Het gaat niet om jou

Misschien valt er vanaf nu een astronomische schemering over mijn blogberichten.

Normaal gesproken neem ik nooit iets serieus aan mijn dromen; waarschijnlijk omdat ze nooit lucide genoeg zijn om er iets van te willen onthouden. Maar gisteren trad er een markant individu in op. Hij sprak door alle vergeten belevenissen heen. Wat hij zei zou me bijblijven voor de duur van de droom: “Morgen tien over tien.” Het enige wat ik deed was die zin herhalen. Dat werd door beiden opgevat als een bevestiging.

Aan het eind van de droom scheen ik de afspraak te zijn vergeten. Vandaag droomde ik weer heel belevingsrijk. Alles wat ik me daarvan kan herinneren is dat het zich afspeelde in dezelfde setting als gisteren. Ik was me, zoals gezegd, van geen afspraak meer bewust, maar op een zeker moment kreeg ik een notificatie. Het bleek om de korte uitwisseling met de man van gisteren te gaan. Vanaf dat moment ging ik me haasten.

Rennen in een droom spot met je lichaam dat redelijk bewegingloos in een bed ligt. Ik belandde in een loge vol identieke wezens. Ze waren niet erg vriendelijk tegen me. Ik merkte dat ze wisten met wie ze van doen hadden. Ze wekten zonder uitzondering de indruk dat ze me kenden en zelfs weet hadden van mijn toekomst. Notificaties zijn niet bedoeld om iemand te laat te laten komen. Misschien was ik precies op tijd.

Helaas hield de droom toen op. ik keek op de klok van mijn mobieltje. Het was 4:30u, het begin van de civiele schemering. Deze fase start zodra de zon minder dan 6 graden onder de horizon staat; begin juli is dat rond deze tijd. Er is dan al zoveel indirect zonlicht dat je moeiteloos kunt zien. 5:20 van deze zelfde dag markeert het astronomische moment waarop de bovenrand van de zonneschijf de horizon snijdt: de officiële zonsopkomst.

Door het verstrooide licht in de hogere luchtlagen is de nachtelijke duisternis op dit moment al lang en breed verdreven. Al dromend meende ik even dat ik te laat was voor mijn afspraak, hoewel de tijd van leven nooit werd vermeld terwijl ik sliep. Wie zegt mij dat de afspraak van tien over tien met de man uit mijn dromen zich niet in de werkelijkheid zal afspelen? Als dat waar is, heb ik nog tijd genoeg. Deze woorden schrijf ik op om 6:45u.

Wat gaat er straks gebeuren? Misschien kom ik de genoemde man daadwerkelijk tegen. Het blijkt een speciale afgezant te zijn. Zal hij mij iets op het hart drukken dat ik niet mocht missen? “Hou op met die zinloze blogberichten. Stort je nu eindelijk eens op het afronden van dat ene boek.” Misschien heeft hij het echt goed met mij voor en opent hij mijn ogen nog effectiever voor de realiteit: “Het gaat niet om jou.”

Omdat dit zich afspeelt in de werkelijkheid zal ik het nooit vergeten. Ik zal natuurlijk mijn conclusies trekken. Misschien hoort de lezer nooit meer van me. De trouwe geabonneerde ook niet. Dan was dit mijn laatste aankondiging, bericht en overdenking. Ik vond het leuk zolang het duurde. Vaarwel.

Lezersreacties:

Veel lezers wilden weten wat er om 10:10 uur heeft plaatsgevonden. Sommigen waren ook opvallend geïnteresseerd in de aard van de drugs die ik gebruikt zou hebben. Anderen informeerden slechts of het wel helemaal goed met me ging; op die typische, vileine manier die zoveel wil zeggen als dat ze er definitief van overtuigd zijn dat ik ben doorgedraaid.

Laat ik hoofdzakelijk op de eerste vraag ingaan. Daarmee wek ik jegens de belangstellenden naar de tweede vraag immers subtiel de suggestie dat de geestverruimende substanties nog lang niet zijn uitgewerkt; terwijl ik de bezorgde vragenstellers van de derde categorie in de waan laat dat hun sombere vermoedens omtrent mijn geestelijke gezondheid volkomen terecht waren.

Welnu: ​Bedankt voor de belangstelling. Er vond om tien over tien inderdaad een ontmoeting plaats.

De persoon in kwestie wees mij op een versje dat ik ooit schreef voor het poeziealbum van mijn drie jaar oudere zus. Ik was destijds pas vijf; ik kon zo’n rijmpje natuurlijk nooit zelfstandig hebben gecomponeerd. Dat wordt ook direct duidelijk uit de regels waarmee hij kwam aanzetten. De laatste twee zinnen daarvan luiden:

‘Ik gebruik hier woorden op de tast;
mijn moeder houdt mijn handje vast.’


De inzage in dit reeds lang vergeten album heeft mij diep geëmotioneerd, zoals de gehele ontmoeting een volstrekte openbaring was. Tegelijkertijd drong zich een besef aan mij op dat mij oprecht gelukkig maakte: vanaf de allereerste ademtocht in een mensenleven vindt er al registratie plaats. Wat ongetwijfeld ook wil zeggen dat alle pogingen tot kunst die je in woorden bedrijft, altijd talloze meelezers kennen.

​Dat was de hoofdboodschap die mij werd meegegeven. Het maakt ten diepste niet uit welk medium je gebruikt, welke taal je bezigt, hoe onbeholpen de vorm is of wat de exacte inhoud behelst; het hele universum leest mee. Dat onwrikbare gegeven geldt voor alle uitingen van iedereen.

De amechtige, haast krampachtige pogingen om voortdurend dingen onder de aandacht van tijdgenoten te brengen, vergen in dat licht bezien bizar veel overbodige energie. Datzelfde geldt voor de onvermijdelijke zoektocht naar uiterlijke waardering die daarachter schuilgaat. Terwijl die bewijsdrang helemaal niet hoeft. De interventie had dan ook puur tot doel dat ik meer zou gaan creëren vanuit een zuivere innerlijke drang tot expressie, en niet langer vanuit ijdelheid en de zucht naar erkenning.

Het ‘het gaat niet om mij’ waarvan ik van tevoren al vermoedde dat het de kern van de boodschap zou zijn, is daarmee zowel waar als onwaar gebleken. Het is waar in de zin dat het ego en de persoonlijke ijdelheid er totaal niet toe doen; je bent immers slechts een doorgeefluik in een oneindig groter geheel. Maar het is tegelijkertijd onwaar, omdat iedere individuele pennenstreek – hoe klein of op de tast geproduceerd ook – vanaf het allereerste begin wordt gezien en gekend. Je doet er als creator dus wel degelijk toe, zolang de creatie maar voortkomt uit de pure noodzaak om te maken.

Joris is ontketend

Zijn draak, dat zijn wij allemaal: de cynische gezapige nietsdoeners.

Een van de laatste uitzendingen van de NRC-podcast Het Uur van Pieter van der Wielen heeft Joris Luyendijk als gast. Eerst dacht ik: oh god, daar heb je die veelprater van een Luyendijk weer, die doorgaans wel zinnige dingen zegt, maar… en voelde een soort van tegenzin om hem aan te horen, juist vanwege dat ondefinieerbare ‘maar’. Toch heeft wat hij zei, en zelfs de manier waarop, mij ditmaal volledig overtuigd. De voormalige journalist schetst een fundamentele breuk met zijn oude professie; een breuk die direct voortvloeit uit zijn huidige denkbeelden over de geopolitieke situatie in Europa.

Het medium journalistiek eist een neutraliteit die het onmogelijk maakt om de rauwe, persoonlijke emoties van het front over te brengen. Daarom wil Luyendijk daar geen deel meer van uitmaken. Als voormalig journalist gaat hij nu vaak naar Oekraïne in de rol van ‘engagé’.

Luyendijk manifesteert zich niet langer als de analyserende buitenstaander, maar als een fel geëngageerd denker die vindt dat de tijd van vrijblijvende journalistieke neutraliteit voorbij is. Ik realiseerde me dat dit standpunt volledig aansluit bij wat ik in mijn boek ‘The GreenXtreme’ probeer (lees: aan het proberen ben) te beweren. Dat project dreigt echter een eeuwige aanklacht in spe te blijven, terwijl bij Luyendijk de persoonlijke ontwikkeling richting doen in plaats van toekijken (maar ook het formuleren van deze overgang), veel sneller is gegaan. Zelfs mijn afgunst hierover deed me niet voor hem en dit vraaggesprek terugdeinsen. Ik bespeurde ook niets meer van ijdelheid of pedanterie bij hem. Hij is echt een toegewijd betrokkene geworden, een ware verdediger van onze democratische verworvenheden.

