‘Ken je Taalmaatjes?’ vroeg de opbouwwerker

Daar stond ik dan, met m’n luxeprobleem.

Ik was de opbouwwerker al tweemaal voorbijgelopen. Ze stond met een bolderwagentje op het plein voor het winkelcentrum op de Klarendalseweg. In de kar bevonden zich thermosflessen, want ze bood thee en koffie aan, met een koekje, een folder en vooral ook een praatje. Haar functie viel af te lezen van de aanduiding op haar rug, vandaar dat ik kon vermoeden wat ze daar deed: ze was een aanspreekpunt voor mensen in de wijk. Bij de derde keer wisselden we een glimlach uit, waarna zij mij naar zich toe gebaarde met een bekertje in de ene hand, dat ze zogenaamd met de andere volschonk.

Ze heette Jennifer. We raakten aan de praat over de wijk, over Rijnstad, over hoe je zichtbaar kon zijn zonder opdringerig te worden. Ze vertelde hoe de stichting, met meer dan zeshonderd vrijwilligers en honderden professionals, dagelijks werkte aan wat zij noemde: ‘een sociaal en duurzaam perspectief’. Niet door te zenden, maar door te luisteren. Door naast mensen te gaan staan in plaats van tegenover hen. Of dat nu ging om een ouder met stress rond de opvoeding, iemand met geldzorgen die vastliep in de brieven van de Belastingdienst, of een jongere die nergens naartoe wilde maar ook nergens terechtkon.

“Bij ons betekent helpen: iemand de regie teruggeven,” zei ze. “En het hoeft niet groot te zijn.” Ze gaf me tenslotte haar visitekaartje. Ik haalde mijn eigen kaartje uit m’n zak als wisselgeld. Toen ze taaljongen.nl las, vroeg ze: “Ken je Taalmaatjes?” Ik had er vaag van gehoord, maar nooit echt bij stilgestaan. Ze legde uit dat Taalmaatjes mensen aan elkaar koppelde – vaak nieuwkomers en vrijwilligers – om samen in gesprek te gaan. Niet in een leslokaal, maar op een bankje, aan een keukentafel, in de wachtruimte van de dokter, nou ja, overal elders eigenlijk dan in een schoolse omgeving.

Ik knikte. Ik dacht aan hoe ongemakkelijk ik me op dat moment bewoog in mijn taal, in deze stad waar ik nog niet woonde. Ik had haar uitgelegd wat ik deed in deze buurt: ik was zo op en neer aan het drentelen omdat ik een indruk wilde krijgen van de straat. Dankzij een urgentieverklaring had ik het voorrecht bovenaan de lijst te eindigen voor een woning, iets verderop, ter hoogte van eetcafé Sugar Hill, waar de sfeer niet alleen gezellig werd, maar ook een vleugje cachet kreeg. Ik had de sleutel nog niet en de bezichtiging moest nog volgen, maar terwijl de renovatiewerkzaamheden plaatsvonden, had ik al even mogen binnenlopen. Zo stond ik daar, met m’n luxeprobleem, terwijl zij sprak over mensen met een lagere sociaaleconomische status; mensen die, vanzelfsprekend, onze volle aandacht behoorden te krijgen.

Jennifer vertelde over de wijk waarin een kwart van de volwassenen moeite had om rond te komen; flink boven het landelijke gemiddelde. Over de eenzaamheid onder ouderen, 51 procent, zei ze, en de gezondheidsproblemen die daarmee samenhangen. Over het grote aandeel sociale huurwoningen in de oudere delen van de wijk. Over de mensen zonder werk, met een lage opleiding. Maar ook over het groen, de voorzieningen, de gezinnen die hier graag kwamen wonen, en de actieve bewoners die zich vrijwillig inzetten voor hun buurt.

Het was belangrijk, wat ze zei. En ik luisterde. Nou ja, laten we zeggen: voor zo goed en zo kwaad als mijn haperende concentratievermogen me toeliet te luisteren. Eerlijk is eerlijk: ik was er niet helemaal bij met m’n aandacht. Misschien zou dat nog komen. Op dat moment was ik vooral vol van mezelf. Ik moest een beslissing nemen over dat huis. Ik voelde me net Trump op werkbezoek in Saoedi-Arabië: vriendelijk glimlachend, af en toe knikkend, regelmatig iets doms zeggend, en ondertussen vooral denkend aan het eigen belang. Een tikje narcistisch, moet ik toegeven.

En ergens wilde ik haar ook gewoon meenemen naar de bezichtiging. Niet voor een hulpvraag of een intake, maar gewoon om te horen wat zij vond van de lichtinval in de woonkamer, het uitzicht op het parkje, de plek van het stopcontact onder het keukenraam. Iemand met een eerlijk, esthetisch oordeel. Maar ja, daar misbruik je natuurlijk geen opbouwwerker voor. Thuis raken begon niet bij een nieuw adres. Het begon bij een goed gesprek. Niet iets wat je voert met je hoofd al half bij de kleur van het tapijt en het nieuwe behang aan de wanden van je bijna woonkamer. Een goed gesprek vroeg om aanwezigheid, en ik was nog enorm onderweg.