Voedselverspilling is niet het probleem maar wel dat we limonade in zee gieten die z’n prik heeft verloren.
Het zal weer even als vanouds gaan geuren in het Boijmans Van Beuningen. De pindakaasvloer keert namelijk terug; ditmaal als eerbetoon. Je zou denken dat het broodbeleg waar we allemaal groot mee zijn geworden, snel ranzig wordt buiten de pot. Maar dat was ook de vorige keer het probleem niet. Er trok misschien een wat weeë geur door de zalen, maar de hoofdkritiek betrof toch voedselverspilling. In mijn soort van kringen werd daar niet over gezeurd; Wim T. Schippers was heilig. De conceptuele kunst al evenzeer. Bovendien smeert het museum het goedje ditmaal uit ter nagedachtenis aan de bedenker. Dan zwijg je uit respect, zo dicteert de etiquette.

De persoonlijkheidscultus gedijt uitstekend bij dit schoolvoorbeeld van zuivere conceptuele kunst; het idee past op een door een notaris beëdigd A4-tje, waarna de uitvoering slechts een kwestie is van veel Calvé bestellen. Door de inferieure en vervangbare eigenschappen van de materie, blijft het kunstwerk immuun voor de tand des tijds. Dat vormt althans de achterliggende gedachte: het vergaat niet, het kan feilloos herrijzen, volstrekt onverschillig welke anonieme medewerker de smurrie uitsmeert en naderhand weer opdweilt. Wat valt er te verpesten aan de meesterlijke vondst van een vloertje gemalen pinda’s?
De ironie wil dat de mythe van deze kunstvorm, die we hardnekkig ophangen aan de cultus van de vedette, wankelt zodra het idee de gedaante aanneemt van een onverwacht probleem dat de nodige nazorg vergt.
Ik doel nu op een ander project van Wim T. Schippers in datzelfde museum, genaamd ‘Het is me wat’. De toeschouwer kreeg een rotsblok te zien dat de zwaartekracht tartte, maar werd natuurlijk bij de neus genomen, dat begrepen de meesten ook wel. De ‘kei’ bleek een optische illusie; een vederlichte schil van purschuim rond een verborgen magneetkern. Het idee was leuk maar in beginsel technisch onvoldragen. De meegeleverde elektronica in de sokkel was zo delicaat dat de magneetbalans al crashte bij de minste zucht wind, laat staan wanneer de tastgrage museumbezoeker de moeizaam zwevende steen een duwtje gaf. Het ding stortte dan ook herhaaldelijk in.
Het concept zoals de gevierde kunstenaar het bedoeld had, bleek in de weerbarstige realiteit een fysische onmogelijkheid, totdat de wetenschap te hulp schoot. Er moest een heel leger aan ingenieurs van de TU Delft opdraven om de haperende illusie te reanimeren. Zij stripten de sokkel en brachten de nodige wijsheid in; via geavanceerde lasersensoren en razendsnelle feedback-algoritmen herprogrammeerden zij het magnetische veld totdat de computer elke menselijke aanraking live kon corrigeren. Zíj maakten het kunstwerk functioneel en dus af.
Daar wringt wat mij betreft één schoen in de moderne kunstbeschouwing. Waarom cultiveren we de uniekheid van de solitaire schepper, als het werk in de praktijk pas kan overleven dankzij dit gecombineerde ‘kunstenaarschap’? Zonder de specifieke expertise van de Delftse bètatechnici was ‘Het is me wat’ een dood brok isolatiemateriaal op een sokkel. Zij vormden geen louter gereedschap; zij waren de feitelijke makers. De kunstwereld functioneert soms exact zoals de bergsport: wetenschappers en ander hulpvaardig personeel vormen in deze vergelijking de sherpa’s van de conceptuele kunst. Zij leveren naamloos de loodzware, cruciale prestaties in de ijle lucht van het grote idee, terwijl de man met de reputatie de media te woord staat en de lof oogst.