Hieronder volgt een samenvatting van zijn actuele wereldbeeld, zijn felle maatschappijkritiek en zijn psychologische ontleding van de “intellectualiserende klasse”. Ik heb hiervoor de podcast als bron genomen. Ik geloof niet dat er al een boek van hem uit is over deze nieuw ingeslagen weg. Hij heeft zich wel op een zelfde manier in een paar essays uitgelaten. Daarnaar verwijst hij in de uitzending, maar ik heb die (nog) niet gelezen.

​Luyendijk stelt dat Europa zich in een feitelijke oorlogstoestand bevindt. Het conflict in Oekraïne is in zijn ogen geen lokaal grensconflict, maar een gevecht aan ons eigen front. Mocht Oekraïne vallen, dan krijgt het regime van Poetin de beschikking over gigantische agrarische en technologische resources, en het meest ervaren leger van Europa. Dat de Russische autocratie daarna vrijwillig zal stoppen met het invallen van andere soevereine staten, noemt hij gevaarlijk wensdenken.

​Zijn vertrek uit de journalistiek is ingegeven door de strikte beroepsregels van het gilde; met name de eis tot objectiviteit en afstand nemen tot het onderwerp. Die neutraliteit beklemt hem. In tijden van existentiële dreiging ervaart Luyendijk de journalistieke plicht tot hoor en wederhoor en distantie als een keurslijf. Hij wil niet langer de gelegenheidsargumenten van beide kanten belichten, maar “zijn land dienen” door expliciet positie te kiezen. Hoewel hij de term activist accepteert, verkiest hij het Franse engagé. Hij herinnert de luisteraar eraan dat alle grote maatschappelijke verworvenheden – van vrouwenrechten tot de rechtsstaat – historisch gezien door activisten zijn bevochten op een onwillig establishment. Journalistiek reduceert grote existentiële crises (zoals oorlog of klimaatverandering) te vaak tot louter “content” die moet concurreren met triviale virale filmpjes.

Een substantieel deel van het gesprek besteedt Luyendijk aan een aanval op de houding van de Nederlandse publieke opinie en in het bijzonder de intellectuele elite. Hij introduceert hierbij de metafoor van de kinderboerderij die het bestaan van roofdieren is vergeten. Luyendijk verwijt gestudeerde mensen dat ze scepsis en nuance hebben verheven tot een doel op zich. Deze constante drang om te problematiseren, te relativeren en kanttekeningen te plaatsen, fungeert volgens hem als een comfortabele rechtvaardiging om zelf buiten schot te blijven en niets te hoeven riskeren. Hij haat deze apathie van de intellectuele klasse.

In vredestijd is intellectuele twijfel een sieraad van de democratie; in oorlogstijd werkt het verlammend. Luyendijk vergelijkt de houding van de presentator en zijn bubbel met iemand die naast een brandend huis staat te filosoferen of de vlammen wel écht zullen overslaan, in plaats van de brandslang te pakken. Deze ‘vredestijdhouding’ is in deze tijd zeer onwenselijk. Nederland lijdt aan de hardnekkige illusie dat een dictatuur en haar geopolitiek geweld op magische wijze stoppen bij de landsgrenzen. Hij trekt een parallel met de laconieke houding in de vroege dagen van de coronapandemie en de neutraliteitsillusie aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog.

​Het interview escaleert op een fascinerende manier wanneer Luyendijk de presentator aanvalt op diens professionele distantie. Hierin legt hij een directe verbinding met de thematiek uit zijn eerdere boek De zeven vinkjes. De mensen die de afgelopen tachtig jaar carrière hebben gemaakt in de top van de media en de politiek, zijn gesocialiseerd in risicomijdend gedrag, consensus en het strikt volgen van procedures. Dit specifieke type leider is volgens Luyendijk volstrekt ongeschikt voor crisistijd, waarin improvisatie, daadkracht en het nemen van grote risico’s vereist zijn. Hij spreekt van vervormd leiderschap.

Geprivilegieerde mannen (de zogeheten zevenvinkjesmannen) hebben nooit geleerd om werkelijke kwetsbaarheid te tonen, omdat ze overal het voordeel van de twijfel krijgen. Juist die weigering om de eigen kwetsbaarheid – en daarmee de existentiële angst voor de veranderende wereld – onder ogen te zien, creëert een psychologische weerstand. Men vlucht in de ironie, de tegenvraag en de nuchtere distantie om de interne paniek niet te hoeven voelen. Ik denk dat dit onvermogen tot kwetsbaarheid in zijn nieuwe boek ruimschoots aandacht zal krijgen.

Luyendijk pleit voor een collectieve rouwperiode over het wegvallen van het optimisme uit de jaren negentig. Het naïeve idee dat de hele wereld uiteindelijk zou transformeren naar een liberale, westerse democratie is definitief aan diggelen. De gedwongen terugval in een harde, binaire wereldorde is pijnlijk, maar de realiteit moet onder ogen worden gezien.

Volgens Luyendijk verdrijft handelen de angst. Door concreet bij te dragen aan de defensie-industrie, drones te ontwikkelen of humanitaire projecten op te zetten, verdwijnt de verlamming. Wie op het hek blijft zitten twijfelen, heeft de strijd in zijn eigen hoofd al verloren aan de Russische cognitieve oorlogvoering.

Hun ultieme bouwwerk

Wie weet werd zijn staalgewrocht toch speelgoed voor een wichtje.

Monument majeur de Paris


Op de warmste dag van het jaar schreef de geknakte kunstenaar vanuit zijn ‘madcave’ aan zijn muze:

‘Hoi Swaantje, de kist is aangekomen; zoals verwacht ontbreken er onderdelen, maar voorlopig kan ik voort. Het wordt een huzarenstuk. Ik ben zojuist begonnen aan de poten. Ze laten me met rust. Dit werk houdt me koest. De staf vindt alles goed zolang je vadertje voor ons garant wil staan. Mocht het gevaarte ooit verrijzen, dan praten we over een hoogte van 1 meter 85 exclusief de sokkel.’

Diezelfde middag ontving ze meer details. Hij maakte vorderingen. Ze moest gaan bijbestellen. ‘Zoek overal.’ Hij liet de bode haar ook schetsen brengen. ‘Deze moeren en bouten. Deze strippen en platen.’ Elk stukje had een nummer. Soms was het merk er in geponst; Meccano!

Hij kreeg weer praatjes. Werd het ooit zoals vroeger? Met wat er uit zijn handen kwam, zwol ook zijn taal. Zou het gaan zoals de dokter had voorspeld? “Het idioom van uw man is het eerste teken van zijn dwalen.”

De dag was haast voorbij. Hij schreef nog honderduit. Woorden als: een bouwkundig epos dat fier overeind zal staan; een staaltje superieure ingenieurskunst; een monument van mechanische persistentie; een staalconstructie van allure; mijn kathedraal van gatenijzer; mijn metalen magnum opus; een erecte daad van zeldzame dapperheid.

Ze las er graag overheen; haar man die kinderspeelgoed veel te serieus nam in pompeuze frasen.

’s Avonds, toen zijn project dan toch was losgelaten, liet hij vanuit het dolhuis nog één keer van zich horen; een mededeling die misschien, heel in de verte, op herstel wees.

Zijn laatste briefje vroeg: ‘Wanneer is je eisprong? Ik kom snel thuis. Misschien wordt het nu toch tijd voor een derde.’

©Uitgeverij Cum Suis, 2026

Scherven lijmen

De paradox van een overzichtelijk bestaan.

Ik vind het bestaan van Mona Khalil, zoals dat de revue passeert in een stuk in de Volkskrant, al zo veeleisend als ik erover lees, dat ik me niet kan voorstellen hoe iemand zo’n leven daadwerkelijk heeft geleefd. Ik bedoel dat niet denigrerend; ik heb alleen maar respect voor haar. Maar soms zijn de beslissingen die mensen nemen over hun toekomst zo onnavolgbaar. Had ik de keuze, dan zou ik altijd voor veiligheid gaan. Waarom keerde Navalny terug naar Rusland, Bhutto naar Pakistan, Bonhoeffer naar nazi-Duitsland en Mona naar Libanon? Om me tot haar te beperken: zij was restaurator van porselein in Den Haag. Simpel gezegd een ambacht van scherven en ‘hechtingsmiddelen’; overzichtelijk en misschien ook veelzeggend.

