niet mals zijn). Daar was hij het overigens mee eens. Maar ja, zijn tegenargument klonk ook niet onlogisch: de mogelijkheden bestonden nu eenmaal. Hij maakte daar dus gewoon maar gebruik van. Zou ik niet hetzelfde hebben gedaan als ik nog treindienstleider was?

Die vraag moet ik schuldig blijven. Ik maakte ooit een veiligheidsfout en verliet het bedrijf voortijdig. Misschien ben ik sindsdien gevoelig voor alles wat met verkeersleiding te maken heeft. Het is een feit dat ik het altijd als een deceptie heb ervaren dat ik daar zelf de hand in heb gehad. Niet alleen in het abrupte einde van mijn loopbaan, maar ook in de manier waarop ik sindsdien naar spoorzaken ben blijven kijken; alsof ik nog steeds langs de kant van het emplacement sta, terwijl de treinen zonder mij vertrekken.

Ik was ook nooit de beste verkeersleider, moet ik eerlijk zeggen. Ik ging altijd wat nerveus naar het werk. Anderen leken het overzicht moeiteloos te bewaren; zij spraken over het omzetten van wissels, het vrijgeven van rijwegen en het uitschakelen van bovenleidingen alsof het schaakzetten waren. Bij mij zat er altijd een fractie twijfel tussen waarnemen en handelen. Niets dramatisch, meestal niet eens zichtbaar voor collega’s, maar genoeg om je eigen vertrouwen langzaam uit te hollen. Die ene veiligheidsfout was misschien onvermijdelijk. Achteraf voelt hij bijna logisch, alsof hij al jaren onderweg was.

Misschien kijk ik daarom zo scherp naar alles wat met het spoor te maken heeft. Niet uit superioriteit; eerder uit een mengeling van spijt en nostalgie. Jaloezie speelt waarschijnlijk ook mee. Peter staat nog midden in het bedrijf, tussen de dienstregelingen en het koffieautomaat, waar het gesprek altijd ergens over storingen, collega’s of reorganisaties gaat. Hij hoort daar nog bij. Ik niet meer.

Dat persoonlijk ontwikkelbudget is trouwens ooit door de vakbond binnengehaald, althans zo gaat het verhaal. Een verworven recht, bedoeld om werknemers wendbaar te houden in een sector die voortdurend verandert. Nieuwe technieken, digitalisering, drones blijkbaar ook. In theorie een prachtig idee: mensen de kans geven zichzelf opnieuw uit te vinden zonder meteen afhankelijk te zijn van leidinggevenden of budgetrondes. In de praktijk betekent het soms dat iemand met twee keer duizend euro aan opgespaard budget thuiskomt met een drone die meer kost dan mijn eerste auto.

En daar begon dus het plagen. Bovenop mijn eerste kritiek stapelde ik wat kleine opmerkingen richting Peter (zie afbeeldingen). Aanvankelijk was het onschuldig. Een opmerking hier, een krantenknipsel daar. Ik vond het geestig; precies scherp genoeg om grappig te zijn, zo dacht ik. Maar Peter reageerde niet. Humor werkt uitstekend zolang beide partijen weten dat het een grap is. Maar ergens onderweg verloor ik misschien dat kompas. Misschien omdat ik eigenlijk niet met hem sprak, maar met mezelf, met de versie van mij die ooit ook recht had gehad op cursussen, certificaten en nieuwe kansen.

Sindsdien is het stil. Ik ben inmiddels benieuwd naar die dronefilmpjes. Waar vliegt hij zoal heen als vreemde vogel en wat brengt hij in beeld? Ik kijk steevast naar boven als ik mijn huis verlaat.

Mijn begeleidend commentaar bij dit knipsel uit de NRC luidde: “Jij haalt de krant wel vaak, de laatste tijd.” Het ging overigens om een interview met de opiniepeiler Peter Kanne.

De reis van ons posthumane leven

Ja, we gaan naar Mars, maar niet in een menselijke gedaante.

Mars is een zuurstofloze hel. De biologische mens in koolstofvorm heeft er niets te zoeken. Pas als we posthumaan zijn en kunnen reizen als een ‘Substrate-Independent Mind’, of een’Synthetic Humanoid’, of een digitaal bewustzijn, heeft interplanetair toerisme zin. Tot die tijd: toedelidoki roestbak.

Met de termen ‘Substrate-Independent Mind’ en ‘Synthetic Humanoid’ kon ik wel leven, maar voor ‘Mind Upload’ of ‘Digital Construct’ – dat mijn geblader door SF-lectuur en meer wetenschappelijke beschouwingen ook voorstelde – zocht ik een alternatief. Bij gebrek aan ruimte op BlueSky werd dat ‘digitaal bewustzijn’.

Ik ben erg bezig met de hoedanigheid waarin we wel naar Mars zouden kunnen gaan. Neutraal gezien lijkt de vorm van een gedigitaliseerd bewustzijn me het meest plausibel. Maar kun je een in een computer geüpload bewustzijn nog wel mens noemen? Ons digitale voortbestaan, helemaal ontdaan van de humane gedaante, zou een geest of ziel kunnen bezitten die volledig is gereconstrueerd.

