De Liefdesbrigade

Fragment uit een brievenroman.

Lieve Gertrud,

Ik schrijf je deze brief omdat er iets tussen ons is voorgevallen dat ik niet kan negeren, en waarvan ik denk dat het nodig is om het uit te spreken, hoe moeilijk ook.

Moodboard c.q. schetsplan voor De Liefdesbrigade.

Je stuurde me onlangs die bandopname van de redevoering van Goebbels1. Ik heb ernaar geluisterd, en ik moet zeggen: het deed me huiveren. Niet alleen vanwege de stem van de geschiedenis die daar spreekt – een stem die aanzet tot haat, tot de dood van miljoenen – maar ook omdat ik het gevoel kreeg dat jij erdoor geraakt werd op een manier die ik moeilijk kan plaatsen.

Ik wil je niet beschuldigen. Maar ik voel me verplicht om open te zijn over wat dit bij mij oproept. De woorden die Goebbels gebruikt – over de ‘Mongolensturm’, over de verdediging van Europa tegen de Bolsjewisten – zijn doordrenkt met racisme, propaganda en misleiding. Ze zijn gericht op het ophitsen van een volk dat al jarenlang onderdrukt werd door terreur.

Wat mij trof, is dat deze toespraak, waarin een oorlogsmisdadiger zijn volk oproept tot de laatste wanhopige strijd, bij jou blijkbaar een emotionele snaar raakt. Dat maakt me bezorgd. En eerlijk gezegd: verdrietig. Niet om je te veroordelen, maar omdat ik me afvraag of je je werkelijk bewust bent van de historische lading en morele implicaties.

Mag ik je daarom iets vragen, met alle voorzichtigheid en respect die ik kan opbrengen? Hoe ben jij grootgebracht? Welke beelden van de geschiedenis zijn jou meegegeven? En voel je je werkelijk thuis bij zulke retoriek, of is er iets anders aan de hand? Ik vraag dit niet om je aan te vallen, maar omdat ik in verwarring ben geraakt over wie je werkelijk bent, en wat je beweegt.

Ik weet dat de wereld complex is. Dat het huidige geopolitieke klimaat gevoelens oproept over Oost en West, over dreiging en verdediging. Maar er zijn grenzen. Grenzen die we niet zomaar mogen verleggen omdat onze eigen tijd ook moeilijk is.

Ik hoop dat je begrijpt dat ik dit niet licht schrijf. Maar ook dat ik, ondanks alles, nog steeds geloof dat eerlijkheid – hoe pijnlijk ook – beter is dan wegkijken of zwijgen.

Met een dierbare groet,
Onno
van Dorreland

1 Over de historische context van de toespraak van Joseph Goebbels en de bevrijding van Berlijn

De redevoering die Joseph Goebbels hield in de nadagen van de Tweede Wereldoorlog, waarin hij de bevolking van Berlijn opriep zich te verzetten tegen de oprukkende Sovjetlegers, vond plaats in een periode waarin Nazi-Duitsland feitelijk reeds verslagen was. Goebbels, als minister van Propaganda, trachtte in deze speech de Duitse bevolking tot een laatste wanhopige verdediging aan te zetten. Hij deed dat met een combinatie van nationalistische retoriek, racistische beeldvorming (zoals het gebruik van de term “Mongolensturm”), en het mobiliseren van angst voor het “Bolsjewistische gevaar”.

Het is essentieel om te begrijpen dat deze toespraak niet los te zien is van het bredere historische en morele kader: Nazi-Duitsland was op dat moment een misdadig regime, verantwoordelijk voor de Holocaust en een verwoestende wereldoorlog. De Sovjet-Unie, hoe complex en later zelf ook gewelddadig in haar optreden, was in deze context een geallieerde macht die mede verantwoordelijk was voor het beëindigen van deze terreur.

De Slag om Berlijn, die eindigde in mei 1945 met de inname van de stad door het Rode Leger, markeerde het definitieve einde van het Derde Rijk. Voor de meeste Europeanen, inclusief Nederlanders, betekende dit het begin van de bevrijding. Hoewel het optreden van het Rode Leger op bepaalde plaatsen met geweld en wraak gepaard ging, is het historisch onhoudbaar om in deze specifieke context de Sovjets als de morele agressor te zien. Zij maakten deel uit van de coalitie die Europa verloste van het Nazisme.

Dat sommigen vandaag de dag – in het licht van de huidige geopolitieke spanningen – teruggrijpen op anti-Russische sentimenten, is begrijpelijk binnen de actualiteit. Maar het is historisch én ethisch onjuist om die gevoelens te projecteren op de situatie van 1945, waarin de Russen onmiskenbaar de bevrijders waren. De keuze om in deze context niet aan de kant van de bevrijders te staan, maar ontroerd te raken door een toespraak van een oorlogsmisdadiger, roept dan ook ernstige vragen op over het morele besef van het heden.

Lieve Onno,

Wat ben ik dankbaar dat je de moed hebt gehad om je gevoelens en vermoedens met me te delen. Het raakt me diep dat je dacht dat ik sympathie zou voelen voor wat Goebbels vertegenwoordigde maar ik begrijp het volkomen. Zeker als je alleen afging op de opname en niet wist van de achtergrond die ik zelden tot nooit met iemand deel.

