Scherven lijmen

De paradox van een overzichtelijk bestaan.

Ik vind het bestaan van Mona Khalil, zoals dat de revue passeert in een stuk in de Volkskrant, al zo veeleisend als ik erover lees, dat ik me niet kan voorstellen hoe iemand zo’n leven daadwerkelijk heeft geleefd. Ik bedoel dat niet denigrerend; ik heb alleen maar respect voor haar. Maar soms zijn de beslissingen die mensen nemen over hun toekomst zo onnavolgbaar. Had ik de keuze, dan zou ik altijd voor veiligheid gaan. Waarom keerde Navalny terug naar Rusland, Bhutto naar Pakistan, Bonhoeffer naar nazi-Duitsland en Mona naar Libanon? Om me tot haar te beperken: zij was restaurator van porselein in Den Haag. Simpel gezegd een ambacht van scherven en ‘hechtingsmiddelen’; overzichtelijk en misschien ook veelzeggend.

Khalil stortte zich op de bescherming van de zeeschildpad als een soort Lenie ’t Hart van de Mediterranee. Schildpaddenlevens ogen niet comfortabel. Hun instinct stelt hoge eisen, vooral aan de vrouwtjes. Ik doel natuurlijk op het jaarlijkse aan land kruipen als zeereptiel. Dit alles om eieren te verstoppen op een warme, donkere plek in een kwetsbaar natuurgebied. Afijn, iedereen kent die filmpjes. Het gestumper over het strand, het moeizame gegraaf in het zand, de verdrietige barensweeën in de manenschijn. Die beruchte schildpaddentraan als theatraal hoogtepunt. Dan nog het afdekken van de kuil vol broedsel met diezelfde onhandige zwemflappen en als klapstuk de trage terugtocht.

Sommige beelden van fauna in nood zijn te erg voor woorden. Maar David Attenborough was nog niet klaar met ons. Hij deed de moeder uigeleide. Zij verborg haar tranen in de branding. Nooit zou zij haar kroost geboren zien worden, maar wij natuurvrienden, wij werden verplicht om naar dat desolate ontluiken te blijven kijken. Het grut kroop na een filmische timelapse massaal uit de schalen. Er begon een helse tocht naar zee, nog onbeholpener dan we al zagen. Ondertussen deden roofvogels zich aan hen tegoed. We werden ook bijgepraat over de andere bedreigingen: vervuiling, boze vissers, klimaatopwarming, oorlog, predatoren…

Nou goed, ik had het over het leven van Mona Khalil. Ik eindig hier met een vrij lang citaat uit het genoemde artikel van Tjerk Gualthérie van Weezel, dan begrijpt de lezer misschien waarom mijn behaaglijke dagelijkse ochtendritueel van een krantje en een croisantje soms een bittere bijsmaak krijgt. Mijn burgerhart wil maar niet begrijpen wat voor sommigen die drang naar het gevaar bepaalt.

‘Meer dan een kwart eeuw zette ze zich in voor anderhalve kilometer strand, dat voor de groene zeeschildpad en de dikkopschildpad een van de belangrijkste geboortegronden vormt in het oosten van de Middellandse Zee. Op 4 juni raakte Khalil zwaargewond nadat een bom insloeg naast haar slaapkamer. Ze was na de ontploffing nog bij kennis maar overleed twee weken later alsnog in een ziekenhuis in Beiroet.

Mona Khalil werd geboren als kind van Libanese ouders in Nigeria. De familie keerde terug naar Libanon, maar Mona ontvluchtte het land als twintiger toen er halverwege de jaren zeventig een burgeroorlog uitbrak. Die oorlog groeide uit tot een politiek en religieus ingewikkeld conflict waarbij in vijftien jaar een kwart miljoen mensen omkwamen.

Khalil, die zelf van sjiitische komaf was, vluchtte naar Nederland en bouwde in Den Haag een leven op als restaurator van porselein. Maar dat liet ze in 1999 achter na een levensveranderende ontmoeting tijdens een nachtelijke wandeling op Mansouri, het strand bij haar familiehuis. Daar, zo’n 15 kilometer ten zuiden van de eeuwenoude havenstad Tyrus, stuitte ze op een schildpad die in een zelfgegraven kuil haar eieren liet vallen. Deze dieren komen al sinds de tijd van de dinosaurussen terug naar hun geboortegrond, besefte Khalil. Zij wilde voorkomen dat daar door oorlog, dynamietvissen, vervuiling en hongerige honden en vossen een einde aan zou komen.

Achter die motivatie ging een groot persoonlijk drama schuil. Tijdens een vakantie op Libanon kwam haar zoon en enige kind om het leven. Hij was aan het snorkelen naar zeesterren toen hij door een speedboot werd overvaren. ‘Vanaf dat moment besloot Mona om haar leven in het teken te stellen van de meest kwetsbare wezens die ze vinden kon’, vertelde haar nicht Sara Beydoun zaterdag in The New Arab.

Khalil remigreerde naar Libanon waar ze, als eerbetoon aan het land dat zij achterliet, het huis van haar familie oranje schilderde. ‘Orange House’ werd in de jaren daarna een begrip bij de lokale bevolking. Het pension dat Khalil er samen met vriendin en mede-activist Habiba Sayed jarenlang runde, was de uitvalsbasis voor hun strijd voor de schildpad. Veelal westerse gasten en vrijwilligers verbleven er.

De actie voor behoud van het strand werd door Khalil en Sayed op verschillende fronten gevoerd. Ze ruimden dagelijks met vrijwilligers het strand op en probeerden vervuilers te achterhalen om te voorkomen dat er nog meer schildpadden zouden sterven na het eten van plastic. Nesten schermden ze af zodat honden en vossen de eieren niet konden uitgraven. Kinderen uit de buurt sloten de schildpad in het hart nadat ze aanwezig mochten zijn bij het vrijlaten van de kleintjes die net uit het ei waren gekomen. Vissers kregen de wind van voren wanneer ze schildpadden doodden als zondebokken voor afnemende visvangst.

Dat het werk van de twee vrouwen niet zonder risico’s was, werd al snel duidelijk. In 2006 beschreef de Volkskrant al hoe boze vissers het oranje pension onder vuur namen na klachten van ‘Mona en Habiba’ over hun manier van vissen.