Khalil stortte zich op de bescherming van de zeeschildpad als een soort Lenie ’t Hart van de Mediterranee. Schildpaddenlevens ogen niet comfortabel. Hun instinct stelt hoge eisen, vooral aan de vrouwtjes. Ik doel natuurlijk op het jaarlijkse aan land kruipen als zeereptiel. Dit alles om eieren te verstoppen op een warme, donkere plek in een kwetsbaar natuurgebied. Afijn, iedereen kent die filmpjes. Het gestumper over het strand, het moeizame gegraaf in het zand, de verdrietige barensweeën in de manenschijn. Die beruchte schildpaddentraan als theatraal hoogtepunt. Dan nog het afdekken van de kuil vol broedsel met diezelfde onhandige zwemflappen en als klapstuk de trage terugtocht.

Sommige beelden van fauna in nood zijn te erg voor woorden. Maar David Attenborough was nog niet klaar met ons. Hij deed de moeder uigeleide. Zij verborg haar tranen in de branding. Nooit zou zij haar kroost geboren zien worden, maar wij natuurvrienden, wij werden verplicht om naar dat desolate ontluiken te blijven kijken. Het grut kroop na een filmische timelapse massaal uit de schalen. Er begon een helse tocht naar zee, nog onbeholpener dan we al zagen. Ondertussen deden roofvogels zich aan hen tegoed. We werden ook bijgepraat over de andere bedreigingen: vervuiling, boze vissers, klimaatopwarming, oorlog, predatoren…

Nou goed, ik had het over het leven van Mona Khalil. Ik eindig hier met een vrij lang citaat uit het genoemde artikel van Tjerk Gualthérie van Weezel, dan begrijpt de lezer misschien waarom mijn behaaglijke dagelijkse ochtendritueel van een krantje en een croisantje soms een bittere bijsmaak krijgt. Mijn burgerhart wil maar niet begrijpen wat voor sommigen die drang naar het gevaar bepaalt.

‘Meer dan een kwart eeuw zette ze zich in voor anderhalve kilometer strand, dat voor de groene zeeschildpad en de dikkopschildpad een van de belangrijkste geboortegronden vormt in het oosten van de Middellandse Zee. Op 4 juni raakte Khalil zwaargewond nadat een bom insloeg naast haar slaapkamer. Ze was na de ontploffing nog bij kennis maar overleed twee weken later alsnog in een ziekenhuis in Beiroet.

Mona Khalil werd geboren als kind van Libanese ouders in Nigeria. De familie keerde terug naar Libanon, maar Mona ontvluchtte het land als twintiger toen er halverwege de jaren zeventig een burgeroorlog uitbrak. Die oorlog groeide uit tot een politiek en religieus ingewikkeld conflict waarbij in vijftien jaar een kwart miljoen mensen omkwamen.

Khalil, die zelf van sjiitische komaf was, vluchtte naar Nederland en bouwde in Den Haag een leven op als restaurator van porselein. Maar dat liet ze in 1999 achter na een levensveranderende ontmoeting tijdens een nachtelijke wandeling op Mansouri, het strand bij haar familiehuis. Daar, zo’n 15 kilometer ten zuiden van de eeuwenoude havenstad Tyrus, stuitte ze op een schildpad die in een zelfgegraven kuil haar eieren liet vallen. Deze dieren komen al sinds de tijd van de dinosaurussen terug naar hun geboortegrond, besefte Khalil. Zij wilde voorkomen dat daar door oorlog, dynamietvissen, vervuiling en hongerige honden en vossen een einde aan zou komen.

Achter die motivatie ging een groot persoonlijk drama schuil. Tijdens een vakantie op Libanon kwam haar zoon en enige kind om het leven. Hij was aan het snorkelen naar zeesterren toen hij door een speedboot werd overvaren. ‘Vanaf dat moment besloot Mona om haar leven in het teken te stellen van de meest kwetsbare wezens die ze vinden kon’, vertelde haar nicht Sara Beydoun zaterdag in The New Arab.

Khalil remigreerde naar Libanon waar ze, als eerbetoon aan het land dat zij achterliet, het huis van haar familie oranje schilderde. ‘Orange House’ werd in de jaren daarna een begrip bij de lokale bevolking. Het pension dat Khalil er samen met vriendin en mede-activist Habiba Sayed jarenlang runde, was de uitvalsbasis voor hun strijd voor de schildpad. Veelal westerse gasten en vrijwilligers verbleven er.

De actie voor behoud van het strand werd door Khalil en Sayed op verschillende fronten gevoerd. Ze ruimden dagelijks met vrijwilligers het strand op en probeerden vervuilers te achterhalen om te voorkomen dat er nog meer schildpadden zouden sterven na het eten van plastic. Nesten schermden ze af zodat honden en vossen de eieren niet konden uitgraven. Kinderen uit de buurt sloten de schildpad in het hart nadat ze aanwezig mochten zijn bij het vrijlaten van de kleintjes die net uit het ei waren gekomen. Vissers kregen de wind van voren wanneer ze schildpadden doodden als zondebokken voor afnemende visvangst.

Dat het werk van de twee vrouwen niet zonder risico’s was, werd al snel duidelijk. In 2006 beschreef de Volkskrant al hoe boze vissers het oranje pension onder vuur namen na klachten van ‘Mona en Habiba’ over hun manier van vissen.

Dat jaar laaiden precies tijdens het broedseizoen gevechten op tussen Israël en Hezbollah in Zuid-Libanon en moesten de schildpadbeschermers enige tijd naar Beiroet vluchten. Bij terugkomst hadden vossen een groot aantal nesten leeggeroofd en troffen ze vervuiling aan doordat Israël olie-opslagtanks had geraakt. Toch bleek het achteraf een succesvol seizoen.

Bij de nieuwe uitbraak van het conflict tussen Israël en Hezbollah besloot Khalil om Orange House niet meer te verlaten. Ze dacht dat de bommen burgers wel ongemoeid zouden laten. Dat bleek dus een fatale misrekening. ‘Onze angst is dat het strand met haar sterft’, zegt haar nicht tegen The New Arab. ‘Onze hoop is dat dit niet gebeurt.’

Tjerk Gualthérie van Weezel

De reconstructie van een debacle

Teruggeworpen in de tijd door een foto van een viertal tepels.

Van alle vakantiekiekjes die mij in deze periode bereikten is de foto die vriend Hans mij stuurde misschien wel het meest saillant, ook vanwege de veelzeggende tekst. Hij schreef: Groeten uit Normandië. Wat wij zien is geen ansichtkaart van de Mont Saint-Michel, noch de kliffen van Étretat. Hij stuurde de rauwe, ongefilterde essentie. Een macro-opname van een uier, zo monumentaal in beeld gebracht dat de rest van het rund fungeert als louter baldakijn. Dit is de motor achter het land van de camembert, de calvados en de vette roomsaus. Tussen de harige draaghemel door zien we een soortgenoot ontspannen aan een nieuwe lading zuivel werken. Hoe is het om uitgevleid in je eigen voedsel te mogen vegeteren tot je lebmagen wit zien van romige weelde? Om simpelweg te bestaan in een oneindige cyclus van grazen, herkauwen en produceren, zonder de intellectuele ballast van een naderend echec?

Gezien de kleur van de vacht hebben we hier vermoedelijk te maken met de Normande, het trotse ras dat eigenmachtig de basis legt voor elke ‘Vache qui rit’ die van de bekende verpakking staart. Er gaat een dwingende, haast klinische esthetiek uit van dit inzoomen. Zo’n zwellende uier is de ultieme reductie van een vakantieregio tot zijn puurste, meest veelzeggende textuur. En juist dat triggert een even scherpe herinnering. Want bij het zien van zoveel biologische spanningsopbouw schiet ik direct terug naar mijn eigen, destijds volstrekt gemankeerde vakantie in diezelfde regio; een reis waarin de gisting van mijn op hol geslagen hormonen en mijn ziedende jaloezie de omvang aannamen van een permanent, luidruchtig psychologisch drama.