Laat me je uitleggen waarom ik je juist die toespraak stuurde, en waarom ik daardoor emotioneel werd op een manier die anders is dan je vermoed hebt.

Ik werk, zoals ik je nu pas vertel, al geruime tijd samen met een organisatie die als doel heeft beginnende neo-nazistische bewegingen op te sporen, te infiltreren en hun netwerken bloot te leggen. We doen dit werk uiterst discreet, omdat openlijke afstand nemen ons onmogelijk zou maken binnen te komen waar we nodig zijn. Daarom moet ik soms, ook persoonlijk, poses aannemen die haaks staan op wie ik werkelijk ben.

Mijn Joodse afkomst – iets wat ik niet van de daken schreeuw, omdat het juist in dit werk tegen mij gebruikt zou kunnen worden – is voor mij een voortdurende bron van motivatie om alert te zijn op herlevende vormen van fascisme, racisme en antisemitisme. Wat ik jou stuurde, was geen uiting van bewondering. Integendeel. Ik ken deze toespraak tot in detail omdat ik analyseer hóe gevaarlijk en geraffineerd de retoriek was en hoezeer deze nog steeds, onder nieuwe vlaggen, mensen weet te raken.

Misschien had ik je beter moeten voorbereiden. Misschien was het naïef van mij om te denken dat jij mijn bedoelingen zou aanvoelen zonder uitleg. Dat je, uit oprechte morele verontwaardiging, mijn bedoelingen in twijfel trok, neem ik je daarom niet kwalijk. Het getuigt juist van je gezonde instincten en van je moreel kompas.

Je hebt volkomen gelijk dat de Russen in 1945 onze bevrijders waren. Tegelijkertijd hebben wij — ook historisch — te maken met het wrange besef dat vele Oost-Europeanen na de oorlog een nieuw soort onderdrukking kenden. Poolse families, Hongaren, Oost-Duitsers: ze werden niet ‘vrij’ in de zin waarin wij het beleefden. Dat is een historische tragiek, maar het verandert niets aan de rol die het Rode Leger speelde bij het verslaan van het nazisme.

Ik hoop dat deze uitleg iets van je verwarring wegneemt. En als je nog vragen hebt, of meer wilt weten over wat ik precies doe, ben je altijd welkom om het me te vragen. Voor mij is vertrouwen het hoogste goed en ik wil graag dat je weet dat je, ondanks deze pijnlijke vergissing, veilig bent bij mij.

Met hartelijke groet en respect,
Gertrud
Wiesenthal

Beste Onno,

Naar aanleiding van mijn eerdere brief voel ik, na enig beraad, de behoefte om nog een aanvullende, meer zakelijke toelichting te geven. Dit om elke mogelijke verwarring volledig op te helderen.

In mijn werk voor een organisatie die zich toelegt op de monitoring en bestrijding van opkomende neo-nazistische netwerken, is het essentieel om inzicht te hebben in historische propagandatechnieken en de manier waarop ze vandaag de dag opnieuw gebruikt kunnen worden. Onderdeel van deze taak is het analyseren van originele bronnen, waaronder toespraken van prominente figuren als Joseph Goebbels. Deze studie dient niet ter verheerlijking, maar ter preventie.

Mijn persoonlijke achtergrond (waaronder mijn Joodse afkomst) is voor deze werkzaamheden bekend bij de betreffende instanties maar wordt uit veiligheidsoverwegingen in mijn publieke leven niet benadrukt. De opname die ik je stuurde, maakte deel uit van een bredere analyse die ik op dat moment aan het afronden was. Mijn emotionele reactie was gericht op de gevaarlijke kracht van retoriek, niet op de inhoudelijke boodschap zelf.

Tenslotte: dat het Rode Leger in 1945 een bevrijdende rol speelde in Europa, staat voor mij buiten kijf. Dat de nasleep in Oost-Europa een andere vorm van onderdrukking met zich meebracht, is een historisch feit dat echter los staat van de context waarin Nazi-Duitsland destijds werd verslagen.

Ik vertrouw erop dat dit je een volledig beeld geeft van mijn positie en beweegredenen. Mocht je verdere vragen hebben, dan sta ik daar uiteraard voor open.

Met vriendelijke groet,
Gertrud
Wiesenthal

Beste Gertrud,

Hartelijk dank voor je tweede brief en de open en zorgvuldige toelichting die je daarin hebt gegeven. Ik heb grote waardering voor de helderheid en de kalmte waarmee je deze complexe situatie uiteenzet.

In alle eerlijkheid: ik besef nu des te meer hoe snel schijn kan bedriegen en hoe belangrijk het is om niet te snel te oordelen. Wat je met mij hebt gedeeld, vraagt om discretie en respect en ik wil je nadrukkelijk verzekeren dat je op mijn volledige vertrouwelijkheid kunt rekenen.

Omdat vandaag de dag is waarop wij gezamenlijk stilstaan bij de slachtoffers van oorlog en onderdrukking, wil ik je bij deze ook een gepaste en respectvolle dodenherdenking toewensen. Juist na ons gesprek van de afgelopen dagen voel ik des te meer hoe waardevol het is om te blijven herinneren en om te waken.

