Een herkenbare drang tot ordening

Over grenzen, controle en een universum dat weigert chaotisch te zijn.

Voorafgaand aan de expositie van Tobias Tebbe in Kunstruimte NUN te Arnhem werd mij meegedeeld dat de kunstenaar autistisch is, en dat mijn recent opgevatte plan om voortaan als onderzoeksjournalist door het leven te gaan, moeilijk slechter getimed had kunnen zijn; althans, als ik van plan was de maker ter plekke vragen te stellen over zijn werk. Wat ik echter ook vernam, was dat ‘Tebbe de jonge’ steevast door zijn vader wordt begeleid. Deze Leon Tebbe is zelf een bekende Arnhemse kunstenaar en graficus. Het leek mij dan ook aannemelijk dat ik mijn vragen desnoods tot hem kon richten.

Tobias Tebbe, met links het werk Dutch Democratic Republic. Een universum waarin Arnhem een grenspost is en niets aan het toeval wordt overgelaten.

Tobias ‘annexeert’ zijn familieleden geregeld in zijn werk en kent hun rollen toe binnen een gefantaseerde staatsstructuur. Neem alleen al het werk dat de uitnodiging voor de expositie siert: Dutch Democratic Republic. Onderaan prijkt, in een versierd medaillon, de naam ‘Leon Tebbelsévier’. Vader Leon lijkt hier niet slechts begeleider, maar eerder een functionaris – zo niet een patriarch – binnen dit regime.

Wat ik a priori over dit werk kon achterhalen, was het resultaat van een kort maar doelgericht vooronderzoek; de moderne term voor een kwartier geconcentreerd surfen. Dat leverde een fascinerend beeld op van wat zich laat omschrijven als een cartografische koortsdroom.

Het werk blijkt geen op zichzelf staand tafereel, maar een fragment uit een omvangrijk geopolitiek project. In Tebbes parallelle universum zijn de grenzen van West-Europa niet slechts verschoven, maar doelbewust geannexeerd en samengesmolten tot een hybride staat die het midden houdt tussen de polder en de voormalige DDR. Met opmerkelijke precisie herschrijft hij de kaart. We zien fenomenen als ‘West-Arnhem’ en de creatie van ‘East-Dutchia’. Het waarschuwingsbord in het centrum van de compositie – “Achtung! Sie verlassen jetzt West-Arnhem” – fungeert als een venijnige parodie op de teksten bij Checkpoint Charlie. Arnhem verschijnt hier als een laatste bastion, vlak voor het onbekende begint.

De compositie vertoont een gezonde vorm van horror vacui: geen millimeter blijft onbenut. Berekeningen – zoals de raadselachtige vermelding 19 times 105 – suggereren dat deze wereld rust op een fundament van strikte, haast wiskundige wetmatigheden, ver verwijderd van enige spirituele zweverigheid. Mocht dat inderdaad het geval zijn, dan heb ik er een geestverwant bij op dat zeldzame droge eiland in de woeste stroom van hedendaagse esoterie.

De kunstenaar speelt bovendien een geraffineerd spel met de begrippen ‘Dutch’ en ‘Deutsch’. Vlaggen versmelten, namen vervormen; het resultaat is een visuele identiteitscrisis waar zelfs de meest doorgewinterde douanier het spoor bijster van zou raken. Het geheel oogt als een poging om de chaos van de werkelijkheid te bezweren door haar te vangen in een rigide, bijna bureaucratisch systeem.

De vraag was of ik die middag toestemming zou krijgen om deze wereld te betreden, of al bij het eerste Allied Checkpoint zou worden teruggestuurd wegens een gebrek aan de juiste papieren. Vooralsnog leek het mij verstandiger om eerst in stilte te observeren.

Dat bleek geen probleem. Tobias noch zijn vader voelde de behoefte hun werk met een verkooppraatje te begeleiden. De vernissage trok bovendien voldoende publiek om eventuele toenaderingspogingen van mijn kant overbodig te maken. Opvallend was hoezeer de aanwezigen met elkaar bezig waren, en hoe weinig met het werk zelf, maar voor een opening schijnt dat gebruikelijk te zijn. Eén bezoeker probeerde het sociale gebeuren zo fanatiek vast te leggen dat zij, al achteruitlopend, een schilderij van de muur stootte.

Ik ontkwam overigens niet aan zelfkritiek. Tot mijn eigen ergernis stond ik al snel met een biertje in mijn hand; en daarna met een glas wijn. Alsof alcohol noodzakelijk was om Tebbes universum te doorgronden. Dat bleek allerminst het geval. De reeks waarin Nederland en Duitsland samensmelten tot een denkbeeldige staat is eerder een heldere, ironische geste dan een uiting van wat men gemakshalve een ‘spectrum’ noemt.

Tebbe hanteert een eigen, consequent doorgevoerde mythologie, zichtbaar in terugkerende symbolen en patronen. Van enig metafysisch gedweep is geen sprake; integendeel, het werk ademt een zekere nuchterheid. Driehoeken met een oog of cirkel, repetitieve structuren; ze geven het geheel een controlerende uitstraling die naadloos aansluit bij thema’s als grensbewaking en toezicht.