Dat jaar laaiden precies tijdens het broedseizoen gevechten op tussen Israël en Hezbollah in Zuid-Libanon en moesten de schildpadbeschermers enige tijd naar Beiroet vluchten. Bij terugkomst hadden vossen een groot aantal nesten leeggeroofd en troffen ze vervuiling aan doordat Israël olie-opslagtanks had geraakt. Toch bleek het achteraf een succesvol seizoen.

Bij de nieuwe uitbraak van het conflict tussen Israël en Hezbollah besloot Khalil om Orange House niet meer te verlaten. Ze dacht dat de bommen burgers wel ongemoeid zouden laten. Dat bleek dus een fatale misrekening. ‘Onze angst is dat het strand met haar sterft’, zegt haar nicht tegen The New Arab. ‘Onze hoop is dat dit niet gebeurt.’

Tjerk Gualthérie van Weezel

De reconstructie van een debacle

Teruggeworpen in de tijd door een foto van een viertal tepels.

Van alle vakantiekiekjes die mij in deze periode bereikten is de foto die vriend Hans mij stuurde misschien wel het meest saillant, ook vanwege de veelzeggende tekst. Hij schreef: Groeten uit Normandië. Wat wij zien is geen ansichtkaart van de Mont Saint-Michel, noch de kliffen van Étretat. Hij stuurde de rauwe, ongefilterde essentie. Een macro-opname van een uier, zo monumentaal in beeld gebracht dat de rest van het rund fungeert als louter baldakijn. Dit is de motor achter het land van de camembert, de calvados en de vette roomsaus. Tussen de harige draaghemel door zien we een soortgenoot ontspannen aan een nieuwe lading zuivel werken. Hoe is het om uitgevleid in je eigen voedsel te mogen vegeteren tot je lebmagen wit zien van romige weelde? Om simpelweg te bestaan in een oneindige cyclus van grazen, herkauwen en produceren, zonder de intellectuele ballast van een naderend echec?

Gezien de kleur van de vacht hebben we hier vermoedelijk te maken met de Normande, het trotse ras dat eigenmachtig de basis legt voor elke ‘Vache qui rit’ die van de bekende verpakking staart. Er gaat een dwingende, haast klinische esthetiek uit van dit inzoomen. Zo’n zwellende uier is de ultieme reductie van een vakantieregio tot zijn puurste, meest veelzeggende textuur. En juist dat triggert een even scherpe herinnering. Want bij het zien van zoveel biologische spanningsopbouw schiet ik direct terug naar mijn eigen, destijds volstrekt gemankeerde vakantie in diezelfde regio; een reis waarin de gisting van mijn op hol geslagen hormonen en mijn ziedende jaloezie de omvang aannamen van een permanent, luidruchtig psychologisch drama.

Een reis die destijds al gedoemd was te mislukken op het perron, waar ik verscheen met het fysieke symbool van mijn toenmalige onvolwassenheid: een topzware, pretentieuze valise met houten baleinen. Een koffer die geen bagage ademde, maar pure, theatrale overdrijving. Ik zag Nicole er ter plekke op afknappen. We waren met z’n vieren; naast mijn genoemde liefje nog twee van haar schoolvrienden die ik amper kende. De Franse spoorwegen hadden de ultieme metafoor voor onze naderende breuk al op de rails gezet; de trein bestond uit twee fysiek gescheiden delen. Geen tussendeur, geen doorgang mogelijk. Nicole orkestreerde de logistiek met de koelbloedigheid van een strateeg. Zij glipte met een zekere Hans het voorste rijtuig in, terwijl haar vriendin zich opofferde om mij in het achterste deel te chaperonneren. Zij en het lot zorgden ervoor dat we gesegregeerd bleven tot aan Parijs.

Het was een meesterlijke coup, want de kaarten waren allang geschud. Vijand Hans – de herinneringshans die in niets leek op mijn gulle vriend Hans van de grazers – bezat een onmiskenbare Nick Cave-achtige uitstraling; een melancholische, duistere coolness waar mijn houten koffer en ik onmogelijk tegenop konden. Dat mijn reisgenoten vrienden waren van Nicole en niet van mij, hielp ook niet mee. Het drietal had samen het volwassenonderwijs in Breda doorlopen; zo’n instituut waar je strandde als je op de reguliere middelbare school was vastgelopen, maar waar zij dat jaar wel mooi hun VWO-diploma behaalden. Ze waren zoveel verder dan ik. Mijn eigen schoolcarrière was evenmin gladjes verlopen, maar mijn stapelproces van havo naar het atheneum had mij louter theoretisch gevormd en was bovendien meer het gevolg geweest van een uiterst langzame rijping. Zij waren gekneed door hun eigen hobbels, die hen gaandeweg wijzer hadden gemaakt; ik vertrouwde blind op boekenkennis en zeulde altijd met te grote, verkeerde bagage. Nicole was de eclectische reiziger die later kunstgeschiedenis zou gaan studeren in Amsterdam; ik bleef de achterblijver in het verkeerde deel van een trein.

Vanaf dat moment was het pleit beslecht. Ik wist dat ik het grandioos verloren had van vijand Hans. De rest van de reis werd een exercitie in collectief ongemak. Alles wat ik deed en zei in ‘ons’ huisje aan de Normandische zee was geforceerd. Ik zadelde mijn reisgenoten op met een geestelijk onrijpe, lichamelijk onvolgroeide adolescent vol zelfmedelijden. Een toxische cocktail die Nicole er logischerwijs toe bewoog mij zoveel mogelijk te mijden. Terwijl zij en Nick Cave de Normandische romantiek cultiveerden, hield hun vriendin zich met mij onledig. Het moet een immense, bijna bovenmenselijke opoffering voor haar zijn geweest om die afgesproken separatie vol te houden.