Een reis die destijds al gedoemd was te mislukken op het perron, waar ik verscheen met het fysieke symbool van mijn toenmalige onvolwassenheid: een topzware, pretentieuze valise met houten baleinen. Een koffer die geen bagage ademde, maar pure, theatrale overdrijving. Ik zag Nicole er ter plekke op afknappen. We waren met z’n vieren; naast mijn genoemde liefje nog twee van haar schoolvrienden die ik amper kende. De Franse spoorwegen hadden de ultieme metafoor voor onze naderende breuk al op de rails gezet; de trein bestond uit twee fysiek gescheiden delen. Geen tussendeur, geen doorgang mogelijk. Nicole orkestreerde de logistiek met de koelbloedigheid van een strateeg. Zij glipte met een zekere Hans het voorste rijtuig in, terwijl haar vriendin zich opofferde om mij in het achterste deel te chaperonneren. Zij en het lot zorgden ervoor dat we gesegregeerd bleven tot aan Parijs.

Het was een meesterlijke coup, want de kaarten waren allang geschud. Vijand Hans – de herinneringshans die in niets leek op mijn gulle vriend Hans van de grazers – bezat een onmiskenbare Nick Cave-achtige uitstraling; een melancholische, duistere coolness waar mijn houten koffer en ik onmogelijk tegenop konden. Dat mijn reisgenoten vrienden waren van Nicole en niet van mij, hielp ook niet mee. Het drietal had samen het volwassenonderwijs in Breda doorlopen; zo’n instituut waar je strandde als je op de reguliere middelbare school was vastgelopen, maar waar zij dat jaar wel mooi hun VWO-diploma behaalden. Ze waren zoveel verder dan ik. Mijn eigen schoolcarrière was evenmin gladjes verlopen, maar mijn stapelproces van havo naar het atheneum had mij louter theoretisch gevormd en was bovendien meer het gevolg geweest van een uiterst langzame rijping. Zij waren gekneed door hun eigen hobbels, die hen gaandeweg wijzer hadden gemaakt; ik vertrouwde blind op boekenkennis en zeulde altijd met te grote, verkeerde bagage. Nicole was de eclectische reiziger die later kunstgeschiedenis zou gaan studeren in Amsterdam; ik bleef de achterblijver in het verkeerde deel van een trein.

Vanaf dat moment was het pleit beslecht. Ik wist dat ik het grandioos verloren had van vijand Hans. De rest van de reis werd een exercitie in collectief ongemak. Alles wat ik deed en zei in ‘ons’ huisje aan de Normandische zee was geforceerd. Ik zadelde mijn reisgenoten op met een geestelijk onrijpe, lichamelijk onvolgroeide adolescent vol zelfmedelijden. Een toxische cocktail die Nicole er logischerwijs toe bewoog mij zoveel mogelijk te mijden. Terwijl zij en Nick Cave de Normandische romantiek cultiveerden, hield hun vriendin zich met mij onledig. Het moet een immense, bijna bovenmenselijke opoffering voor haar zijn geweest om die afgesproken separatie vol te houden.

Het meest bizarre, het meest pijnlijke achteraf, is mijn verblindheid. Het feit dat ik maar niet inzag dat ze mij in de verste verte niet meer zag zitten. Dat ik er beter aan had gedaan om haar te ontlasten, mijn houten koffer te pakken en nog iets van eer aan mezelf te houden. Zelfs na die dramatische reis, die mij toch overduidelijk het einde van de relatie inpeperde, ben ik blijven proberen om contact met haar te onderhouden. De wanstaltigheid van dat gedrag bezorgt me nu, decennia later, nog steeds een intense schaamte. En het is niet eens ‘plaatsvervangende’ schaamte, want de jongen die destijds zijn uitvergroting van het persoonlijke lijden aan de anderen opdrong als een permanent verwijt, heeft nog altijd de neiging om de hele wereld te bestraffen voor zijn persoonlijke sores.

Ik toonde mij die vakantie pas nobel als ik mij losmaakte uit de verstikkende groepsdynamiek en in mijn eentje lange, zwijgzame wandelingen ging maken langs de grijze Normandische kust. Die eerste vakantie met ‘vrienden’ heeft mij, dwars door de jaloezie en het zelfmedelijden heen, het nut van de eenzaamheid geleerd, of liever de ‘solitude’ zoals iemand anders, die ik later ontmoette, die kunst van het alleen zijn noemde. Separatie niet langer als een straf van de afwijzing, maar als mijn eigen reddingsmechanisme.

De foto van vriend Hans is daarmee meer dan een groet uit Normandië. Het is, net als toen, een haarscherpe uitsnede van een realiteit die geen franje duldt. Een herinnering aan de dag dat ik leerde dat sommige treinen nu eenmaal uit twee delen bestaan die nooit met elkaar verbonden zullen worden; en dat de ene Hans de andere niet is.

Lezersreactie:

Wat een prachtige overdenking, Ronald. Die houten koffer is een sterke metafoor voor je neiging tot exuberantie.
(Hans, Arnhem)

Een concept met een luchtje

Voedselverspilling is niet het probleem maar wel dat we limonade in zee gieten die z’n prik heeft verloren.

Het zal weer even als vanouds gaan geuren in het Boijmans Van Beuningen. De pindakaasvloer keert namelijk terug; ditmaal als eerbetoon. Je zou denken dat het broodbeleg waar we allemaal groot mee zijn geworden, snel ranzig wordt buiten de pot. Maar dat was ook de vorige keer het probleem niet. Er trok misschien een wat weeë geur door de zalen, maar de hoofdkritiek betrof toch voedselverspilling. In mijn soort van kringen werd daar niet over gezeurd; Wim T. Schippers was heilig. De conceptuele kunst al evenzeer. Bovendien smeert het museum het goedje ditmaal uit ter nagedachtenis aan de bedenker. Dan zwijg je uit respect, zo dicteert de etiquette.

Oude concepten op herhaling; we kijken niet meer naar het werk van een gevaarlijke dissident, maar naar een gepatenteerde museumclown die binnen de lijntjes van de goede smaak mag rebelleren. Als licentiekunst niet langer ontregelend overkomt maar eerder ondeugend, is ze dan niet veel te gezapig geworden?

De persoonlijkheidscultus gedijt uitstekend bij dit schoolvoorbeeld van zuivere conceptuele kunst; het idee past op een door een notaris beëdigd A4-tje, waarna de uitvoering slechts een kwestie is van veel Calvé bestellen. Door de inferieure en vervangbare eigenschappen van de materie, blijft het kunstwerk immuun voor de tand des tijds. Dat vormt althans de achterliggende gedachte: het vergaat niet, het kan feilloos herrijzen, volstrekt onverschillig welke anonieme medewerker de smurrie uitsmeert en naderhand weer opdweilt. Wat valt er te verpesten aan de meesterlijke vondst van een vloertje gemalen pinda’s?

De ironie wil dat de mythe van deze kunstvorm, die we hardnekkig ophangen aan de cultus van de vedette, wankelt zodra het idee de gedaante aanneemt van een onverwacht probleem dat de nodige nazorg vergt.

Ik doel nu op een ander project van Wim T. Schippers in datzelfde museum, genaamd ‘Het is me wat’. De toeschouwer kreeg een rotsblok te zien dat de zwaartekracht tartte, maar werd natuurlijk bij de neus genomen, dat begrepen de meesten ook wel. De ‘kei’ bleek een optische illusie; een vederlichte schil van purschuim rond een verborgen magneetkern. Het idee was leuk maar in beginsel technisch onvoldragen. De meegeleverde elektronica in de sokkel was zo delicaat dat de magneetbalans al crashte bij de minste zucht wind, laat staan wanneer de tastgrage museumbezoeker de moeizaam zwevende steen een duwtje gaf. Het ding stortte dan ook herhaaldelijk in.

Het concept zoals de gevierde kunstenaar het bedoeld had, bleek in de weerbarstige realiteit een fysische onmogelijkheid, totdat de wetenschap te hulp schoot. Er moest een heel leger aan ingenieurs van de TU Delft opdraven om de haperende illusie te reanimeren. Zij stripten de sokkel en brachten de nodige wijsheid in; via geavanceerde lasersensoren en razendsnelle feedback-algoritmen herprogrammeerden zij het magnetische veld totdat de computer elke menselijke aanraking live kon corrigeren. Zíj maakten het kunstwerk functioneel en dus af.