Het werk is doordrenkt van een fascinatie voor grenzen, paspoorten en identiteit. Dat valt gemakkelijk als obsessief te bestempelen. Hoewel Tebbe vaak onder Art Brut wordt geschaard, lijkt zijn oeuvre mij eerder een doordachte en complexe constructie van een parallel universum. De neiging tot volledige opvulling – het eerder genoemde horror vacui – is onmiskenbaar aanwezig, maar laat zich ook lezen als een vorm van systematiseren: een cognitieve strategie om de wereld te ordenen via schema’s, regels en structuren.

Moet dit per se worden weggezet als Art Brut? Mag het, afgezet tegen de waan van de tijd en de oppervlakkigheid van tijdgenoten, niet eenvoudigweg worden erkend als een indrukwekkende prestatie: het bouwen van een coherente, alternatieve werkelijkheid?

Wat er vervolgens gebeurde, leek mijn vermoeden te bevestigen dat het autisme-aspect wellicht wordt overbelicht. Terwijl ik daar stond te mijmeren, verscheen Tobias plotseling naast mij; opmerkelijk toegankelijk en bereid tot gesprek.

De vragen die ik had voorbereid, bleven echter steken in hun eigen lichtvoetigheid. Ik had hem willen vragen: “Meneer Tebbe, hoe streng is de visumcontrole tussen West-Arnhem en East-Dutchia?” Of, met betrekking tot de interne hiërarchie: “Welke functie bekleedt Leon Tebbelsévier binnen dit bestuur?” En ook: “Zijn uw grenzen gebaseerd op historische gegevens, of hanteert u een eigen cartografische logica?”

Het waren vragen met een speels karakter; misschien te speels voor het moment. Belangrijker was wat in de openingsrede al ter sprake was gekomen. Tobias vertelde met zichtbaar enthousiasme over de meridianen en breedtegraadcirkels die het dichtst langs zijn woonadres lopen, en over de opmerkelijke toevalligheden die zich langs die lijnen voordoen.

Iedereen bevindt zich immers binnen een raster van dergelijke lijnen. Wie ze volgt – op de kaart, welteverstaan – kan ontdekken hoe zij langs onverwachte plaatsen, gebeurtenissen en verbanden voeren. Die toevalligheden worden door Tebbe niet verheven tot mystiek of wereldwonder, maar nuchter geregistreerd en verwerkt in zijn werk.

Misschien is juist dat het meest intrigerende aspect van zijn universum: dat het, ondanks alles, weigert om zweverig te worden.

Verplaatsing bij eenparige beweging

Natuurkundeformules → Mechanica → Kinetica → Verplaatsing bij eenparige beweging.

Niet lang geleden begaf ik mij onder de kunstzinnige elite. De ‘opperstalmeester’, alsook de tentoongestelde werken, ontketenden breedvoerige reflecties aangaande de tegenstelling tussen immobiliteit en dynamiek; een discours waarin abstracte stellingen de feitelijke bewijslast overschaduwden. Als rationele tegenhanger van deze metaforische bespiegelingen presenteer ik een mathematische vergelijking die de mechanische werkelijkheid ontsluit. Zie het als een oproep met een knipoog om de poëtische vrijheden even terzijde te schuiven. Hieronder worden de principes van de kinematica uiteengezet. Deze impliceren logischerwijs ook de hoedanigheid van rust; stilstand is per slot van rekening slechts een verplaatsing met een snelheidswaarde \boldsymbol{v = 0}. Na onze eerdere focus op de meest basale bouwsteen – de verplaatsing op zichzelf – richt de onderstaande formule zich op de afstand bij een constante snelheid.

Nadat we de basis van verplaatsing (displacement) hebben gelegd, kijken we nu naar de meest eenvoudige vorm van beweging binnen de kinetica: de eenparige beweging (uniform motion). Hierbij is de snelheid constant (v = constant); er is dus geen versnelling.

Op Nederlandse middelbare scholen wordt \huge\boldsymbol{s(t) = vt} toegepast (zie de Binas er maar op na), maar in ISO-standaardtaal gebruiken we:

\huge\boldsymbol{\Delta x = v \cdot t}

(Uitspraak: Delta x equals v times t)

Specificatie van de variabelen binnen de vergelijking:

  • \boldsymbol{\Delta x} (Displacement): De verandering in positie (meter, m).
  • \boldsymbol{v} (Velocity): De constante snelheid in een specifieke richting (meter per seconde, m/s).
  • \boldsymbol{t} (Time interval): De verstreken tijd (seconde, s).

Bij een uniform motion (eenparige beweging) legt een object in gelijke tijdsintervallen gelijke afstanden af. Wetenschappelijk gezien is dit een lineair verband. Als je deze formule ombouwt naar \huge\boldsymbol{v = \frac{\Delta x}{t}}, zie je dat de snelheid niets anders is dan de hellingshoek (gradient) van de positie-tijdfunctie.