Vandaag de dag moeten we de hardnekkige illusie van de geniale vedette misschien een beetje loslaten. Complexe kunst fungeert immers als een groepscreatie, waarbij iedere deelnemer zijn eigen noodzakelijke expertise inbrengt. Het conceptuele idee is leuk zolang de handtekening eronder maar het juiste gewicht draagt en de hele ‘massa’ vertegenwoordigt.
Om het nog even over die vage groep te hebben die ik hierboven als ‘ons soort mensen’ aanduidde: we kunnen soms best kritisch zijn over verschillen tussen arm en rijk in de wereld, over de groeiende kloof tussen de intellectuele praatklasse en de praktische uitvoerders, en over de kwalijke gevolgen van de meritocratie als ideologische rechtvaardiging voor deze ongelijkheid. Die kritiek betreft vooral de commerciële wereld. In de kunstwereld daarentegen is de heldenverering nog nauwelijks een punt van discussie. Natuurlijk reiken we prijzen uit, organiseren we retrospectieven rondom solistische genieën en kennen we miljoenenbeurzen toe aan individuele namen. Bij zoiets delicaats als een concept dat louter bij de gratie van andermans zweet en intellectuele arbeid in de lucht wordt gehouden, vind ik die hardnekkige focus op de publiekslieveling soms misplaatst.
Goed, we maken de ene mens dus belangrijker dan de ander en kleineren ondertussen onszelf; dat punt heb ik proberen te maken. Ik wil hier ook gezegd hebben dat we niet alleen onze bewondering voor zekere individuen overdrijven maar ook die voor hun voortbrengsels. Dat is de tweede schoen die mij wringt. Pindakaas op een vloer uitsmeren is als flesjes Exota naar de zee dragen. Vergelijkbare concepten bestonden in 1961 al in talloze uitvoeringen. Ook het wekken van de suggestie van magnetische afstoting was conceptueel nooit zo uniek dat je er patent voor hoefde aan te vragen; het natuurverschijnsel zelf lijkt me van nature boeiender.
Ik denk dat er sprake is van een cruciaal esthetisch failliet: de institutionalisering van de avant-garde. Wat gisteren nog aanstoot gaf vormt de gesubsidieerde erfgoedzorg van vandaag. Zodra een ontregelend idee wordt geadopteerd door de directie en met fluwelen handschoentjes wordt beheerd, verliest het zijn tanden. De museale bureaucreatie heeft dit expressiemiddel inmiddels zo grondig ingekapseld dat de angel er definitief uit is. Je kijkt al gauw naar een man die een beetje mal doet in plaats van naar een dwarsligger die gegarandeerd mensen op de kast jaagt.
Het blijft de ultieme paradox van de gecontroleerde rebellie: de pindakaasvloer jaagt niemand meer de stuipen op het lijf; het lokt hooguit nog een milde glimlach uit bij een publiek dat braaf aanschuift voor een portie nostalgische excentriciteit. Als kunst onvoorwaardelijk en permanent moet ontregelen – een standpunt dat ik het mijne noem – dan vormt deze gecultiveerde herhalingsoefening juist het tegendeel. De museale bureaucreatie reduceert de heiligschennis tot een ongevaarlijk ritueel, keurig goedgekeurd door de welstandscommissie van de kunstelite.
Sorry Wim T. Schippers, je was een grappige kerel met een heerlijke provocerende inslag; een man wiens kunst dreef op absolute onvoorspelbaarheid. Juist daarom slaat deze in memoriam-tentoonstelling de plank zo mis. Het museum eert niet de beeldenstormer, maar balsemt de rebellie tot een behaaglijke traditie. Waarom moet de herinnering aan jouw scherpe karaktertrek zo kort na je dood zo braafjes in beeld worden gebracht? En waarom durven we sommige ideeën van gelauwerde lieden na verloop van tijd niet voor clichés uit te maken? Ook wat, goed geconserveerd, in een la ligt, als louter licentie, kan op een zeker moment zijn tijd echt gehad hebben.