Daar wringt wat mij betreft één schoen in de moderne kunstbeschouwing. Waarom cultiveren we de uniekheid van de solitaire schepper, als het werk in de praktijk pas kan overleven dankzij dit gecombineerde ‘kunstenaarschap’? Zonder de specifieke expertise van de Delftse bètatechnici was ‘Het is me wat’ een dood brok isolatiemateriaal op een sokkel. Zij vormden geen louter gereedschap; zij waren de feitelijke makers. De kunstwereld functioneert soms exact zoals de bergsport: wetenschappers en ander hulpvaardig personeel vormen in deze vergelijking de sherpa’s van de conceptuele kunst. Zij leveren naamloos de loodzware, cruciale prestaties in de ijle lucht van het grote idee, terwijl de man met de reputatie de media te woord staat en de lof oogst.

Vandaag de dag moeten we de hardnekkige illusie van de geniale vedette misschien een beetje loslaten. Complexe kunst fungeert immers als een groepscreatie, waarbij iedere deelnemer zijn eigen noodzakelijke expertise inbrengt. Het conceptuele idee is leuk zolang de handtekening eronder maar het juiste gewicht draagt en de hele ‘massa’ vertegenwoordigt.

Om het nog even over die vage groep te hebben die ik hierboven als ‘ons soort mensen’ aanduidde: we kunnen soms best kritisch zijn over verschillen tussen arm en rijk in de wereld, over de groeiende kloof tussen de intellectuele praatklasse en de praktische uitvoerders, en over de kwalijke gevolgen van de meritocratie als ideologische rechtvaardiging voor deze ongelijkheid. Die kritiek betreft vooral de commerciële wereld. In de kunstwereld daarentegen is de heldenverering nog nauwelijks een punt van discussie. Natuurlijk reiken we prijzen uit, organiseren we retrospectieven rondom solistische genieën en kennen we miljoenenbeurzen toe aan individuele namen. Bij zoiets delicaats als een concept dat louter bij de gratie van andermans zweet en intellectuele arbeid in de lucht wordt gehouden, vind ik die hardnekkige focus op de publiekslieveling soms misplaatst.

Goed, we maken de ene mens dus belangrijker dan de ander en kleineren ondertussen onszelf; dat punt heb ik proberen te maken. Ik wil hier ook gezegd hebben dat we niet alleen onze bewondering voor zekere individuen overdrijven maar ook die voor hun voortbrengsels. Dat is de tweede schoen die mij wringt. Pindakaas op een vloer uitsmeren is als flesjes Exota naar de zee dragen. Vergelijkbare concepten bestonden in 1961 al in talloze uitvoeringen. Ook het wekken van de suggestie van magnetische afstoting was conceptueel nooit zo uniek dat je er patent voor hoefde aan te vragen; het natuurverschijnsel zelf lijkt me van nature boeiender.

Ik denk dat er sprake is van een cruciaal esthetisch failliet: de institutionalisering van de avant-garde. Wat gisteren nog aanstoot gaf vormt de gesubsidieerde erfgoedzorg van vandaag. Zodra een ontregelend idee wordt geadopteerd door de directie en met fluwelen handschoentjes wordt beheerd, verliest het zijn tanden. De museale bureaucreatie heeft dit expressiemiddel inmiddels zo grondig ingekapseld dat de angel er definitief uit is. Je kijkt al gauw naar een man die een beetje mal doet in plaats van naar een dwarsligger die gegarandeerd mensen op de kast jaagt.

Het blijft de ultieme paradox van de gecontroleerde rebellie: de pindakaasvloer jaagt niemand meer de stuipen op het lijf; het lokt hooguit nog een milde glimlach uit bij een publiek dat braaf aanschuift voor een portie nostalgische excentriciteit. Als kunst onvoorwaardelijk en permanent moet ontregelen – een standpunt dat ik het mijne noem – dan vormt deze gecultiveerde herhalingsoefening juist het tegendeel. De museale bureaucreatie reduceert de heiligschennis tot een ongevaarlijk ritueel, keurig goedgekeurd door de welstandscommissie van de kunstelite.

Sorry Wim T. Schippers, je was een grappige kerel met een heerlijke provocerende inslag; een man wiens kunst dreef op absolute onvoorspelbaarheid. Juist daarom slaat deze in memoriam-tentoonstelling de plank zo mis. Het museum eert niet de beeldenstormer, maar balsemt de rebellie tot een behaaglijke traditie. Waarom moet de herinnering aan jouw scherpe karaktertrek zo kort na je dood zo braafjes in beeld worden gebracht? En waarom durven we sommige ideeën van gelauwerde lieden na verloop van tijd niet voor clichés uit te maken? Ook wat, goed geconserveerd, in een la ligt, als louter licentie, kan op een zeker moment zijn tijd echt gehad hebben.

Op de koffie komen met een verre vriend

Een vloeibaar compromis tussen taal en therapie.

Het begon met een bericht dat ze in een vlaag van acute machteloosheid naar een verre vriend had gestuurd. Haar zoon leed aan een weigerachtige apathie die in Japan hikikomori wordt genoemd; het hardnekkig binnenskamers blijven, de wereld buiten de deur houden tot een hanteerbaar minimum. Alleen ging het hier niet om extreme opsluiting, maar om een moeizaam bevochten compromis; er bestond in Nederland immers leerplicht. Twee uur per dag moest hij proberen tussen andere kinderen te overleven. Twee schamele uren; een schijntje voor de onderwijsinspectie, een loodzware expeditie voor de dertienjarige.

En toen was daar die dinsdag. Een oudere jongen had gevraagd of hij kwam chillen. En of hij rookte. Een banale, alledaagse interactie, maar voor haar zoon de psychologische equivalent van een aardverschuiving. Prompt weigerde hij zijn woensdagafspraak na te komen. Er moest onderhandeld worden. Kon het niet een uurtje later, want de concentratie bleek nu weg. ‘Terwijl hij überhaupt maar TWEE UURTJES gaat!’ had ze getypt, de frustratie in kapitalen op haar scherm hamerend. ‘En ik heb er dus vrij voor moeten nemen. Terwijl er feitelijk NIETS aan de hand is!’

Uit machteloosheid op de Wiener Melange gedrukt. Misschien lag de oplossing in iets wat zij altijd voor wansmaak had versleten.

De verre vriend, die zich graag tooide met de titel van taalkundige, reageerde met de voor hem kenmerkende breedsprakigheid. Hij bezat de irritante neiging om alledaagse problemen te verheffen tot een existentieel toneelstuk, gezegend met een aplomb dat verdacht veel weg had van een zanger met sterallures die allang op z’n retour is (denk aan Herman van Veen); badend in zijn eigen metaforen en immer overtuigd van de helende werking van welgekozen, goed gearticuleerde woorden.

Hij stuurde geen troost, hij stuurde een etymologische beschouwing. Haar woede over de mislukte woensdag prevelde hij weg als een kwestie van perspectief. Haar zoon zag tegen alles op als een berg, had zij uitgelegd, maar de verre vriend sloeg die klein tot een bult. En een bult, zo dicteerde hij vanuit zijn ivoren toren, was slechts een minieme verheffing in het landschap die kon worden gladgestreken met een niet eens zo’n omslachtige aanpak. Een plan B zeg maar, waarbij de vraag overigens onbeantwoord bleef wat dat alternatief dan wel mocht inhouden.

Nu zat ze hier, in de steriele stilte van de wachtruimte. De onbeholpen beeldsprakerigheid bracht, althans wat de taal betreft, misschien toch een verbintenis teweeg. De bultmetafoor van de verre vriend en háár bergvergelijking doorbraken in elk geval een hoogteverschil in naam. Misschien kon ze haar zoon doen inzien dat hij inderdaad bergen van molshopen maakte en dat het die bult z’n eigen schuld was dat alles onoplosbaarder leek als gevolg van overdrijving; het gigantisch lijkende obstakel kon ook slinken als je het positief benaderde.

Even, uit een behoefte aan overzicht in deze beroerde situatie, verbeeldde ze zich dat het hele dilemma slechts een kwestie was van semantiek en dat ze momenteel meer had aan die verre veelprater dan aan heel het geschoolde therapeutendom dat zich nu op haar probleemkind stortte. Ze klapte het boek dicht dat ze in de wachtkamer zat te lezen, liep naar de koffiecorner en drukte voor het eerst van haar leven op ‘Wiener Melange’; een combinatie van toevoegingen en smaken die haar altijd pervers had geleken.