In de Binas-notatie zie je \huge\boldsymbol{s}, maar door vast te houden aan \huge\Delta \boldsymbol{x} valt meteen op dat we werken binnen een coördinatenstelsel. Dit is essentieel zodra we objecten gaan bestuderen die niet bij de oorsprong (\boldsymbol{0}) beginnen.

Verplaatsing (displacement)

Natuurkundeformules (vergelijkingen, equations) → mechanica (mechanics) → kinematica (kinematics) → verplaatsing (displacement).

Onlangs verkeerde ik in een kring van creatievelingen. Tijdens de finissage ontspon zich een discussie omtrent de dualiteit van rust en dynamiek; daarbij overtrof de retoriek niet zelden de feitelijke onderbouwing. Als nuchter tegengewicht voor deze subjectieve interpretaties presenteer ik (met schaamteloze arrogantie) een mathematisch model dat de wetten van de fysica verduidelijkt. Hieronder staan de grondbeginselen van de kinetica beschreven. Deze bevatten onvermijdelijk ook een omschrijving van inertie; immobiliteit is tenslotte niets anders dan een verplaatsing waarbij de snelheid \boldsymbol{v=0} bedraagt. Mijn eerdere uiteenzetting over de ‘eenparig versnelde beweging vanuit stilstand’ leidde tot verzoeken om toelichting. Dat lijkt me billijk. Wellicht was het beter geweest om te starten bij de meest elementaire hoeksteen van de mechanica: de verplaatsing op zich. Ik ga ervan uit dat de nu volgende formule voor eenieder volkomen transparant is.

In de mechanica is de meest fundamentele bouwsteen het bepalen van de positieverandering van een object. We noemen dit de verplaatsing (displacement). In tegenstelling tot de afgelegde weg (distance), houdt displacement rekening met de richting; het is een vectorgrootheid.

\huge\boldsymbol{\Delta x = x_f - x_i}

(Uitspraak: “Delta x equals x sub f minus x sub i.”)

Specificatie van de variabelen van de formule:

  • \boldsymbol{\Delta x} (Displacement): De netto verandering van positie (uitgedrukt in meters, m).
  • \boldsymbol{x_f} (Final position): De eindpositie van het object ten opzichte van de oorsprong.
  • \boldsymbol{x_i} (Initial position): De beginpositie van het object ten opzichte van de oorsprong.

De vergelijking voor displacement is de essentie van de rechtlijnige beweging. Het symbool \boldsymbol{\Delta} (de Griekse hoofdletter Delta) staat in de wetenschap altijd voor ‘verandering’.

Het cruciale verschil tussen distance en displacement is dat de displacement negatief kan zijn. Als een deeltje begint op \boldsymbol{x = 10} en eindigt op \boldsymbol{ x = 2}, dan is de displacement:

\huge \boldsymbol{2 - 10 = -8}

Dit negatieve getal vertelt ons niet alleen hoe ver het object is bewogen, maar ook dat het in de negatieve richting op de x-as is gegaan. Dit onderscheid is essentieel voor de verdere berekening van de velocity (snelheid met richting).

Versnelde beweging zonder beginsnelheid

Natuurkundeformules → Mechanica → Rechtlijnige beweging →

Recentelijk verkeerde ik in het gezelschap van kunstenaars. Hun expositie vormde de aanleiding voor verhandelingen over concepten als stilstand versus beweging; hierbij werd meer beweerd dan bewezen. Ter contrastering van dergelijke artistieke abstracties publiceer ik hier een natuurkundige formule die de mechanica inzichtelijk maakt. Onderstaand volgen de wetmatigheden voor de rechtlijnige beweging. Deze formuleren inherent ook een definitie van rust; stilstand is immers louter een beweging met een snelheid v = 0. Vandaag behandel ik de ‘eenparig versnelde beweging zonder beginsnelheid’.

Spreek uit: s-t is gelijk aan een halve a-t-kwadraat.

De afgelegde afstand s op tijdstip t is gelijk aan een halve a-t-kwadraat; oftewel de helft van de versnelling vermenigvuldigd met het kwadraat van de tijd.

\huge\boldsymbol{s(t) = \frac{1}{2} \cdot a \cdot t^2}

Specificatie van de variabelen in de vergelijking:

  • s(t): De positieverandering als functie van de verstreken tijd.
  • \boldsymbol{\frac{1}{2}}: De constante factor die voortvloeit uit de integratie van de snelheid.
  • a: De constante versnelling in meter per seconde kwadraat.
  • t²: Het kwadraat van de tijd; dit zorgt voor de parabolische toename van de afstand.

Omdat er geen beginsnelheid is, begint de grafiek in de oorsprong met een helling van nul. De beweging is strikt parabolisch.