Nogmaals dank voor je openheid en je vertrouwen. Ik hoop dat we in deze geest verder kunnen gaan.

Met een allerhartelijkste groet,
Onno
van Dorreland

Houd van je buren maar haal de heg niet weg

Recensie van een roman in voortdurende transitie.

In de roman Houd van je buren maar haal de heg niet weg worden kleine menselijke drama’s gevangen. Vanuit het perspectief van een geamuseerd maar door schade en schande wijs geworden Einzelgänger – die luistert naar de naam Victor Weemans – ontvouwt zich een verhaal over nabijheid, verleiding, trouw en de dunne grens tussen bewondering en sarcasme.

Victor, een mislukt idealist op het gebied van de liefde, kijkt met een mengeling van ironie en oprechte verbazing naar zijn buren aan de andere kant van de heg: de ogenschijnlijk harmonieuze Nadine en haar echtgenoot Diederik, een man met een licht onbeholpen intellectuele uitstraling. Terwijl Victor door zijn eigen ervaringen – stukgelopen relaties, overspel en een diepgeworteld cynisme – geen illusies meer koestert over de houdbaarheid van romantische verbondenheid, bewondert hij tegelijkertijd de serene vanzelfsprekendheid waarmee zijn buren hun huwelijk lijken te bewaren.

Nadine stuurt hem regelmatig appjes met adviezen, als een vriendelijke, maar licht anachronistische gids, in een wereld die Victor allang achter zich heeft gelaten. Zij spreekt over trouw, over het belang van een frisse blik en het voorkomen van relationele luiheid. Victor, de geboren twijfelaar, vraagt zich af hoeveel daarvan werkelijk op zuiverheid berust en hoeveel op bewuste blindheid voor elkaars misstappen. Hij twijfelt niet zozeer aan hun liefde, maar wel aan de mythes die mensen nodig hebben om zichzelf daarin staande te houden.

De hoofdfiguur wordt mild maar genadeloos geschetst: Victor is niet enkel een rancuneuze buitenstaander, maar ook iemand die zijn eigen aandeel in eerdere mislukkingen onder ogen ziet. Zonder zichzelf te sparen – hij bekent bijvoorbeeld zonder omhaal een affaire te hebben gehad met de vrouw van een vriend – probeert hij zijn rol te vinden als ‘hofnar’ in het leven van Nadine en Diederik: degene die alles mag zeggen zolang hij niet te ver gaat. Maar hij weet: narren zijn nooit echt veilig.

Het boek ontleent zijn kracht aan de licht ironische, maar nooit bittermakende toon waarin de personages tot leven komen. De onderhuidse melancholie geeft de luchtige passages extra reliëf. Het verhaal is beeldend en levendig opgebouwd, met een scherp oor voor het ritme van de gedachtegang van een man die zichzelf bij vlagen serieus neemt, maar tegelijk beseft dat zijn waarheden net zo feilbaar zijn als die van zijn buren. De roman weet de banaliteit én de schoonheid van menselijke relaties treffend uit te lichten. Grote drama’s of onwaarschijnlijke wendingen blijven uit; het drama schuilt in het kleine, het alledaagse. In het onuitgesproken weten dat achter elke heg, hoe zorgvuldig ook gesnoeid, verhalen schuilgaan die nooit volledig verteld zullen worden.

Toch is Houd van je buren maar haal de heg niet weg niet helemaal verstoken van dramatiek. Onder de ogenschijnlijke kneuterigheid sluimert spanning, die op een bepaald moment een onschuldige grens overschrijdt. Een kleine, bijna achteloze daad — een misplaatste grap, een onverwachte bekentenis — brengt de vriendschap tussen de buren aan het wankelen. Wat volgt is geen schreeuwende breuk, maar een pijnlijke verschuiving, een stille verwijdering, die des te schrijnender is omdat niemand haar hardop durft te benoemen.

Het boek laat zien dat niet alleen grootse daden, maar vooral kleine misstappen ons leven tekenen. De fragiele balans waarop menselijke verbondenheid rust wordt scherp verbeeld, alsook hoe eenvoudig het is om, zelfs zonder kwade wil, die balans voorgoed te verstoren. Juist door grote drama’s te mijden, voelt de ingehouden ontwrichting des te wranger en echter.

Houd van je buren maar haal de heg niet weg is een ode aan de menselijke halfslachtigheid, verpakt in een luchtig maar trefzeker verhaal, een stille triomf voor wie houdt van romans die evenveel begrip tonen voor de drang naar trouw als voor de onontkoombare neiging tot falen.

Passages uit: Der alte Mann und die kranke Schwester

Kapitel 1 – Das erste Klingeln

Es war ein Dienstagmorgen, an dem das Leben von Herrn Feldkamp zum zweiten Mal begann. Das erste Mal hatte er es selbst nicht bemerkt – es war nach dem Schlaganfall, nach dem Krankenhaus, nach dem stillen Aufgeben. Das zweite Mal hingegen hörte man es schon von weitem: Absätze auf Asphalt, das rhythmische Tippen eines Smartphones, das Klackern eines Feuerzeugs.