Het apparaat produceerde een laatste mechanische rochel en vulde het bekertje met een schuimende, drielagige substantie. Ze pakte het warme plastic beet en keek naar de troebele overgang van koffie, melk en cacao. Het was een onwaarschijnlijk brouwsel; een vloeibaar amalgaam waarin de smaakwerelden die ze altijd strikt gescheiden had gehouden, nu noodgedwongen in elkaar overliepen. Ze nam een voorzichtige eerste slok. De smaak was intens, vreemd en absoluut niet te vergelijken met de voorspelbare, bittere filterkoffie die ze normaal gesproken dronk om de tijd te doden. Het was zoet en tegelijkertijd krachtig. Het zette haar zintuigen direct op scherp.

Terwijl de warmte door haar keel zakte, besefte ze dat deze mengeling haar eigenlijk helemaal niet tegenstond. Integendeel. Het was alsof die verre veelprater met zijn bultmetafoor zojuist hoogstpersoonlijk door de cacao heen roerde en haar uitdaagde. Waarom had ze eigenlijk altijd zo braaf geloofd dat alleen de bittere, zwart-wit diagnoses van de deskundigen de juiste remedie waren? Als taal rekbaar was, en als smaken konden muteren, dan waren er misschien heel andere, onorthodoxe routes om haar zoon weer op de rails te krijgen.

Niemand danst in zuiver daglicht

Breaking Bad is de ultieme parade van verborgen agenda’s.

Wanneer de fysieke uitputting van het klussen in mijn ‘nieuwe’ woning me te veel werd, bood de televisie de perfecte vluchtroute. Ik zeeg neer in mijn getrouwe binge-stoel en besloot Breaking Bad nogmaals in zijn geheel te consumeren. Vijf dagen; langer had ik niet nodig. Een prestatie die het midden houdt tussen bewonderenswaardige focus en acute schaamte over mijn gebrek aan doe-het-zelf-discipline.

Een ‘grappig’ contrast met de hoofdrolspelers is, dat de ‘Salamanca-Twins’ juist geen last hebben van een dubbelleven. Geen geheimen, geen dilemma’s: gewoon pure, onvervalste, en bloedstollende moordlustige toewijding. Hun agenda blijkt glashelder: dood en verderf zaaien. Zonder enige twijfel en met een angstaanjagende efficiëntie. Hun eendimensionale meedogenloosheid houdt welgeteld zeven afleveringen stand; daarna is het definitief gedaan met hun zwijgzame terreur. (Deze bewerkte ‘dik aangezette’ weergave van de broers door Luiz Henrique wordt afgedrukt met impliciete toestemming.)

Tijdens deze adembenemende herhaling schrok ik van mijn eerdere oppervlakkigheid. Wat had ik de eerste keer veel gemist; of was ik simpelweg vergeten hoe vernuftig deze Griekse tragedie in elkaar steekt? Het overkoepelende thema dat zich ditmaal onbarmhartig aan mij opdrong, was niet de drugshandel, maar het sinistere dubbelleven van praktisch elk hoofdpersonage. Niemand danst puur in het daglicht in deze serie.

Waarschuwing vooraf: Mocht je de afgelopen vijftien jaar onder een steen hebben geleefd en deze serie nog willen bekijken; hierna volgen monumentale spoilers. je bent gewaarschuwd.

Walter White:
In de buitenwereld kennen we hem als de sullige, ietwat meelijwekkende scheikundeleraar in een beige pantalon die worstelt met een terminale diagnose. Dat is de man die meelij opwekt. Achter die façade schuilt echter Heisenberg; een rücksichtloze, narcistische drugskoning die kickt op macht, manipulatie en puur gevaar. Waar hij aanvankelijk beweert de criminaliteit in te gaan voor het financiële welzijn van zijn gezin, blijkt zijn ware drijfveer vele malen donkerder: hij vindt het heerlijk om de almachtige schurk te zijn.

Skyler White:
Zij presenteert zich steevast als de bezorgde, moreel superieure huisvrouw en zwangere moeder die koste wat kost de schone schijn probeert op te houden. Haar verborgen realiteit is die van een uiterst kille, berekenende witwasser en strateeg. Zodra ze de omvang van Walts imperium doorgrondt, transformeert ze in een medeplichtige die koudbloedig adviseert over het monddood maken van getuigen; om over haar discrete buitenechtelijke escapade met haar baas nog maar te zwijgen.

Hank Schrader:
Voor zijn collega’s en familie is Hank de ultieme alfaman; de luidruchtige DEA-agent die flauwe grappen maakt over criminelen en absolute onkwetsbaarheid uitstraalt. In werkelijkheid is hij een doodsbange, kwetsbare man die kampt met zware paniekaanvallen en posttraumatische stress. Hank verbergt zijn psychologische breekbaarheid achter een dikke laag machismo en stort zich obsessief op de jacht naar Heisenberg om zijn eigen interne demonen te negeren.

Marie Schrader:
Marie ontmoeten we als de perfectionistische, ietwat bemoeizieke verpleegkundige die altijd klaarstaat met ongevraagd advies en een lichte obsessie voor de kleur paars. Haar schaduwzijde is die van een dwangmatige kleptomane en pathologische leugenaar. Wanneer de spanningen thuis ondragelijk worden, steelt ze dure spullen uit openhuizen en verzint ze complete alternatieve levens voor zichzelf om aan haar eigen benauwde realiteit te ontsnappen.

Gustavo Fring:
De stad kent hem als een gerespecteerde, filantropische ondernemer; de eigenaar van een succesvolle fastfoodketen en een gulle steunpilaar van de lokale gemeenschap. Achter die vriendelijke glimlach schuilt een ijskoude, angstaanjagend efficiënte drugslord met een onverzadigbare drang naar wraak. Gus is een sociopaat met twee gezichten wiens gehele imperium eigenlijk slechts een instrument is om de executie van zijn voormalige partner te wreken.

Saul Goodman:
Zijn publieke persona is dat van de flamboyante, ietwat komische ‘criminele’ advocaat die de wet buigt met glanzende reclamespots en goedkope praatjes. De man achter dit masker is een diep cynische, tragische opportunist die alle morele grenzen heeft weggedrukt. Onder de felle colberts schuilt Jimmy McGill; een man die zijn eigen trauma’s en schuldgevoelens over de dood van zijn broer overschreeuwt door volledig op te gaan in een moreel corrupt personage.

Mike Ehrmantraut:
Op het eerste gezicht is hij de norse, zwijgzame opa die liefdevol op de kleinkinderen past en overdag parkeertickets controleert bij de rechtbank. Zijn geheime leven is dat van een voormalige corrupte agent en een dodelijk efficiënte huurmoordenaar. Mike leeft in een strikt gecompartimenteerde realiteit waarin hij zijn gruwelijke werkzaamheden volledig loskoppelt van zijn rol als zorgzame grootvader.

En dan is er de grote uitzondering op de regel. Waar ieder ander personage een beschaafd masker opzet om een innerlijk monster of een diep gebrek te camoufleren, bewandelt Jesse Pinkman de omgekeerde weg.

Zijn publieke gezicht is dat van een luidruchtige, opstandige ‘wanna-be gangster’ die grossiert in straattaal, goedkope drugs en een schijnbaar totaal gebrek aan fatsoen. Maar zijn schaduwzijde herbergt een diep getraumatiseerde, empathische ziel met een verrassend zuiver moreel kompas.

Jesses geheim is niet dat hij slechter is dan hij zich voordoet; zijn geheim is dat hij juist inherent goed is. Hij is een beschadigde jongen die wanhopig zoekt naar goedkeuring en liefde, maar gevangen raakt in een web van sociopaten. Zijn verborgen kant is een diepe kwetsbaarheid en een oprecht beschermend instinct voor de zwaksten in de samenleving, met name verwaarloosde kinderen. Waar Walter White transformeert van mens naar monster, blijft Jesse tegen de klippen op zijn menselijkheid bevechten. Dat maakt hem niet alleen het meest tragische personage van de serie, maar ook het eigenlijke morele anker.