Deze factor 1/2 is essentieel; bij een constante versnelling vanuit rust (stilstand) is de gemiddelde snelheid exact de helft van de eindsnelheid:

\huge\boldsymbol{ v_{gem} = \frac{1}{2} \cdot v_e}

ISO-standaardtaal:

\huge\boldsymbol{\bar{v} = \frac{1}{2} v_f}

(Spreek uit: v-gemiddeld is gelijk aan een halve v-e)

Dit kunnen we ook als volgt schrijven:

\huge\boldsymbol{ v_{gem} = \frac{v_{eind}}{2}}

ISO-standaardtaal:

\huge\boldsymbol{v_{avg} = \frac{v_f}{2}}

(Spreek uit: v-gemiddeld is gelijk aan v-eind gedeeld door twee)

Naast deze meetkundige uitleg, kunnen we dit ook wiskundig aantonen. Wiskundig volgt dit namelijk uit de integratie van de snelheid:

\huge\boldsymbol{ v(t) = a \cdot t}

(Spreek uit: v-t is gelijk aan a maal t)

\huge\boldsymbol{\int (a \cdot t) dt = \frac{1}{2} \cdot a \cdot t^2}

(Spreek uit: de integraal van a maal t d-t is gelijk aan een halve a-t-kwadraat)

Concluderend: Omdat ook hier geldt dat:

\huge\boldsymbol{s = v_{gem} \cdot t}

ISO-standaardtaal:

\huge\boldsymbol{s = \bar{v} \cdot t}

(Spreek uit: s is gelijk aan v-gemiddeld maal t) resulteert deze berekening onvermijdelijk in de factor \boldsymbol{\frac{1}{2}}.

We kijken anders naar hetzelfde

Stel je voor: een leven voorbij het oordeel, bevrijd van de opgelegde werkelijkheid.

Beste heer Rosenberg, ik begrijp nu dat u twee typen ogen onderscheidt bij mensen die onderzoek doen naar de authenticiteit van schilderijen: ogen die kijken met louter kennis van zaken, en de gezichtsorganen van de zogenaamde experts met dollartekens in hun blik.

Een combinatie van de twee is ook mogelijk: de halfkritische visie van geldbeluste connaisseurs. Die zouden het u moeilijk kunnen maken, maar nee, al deze mensen heeft u buitengesloten; zij doen u geen kwaad meer.

Sommigen van uw dierbaren, zo vertelde u, begonnen ook al raar te kijken. Pure afgunst. Zij waren van mening dat u een economisch belang hebt bij het bepalen van echt of nep. Dat noemde u blikvernauwing. Ook hen wees u de deur.

U bent geen charlatan maar een lichtmeester en een scherpslijper. U werd van jongsaf omringd door kunst. Toeval en gevoel voor schoonheid hebben u belast met iets enorms; iets onhandelbaars. U beweert een Rembrandt te bezitten.

Helaas voor u kunt u niet om de ‘toeschrijvingsautoriteiten’ heen. Dat zijn mensen – in uw woorden – die in geen enkele eerder genoemde categorie passen. Ze zijn verbonden aan musea en hebben het aureool van wetenschappelijkheid en objectiviteit.

Die trekt u niet in twijfel, maar de ware experts werken niet belangeloos. Ze willen geen onderzoek verrichten zolang u uw doek niet op voorhand in bruikleen geeft (mocht deze als echt worden aangemerkt).

Ziedaar de patstelling. U bent een noodgedwongen eigenaar en een actief conflictvermijder. U werkt nauwkeurig als het om uw hobby gaat (het vervaardigen van lenzen), maar u wilt zichzelf niet creatief noemen. Vervalsen bijvoorbeeld, u zou niet weten hoe dat moet. U heeft het werk verworven. Zoals je talent erft. De toedracht blijft vaag maar schijnt de garantie van echtheid te impliceren. Kun je daarmee volstaan?

Je zult het maar zijn: de bezitter van een Rembrandt. Het schilderij hangt in uw slaapkamer naast uw vroegere werkplaats. Het wil onderzocht worden; het verlangt naar ogen die het definitieve onderscheid maken, niet naar de blikken van simpele museumbezoekers. Toch zal het langs talloze beschouwers en commentatoren moeten, wil het werkelijkheidsgehalte ervan worden bepaald.

Ik weet niet goed waarom u zoveel vertrouwen in mij stelde. Omdat ik maar een postbode ben? Of juist omdat ik uw briefgeheimen bewaak? Dacht u dat ik zou zwijgen voor het overige? Maar ik ben een schrijver, meneer Rosenberg, ik ben eerst en vooral een schrijver; ook ik maak aanspraak op mijn eigen stukje originaliteit tegenover de rest van de wereld.

Ik herken de neiging dat je wilt pronken met iets en het wilt verstoppen. Je vindt dat het recht heeft op aandacht. Je doet alles en toch weer niets om vakkundige blikken op je werk te vestigen.

Ik weet wat het is: u wilt vragen uit de weg gaan. Maar u ervaart ook eenzaamheid. Duur bezit schept grote verantwoordelijkheid, drijft je weg van de meute. Vage herkomst verlangt een verklaring. En daarna nog één. Zo reageert een omgeving die zelf niet veel kan.