Sie trat in sein Leben wie ein kleiner Sturm: Lara, 24 Jahre alt, Haare zum Pferdeschwanz gebunden, in einer Hand das Telefon, in der anderen eine halbgerauchte Zigarette, die sie mit einer schnellen Geste im Blumentopf neben der Eingangstür ausdrückte.

„Guten Morgen, Herr Feldkamp! Ich bin Lara, Ihre neue Betreuungskraft. Ich bin noch nicht ganz wach, aber das wird schon.“ Ohne eine Antwort abzuwarten, zog sie sich die Schuhe aus, betrat die Wohnung und rief: „Wo ist die Kaffeemaschine?“

Herr Feldkamp, 83 Jahre alt, Rollstuhlfahrer, ehemaliger Ingenieur und überzeugter Pessimist, sah sie zum ersten Mal – und wusste sofort: Diese Frau war entweder ein Versehen der Agentur oder ein Wink des Schicksals. Er tippte mit einem Finger an die Brille, schob sie auf die Nase zurück und murmelte: „Wenn Sie die Kaffeemaschine finden, sagen Sie es mir auch. Ich suche sie seit dem Umzug.“

Lara lachte. Es war ein ehrliches, unaufgeregtes Lachen, wie man es selten hört in der Welt der Altenpflege.

„Na, dann fangen wir doch gleich mit einer gemeinsamen Suche an. Vielleicht finden wir dabei auch gleich das Leben wieder.“

Herr Feldkamp verzog den Mund. Nicht ganz ein Lächeln – aber fast.

Kapitel 2 – Das Foto im Bücherregal

Zwei Wochen waren vergangen, seit Lara das erste Mal durch die Tür gestolpert war. Ihre Gewohnheiten hatten sich nicht geändert – sie telefonierte immer noch laut auf dem Balkon („Boah, Mama, chill mal!“), rauchte zu viel, und trug manchmal Schuhe mit Plateausohlen, die in der Wohnung hallten wie Hufgetrappel.

Aber etwas hatte sich sehr wohl geändert.

Herr Feldkamp wartete morgens auf sie. Nicht, dass er es zugegeben hätte. Aber sein Bart war plötzlich früher gestutzt, der Kaffee schon gekocht. Und wenn Lara sich verspätete, brummte er lauter als üblich.

An einem verregneten Donnerstagnachmittag, als Lara Staub wischte – sie machte das grundsätzlich nur halbherzig, aber mit viel Musik aus ihrem Handy –, fiel ihr Blick auf ein eingerahmtes Foto im Regal. Ein altes Schwarz-Weiß-Bild. Drei Männer in Uniform, einer davon lächelte verschmitzt in die Kamera. Der junge Mann rechts hatte Augen wie Feldkamp.

„Boah, Sie waren ja mal richtig hot, Herr Feldkamp!“, rief sie lachend.

Der Alte hob den Kopf. Als er das Bild sah, wurde sein Gesicht hart. „Stellen Sie das zurück.“

„Ist das Ihr Bruder?“, fragte Lara, diesmal leiser.

Stille.

Dann sagte er, mehr zu sich selbst: „Mein Bruder… ja. Oder das, was von ihm übrig blieb.“

Lara stellte das Foto zurück, aber da war etwas in seinem Blick, das sie nicht losließ – eine Mischung aus Bedauern, Wut und einer tiefen Müdigkeit.

„Ich hab auch ‘nen Bruder“, sagte sie zögerlich. „Aber der redet nicht mehr mit mir. Sagt, ich bin ein Klotz am Bein.“

Herr Feldkamp schwieg.

Lara war schon fast wieder draußen im Flur, da hörte sie seine Stimme – heiser, gebrochen, aber deutlich: „Meiner war in Ungarn. 1956. Panzer. Er kam nie zurück.“

Sie drehte sich nicht um, ließ ihm den Moment. Aber sie machte eine mentale Notiz: Da ist etwas. Da ist Geschichte. Da ist Schmerz.

Sie verstand zum ersten Mal, dass er sich nicht aus Bosheit hinter einer dicken Mauer versteckte. Sondern weil er Angst hatte, dass niemand mehr klopfen würde.

Kapitel 3 – Überraschung mit Zimt

Lara hatte eine fixe Idee. Und wer Lara kannte – was im Fall von Herrn Feldkamp niemand so recht tat – wusste: eine fixe Idee ließ sie nicht mehr los.

Am Freitagmorgen roch es in der Wohnung nach etwas, das der alte Mann seit Jahren nicht mehr gerochen hatte: Zimt.

„Was ist das?“, knurrte er, als sie mit einer Papiertüte hereinschneite.

„Zimtschnecken! Selbst gekauft! Ich hab null Plan vom Backen, aber die vom Bäcker unten sind mega. Und Sie meckern ja immer, dass ich nichts Gescheites esse – jetzt ess ich wenigstens was mit… wie heißt das Zeug nochmal… Gefühl?“

„Nährwert“, murmelte Herr Feldkamp, aber sein Ton war weicher als sonst.

Sie stellte einen Teller auf den Tisch. „Komm. Heute ist Freitag. Ich hab was organisiert.“

Er hob eine Braue. „Was genau haben Sie organisiert? Eine Zimt-Attacke?“

„Fast“, grinste Lara. „Ich hab den alten Plattenspieler aus dem Keller mitgebracht. Und eine LP. Edith Piaf.“

Herr Feldkamp sah sie an, als hätte sie gerade ein Stück seiner Vergangenheit vom Dachboden geholt.