Het mechanisme achter al deze dubbellevens is overigens fascinerend. In de psychologie spreekt men van cognitieve dissonantie wanneer iemands daden niet stroken met zijn zelfbeeld. Om die spanning te overleven, splitsen deze personages hun persoonlijkheid op. Het is een wetenschappelijk verklaarbaar overlevingsmechanisme; al is de uitwerking in dit geval destructief.

Al met al een geruststellende gedachte terwijl ik na mijn binge-sessies naar mijn eigen onaffe muren stond te kijken: mijn huis mocht dan een puinhoop zijn, ik heb tenminste geen miljoenen aan drugsgeld in de kruipruimte liggen. Althans; dat houd ik mijn buren voorlopig voor.

Wat meer naar achteren

Het gat dat Esther slaat, vul je niet zomaar met een nieuw gezicht.

Iedere keer als er een leider weggaat in een partij controleer ik welke functieterm men hanteert voor de vacant geworden baan. Esther Ouwehand stapt op als ‘fractieleider’ maar in krantenkoppen staat ook vaak ‘fractievoorzitter’. Christine Teunissen neemt per direct de dagelijkse aanvoering en het handwerk binnen de Tweede Kamer over, dus die functie is vergeven. Ja, fractieleider (media-term) en fractievoorzitter (officiële term) mag je door elkaar gebruiken. De genoemde werknemer stuurt de club aan die daadwerkelijk in de Tweede Kamer zit. Het is een fulltimebaan die zich puur afspeelt binnen de muren van het parlement, waarbij men voorgaat in het voeren van debatten, wetsvoorstellen indient en dagelijkse Haagse politiek bedrijft.

Misschien ben ik niet geschikt om voor een representatieve, louter rationele stemmer door te gaan. Hoewel ik viel voor haar glasheldere idealen en de eloquente wijze waarop ze die etaleerde, speelde er een zwaktebod mee: een vorm van vooringenomenheid die ik liever voor mezelf houd. Charisma is een fenomeen dat je nooit slechts rationeel kunt verklaren. Laten we zeggen dat de politieke arena er met haar vertrek als partijboegbeeld een stuk minder elegant op wordt. Maar gelukkig blijft ze wel in de Kamer.

Esther is nooit partijvoorzitter geweest; degene die sinds 25 maart 2024 deze interne, bestuurlijke functie bekleedt heet Zwanny Naber. Zij volgde destijds Michiel Knol op, die de rol tijdelijk ad interim had waargenomen na het nogal tumultueuze vertrek van de daarvoor zittende voorzitter, Ruud van der Velden. Het partijvoorzitterschap behelst de minst zichtbare, maar organisatorisch wel heel belangrijke rol van interne verenigingsbaas. Deze persoon zit niet in de Tweede Kamer en bedrijft geen actuele politiek. De partijvoorzitter leidt de vereniging achter de schermen: de financiën, het organiseren van congressen, het selecteren van kandidaat-Kamerleden en het sussen van interne ruzies. Alleen al dat laatste zou bij de PvdD een hele enerverende taak worden.

Tot nu toe alles helder. Maar naast de manager van de kamerleden en de interne verenigingschef blijkt er ook nog behoefte aan een landelijk boegbeeld dat luistert naar de term ‘politiek leider’ (officieel) of ‘partijleider’ (media-term). Dit is het gezicht op de verkiezingsposter. De persoon die de ideologische koers uitzet, de grote interviews geeft en de partij vertegenwoordigt naar de hele samenleving. Vaak bezet de politiek leider ook stoel 1 (zoals Ouwehand deed), maar dat hoeft niet. Wat Esther Ouwehand betreft, kan ik melden dat zij naast de functie van fractievoorzitter de rol van partijleider heeft neergelegd zonder meteen een vervanger te noemen; de partij is vanaf nu dus officieel op zoek naar een nieuw nationaal uithangbord. (De twee kranten die ik lees waren hier gisteren niet echt duidelijk over. Vandaag ook niet, zo te zien.)

Ik denk dat Esther een gat laat vallen. Dat doet ze ongewild; ze heeft nog nooit een kuil gegraven voor een ander. Dit in tegenstelling tot andere partijgenoten die dat foute schopje wel hanteerden. Ik durf te beweren dat partijleider Ouwehand ook een gat zou laten vallen als er voor deze functie wel meteen een nieuwe kandidaat was aangesteld. Wat ik met zoveel woorden wil beweren, is dat Esther Ouwehand mij onvervangbaar lijkt. Althans voorlopig.

Gerekend vanaf het moment dat ze in oktober 2019 het fractievoorzitterschap overnam van Marianne Thieme, kon je bij landelijke verkiezingen drie keer op haar stemmen in de drievoudige hoedanigheid van lijsttrekker, politiek leider en fractieleider. Dat heb ik ook gedaan. 2021 was haar vuurdoop. Omdat ik al iets van haar had gezien in haar rol van kamerlid, gaf ik haar toen niet zomaar het voordeel van de twijfel. In 2023, na de val van het kabinet-Rutte IV, had zij zich zodanig gemanifesteerd dat ze mijn electorale steun nog overtuigender verdiende. Bij de meest recente Tweede Kamerverkiezingen van 2025 was ik een onverholen en van elke bedenking gevrijwaarde fan.

Ze heeft nu een beslissing genomen die haar geschiktheid voor het leiderschap in de politiek alleen maar onderstreept: ze doet een stap terug maar blijft wel zitten als kamerlid. Eén van de redenen formuleert ze in een interview in de Volkskrant zo: ‘[…] anders blijf je afhankelijk van dat ene bekende gezicht en dat is niet gezond.’ Daaruit spreekt een verlichte leider die wat mij betreft nog wel even aan had mogen blijven.

Maar misschien ben ik niet geschikt om voor een gemiddelde, objectieve stemmer door te kunnen gaan. Natuurlijk hadden haar heldere ideeën en verbale souplesse mijn voorkeur; het zou echter oneerlijk zijn om te ontkennen dat er ook een ander soort bekoring in het spel was. Een vorm van zwakheid waar je als veertien jaar oudere man bij de koffieautomaat discreet over zwijgt, maar die de gang naar de stembus wel een extra glans gaf.

Lezersreactie:
Ronald, je hoeft je sapioseksualiteit hier echt niet zo omfloerst op te kroppen hoor. We snappen allemaal dat je wild wordt van een goed geredigeerd amendement. Maar wees gerust: ze blijft gewoon in de Kamer zitten, dus je kunt je intellectuele libido de komende jaren blijven laven aan haar optredens bij de interruptiemicrofoon. Neem tussendoor een koude douche.
@Ouwe_Snor_67

Lezersreactie:
Na een wat saaie opsomming op het einde toch nog een lyrische biecht. Ik vrees dat ze jouw veertien jaar oudere hartslag nog naar gevaarlijke hoogten zal jagen als hoogst irritant kamerlid.
Ben, Endegeest

Lezersreactie:
Typisch weer een buitenstaander die de dynamiek binnen onze vereniging niet snapt. Alsof het partijvoorzitterschap van Zwanny Naber gereduceerd kan worden tot het ‘sussen van ruzies’. Bestuurlijke vernieuwing en de ecocentrische koersbewaking vergen visie! Dat jij Esther vooral ‘elegant’ vond, zegt meer over jouw oppervlakkige, antropocentrische blik dan over de electorale realiteit. Lees eerst ons partijprogramma eens fatsoenlijk.
@Groen_Kikker_91

Lezersreactie:
Ouwehand stapt natuurlijk niet zomaar op ‘omdat een bekend gezicht ongezond is’. Dat is pure spindoctoring voor de bühne. Er broeit allang weer wat op het partijbureau. En dat Teunissen de boel nu overneemt? Interim-management voor gevorderden. Over drie maanden praten we wel weer verder als de evaluatie van de lijsttrekkersprocedure online lekt.
Truus_van_Rijn, Wijnjerade

Lezersreactie:
Nou, ik vond Esther altijd veel te schreeuwerig. Altijd maar over die bio-industrie terwijl de gewone man de boodschappen niet meer kan betalen. En dat jij dan op haar stemt omdat ze zo ‘eloquent’ praat… trap er nou niet in! Het zijn allemaal zakkenvullers daar in Den Haag, of ze nou ‘fractieleider’ of ‘partijleider’ op hun visitekaartje hebben staan. Ze plukken ons allemaal kaal. Maar ja, smaken verschillen blijkbaar.
@KritischeKlaasvaak

Lezersreactie:
Het gat van Esther vul je niet zomaar met een blotebillengezicht!
Karel, Terneuzen

Eieren voor je geld

Van de meedogenloze mechanica van de megastal naar de menswaardige moraal van de vierkante meter.