Er heerst totaal geen angst dat het oordeel uiteindelijk “nep” zal zijn. Dat zou ons eerder helpen. Het zou de bevrijding inluiden. Het werk wordt er niet lelijker van. Stel je voor: eindelijk bevrijd te worden van het predikaat van echtheid door een menigte die zelf geen grootsheid ervaart.

Niet uit zichzelf, nooit in de slaapkamer.

Foyergeilheid

Waarom voorstellingen voor velen slechts een intermezzo zijn bij hun eigen zelfmanifestatie.

Ik heb een tijdlang het twijfelachtige privilege genoten om gratis ballet- en operavoorstellingen bij te wonen. Mijn partner bekleedde een managementfunctie bij een podiumkunstacademie, wat mij transformeerde tot een vaste passant in de coulissen van de hogere kunsten. Mijn werkelijke voldoening haalde ik echter niet uit de spitzen, de stembeheersing, de enscenering of de dramatische coloraturen, maar uit mijn persoonlijke gezelschap: ik zat naast degene van wie ik hield en zag haar oprecht genieten. Dat was een openbaring op zich. Blijkbaar bestonden er mensen die daadwerkelijk voor de kunst kwamen. Voor de rest van de zaal durf ik die stelling namelijk niet zomaar te verdedigen.

Zien en gezien worden.

De foyer is niet slechts een doorgangsruimte; het is het epische centrum van een geraffineerde ‘kijk-mij-eens-parade’. De culturele côterie trekt haar beste kleren aan om zich in deze arena te begeven. Men gaat er niet ‘naar de voorstelling’, men gaat ‘naar het theater’; een subtiel maar wezenlijk verschil. Zonder de foyer zou de zaal waarschijnlijk halfleeg blijven. Ik durf zelfs te beweren dat de voorstelling voor velen slechts het noodzakelijke decorum vormt voor de eigen profilering; een intermezzo dat de sociale interactie vervelend onderbreekt.

In de pauze, te midden van de andere consumenten van hoge cultuur, kan men zijn sociaal kapitaal etaleren als pauwenveren. Men oogst complimenten over de nieuwe designbril of andere uiterlijke trivialiteiten. Men bevestigt elkaars status door middel van een vakkundig gechoreografeerde knik of een luidruchtige lach die net iets te lang aanhoudt, bedoeld om de omstanders te laten weten dat men er is en ‘erbij hoort’. Wat dat betreft functioneert de foyer als een golfclub, zij het met minder openlijke handelstransacties en meer intellectuele pretentie.

Het is een plek van monkeys see, monkeys do voor geparfumeerde primaten; een arena waar de groepsbevestigende dynamiek belangrijker is dan de artistieke overdracht. Sociologisch gezien zijn we hier getuige van wat Thorstein Veblen ‘opzichtige consumptie’ noemde, maar dan toegepast op cultuur. In deze ruimte wordt de sociale cohesie gehandhaafd via een collectief ritueel van zelfmanifestatie, waarbij het côteriegekwezel fungeert als de lijm tussen de verschillende statusposities. Men betaalt niet voor het schouwspel, maar voor de bekrachtiging van de eigen exclusiviteit. Je ziet overduidelijk wie het te doen is om het uiterlijk vertoon en wie de voorstelling louter gebruikt als een moreel vernisje om de eigen superioriteit te bevestigen.

De ‘hyperaanwezigheid’ van de toeschouwer overstemt de act op het podium. In de psychologie noemen we dit ook wel het spotlight effect: de toeschouwer is er zo van overtuigd dat de wereld naar hem kijkt, dat hij bereid is een fortuin neer te leggen voor een tweederangs stoel, zolang die maar in de juiste ruimte staat.

Wat de voorstellingen zelf met mij deden? Ik werd vooral getroffen door de onversneden fysieke rauwproeverij van het geheel. Velen zullen het vloeken in de kerk vinden, maar op YouTube zie je in wezen de perfectie; in de zaal hoorde ik de planken echter vaak door de muziek heen klinken. Ik had dit nooit verwacht. Iedere landing na een sprong van een balletdanser klonk niet als een gewichtsloze droom, maar als een doffe klap van vlees op hout; een herinnering aan de zwaartekracht die de geparfumeerde primaat en de ballerina of danseur noble elk op hun eigen wijze pogen te ontkennen.

Het was een prachtig stukje realisme in een omgeving die van begin tot eind een illusie van perfectie probeerde op te wekken. Terwijl de foyerbezoekers buiten hun uiterste best deden om hun menselijkheid te verhullen achter dure parfums en ingestudeerde meningen, herinnerden de bonkende voeten op het podium mij eraan dat onder al die schone schijn simpelweg een lichaam schuilt dat hard moet werken om niet te vallen.

Uiteindelijk dwingt de actuele controverse rond Timothée Chalamet ons tot een ongemakkelijke eerlijkheid. De acteur beweerde dat we opera en ballet slechts met kunst- en vliegwerk in leven houden, terwijl eigenlijk “niemand er meer om geeft”. Hoewel de culturele wereld collectief over hem heen valt, raakt hij aan een waarheid die de wegblijvers met hun afwezigheid allang hebben onderstreept. Maar de eigenlijke tragiek zit in degenen die er wel zijn. Zoals ik in de foyer heb geobserveerd, is de ‘magie’ van deze voorstellingen voor velen inderdaad een holle frase geworden; een collectieve leugen om de schijn op te houden en de eigen sociale status te legitimeren.