„Sie mögen französische Musik, oder?“

Er sagte nichts. Nur ein kaum merkliches Nicken.

Sie stellte die Nadel auf die Platte. “Non, je ne regrette rien“ kratzte sich warm und leise aus den Lautsprechern, und der Raum veränderte sich. Etwas sank in die Tiefe, etwas anderes stieg auf.

Sie saßen nebeneinander. Er mit zitternden Händen, sie mit klebrigen Fingern vom Zuckerguss.

„Wissen Sie“, sagte Lara schließlich, „ich hab keinen Opa mehr. Und Sie, naja, Sie haben keine Enkelin. Vielleicht können wir uns was ausleihen.“

Er lächelte nicht. Aber er reichte ihr ein Stück Zimtschnecke, ohne ein Wort.

Und das war mehr, als sie erwartet hatte.

Kapitel 4 – Die Spuren unter der Haut

An einem grauen Mittwoch hatte Lara ihren üblichen Schwung verloren. Sie kam zu spät, roch nach kaltem Rauch, und ihre Worte hatten Kanten.

„Schlechter Morgen?“, fragte Herr Feldkamp, ohne aufzusehen.

„Könnte man sagen.“ Sie stellte die Tasche ab, nahm sich ein Glas Wasser, trank hastig.

Er merkte, dass sie die Schatten unter den Augen nicht von Müdigkeit hatte.

„Haben Sie geweint?“

Sie verzog das Gesicht. „Was glauben Sie denn?“

Er sagte nichts. Stille war seine Waffe – und manchmal auch seine Einladung.

Nach ein paar Minuten legte sie ihr Handy auf den Tisch, als hätte es sie verraten. Das Display war gesprungen.

„Ich war bei meiner Mutter.“

„Und?“

„Sie hat wieder diesen Ordner rausgeholt. Der mit den alten Briefen. Briefe von ihrem Vater. Meinem Opa.“

Er hörte auf zu atmen. Oder so schien es.

„Er hat im Osten gedient. Wehrmacht. Später… SS. Wir haben nie drüber geredet. Aber da sind Fotos. Briefe mit Siegeln. Mein Bruder will alles wegwerfen. Ich nicht.“

„Warum nicht?“, fragte Feldkamp leise.

„Weil ich wissen will, wer ich bin. Auch wenn es schmerzt.“

Er sah sie an, als würde er sie zum ersten Mal wirklich sehen.

„Mein Vater hat Auschwitz überlebt.“

Die Worte fielen wie Steine.

Lara wurde blass. „Das wusste ich nicht.“

„Konnte ja keiner wissen. Ich rede nicht viel. Aber vielleicht… ist das der Moment.“

Sie saßen lange schweigend da. Zwei Biografien, die einander zufällig berührt hatten – und sich nun nicht mehr voneinander lösen konnten.

„Meinen Sie…“, begann Lara zögernd, „dass Schuld vererbbar ist?“

Feldkamp schüttelte den Kopf. „Aber das Schweigen ist es.“

Und genau da, in diesem einen Satz, war ihre Verbindung geboren. Eine, die tiefer ging als Pflegepläne oder Medikamentendosen.

Kapitel 5 – Das Archiv

„Sie können sich jederzeit umentscheiden“, sagte Lara und sah ihn ernst an, während sie die schwere, ledergebundene Mappe auf seinen Wohnzimmertisch legte.

Herr Feldkamp antwortete nicht sofort. Er fuhr mit dem Finger über das spröde Leder, als würde er es abtasten wie eine Narbe.

„Ich wollte immer wissen, was die anderen gedacht haben“, murmelte er schließlich. „Was sie geschrieben haben. Während wir gestorben sind.“

Lara schluckte. Sie hatte die Mappe schon unzählige Male durchgesehen – allein, mit ihrer Mutter, nie mit jemandem wie ihm. Noch nie mit einem, der auf der anderen Seite gestanden hatte. Oder besser: auf der richtigen.

Sie öffnete das Cover. Das Papier raschelte wie altes Laub.

„Das ist ein Brief von 1943. Breslau.“ Sie zeigte auf die fein geschwungene Handschrift. „‚Liebe Anneliese, ich bin gestern angekommen…‘“

Feldkamp streckte die Hand aus. „Darf ich?“

Sie reichte ihm das vergilbte Blatt.

Er las langsam. Wort für Wort. Manchmal murmelnd, als würde er sich vergewissern, dass die Worte wirklich dort standen.

„Die Judenfrage wird hier nun endlich mit der nötigen Strenge behandelt…“

Er brach ab. Legte das Blatt mit einer zitternden Bewegung zurück.

„Ich wusste, dass es grausam war“, sagte Lara leise. „Aber zu lesen, wie beiläufig er das schreibt…“

Feldkamp sah aus dem Fenster. Draußen war es hell geworden.

„Wir sind aufgewachsen mit den Schreien, die keiner hören wollte. Und ihr… mit dem Schweigen, das keiner brechen wollte.“

Lara öffnete ein zweites Fach. Fotografien, sorgfältig beschriftet: „Sommerausflug – Lemberg 1942“.