Het meest bizarre, het meest pijnlijke achteraf, is mijn verblindheid. Het feit dat ik maar niet inzag dat ze mij in de verste verte niet meer zag zitten. Dat ik er beter aan had gedaan om haar te ontlasten, mijn houten koffer te pakken en nog iets van eer aan mezelf te houden. Zelfs na die dramatische reis, die mij toch overduidelijk het einde van de relatie inpeperde, ben ik blijven proberen om contact met haar te onderhouden. De wanstaltigheid van dat gedrag bezorgt me nu, decennia later, nog steeds een intense schaamte. En het is niet eens ‘plaatsvervangende’ schaamte, want de jongen die destijds zijn uitvergroting van het persoonlijke lijden aan de anderen opdrong als een permanent verwijt, heeft nog altijd de neiging om de hele wereld te bestraffen voor zijn persoonlijke sores.

Ik toonde mij die vakantie pas nobel als ik mij losmaakte uit de verstikkende groepsdynamiek en in mijn eentje lange, zwijgzame wandelingen ging maken langs de grijze Normandische kust. Die eerste vakantie met ‘vrienden’ heeft mij, dwars door de jaloezie en het zelfmedelijden heen, het nut van de eenzaamheid geleerd, of liever de ‘solitude’ zoals iemand anders, die ik later ontmoette, die kunst van het alleen zijn noemde. Separatie niet langer als een straf van de afwijzing, maar als mijn eigen reddingsmechanisme.

De foto van vriend Hans is daarmee meer dan een groet uit Normandië. Het is, net als toen, een haarscherpe uitsnede van een realiteit die geen franje duldt. Een herinnering aan de dag dat ik leerde dat sommige treinen nu eenmaal uit twee delen bestaan die nooit met elkaar verbonden zullen worden; en dat de ene Hans de andere niet is.

Lezersreactie:

Wat een prachtige overdenking, Ronald. Die houten koffer is een sterke metafoor voor je neiging tot exuberantie.
(Hans, Arnhem)

Eieren voor je geld

Van de meedogenloze mechanica van de megastal naar de menswaardige moraal van de vierkante meter.

De eerste keer dat mijn vader mij meenam naar één van zijn klanten in Brabant, deed hij dat uit pure trots. Ik was zeven. Mijn wereld scheen groot maar bleek overzichtelijk. Ik zat zonder gordel op de skai-lederen voorbank van onze roestige Opel Blitz. Mijn verwachtingen konden niet groter zijn. Destijds – eind jaren zestig – trilden vrachtauto’s nog op hun grondvesten wanneer de motor aansloeg. In onze gammelbak rook het steevast naar een mengsel van diesel, oude tabak en verschraald strooisel, wat mijn brein voor altijd als vertrouwde nestgeur zou opslaan. We waren op weg naar een kippenhouder die door mijn vader als graanhandelaar van voer werd voorzien.

Hij bedreef een vorm van ruilhandel die vandaag de dag in geen enkel economisch handboek zou passen. Hij leverde de brandstof voor de eierproductie: grofpapieren zakken, voorzien van zijn bedrijfslogo, met een uitgekiende mengeling van maïs, gerst, tarwe en havermoutkorrels. In ruil voor die granen kreeg hij eieren terug. Maar de cyclus was pas écht rond wanneer de beesten hun beste tijd hadden gehad. Zodra de productie haperde en de legkippen economisch gezien ‘afgeschreven’ waren, nam mijn vader het tanig geworden pluimvee zelf af.

Niets leek verloren te gaan in die pragmatische jaren (behalve het milieu natuurlijk, maar de zorgen daarover volgden later). De uitgediende hennen kregen een postume bestemming die even nuchter was als macaber: het vlees en de slachtafvallen werden doorverkocht aan Felix-Bonzo in Etten-Leur, waar het werd verwerkt tot voer voor honden en katten. De kaal geplukte botten gingen op transport naar de lijmindustrie in het noorden des lands, om te worden opgelost tot beenderlijm. Utilitarisme ten top: een rimpelloze, bijna poëtische carrousel van graankorrels tot huisdierbrokken en kleefstoffen.

Als zevenjarige overzag ik die volledige bedrijfsketen natuurlijk nog niet; ik keek vooral uit naar de boerderij, naar het erf, naar de pastorale idylle die ik associeerde met het buitenleven. De schokkende realiteit die achter de staldeuren wachtte, openbaarde zich wel aan mijn zintuigen, maar sloeg mijn nostalgische droombeeld niet in één klap aan diggelen. Een kind laat zich immers gewillig indoctrineren door de belangrijkste man in zijn universum. Wanneer mijn vader, als baken van ratio en vooruitgang, kalm sprak, tussendoorgrapjes maakte, en boertjes amicaal op de schouders sloeg, kon er toch niets aan de hand zijn?

Bovendien schreef de tijdgeest nog geen moreel protest voor. We bevonden ons aan de vooravond van het ecologische bewustzijn; het concept ‘dierenleed’ stond hooguit als abstract agendapunt genoteerd op de pamfletten van vroege milieuactivisten. Terwijl Roel van Duijn en zijn Provobeweging in de Amsterdamse grachtengordel experimenteerde met het gratis Witte Fietsenplan, dweepte met de Club van Rome en in vroege macrobiotische winkeltjes filosofeerde over een gifvrije, organische samenleving, reikte zijn links-radicale tegencultuur nog láng niet tot de nuchtere, katholieke zandgronden van Brabant. In Gilze-Rijen regeerde de wederopbouw. Efficiëntie was een deugd, schaalvergroting de heilige graal.

Wanneer onze Blitz het erf op draaide, trad ik een wereld binnen die balanceerde tussen kinderlijke fascinatie en sluimerend afgrijzen. Ik was simpelweg te jong om de morele breuklijnen te zien. Er werd veel te veel vriendschappelijkheid aan de dag gelegd onder de beulen om mij als zevenjarige wezenlijk op te winden. De Brabantse pluimveehouders toonden trots hun nieuwste mechanische snufjes. Mijn Rotterdamse vader bleek op zijn beurt niet minder groos om wat hij, onder de rivieren, commercieel voor elkaar had getoverd. Tussen de jovialiteit en het handeldrijven door, was er geen ruimte voor sentiment.