Toch zit Chalamet er op één cruciaal punt naast. “Niemand” is een te groot woord. Tussen de dwingende groepsdynamiek en de ijdelheid van de wandelgangen door, heb ik het privilege gehad om te zien wat er gebeurt als de kunst wel binnenkomt. Ik hoefde daarvoor alleen maar naar de stoel naast me te kijken. Terwijl de rest van de zaal zich in gedachten alweer opmaakte voor de volgende parade bij de bar, was mijn vriendin werkelijk even ergens anders, geraakt door een schoonheid die de zwaartekracht en het sociale toneelspel oversteeg.

Chalamet heeft gelijk dat de sector op een wankel fundament rust, maar zolang er mensen zijn die, ondanks de krakende planken en de rituele gewichtigdoenerij, oprecht ontroerd raken door de rauwe inspanning op het podium, is het te vroeg om de begrafenis van de hoge cultuur in te zetten.

Uit hun stekker; kortsluiting in Arnhem

Hoe een poging tot cultuurbehoud ontaardde in museumroof.

Speciaal voor de opening van de expositie Bakudengar (Luister naar elkaar) was in een van de grootste zalen van Museum Arnhem een tijdelijk podium opgetrokken, gedrapeerd met een prachtig batikachtig doek. Daarvoor zaten muzikanten met een koloniale achtergrond die gamelanmuziek ten gehore gingen brengen. We zouden getrakteerd worden op een traditioneel welkomslied.

De nieuwe vleugel van Museum Arnhem steekt vijftien meter uit over de stuwwal, waardoor bezoekers ‘zwevend boven de bomen’ van een weids uitzicht over de omgeving genieten. Ze is betegeld met 82.000 unieke, met de hand vervaardigde tegels. Het bijzondere kleurverloop van de tegels op de gevel, van aardse tinten aan de walkant tot ijsblauw aan de zijde richting de rivier, symboliseert de locatie van het museum op de door een gletsjer ontstane stuwwal (een idee van Benthem Crouwel Architects). Over glad ijs gesproken: gauwdiefjes hebben niets aan deze doodlopende gang.

De muziek zwol aan, begeleid door de zang van een dame op leeftijd. Laat ik haar stem, met alle respect voor de traditie, ‘karaktervol’ noemen. Of, voor de minder spiritueel ingestelde luisteraar zoals ik, die er maar niet ‘in’ kon komen: een tikkeltje gammel.

Ik bleef mijzelf wijsmaken dat authenticiteit nu eenmaal schuurt en dat het niet aan de zangeres lag dat ik was afgeleid. Een zeldzaam moment van zelfkennis, want de realiteit gaf me direct gelijk. Mijn concentratie werd namelijk niet op de proef gesteld door de zangkunst, maar door een nabijstaande video-installatie. Onder het scherm daarvan hing een dozijn koptelefoons aan haakjes, waaruit het schelle geluid ontsnapte van een koloniale film die daarboven werd vertoond.

In verband met de muziekuitvoering stonden wij, het halvemaanvormige publiek, met onze rug naar deze auditieve stoorzender. In een straal van zo’n tien meter hielp het gekrijs uit de schelpen elk greintje cultuurbeleving vakkundig om zeep. Omdat de video in een eeuwige loop werd gevangen, was er geen hoop op een natuurlijke dood van het geluid. Ik besloot dat er een interventie moest plaatsvinden; voor de wetenschap, voor de kunst, maar vooral voor mijn eigen gemoedsrust die maar niet van de grond wilde komen.

Blij dat ik weer eens mijn eigen voorstelling binnen de voorstelling op mocht voeren, dook ik met de lenigheid van een ervaren saboteur achter de installatie. Daar vond ik de voedingskabel in een stekkerhuls. Ik hoefde ze alleen maar uit elkaar te trekken. Missie geslaagd, zo vermoedde ik. Toen ik echter met een triomfantelijke blik achter het scherm vandaan kwam, bleek de techniek mij te slim af te zijn geweest. Het beeld was weg, maar de koptelefoontjes schalden onverstoorbaar verder.

Tijd voor plan B, bedacht ik, toen ik, terug in de luistersikkel, op adem was gekomen. Gelukkig leven we in een tijd waarin koptelefoons niet meer met draden aan de geluidsbron vastzitten. Ik begon ze één voor één van hun haakjes te bevrijden, in de hoop dat ze buiten het bereik van de zender hun irritante relaas zouden staken.

Terwijl ik met een tros van die dingen om mijn armen de nieuwe vleugel van het museum inschoot – een gang die ver over de Arnhemse stuwwal uitsteekt en eindigt bij een enorm raam met uitzicht over de Rijn – verstierf inderdaad het geluid. De draadloze verbinding had haar grens bereikt.