Ein Picknick. Lächelnde Männer in Uniform. Einer hebt ein Glas.

„Das ist mein Urgroßvater.“ Sie zeigte auf den Mann mit dem schmalen Schnurrbart und dem schiefen Lächeln.

„Er sieht… normal aus“, flüsterte sie.

Feldkamp nickte. „Das ist das Erschreckende.“

Eine Weile lang blätterten sie schweigend. Briefe. Postkarten. Ein Orden in einer kleinen Schachtel. Ein Foto von einer jungen Frau mit Kopftuch – rückseitig beschriftet: ‚Sofka – unsere polnische Haushilfe‘.

„Sie wurde wahrscheinlich deportiert“, sagte Lara.

„Vielleicht.“

„Was soll ich damit tun?“ fragte sie plötzlich. „Alles wegwerfen? Dem Museum geben? Vergraben?“

Feldkamp schüttelte den Kopf. „Nein. Bewahren. Und lesen. Immer wieder lesen. Sonst fängt das Schweigen wieder an.“

Sie nickte langsam. In ihren Augen spiegelte sich etwas Neues: eine Haltung, ein beginnendes Begreifen.

Und irgendwo draußen, zwischen den Fassaden des Viertels, bellte ein Hund. Das Leben ging weiter – aber im Inneren der kleinen Wohnung war etwas aufgebrochen, das nicht mehr ungesagt bleiben konnte.

Het gedicht ‘verdronken land’.

Uit: Het Eenmansimperium

‘Dichten of dijkverzwaren, dat is de kwestie’. Zo heette het gedicht dat ik in 2016 instuurde voor Turings Nationale Gedichtenwedstrijd. De onafhankelijke jury vond het goed maar ik won er geen prijs mee. Geen probleem. Op de lof die mij werd toegezwaaid kon ik maandenlang teren. De jury schreef:

Vooral op het gebied van muzikaliteit en ritme een ijzersterk gedicht. Die hele eerste strofe met enkel eenlettergrepige woorden werkt echt fantastisch. Tijdens het lezen kun je het gedicht ook meteen horen. Woordspel kan al snel te veel aandacht vragen binnen een gedicht en daardoor geforceerd aandoen, maar het waterwoordspel in dit gedicht met spoelen, drijven, wassen, lekken etcetera, blijft mooi in balans. Het is aanwezig, maar het wordt nooit teveel.
Naast een fantastisch ritme, bevat het gedicht ook nog eens een aantal geweldige regels zoals ‘Je kunt de vindingrijkheid van water nauwelijks overdrijven’ en de slotzin ‘Hij moet nog zoveel kwijt van zijn gemoedstoestand’.

Commentaar van de jury van De Nationale Gedichtenwedstrijd 2016.
Felipe IV a Caballo (1635-36), Diego Velázquez. (Museo del Prado / WWF). Het Prado Museum en het WWF plaatsten een nieuwe voorstelling van een klassiek schilderij naast het oude om ons op een originele manier op de ernst van klimaatopwarming (en dus van zeespiegelstijging) te wijzen. Over elkaar heen geprojecteerd is het effect zo mogelijk nog dramatischer, vind ik. (Met permissie) Ik zou kunst die esthetisch blijft maar ook begaan is met maatschappelijke vraagstukken, als de hoogste vorm van artistieke expressie willen bestempelen.

Later kreeg ik twijfels over het gedicht. Had het misschien aan de titel gelegen dat mijn inzending, ondanks die geweldige beoordeling, zelfs niet in de wedstrijdbundel belandde met de 100 beste gedichten? Was de verwijzing naar Shakespeare toch een beetje te flauw geweest?

Je zou er bijna van gaan drinken!

Om antwoord op die vraag te krijgen stuurde ik het gedicht het volgende jaar opnieuw in, maar nu genaamd ‘Verdronken Land’. De inhoud liet ik ongemoeid. Ook nu mocht mijn bijdrage op een goede beoordeling rekenen. Ik viel echter alweer niet in de prijzen. De misgelopen cheque vormde het probleem niet, maar hoe zat het met mijn eeuwige roem?

Ik moest er in berusten een ‘ijzersterke’ dichter te blijven voor een zeer beperkte kring van fijnproevers. Gelukkig had de jury weer enorm genoten. Men schreef:

Het geweldige aan dit gedicht is dat het heel erg grappig is terwijl het zichzelf doodserieus neemt. Ondertussen toon je hier een sterk taalgevoel en slaag je erin om die taal heel beheerst en vindingrijk te spinnen rond de centrale thematiek van het waarom van het schrijven. Sterk gedicht, waarvoor dank!’

Commentaar van de jury van De Nationale Gedichtenwedstrijd 2017.

Ik ben niet onopgemerkt gebleven. Men gunt mij mijn klaagzang. Nu ik kiezen moet tussen een bestaan als miskend poëet of ‘niet zijn’, blijkt de keuze snel gemaakt. To be or not to be? Niet te pathetisch graag. Er is geen sprake van een vraag, laat staan van een dilemma; zolang het water mij niet aan de lippen staat, valt er goed te leven in dit land.