In die luidruchtige stallen zouden mensen vandaag niet vrolijk worden. Maar hedendaagse consumenten, met hun verfijnde ethische kompas en biologische supermarkten, bestonden nog niet in West-Brabant. Het collectieve bewustzijn was nauwelijks gespleten. Men keek naar een legbatterij zoals men naar weefgetouwen in een textielfabriek keek: als een triomf van menselijk vernuft over de grillen van de natuur. Dierenwelzijn was geen ethische categorie, maar een productiefactor. Een kip die aan één stuk door legde gold als gezond; een kip die daarmee stopte werd levenstocht en lijm. Zo overzichtelijk was de moraal.

De boeren demonstreerden fier hun lopende banden. Het leek inderdaad een technologisch hoogstandje dat eieren volautomatisch, en zonder te breken, onder de kont van de kippen vandaan, naar één centraal verzamelpunt rolden. Maar de legbatterijen stonken, de kippen zaten opeengepakt en boven elkaar gepropt. Daaronder bevonden zich diepe giergreppels die je niet overleefde, mocht je er onverhoeds in vallen. Met de wijsheid van de terugblik zou ik later deze reductie van leven tot mechanica gaan inzien. Daar en toen hoefde ik alleen maar stevig de hand van mijn vader vast te houden om positief vooruit te blijven kijken, net als hij.

Het claustrofobische bestaan van pluimvee waarin elk natuurlijk gedrag is wegbezuinigd, ging mij later pas tegenstaan, toen ik de leeftijd had bereikt om tegendraads te zijn. De gitzwarte, kolkende brij van ammoniak en uitwerpselen, waarvan de dampen je adem afsneden, zouden mijn Proustiaans opgeslagen geuren nooit helemaal verdrijven, maar ze kregen wel een moreel tegengewicht. Het puur-commerciële vooruitgangsgeloof bleek geen eeuwig leven beschoren; de ronkende vaart van de bio-industrie begon te haperen toen de consument ontwaakte uit zijn gerieflijke onverschilligheid. De mechanica verloor haar glans; de reductie van een levend wezen tot louter een eier- of lijmfabriek werd onhoudbaar. Het kostte een generatie om het anachronisme te ontmaskeren en te beseffen dat vooruitgang zonder scrupules een doodlopende weg is.

Hoe wezenlijk anders is de realiteit wanneer ik vandaag de dag door mijn eigen Arnhemse straat wandel. Achter een van de huizen bevindt zich een modern antwoord op de Brabantse schaalvergroting: het TokHok. Geen blinkende, volautomatisch lopende banden of angstaanjagende giergreppels hier; wel een groepje gevederde vrienden die in alle rust en waardigheid de wetten van de natuur volgen. Met de regelmaat van een vriendelijk tokkende klok houden deze dames de eierproductie op peil. Ze scharrelen, nemen een stofbad en tonen onbekommerd al het natuurlijke gedrag dat in de omgeving van mijn jeugd zo rigoureus was wegbezuinigd.

Het is een prachtig, lokaal initiatief dat, in al zijn kleinschaligheid, een revolutie predikt. Waar we vroeger afhankelijk waren van ondoorzichtige, industriële systemen, heroveren ze hier de voedselketen op de vierkante meter. Het vormt een ethisch baken; een levend alternatief tegenover de zielloze machine van de megastal. Bij deze achtertuin-pioniers kan de kip weer gewoon een vogel zijn in plaats van biologisch kapitaal met een anoniem nummer. De transparantie is terug; je haalt je eieren bij mensen die hun makers tenminste nog bij de voornaam kennen.

P.S. Eén dingetje tot slot: de eigenaren van het Tokhok zitten niet zozeer om eieren verlegen (die stroom blijft dankzij de Barneveldse dames wel lopen) maar wel om eierdozen. Het is de tastbare ironie van het moderne idealisme: we dwingen de bio-industrie op de knieën, maar stranden bij de logistieke frictie van het alledaagse karton. Mocht u dus nog lege doosjes hebben rondslingeren; breng ze naar mijn straatgenoten op nummer 23. Het is een kleine, onmisbare handreiking aan een heroverde moraal.

De perken te buiten?

Overgeleverd aan de overlevering wordt het pleit beslecht op de grens van percelen.

Een dagje wroeten in de voortuin bewijst maar weer eens dat een buurtgemeenschap onzichtbaar meekeurt. Die sociale controle deert me nauwelijks; ik kan de subtiele surveillance best hebben, zelfs als het verdict aanvankelijk riekt naar bemoeizucht. Het blijft echter fascinerend hoe vlot de tongen losraken en hoe vliegensvlug het oordeel – of vooruit, de roddel – van voordeur tot voordeur reist en zich richting mijn groen en mijn goede voornemens vreet.

Een mens zou in zijn eigen voortuin bijna vergeten dat hij deel uitmaakt van een groter ecosysteem, waarin de sociale cohesie steviger verankerd zit dan onverwoestbare hardhouten palen.

Je hoort mij niet zeggen dat ik louter applaus verwacht omdat ik als frisse buurman de wildernis tem, maar de reorganisatie die ik van plan ben door te voeren lijkt mij een flinke vooruitgang ten opzichte van de oude situatie; zeker als je bedenkt dat mijn voorganger zijn gazon hanteerde als hondentoilet om de wandeltocht naar het park te omzeilen (een historisch dieptepunt dat ik ook slechts via de tamtam vernam en dat dus niet per se waar hoeft te zijn).

Nu word ik in mijn rol van noeste tuinkabouter heus wel getolereerd, maar de wittebroodsfase blijkt voorbij. De ballotagecommissie begint zich langzaam te roeren. Mijn agrarische ambities omtrent het gazon blijken voor het gemiddelde jurylid net iets te frivool. Gezien de prehistorische hoogte van het gras speelde ik met het idee om een geit te adopteren; of desnoods een schaap te houden binnen een iets minder hoge omheining. Die ik dan natuurlijk wel eerst moest oprichten. De crux van het lokale onbehagen zit ’m in die gedroomde erfafscheiding.