Ik spreek trouwens niet graag van geest of ziel. Naast de meest gangbare term bewustzijn heb ik het liever over een entiteit met een persoonlijkheidskern of een mentale kern. Volkomen zelfbewust dus en met een cognitieve identiteit. Maar los van het lichaam voortgezet. Alleen voor zo’n mentaal bestaan met zelfbesef en denkvermogen zie ik verplaatsingsmogelijkheden buiten de dampkring. We moeten ‘m natuurlijk ook een waarnemend vermogen geven, anders heeft de reis geen zin.

Een innerlijk suggereert een uiterlijk. We willen de drager-onafhankelijke geest graag terug in een fles stoppen die lijkt op een mens. Dat kan een synthetische mensachtige zijn (de directe vertaling van Synthetic Humanoid die minder ‘popcultuur’ aanvoelt dan de Engelse term). Ik heb het dan over een tijd waarin we niet meer gebonden zijn aan een specifiek biologisch of hardware-matig platform. We kiezen gewoon het poppetje uit waarop we willen lijken en maken hem voor het gemak gelijk ook super vaardig (dus bovenmenselijk).

Alle bovenstaande concepten worden theoretisch breed besproken in de computationele neurowetenschap en transhumanistische filosofie en op alle mogelijke manieren gevizualiseerd in SF-verhalen. De praktische uitvoering ervan is op dit moment natuurlijk nog volledig speculatief. Er is nog geen bewijs dat het menselijk bewustzijn daadwerkelijk losgekoppeld kan worden van de biologische architectuur van de hersenen.

Maar dat is een kwestie van tijd.

Box 3 als noodrem op de ongelijkheid

Vermogensheffing beschermt het fundament van ons maatschappelijk contract; de collectieve veiligheid van de rechtsstaat.

De overgang naar een box 3-stelsel op basis van werkelijk rendement in 2028 wordt vaak geframed als een aanval op het individu; in werkelijkheid is het de noodzakelijke prijs voor de grond waarop dat individu staat. Wie vanaf 2028 belasting betaalt over de reële winst uit sparen, beleggen of vastgoed, doet dat niet omdat de overheid hem wil dwarsbomen, maar omdat hij succesvol opereert binnen de veiligheid van een georganiseerde rechtsstaat.

De paradox van de welvaart: de ‘Stelling van de Dag’ bevestigt telkens opnieuw de groeiende kloof tussen privaat gewin en de bereidheid om bij te dragen aan het publieke fundament. Een voorspelbare echo in de echokamer: wanneer de Telegraaf-lezer wordt gevraagd naar een vrijheidsbijdrage (wat vermogensbelasting feitelijk is), wint het eigenbelang het steevast van het maatschappelijk contract. We zien de collectieve onwilligheid van recht Nederland in beeld gebracht. De uitslag van deze enquête zegt meer over de angst voor nivellering dan over de noodzaak van een stabiele rechtsstaat.

Iedereen die box 3-belasting betaalt, beschikt over een vermogen dat de vrijstelling van bijna 60.000 euro overstijgt. Dit is niet de groep die wakker ligt van exploderende huren of wachtlijsten in de zorg, maar juist de groep die het meest te verliezen heeft bij een instabiele samenleving. Belastingheffing is geen boete op succes, maar de premie voor het maatschappelijk contract. De burger draagt bij en verwacht daar een functionerend land voor terug. Toch lijkt de bereidheid om dat eigen aandeel te leveren bij elke maatregel opnieuw ter discussie te staan, terwijl de publieke sector onder de druk bezwijkt.

Thomas Piketty toonde in Het kapitaal in de 21ste eeuw met wiskundige precisie aan dat vermogensongelijkheid zichzelf versterkt wanneer het rendement op kapitaal de economische groei structureel overstijgt. Zonder correctiemechanismen zoals een vermogensheffing groeit de kloof tussen bezit en arbeid onhoudbaar door. De hervorming van box 3 is daarom geen ideologische pesterij, maar een bescheiden en noodzakelijke rem op een gevaarlijke economische tendens die de sociale cohesie bedreigt.

Natuurlijk is de kritiek op de uitvoering terecht. Het jarenlange gebruik van fictieve rendementen was een juridisch wangedrocht dat de rechtsstaat onwaardig was. Maar de verontwaardiging over het belasten van echte winst verraadt een dieper probleem: een deel van Nederland lijkt de verbinding kwijt met de bron van hun eigen welvaart.

Zonder een robuuste infrastructuur, hoogwaardige gezondheidszorg en de collectieve veiligheid van de rechtsstaat is het onmogelijk om vermogen op te bouwen of te behouden. Die stabiliteit is niet gratis; het vereist georganiseerd, collectief kapitaal. Dat noemen we belasting. Mogen bijdragen aan een land dat overeind blijft, is geen last die we moeten ontwijken, maar het ultieme privilege van de vermogende burger.

PS: De uitslag van de peiling van De Telegraaf is geen economische analyse, maar een illustratie van de structurele weerstand tegen het maatschappelijk contract. Waar de lezersschare een ‘roofoverval’ ziet, negeert zij de collectieve voorzieningen die hun vermogensopbouw überhaupt mogelijk maken. De voorspelbare uitkomst van deze enquête bevestigt de ‘verliesaversie’ van een groep die het eigen directe belang consequent zwaarder laat wegen dan het publieke fundament van de rechtsstaat