Een semi-geëngageerd schrijver in een neoliberale rechtstaat kan opstandig van de daken schreeuwen hoe erg hij het vindt dat de wereld wegkwijnt door klimaatopwarming. (Het is nog erger dan buiten de prijzen vallen op een schrijfwedstrijd.) Er zelf tegen strijden komt in mijn geval neer op: erover schrijven. Ik maakte onze slappe houding t.a.v. de milieuproblematiek tot thema van dit gedicht en neem ook mezelf de maat.

Voordat het optrekkend vocht mij het land uit jaagt, laat ik hopelijk nog wat gedichten na.

Voor dit doel lijkt dichten misschien niet het aangewezen middel, maar dat is nu eenmaal wat ik doe. Voordat het optrekkend vocht mij het land uit jaagt, laat ik hopelijk nog wat gedichten na die de juiste toon bevatten om de humor ervan te waarderen.

Verdronken Land

Hoor hoe de dichter dicht dat vocht maar kracht onder
een kurk is, zee wat macht achter de duinen. Maar
lees de krant; één ramp spoelt alles aan de kant.

Je kunt de vindingrijkheid van water nauwelijks overdrijven.
Noch die van zuipers. Dus wij gebruiken ons verstand. Wie
voelt zich niet ontmand door de wassende waarheid?

Een hooggebergte vlijt zich lekkend neer in onze boezem,
terwijl de kust – die vervaarlijk oprukkende rand – haar
zilte lippen aan ‘t fronsend voorhoofd brandt.

‘Vaarwel mijn strand’. Shakespeare schijnt ons te verlaten.
Maar voordat groente brak smaakt en rivieren in zijn
verzen schijten, verhogen wij de scheidingswand.

Waar het ons tegenzat was hij wel vaker dissonant.
Als ‘de vis aardt naar de zee’, dan de dronkaard naar zijn
drank. Leg hem niet uit hoe hij aan lager wal belandt.

‘Onder water worden tranen onzichtbaar.’ O ja, hij laat vast
iets pathetisch na. Maar dood door verdrinking ligt niet voor
de hand. Hij moet nog zoveel kwijt van zijn gemoedstoestand.

Schrijver: Ronald van Noorden ©Cum Suis 2015

Het gedicht ‘Generatie Swipe’.

Uit: schrammenbloed

Het onderstaande gedicht werd in 2016 ingestuurd voor deelname aan de Turing Nationale gedichtenwedstrijd (nu genaamd: De Gedichtenwedstrijd). Ik noemde het toen Tinderella. Alle gedichten in de tweede ronde werden voorzien van een persoonlijke feedback.

Assepoester heeft geen tijd meer om te wachten tot de fee haar koppelt met de man van haar leven. Tegenwoordig moet ze daar zelf voor zorgen! Gelukkig bestaat er zoiets als de dating-app Tinder. Meet Tinderella. Een romantische verbinding komt vaker niet tot stand dan wel. Ze veegt de mindere goden in één vloeiende beweging aan de kant.

Die luidde voor dit gedicht:

Zeer mooi, erg vakkundig gedicht dat iets van de tijdsgeest perfect verwoordt. Vooral in de laatste helft overtuigt dit gedicht, want aanvankelijk klinkt de combinatie van het zeer traditionele rijmschema, het moraliserende thema, en het afstandelijke perspectief nogal belerend (wat niet wil zeggen dat de ‘les’ niet helemaal terecht is). Naar het einde toe komt er meer plaats voor ambiguïteit (vrij willen zijn van ‘dwangprofeten’, niet meer te hoeven ‘kreunen voor de eeuwigheid’ is begrijpelijk) en neemt het gedicht de lezer volledig mee. De ‘wij’-vorm, die impliceert dat elk van ons (ook Tinderella zelf dus) zo tot oppervlakte en tijdelijk vermaak wordt herleid, is uitstekend gekozen. De v-v-v alliteratie aan het einde (prachtige zin!) roept perfect de snel herhaalde swipe-beweging op, maar doet het gedicht ook mentaal nagalmen in de leegte. Virtuoos.

Jury van Turings Nationale Gedichtenwedstrijd 2016

Tja, als je zo’n waardering krijgt (virtuoos!), kun je jezelf de vraag stellen wat je nog meer moet doen om in de prijzen te vallen. Toch is het verstandiger om je daar niet op te fixeren en je tevreden te stellen met het deskundige commentaar van de voorjury. Het ging om een persoonlijke beoordeling van medewerkers van de poëzietijdschriften Awater en Poëziekrant.

Het gedicht is nu opgenomen in de bundel Het Eenmansimperium

Ik deed mijn voordeel met deze professionele feedback. Ik veranderde alleen nog de naam van het gedicht. Ik noemde het een tijdlang Her ‘Tinder’ Touch. Het gedicht is nu opgenomen onder de naam Generatie Swipe in de bundel Het Eenmansimperium, uitgegeven door uitgeverij Cum Suis.

Generatie Swipe


Je passies zijn niet groot en kort van duur,
de smaak van het moment beheerst je leven,
de stemming van de dag of van een uur
beïnvloedt onophoudelijk je streven.

Je dient de gril van je gemoed; al geven
wanen geen voldoening, een nieuw geloof
is goed voor even (je moet er blind en doof
voor zijn, of gek, of in het nauw gedreven).