Met dank aan de viervoeter van weleer heeft de buurvrouw de woningcorporatie zo ver gekregen om een heus defensiewerk op te trekken; een tactische buffer tussen haar huistijger en de toenmalige vechthond over de gehele lengte van de voortuin. Ik ben persoonlijk erg in mijn nopjes met deze geopolitieke erfenis. De palen reiken tot in de aardkern en zijn vervaardigd uit onverwoestbaar tropisch hardhout. Het geheel ademt een heerlijke onvergankelijkheid. Dit bracht mij op het idee om deze fortificatie op eigen kosten door te trekken langs de trottoirzijde. Daarvoor hoefde slechts een armetierig ijzeren restant met doorgezakt gaas en vermoeide dwarsverbindingen te wijken.

Gewapend met een haakse slijper ben ik gisteren dat dysfunctionele ijzerwerk te lijf gegaan. Het bleek een geluk bij een ongeluk dat mijn slijpschijven opraakten. Was dat niet gebeurd, dan waren de ijzeren palen – die zo mogelijk nog dieper ‘wortelen’ dan het reeds bezongen hardhout – ongetwijfeld ook ten prooi gevallen aan mijn saneringsdrang. Wat later fungeerde de buurvrouw als de ware noodrem. Zij appte mij met een ontwapenende vriendelijkheid: ‘[Iemand] vertelde dat de hekjes aan de voorkant van de tuin eigenlijk bij de huizen horen en dus niet weggehaald mogen worden!!! Ik zou het ff informeren voordat je hout e.d. gaat kopen.’

Een drievoudig uitroepteken als baken van corporatiewijsheid. De keten van de overlevering is sluitend. De ambtelijke molens draaien snel via het struikgewas. Tegen zoveel straatwijsheid kunnen mijn goede voornemens niet op. Wie de perken te buiten wil gaan, stuit vroeg of laat op een muur van huurregels. Mijn vernieuwingsdrift werd vakkundig ingedamd. Terwijl ik wacht op groen licht van de vastgoedbureaucratie, plaats ik visionaire plannen in de vriezer. Gehoorzaam heb ik mijn destructieve gereedschap in de schuur geparkeerd, in afwachting van een definitief besluit. Het zou immers zonde zijn als mijn hardhouten dromen sneuvelen op een paragraaf in een reglement.

Ik dank mijn soortgenoten voor hun waakzaamheid; het is een geruststellende gedachte dat, mocht ik ooit een geit huisvesten, belanghebbenden de omheining hebben goedgekeurd voordat ook het beest begint te mekkeren.

Tussen Ritueel en Overleving

Wat twee Himalaya‑documentaires onthullen over nomadisme, sentiment en de blik van de camera.

Ik heb zo’n vriend die, zodra ik hem enthousiast wijs op een documentaire die mij heeft geraakt, bijna automatisch laat weten dat hij óf die film al heeft gezien, óf het onderwerp allang kent. Daarna volgt steevast een kleine tirade over wat er volgens hem allemaal mis mee is, om vervolgens met een alternatief te komen. Zo ook toen ik hem vertelde over The Nomads of Dolpo, een film die me oprecht had ontroerd. Zijn reactie: ‘Die muziek en die voice-over waren zó irritant dat ik ben afgehaakt, maar het onderwerp is fascinerend. Ik meen me te herinneren dat ik jaren geleden een docu over de zoutmannetjes heb gezien.’ Even later stuurde hij me een link naar Die Salzmänner von Tibet.

Links de sacrale rust van Die Salzmänner von Tibet; rechts de rauwe werkelijkheid van The Nomads of Dolpo, waar een zoon het lichaam van zijn overleden vader op de rug neemt om hem naar de crematieplaats te brengen; een onverwacht onheil dat de karavaan vier dagen ophoudt en de familie extra kwetsbaar maakt voor de oprukkende winter. Een beeld dat het grote verschil in toon tussen beide films pijnlijk zichtbaar maakt. Toegegeven: ‘mijn’ film leunt meer op sentiment, maar ik zou dat geen effectbejag of gemakzuchtige emotie willen noemen.

Laat één ding duidelijk zijn: hij doet dit niet om mij te treiteren. Hij weet zelf ook hoe irritant betweterigheid kan zijn. ‘Excuses dat ik altijd zo overdreven kritisch ben,’ schreef hij er daarom bij, ‘maar ja, je moet het maar doen met zo’n zeikerd van een vriend.’ Bij hem werkt het anders dan bij de meeste mensen: hij reageert niet uit superioriteit, maar uit een diepgewortelde gevoeligheid voor vorm en toon. Alles wat te sentimenteel, te nadrukkelijk of te glad is, schuurt bij hem onmiddellijk. En juist daardoor wijst hij me soms op iets dat ik anders nooit had ontdekt.

En eerlijk is eerlijk: in dit geval had hij een punt. Want als je The Nomads of Dolpo naast Die Salzmänner von Tibet legt, zie je dat het vooral het sentiment is dat de twee films van elkaar scheidt. De eerste is een emotioneel geladen familie‑epos, compleet met muziek die je bij de hand neemt en een voice‑over die je door het verhaal leidt. De tweede is juist bijna ascetisch: een rituele, verstilde observatie waarin geen ruimte is voor sentiment, alleen voor traditie, ritme en de heiligheid van arbeid. Waar Dolpo je raakt in het hart, raakt Salzmänner je in de ziel; en mijn vriend heeft nu eenmaal een ingebouwde allergie voor alles wat te nadrukkelijk aan dat eerste trekt. Juist daarom werd het interessant om beide films naast elkaar te leggen en te zien wat ze, ondanks hun totaal verschillende toon, onthullen over nomadisme in het Himalayagebied.

In deze regio is de rondtrekkende traditie nog niet gereduceerd tot cultureel erfgoed; het is er simpelweg de enige manier om stand te houden. De hoogvlaktes van Tibet en de valleien van Dolpo in Nepal delen een eeuwenoude economie die draait om yaks, zout, gerst en de ritmiek van seizoenen die genadeloos zijn. Toch tonen deze twee documentaires dat nomadisme niet één verhaal is, maar een spanningsveld tussen ritueel en overleving, tussen traditie en verandering, tussen gemeenschap en individu. Hoewel ze dezelfde wereld betreden, doen ze dat met een totaal andere filmische blik, en juist dat verschil maakt zichtbaar hoe veelzijdig dit bestaan is; en hoe verschillend het kan worden verteld.