De eerste keer dat mijn vader mij meenam naar één van zijn klanten in Brabant, deed hij dat uit pure trots. Ik was zeven. Mijn wereld scheen groot maar bleek overzichtelijk. Ik zat zonder gordel op de skai-lederen voorbank van onze roestige Opel Blitz. Mijn verwachtingen konden niet groter zijn. Destijds – eind jaren zestig – trilden vrachtauto’s nog op hun grondvesten wanneer de motor aansloeg. In onze gammelbak rook het steevast naar een mengsel van diesel, oude tabak en verschraald strooisel, wat mijn brein voor altijd als vertrouwde nestgeur zou opslaan. We waren op weg naar een kippenhouder die door mijn vader als graanhandelaar van voer werd voorzien.

Hij bedreef een vorm van ruilhandel die vandaag de dag in geen enkel economisch handboek zou passen. Hij leverde de brandstof voor de eierproductie: grofpapieren zakken, voorzien van zijn bedrijfslogo, met een uitgekiende mengeling van maïs, gerst, tarwe en havermoutkorrels. In ruil voor die granen kreeg hij eieren terug. Maar de cyclus was pas écht rond wanneer de beesten hun beste tijd hadden gehad. Zodra de productie haperde en de legkippen economisch gezien ‘afgeschreven’ waren, nam mijn vader het tanig geworden pluimvee zelf af.

Niets leek verloren te gaan in die pragmatische jaren (behalve het milieu natuurlijk, maar de zorgen daarover volgden later). De uitgediende hennen kregen een postume bestemming die even nuchter was als macaber: het vlees en de slachtafvallen werden doorverkocht aan Felix-Bonzo in Etten-Leur, waar het werd verwerkt tot voer voor honden en katten. De kaal geplukte botten gingen op transport naar de lijmindustrie in het noorden des lands, om te worden opgelost tot beenderlijm. Utilitarisme ten top: een rimpelloze, bijna poëtische carrousel van graankorrels tot huisdierbrokken en kleefstoffen.

Als zevenjarige overzag ik die volledige bedrijfsketen natuurlijk nog niet; ik keek vooral uit naar de boerderij, naar het erf, naar de pastorale idylle die ik associeerde met het buitenleven. De schokkende realiteit die achter de staldeuren wachtte, openbaarde zich wel aan mijn zintuigen, maar sloeg mijn nostalgische droombeeld niet in één klap aan diggelen. Een kind laat zich immers gewillig indoctrineren door de belangrijkste man in zijn universum. Wanneer mijn vader, als baken van ratio en vooruitgang, kalm sprak, tussendoorgrapjes maakte, en boertjes amicaal op de schouders sloeg, kon er toch niets aan de hand zijn?

Bovendien schreef de tijdgeest nog geen moreel protest voor. We bevonden ons aan de vooravond van het ecologische bewustzijn; het concept ‘dierenleed’ stond hooguit als abstract agendapunt genoteerd op de pamfletten van vroege milieuactivisten. Terwijl Roel van Duijn en zijn Provobeweging in de Amsterdamse grachtengordel experimenteerde met het gratis Witte Fietsenplan, dweepte met de Club van Rome en in vroege macrobiotische winkeltjes filosofeerde over een gifvrije, organische samenleving, reikte zijn links-radicale tegencultuur nog láng niet tot de nuchtere, katholieke zandgronden van Brabant. In Gilze-Rijen regeerde de wederopbouw. Efficiëntie was een deugd, schaalvergroting de heilige graal.

Wanneer onze Blitz het erf op draaide, trad ik een wereld binnen die balanceerde tussen kinderlijke fascinatie en sluimerend afgrijzen. Ik was simpelweg te jong om de morele breuklijnen te zien. Er werd veel te veel vriendschappelijkheid aan de dag gelegd onder de beulen om mij als zevenjarige wezenlijk op te winden. De Brabantse pluimveehouders toonden trots hun nieuwste mechanische snufjes. Mijn Rotterdamse vader bleek op zijn beurt niet minder groos om wat hij, onder de rivieren, commercieel voor elkaar had getoverd. Tussen de jovialiteit en het handeldrijven door, was er geen ruimte voor sentiment.

In die luidruchtige stallen zouden mensen vandaag niet vrolijk worden. Maar hedendaagse consumenten, met hun verfijnde ethische kompas en biologische supermarkten, bestonden nog niet in West-Brabant. Het collectieve bewustzijn was nauwelijks gespleten. Men keek naar een legbatterij zoals men naar weefgetouwen in een textielfabriek keek: als een triomf van menselijk vernuft over de grillen van de natuur. Dierenwelzijn was geen ethische categorie, maar een productiefactor. Een kip die aan één stuk door legde gold als gezond; een kip die daarmee stopte werd levenstocht en lijm. Zo overzichtelijk was de moraal.

De boeren demonstreerden fier hun lopende banden. Het leek inderdaad een technologisch hoogstandje dat eieren volautomatisch, en zonder te breken, onder de kont van de kippen vandaan, naar één centraal verzamelpunt rolden. Maar de legbatterijen stonken, de kippen zaten opeengepakt en boven elkaar gepropt. Daaronder bevonden zich diepe giergreppels die je niet overleefde, mocht je er onverhoeds in vallen. Met de wijsheid van de terugblik zou ik later deze reductie van leven tot mechanica gaan inzien. Daar en toen hoefde ik alleen maar stevig de hand van mijn vader vast te houden om positief vooruit te blijven kijken, net als hij.

Het claustrofobische bestaan van pluimvee waarin elk natuurlijk gedrag is wegbezuinigd, ging mij later pas tegenstaan, toen ik de leeftijd had bereikt om tegendraads te zijn. De gitzwarte, kolkende brij van ammoniak en uitwerpselen, waarvan de dampen je adem afsneden, zouden mijn Proustiaans opgeslagen geuren nooit helemaal verdrijven, maar ze kregen wel een moreel tegengewicht. Het puur-commerciële vooruitgangsgeloof bleek geen eeuwig leven beschoren; de ronkende vaart van de bio-industrie begon te haperen toen de consument ontwaakte uit zijn gerieflijke onverschilligheid. De mechanica verloor haar glans; de reductie van een levend wezen tot louter een eier- of lijmfabriek werd onhoudbaar. Het kostte een generatie om het anachronisme te ontmaskeren en te beseffen dat vooruitgang zonder scrupules een doodlopende weg is.

Hoe wezenlijk anders is de realiteit wanneer ik vandaag de dag door mijn eigen Arnhemse straat wandel. Achter een van de huizen bevindt zich een modern antwoord op de Brabantse schaalvergroting: het TokHok. Geen blinkende, volautomatisch lopende banden of angstaanjagende giergreppels hier; wel een groepje gevederde vrienden die in alle rust en waardigheid de wetten van de natuur volgen. Met de regelmaat van een vriendelijk tokkende klok houden deze dames de eierproductie op peil. Ze scharrelen, nemen een stofbad en tonen onbekommerd al het natuurlijke gedrag dat in de omgeving van mijn jeugd zo rigoureus was wegbezuinigd.

Het is een prachtig, lokaal initiatief dat, in al zijn kleinschaligheid, een revolutie predikt. Waar we vroeger afhankelijk waren van ondoorzichtige, industriële systemen, heroveren ze hier de voedselketen op de vierkante meter. Het vormt een ethisch baken; een levend alternatief tegenover de zielloze machine van de megastal. Bij deze achtertuin-pioniers kan de kip weer gewoon een vogel zijn in plaats van biologisch kapitaal met een anoniem nummer. De transparantie is terug; je haalt je eieren bij mensen die hun makers tenminste nog bij de voornaam kennen.

P.S. Eén dingetje tot slot: de eigenaren van het Tokhok zitten niet zozeer om eieren verlegen (die stroom blijft dankzij de Barneveldse dames wel lopen) maar wel om eierdozen. Het is de tastbare ironie van het moderne idealisme: we dwingen de bio-industrie op de knieën, maar stranden bij de logistieke frictie van het alledaagse karton. Mocht u dus nog lege doosjes hebben rondslingeren; breng ze naar mijn straatgenoten op nummer 23. Het is een kleine, onmisbare handreiking aan een heroverde moraal.