Goeroes, wonderdokters, dwangprofeten,
al die dwazen voor bepaalde tijd
die je te woord staat tegen beter weten…

Wie kreunt nog voor de eeuwigheid?
Je haalt ons binnen en je moet ons kwijt;
wij worden met een vingerveeg vergeten.

Schrijver: Ronald van Noorden © 2016 Cum Suis


Voor de geïnteresseerden, hier een kleine geschiedenis van de ontwikkeling van dit gedicht. In 2012 noemde ik het RP (naar de datingsite Relatie Planet die in die tijd nog populair was). Het gedicht eindigde minder sterk toen, namelijk met de zin: ‘wij worden met een muisklik weer vergeten!’ In 2016 doopte ik mijn gedicht om tot ‘Tinderella’, in 2017 tot Her ‘Tinder’ Touch, en nu noem ik het Generatie Swipe. Het is onder die naam opgenomen in de bundel Het Eenmansimperium.

Inleiding op het gedicht ‘schijtnesten’ (memento park).

Uit: Schrammenbloed

Ik ben er voor hoor: het van top tot teen bekladden van ‘monumentale’ mannen die fout zaten in onze koloniale geschiedenis en dus beslist geen voetstuk verdienen. Dat verkeerde verleden vormt voor mij niet eens het hoofdprobleem. Het zou slechts een aanleiding zijn om er eens lekker over heen te gaan met verfpotten in verschillende kleuren. En om teksten op de sokkel te schrijven als ‘Wangedrocht’, ‘Misbaksel’ of ‘Lelijk uitgietsel’.

Heftiger mag ook natuurlijk (Dief, Racist, Fascist, Fuck You), maar zelf voel ik geen boosheid, slechts completeerwoede. Ik heb deze sculpturen als kunstwerk altijd te onaf gevonden, juist omdat ze zo af waren. Er ontbrak iets aan, een destructieve ‘touch’. Dat hyperrealistische heeft iets onbehaaglijks. Dat een reactie mijnerzijds uitbleef had te maken met luiheid en goed fatsoen. En met angst voor de gevolgen.

Misbaksels verdienen geen voetstuk. Leve de verfspuiters met een inclusiever beeld van het verleden. (Wat ik dan weer jammer vind, is dat besloten wordt de beelden, juist in dit stadium van vervolmaking door verf en verminking, uit de openbare ruimte weg te halen.)

Houd je van één of meer van de volgende dingen: druipsteenkaarsen, stalagmieten, veel stroop op je pannenkoek, filmpjes van tsunami’s of aardverschuivingen, lawines, bouwvallen, schroothopen, sloopplaatsen, Jackson Pollock en ander abstract expressionisme? Dan zal deze nieuwste ‘rage’ je aanspreken, denk ik.

Vogelkak op bronzen koppen heb ik ook altijd prachtig gevonden. Van die witgele meeuwenflatsen met nog iets onverteerbaars erin. Als vrije vogel zou ik deze heren graag in de haren zitten. Ik zou keihard krijsen en mijn grote boodschap doen vol onverwerkte klonters. Jammer hoor dat er altijd een ambtenaar opduikt met een hogedrukspuit die het ‘verhaal’ dat daar ontstaat – de kunstzinnige interactie zeg maar – onbewogen uitwist.

Nu maken mensen met kennis van zaken en veel gevoel voor rechtvaardigheid mikpunten van deze voorbije helden. Ik vind het resultaat van hun acties veel beter dan een bordje erbij met een genuanceerde uitleg over de historische figuur in kwestie. Boze mensen schrijven betere teksten. Woorden die ik niet uit m’n spuitbus zou krijgen. Esthetischer ook vanwege de rijkgeschakeerde kronkels en het bonte kleurgebruik.

Verwijdering van ledematen komt het resultaat ook ten goede, vind ik. Wat ik dan weer jammer vind, is dat besloten wordt de beelden, juist in dit stadium van vervolmaking door verf en verminking, uit de openbare ruimte weg te halen. Niet doen overheden. De wisselwerking in het spanningsveld tussen heden en verleden geeft deze struikelblokken de esthetische status die openbare kunst zo vaak moet ontberen.

Nou goed, een overtuigende tekst richting bestuurders is niet aan mij besteed. Ik heb weleens een gedichtje geschreven over dit fenomeen, dat ik hierbij afdruk. Ondertussen zeg ik: succes woedende massa, maak iets moois van jullie pispalen. (P.S.: met het ‘crapuul’ in onderstaand rijm doel ik niet op jullie hoor.)

Schijtnesten (Memento Park)

Ze leken bij hun leven reeds verouderd,
toch staan ze hier nog even breedgeschouderd
op hun sokkels aan de grond:
de boven elke smart verheven beelden
van hoogbevoorrechten en ruimbedeelden
hun hoofden zwaar van stront.

Het onkwetsbaar brons van de gewezen helden
moest het in ieders plaats ontgelden
maar na de stenen en de kogels
waaraan ’t crapuul zich heeft bezeerd
is de rust onder hun blikken weergekeerd;
standvastig nog als pleisterplaats van vogels.

(Uit de bundel Schrammenbloed, ©Cum Suis, 2012)