Dat werd voor mij helaas ook het einde van het liedje. Een suppoost had mij in het vizier gekregen. En daarna nog één, die draadloos verbonden bleek met de eerste via diens alarmknop. In de ogen van de beveiliging was ik niet de redder van de gamelan-akoestiek, maar de man die op klaarlichte dag de audio-inventaris probeerde te ontvreemden.

Terwijl de oude dame haar wankele noten over de menigte uitstrooide, werd ik naar een kamertje geleid waar het doodstil was.

Brief aan Maarten van Rossem

Het kwijldoekje van een kunstliefhebber

Beste Maarten van Rossem,

Laat ik beginnen met u te complimenteren; ik beschouw u als het democratische geweten van ons land. In een tijdperk waarin luidruchtigheid, verontwaardiging en simplificatie vaak worden verward met betrokkenheid, vertegenwoordigt u iets zeldzaams: intellectuele rust. Uw stem – of die nu klinkt in colleges, televisieprogramma’s of podcasts – fungeert als een constante herinnering aan het belang van historische context, relativering en scepsis. Wat mij steeds opnieuw treft, is uw vermogen om grote maatschappelijke kwesties terug te brengen tot hun proporties, zonder ze te bagatelliseren, maar ook zonder ze op te blazen tot morele paniek. Dat is een vorm van publieke dienstverlening die schaars is geworden.

Wat ik bijzonder waardeer, is uw consequente weigering om mee te bewegen met modes van verontwaardiging of ideologische hysterie. In uw podcasts en optredens fileert u populisme niet door het te demoniseren, maar door het te ontleden: u laat zien hoe het ontstaat, waarom het aantrekkelijk is, en waarom het intellectueel vaak zo armoedig blijft. Uw droge humor – soms verkeerd begrepen als cynisme – werkt daarbij als een instrument van ontmaskering. U neemt mensen serieus genoeg om ze niet te paaien. Juist dat maakt uw analyses zo verfrissend: u behandelt het publiek niet als een kwetsbare patiënt, maar als een volwassen gesprekspartner die tegen een stootje kan.

Daarnaast is er de persoonlijke verwantschap die ik voel, hoe eenzijdig die uiteraard ook is. Net als u sta ik wantrouwig tegenover grote verhalen, heilige huisjes en nationale mythologieën. Ik ben atheïst, republikeins gezind, allergisch voor sportverering, ongevoelig voor de dwangmatige verheerlijking van vakanties, en diep sceptisch tegenover alles wat zich aandient als “de stem van het volk” maar zelden meer is dan de echo van ressentiment. In die zin fungeert u voor mij als een intellectueel referentiepunt: niet als iemand die ik klakkeloos volg, maar als iemand bij wie ik mij vaak denkend aantref: ja, precies dát. Juist daarom – en dat is geen paradox – vind ik het zo jammer dat ik op een fundamenteel punt tot een andere conclusie ben gekomen.

Het gaat over kunst, meneer Van Rossem, en dan vooral over een aspect van kunst dat mij zeer lief is. In de laatste podcast over kunst die ik van u beluisterde, besprak u onder andere het leven en werk van de Spaanse schilder Joaquín Sorolla. U stelde hem nadrukkelijk niet ter discussie; integendeel. U nam zijn uitzonderlijke technische vaardigheid als uitgangspunt en gebruikte zijn oeuvre om een bredere, scherpzinnige kritiek te formuleren op wat men gemakshalve “de kunstwereld” noemt: het gezelschap van zelfverklaarde smaakautoriteiten dat Sorolla met argwaan bekeek en bekijkt, juist omdat hij deed wat eigenlijk niet hoorde: hij schilderde zonder zichtbaar lijden. Geen existentiële wanhoop, geen morele zwaarte, maar zonlicht, zee, beweging en levenslust.

Uw sympathie lag daarbij duidelijk bij Sorolla, niet bij zijn kunstzinnige beoordelaars. U liet weinig heel van het idee dat kunst per definitie zwaar, problematisch of droefgeestig moet zijn om serieus genomen te worden. Voor u telde in de eerste plaats het vakmanschap: de beheersing van licht, compositie, anatomie, verf. Dat uitgangspunt keert vaker bij u terug. U heeft meermaals betoogd dat aankomende kunstenaars eerst maar eens moeten laten zien dat zij de klassieke technieken werkelijk beheersen – zoals de grote voorbeelden dat deden – alvorens zij zich storten op experiment, abstractie of concept. Vakmanschap is bij u geen bijzaak, maar een morele ondergrens.

Daarbij spaart u het modernisme niet. U heeft herhaaldelijk laten blijken weinig affiniteit te voelen met grote delen van die periode, en u laat bijvoorbeeld geen gelegenheid voorbijgaan om Mondriaan, in zijn latere periode, kritisch te benaderen. De radicale breuk met figuratie, het verheffen van het concept boven de uitvoering, het idee dat technische vaardigheid er nauwelijks nog toe doet, het zijn ontwikkelingen waar u zichtbaar weinig geduld mee heeft. En zo omvangrijk is dat modernistische erfgoed inmiddels geworden, met zijn vele stromingen en vertakkingen, dat ik mij bijna ga afvragen of er in uw benadering nog ruimte overblijft voor andere functies van kunst dan die van ambachtelijke excellentie.