In Die Salzmänner von Tibet wordt de zoutkaravaan niet gepresenteerd als een economische activiteit, maar als een heilige choreografie. Vier mannen bereiden zich voor op een negentig dagen durende tocht naar het mythische Tsento‑meer, waar zout niet wordt gewonnen maar verzameld onder het toeziend oog van een godin. Alles is ritueel: het kiezen van een gunstige dag, het bereiden van offers, het spreken van een geheime taal, het naleven van voorbeeldig gedrag. De film toont nomadisme als een kosmisch contract: de mens beweegt door het landschap, maar het landschap beweegt ook door de mens.

In The Nomads of Dolpo is de zouttocht geen ritueel maar een familiale migratie. Karma Tshering leidt zijn vrouw, kinderen en yaks door bergpassen boven de vijfduizend meter. De tocht is niet sacraal, maar existentieel: als ze te laat vertrekken, sluit de winter de passen en sterft de kudde. Hier is het trekkersbestaan geen ceremonie maar een levenslijn; een traditie die wankelt onder armoededruk en de vraag of de kinderen dit leven nog willen of kunnen voortzetten. Waar Salzmänner een wereld toont die lijkt te bestaan buiten de tijd, toont Dolpo een wereld die tegen de tijd in probeert te blijven bestaan.

Die verschillen worden pas echt scherp zodra je ziet hoe beide filmmakers de lens hanteren. De camera van Salzmänner is stil, geduldig, bijna monastiek. Ze observeert, dringt zich niet op, bewaart afstand om nabijheid mogelijk te maken. Lange shots van yaks die zich door de vlakte bewegen, rituele handelingen die in real time worden getoond; het is een beeldtaal die doet denken aan klassieke etnografische cinema. De film laat je niet alleen zien wat er gebeurt, maar hoe het voelt om deel uit te maken van een traditie die ouder is dan het geheugen.

De camera van Dolpo is beweeglijker, menselijker, soms zelfs wankel; en dat is precies de bedoeling. Ze volgt de familie door sneeuw, rotspartijen en wind, registreert emoties: vermoeidheid, verdriet, doorzettingsvermogen. Close‑ups van kinderen die worstelen met de hoogte, shots die de gevaren van de passen voelbaar maken, een ritme dat de fysieke inspanning weerspiegelt. Waar Salzmänner contemplatief is, is Dolpo kinetisch. De camera ademt mee met de karavaan.

Ook narratief staan de films lijnrecht tegenover elkaar. Salzmänner vertelt geen verhaal in klassieke zin: geen conflict, geen dramatische boog, geen psychologische ontwikkeling. Het narratief is cyclisch, zoals de seizoenen. De mannen vertrekken, verzamelen zout, keren terug. Het drama zit niet in gebeurtenissen, maar in de betekenis ervan. De film is een mythe in documentairevorm. Dolpo daarentegen is een epos: de dreiging van de winter, de fysieke uitputting, het verlies van een familielid onderweg, de vraag of deze manier van leven toekomst heeft. Het narratief is lineair en emotioneel geladen, een reisverhaal dat de kijker meeneemt in de kwetsbaarheid van een familie die letterlijk tussen leven en dood navigeert.

Wanneer je deze films naast elkaar ziet, ontstaat een dieper begrip van nomadisme in het Himalayagebied. Het is zowel sacraal als praktisch, zowel collectief als familiaal, zowel tijdloos als bedreigd; het is zowel een kosmologie als een economische noodzaak. Samen vormen de documentaires een tweeluik dat laat zien hoe een eeuwenoude levenswijze zich staande probeert te houden in een wereld die steeds sneller verandert.

Misschien is dat wel de reden dat ik beide films koester, elk op hun eigen manier. De één herinnert me eraan dat tradities niet zomaar gebruiken zijn, maar dragers van betekenis. De ander laat zien dat achter elke traditie mensen schuilgaan die moeten leven, lijden, kiezen en doorgaan. Ergens tussen die twee polen – tussen ritueel en overleving – bevindt zich de ruimte waarin nomadisme nog altijd ademt. Misschien is dat ook de ruimte waarin wij, kijkers, iets kunnen leren over onze eigen manier van bewegen door de wereld.

Die manier van bewegen blijft een strikt persoonlijke exercitie. Het verklaart waarom filmvoorkeuren onherroepelijk uiteenlopen. Mijn vriend, met zijn hypergevoelige antenne voor vorm en toon, laveert moeiteloos mee op de meditatieve golven van Salzmänner; hij ziet er een pure, onbevlekte esthetiek in die gevrijwaard blijft van goedkoop sentiment. Ik daarentegen krijg bij dat soort devotionalia al snel last van jeuk. De rauwe, aardse logica van Dolpo ligt mij van nature beter. Waar hij loutering vindt in een kosmos vol rituelen, kies ik voor de overlevingstocht van vlees en bloed.

Uiteindelijk heb ik weinig met esoterische abstracties, zoals mijn lezers inmiddels weten. Ik zie de menselijke conditie het liefst gereduceerd tot wat ze werkelijk is: een bittere, tastbare noodzaak om de winter voor te blijven. Met zo’n ‘zeikerd van een vriend’ wordt mijn blikveld ruimer maar houd ik ook scherp waar mijn nuchterheid ophoudt en zijn sacrale wereld vol vormesthetiek begint.

Waterzucht en wetenschap

Van mijn kortstondige glazen koninkrijk naar de puinhopen van een Afrikaans paradijs.

Tijdens mijn puberjaren vormde mijn slaapkamer een zompig ecosysteem rondom een helverlicht aquarium. De bewoners van dit onderwaterrijk volgden de neerwaartse spiraal van mijn ambitie; ik begon met zebravisjes, maanvissen, kardinaaltetra’s, zwaarddragers, een modderkruiper (pantsermeerval) en een algeneter (borstelneus). Toen deze uitgebalanceerde biologie van tropische allure mijn macht te boven ging, koos ik voor de weg van de minste weerstand: guppy’s. Deze onkruidverdelgers waren niet kapot te krijgen. In de laatste fase van mijn aquaristische carrière capituleerde ik volledig voor het gemak door over te stappen op driedoornige stekelbaarsjes. Die kon je toen nog eigenhandig uit een sloot vissen; ze lieten zich niet uit het veld slaan door een defect verwarmingselement en bovendien had Maarten ’t Hart er een boekje over geschreven.

Overdrijf ik het als ik spreek van een literaire evolutie in vogelvlucht? Mijn gestrande aquarium-ambities kregen jaren later een grootschalig en tragisch spiegelbeeld in Tijs Goldschmidts relaas over de ondergang van het Victoriameer. De onschuldige fascinatie van een beginnend aquarist versus de bittere wetenschap van Darwin’s hofvijver.

Waar ik me nooit aan durfde te wagen, waren de cichliden. Zij vormden de eredivisie; een veeleisend volkje dat met een destructief temperament je hele onderwaterlandschap verbouwt en in een te krappe bak een bloedbad aanricht. Het onderhouden van hun specifieke waterwaarden gold als een hogere kunstvorm die slechts was weggelegd voor de ware aquarist met een onuitputtelijk geduld. Over precies deze vissen schreef de Nederlandse gedragsbioloog Tijs Goldschmidt zijn debuut Darwin’s hofvijver. Het boek werd zo’n succes dat hij z’n wetenschappelijke loopbaan verruilde voor een bestaan als fulltime schrijver en essayist.

In Darwin’s hofvijver neemt Goldschmidt de lezer mee naar de oevers van het Victoriameer, een watermassa zo immens dat mijn visbak een regendruppel leek. Terwijl ik me als jongetje zorgen maakte over de overlevingskansen van een enkele gup, stuitte Goldschmidt op een evolutionair spektakel van ongekende proporties. Hij beschrijft de zogeheten adaptieve radiatie: het biologische wonder waarbij één stamvader zich uitsplitst in honderden soorten cichliden, elk met een eigen specialisatie, kleurpatroon en paringsdans. Het meer was, zoals de titel al suggereert, een levend laboratorium voor de evolutietheorie.

De idylle van dit ‘wetenschappelijke paradijs’ bleek echter van korte duur. Goldschmidt kwam om de pracht van de soortvorming te bewonderen, maar werd onbedoeld de chroniqueur van een catastrofe. De introductie van de Nijlbaars – een vraatzuchtige reus die door menselijk ingrijpen in het meer was uitgezet – verstoorde definitief de ecologische balans. De hofvijver veranderde voor de ogen van de onderzoeker in een massagraf, waarbij de ene na de andere unieke cichlidesoort in de maag van de indringer verdween.

Wat Darwin’s hofvijver zo dwingend maakt, is de manier waarop Goldschmidt de frictie tussen abstracte data en tastbaar verlies hanteert. Als gedragsbioloog is hij opgeleid om patronen te herkennen, niet om te rouwen; toch sijpelt er in zijn relaas een onvermijdelijke melancholie door wanneer de ene na de andere ‘soort’ uit zijn vangnetten verdwijnt. Wetenschappelijk gezien is de teloorgang van de cichliden een fascinerende casestudy in de destructieve kracht van invasieve exoten, maar Goldschmidt verheft het tot een essayistisch drama over menselijke overmoed. De Nijlbaars werd immers niet per ongeluk in het meer gedumpt; het was een weloverwogen economische ingreep die volledig voorbijging aan de fijnzinnige biologische architectuur van het ecosysteem. Het is die nuchtere, bijna cynische observatie van hoe snel miljoenen jaren aan evolutie kunnen worden weggevaagd door een kortzichtig verlangen naar meer visvlees, die het boek zijn gewicht geeft. Voor de lezer die, net als ik, ooit worstelde om een handvol vissen in een glazen bak in leven te houden, is de schaal van deze vernietiging bijna niet te bevatten.

Uiteindelijk is Darwin’s hofvijver meer dan een verslag van een ecologische ramp; het is een proeve van bekwaamheid in de literatuur van de verstilling. Goldschmidt dwingt de lezer oog te hebben voor de fijnzinnige schoonheid van een wereld die er niet meer is, zonder ooit te vervallen in zweverige nostalgie. Hij beschrijft de cichliden met een eerbied die ik als puber onbewust al voelde wanneer ik de aquariumzaak binnenstapte: het besef dat sommige vormen van leven een discipline en toewijding eisen die het alledaagse overstijgen. Waar ik destijds koos voor het gemak van de stekelbaars en de gup, laat Goldschmidt zien wat de prijs is wanneer we diezelfde weg van de minste weerstand op mondiale schaal bewandelen. Zijn besluit om de microscoop in te ruilen voor de pen is dan ook een geschenk voor de lezer; hij heeft de tragiek van het Victoriameer niet alleen gedocumenteerd, maar voorgoed verankerd in ons collectieve geheugen. In de biologie mag de Nijlbaars de strijd hebben gewonnen, in de literatuur zijn het de cichliden van Goldschmidt die het eeuwige leven hebben gekregen.

Overleven tussen bomen

Leven buiten de ‘beschaving’ als droom, vanzelfsprekendheid of noodzaak.

Het overleef je in de bossen? Die vraag klinkt tegenwoordig bijna romantisch. We denken aan tiny houses, permacultuur, off-grid leven en de vrijheid van een bestaan dicht bij de natuur. Maar dezelfde vraag kreeg in andere tijden en op andere plekken een totaal andere betekenis. Voor Papoea’s was leven in en met de natuur eeuwenlang vanzelfsprekend. Voor onderduikende Joden tijdens de oorlog werd kennis van het landschap een kwestie van leven of dood. Ja, voor hedendaagse earthshipbouwers of zelfvoorzieningsdromers is het vaak een experiment; soms ideologisch, soms existentieel. Toch hebben die werelden iets gemeen: ze laten zien dat natuurkennis nooit vrijblijvend is geweest.

Bosverblijven: een tiny house, een onderduikershol en een papoeahut. Wie zoekt naar de blauwdruk van een leven dat naadloos aansluit bij onze menselijke biologie, komt onherroepelijk uit bij de Papoea’s; althans, bij hun bestaan voordat de westerse bemoeizucht de natuurlijke orde kwam herindelen. Critici zullen direct de traditie van het koppensnellen of kannibalisme opvoeren als bewijs voor een ‘onbeschaafd’ tekort. Maar laten we eerlijk zijn: wie het gedrag van andere primaten of roofdieren bestudeert, ziet dat geweld een integraal onderdeel is van overleving. De westerse mens is de enige diersoort die zijn eigen agressie heeft gelegaliseerd in wetboeken, om vervolgens verbaasd te kijken naar de onversneden wreedheid van het ecosysteem.