Daar, meneer Van Rossem, stuit ik – met enige tegenzin, juist vanwege mijn grote waardering voor u – op een fundamenteel verschil van inzicht. Want is kunst niet méér dan het bewijs van technisch meesterschap alleen? Moet zij niet ook kunnen schuren, ontregelen, provoceren, vragen stellen waar geen eenduidig antwoord op bestaat? Mag kunst niet soms juist tekortschieten in vakmanschap om elders iets bloot te leggen: een idee, een ervaring, een maatschappelijke spanning die zich niet laat vangen in klassieke vormen? Met andere woorden: kan het zijn dat in uw terechte afkeer van modieuze leegte en intellectuele pretentie, ook iets wezenlijks uit het oog dreigt te verdwijnen?

Laat mij dat punt over provocatie en ontregeling iets verder uitwerken. Niet om het vakmanschap te kleineren – integendeel – maar om te laten zien dat kunst soms juist betekenis krijgt door het tijdelijk opschorten ervan. De kunstgeschiedenis zelf levert daar overvloedig bewijs voor. Neem Marcel Duchamp, die met zijn Fountain niet zozeer een esthetisch object presenteerde, maar een vraag: wat noemen wij kunst, en wie mag dat bepalen? Technisch stelde het werk niets voor, conceptueel zette het een aardverschuiving in gang die nog altijd doorwerkt. Men kan het resultaat triviaal of vermoeiend vinden – dat doet u ook – maar men kan moeilijk ontkennen dat hier een functie van kunst zichtbaar wordt die niet samenvalt met ambachtelijke virtuositeit.

Iets soortgelijks geldt voor kunstenaars als Kazimir Malevitsj, wiens Zwart Vierkant niet getuigt van schilderkundige bravoure, maar wel van een radicale poging om de schilderkunst tot haar nulpunt terug te brengen. Of voor Joseph Beuys, die met zijn performances en objecten eerder ideeën en maatschappelijke processen materialiseerde dan beelden vervaardigde. Deze werken zijn niet “mooi” in klassieke zin, vaak niet eens aangenaam, maar zij functioneren als intellectuele splijtzwammen: ze forceren de toeschouwer om positie te kiezen, om na te denken over macht, betekenis, ritueel en verantwoordelijkheid.

Daarmee wil ik niet beweren dat elke provocatie geslaagd is, of dat het modernisme en postmodernisme ons uitsluitend meesterwerken hebben nagelaten. Integendeel: de kunstwereld zit vol gemakzuchtig effectbejag, holle concepten en werk dat zich verschuilt achter theoretisch jargon om gebrek aan inhoud te maskeren. Uw scepsis is hier volkomen gerechtvaardigd. Maar het risico bestaat dat in die terechte kritiek ook het kind met het badwater wordt weggegooid. Want zonder het recht om te mislukken, om te irriteren, om zelfs belachelijk te zijn, verliest kunst een van haar meest wezenlijke vermogens: het vermogen om de vanzelfsprekendheden van haar tijd te ondergraven.

Misschien ligt het echte onderscheid dan ook niet tussen vakmanschap en concept, maar tussen eerlijk en oneerlijk experiment. Tussen provocatie die iets op het spel zet (reputatie, betekenis, comfort), en provocatie die slechts bedoeld is om aandacht te trekken binnen een gesloten circuit van insiders. In dat licht bezien zou men zelfs kunnen stellen dat Sorolla en Duchamp, hoe verschillend ook, iets fundamenteels delen: beiden weigerden zich te voegen naar de dominante smaak van hun tijd. De een door licht te schilderen waar men duisternis verwachtte, de ander door het object te vervangen door een idee.

En juist daarom, meneer Van Rossem, zou ik willen bepleiten dat kunst niet uitsluitend beoordeeld kan worden op wat zij technisch kan, maar ook op wat zij durft. Want soms ligt haar waarde niet in de beheersing van het ambacht, maar in het moedwillig openbreken ervan. Bij vrijwel alles wat u zegt licht doorgaans mijn linkse hart op. Behalve toen ik u laatst uw esthetische voorkeuren zo resoluut hoorde afbakenen; toen hoorde ik geen scherpzinnige relativering, maar iets wat verdacht veel leek op een grens die misschien te strak was getrokken. Ik zal niet zo flauw zijn dat aan leeftijd toe te schrijven. Integendeel: juist daarom viel het mij op.

Ik meende onlangs te begrijpen dat u voor uw boekenclub speelt met de gedachte om Portnoy’s Complaint van Philip Roth behandelen; een keuze van de bovenste plank, wat mij betreft. Compromisloos, brutaal, moreel ongemakkelijk en allesbehalve netjes. Misschien is dat wel het mooiste bewijs dat wij, ondanks dit meningsverschil over kunst, uiteindelijk meer verwantschap delen dan afstand.