De tentoonstelling Tijd voor Papoea in Wereldmuseum Leiden zette mij opnieuw aan het denken over wat het eigenlijk betekent om ‘in de natuur’ te leven. In het Westen beschouwen we zo’n bestaan vaak als primitief of als een gebrek aan ontwikkeling. Maar wie kijkt naar de kennis die volkeren als de Papoea’s gedurende eeuwen opbouwden, ziet eerder het tegenovergestelde. Weten welke planten eetbaar zijn, hoe je water vindt, hoe je een onderkomen bouwt uit wat het landschap biedt, hoe je leeft zonder het ecosysteem direct uit te putten, dat is geen romantische hobby, maar een vorm van beschaving op zichzelf. Misschien alleen een beschaving die niet gebouwd werd uit beton, plastic, asfalt, algoritmes en spreadsheets.

Een heel andere betekenis krijgt die natuurkennis in de verhalen rond de Zefat-groep, waarover een vriend van mij samen met Ab van Dien een filmproject maakte voor Herinneringscentrum Kamp Westerbork. Daar werd het bos geen plek van vrijheid of harmonie, maar een schuilplaats. Mensen groeven kuilen om zichzelf verborgen te houden, letterlijk wegzakkend in de aarde om te kunnen overleven. Het confronteert je met een ongemakkelijke waarheid: de natuur beschermt niemand vanzelf. Zonder kennis van terrein, seizoenen, camouflage en foerageren wordt een bos eerder een vijand dan een toevluchtsoord. Het idee van ‘off-grid leven’ klinkt anders wanneer het geen keuze meer is, maar een laatste mogelijkheid.

Toch herken ik ergens ook de aantrekkingskracht van dat andere perspectief: het verlangen naar een eenvoudiger bestaan, in een tiny house tussen bomen, omringd door een permacultuur die misschien genoeg oplevert om jezelf en anderen te voeden. Niet uit pure noodzaak, maar uit onvrede met een wereld die steeds drukker, kunstmatiger en afhankelijker aanvoelt. Earthships, zelfvoorzienende woningen en off-grid experimenten lijken soms moderne pogingen om iets terug te vinden wat verloren is gegaan. Tegelijk schuilt daar misschien ook een paradox in. Veel mensen – ikzelf inbegrepen – kunnen over zo’n leven fantaseren juist omdat we zijn opgegroeid in een samenleving waarin supermarkten, elektriciteit en infrastructuur vrijwel altijd beschikbaar zijn. De romantiek van zelfvoorziening ontstaat vaak pas op het moment dat echte afhankelijkheid verdwenen is.

Toch is er nog iets dat deze drie werelden met elkaar verbindt. Geen van hen blijkt uiteindelijk onaantastbaar. Iedere vorm van leven buiten de moderne beschaving staat onder druk, al gebeurt dat telkens op een andere manier.

Voor veel Papoea-gemeenschappen wordt een eeuwenoude levenswijze langzaam afgebroken door een oprukkende buitenwereld. Zendingsdrang, economische exploitatie, ontbossing en klimaatverandering dringen gebieden binnen waar mens en natuur ooit een vanzelfsprekende eenheid vormden. Wat voor buitenstaanders soms als “achtergebleven” werd gezien, blijkt ondertussen juist kennis te bevatten die de moderne wereld grotendeels is kwijtgeraakt. Ironisch genoeg vernietigt dezelfde beschaving die zichzelf als vooruitgang presenteert vaak precies datgene wat zij zegt te willen beschermen: cultureel evenwicht, biodiversiteit en verbondenheid met de leefomgeving.

Ook de onderduiker leeft in een wereld die voortdurend dreigt te verdwijnen. Niet langzaam, maar abrupt. Eén moment van verraad, één strenge winter, één tekort aan voedsel kan het einde betekenen. Het geïmproviseerde bestaan in bossen, holen of zelfgegraven kuilen vraagt een lichamelijke en geestelijke hardheid die nauwelijks voorstelbaar is voor wie veiligheid gewend is. De natuur wordt daar geen romantisch decor, maar een plek waar kou, honger en angst voortdurend aanwezig blijven. Overleven betekent er niet terugkeren naar eenvoud, maar dag na dag proberen mens te blijven onder onmenselijke omstandigheden.

En dan is er de moderne dromer, die misschien vrijwillig tussen de bomen wil leven, maar ontdekt hoe moeilijk het is om werkelijk afstand te nemen van de wereld die hij bekritiseert. Veel dromen over zelfvoorziening ontstaan juist in samenlevingen waarin bijna niemand nog écht afhankelijk is van eigen natuurkennis. Dat maakt het verlangen oprecht, maar ook tegenstrijdig. De moderne maatschappij blijft trekken, verleiden en sussen. Comfort blijkt moeilijker los te laten dan ideologie. Wie droomt van een eenvoudig bestaan merkt vaak hoe diep hij ongemerkt verweven is geraakt met elektriciteit, speciaalzaken, digitale netwerken en ander gemak. Misschien lijkt dat op iemand die wil afvallen terwijl overal voedsel wordt aangeboden: niet gebrek aan overtuiging vormt het grootste obstakel, maar de constante aanwezigheid van verleiding. De materialistische wereld die we vervloeken, is vaak dezelfde wereld waarvan we afhankelijk zijn geworden.

Misschien vormen de Papoea’s wel de ultieme belichaming van een leven dat werkelijk ‘klopt’; tenminste, als we het hebben over hun leven voordat onze bemoeizuchtige ‘beschaving’ de boel kwam verstoren. Natuurlijk hoor ik de morele verontwaardiging over koppensnellen en kannibalisme; praktijken die inderdaad lastig te verkopen zijn in een glossy tijdschrift. Maar wie de mens als zoogdier beschouwt in plaats van als moreel superieur wezen, ziet dat de natuur nooit een ethische commissie heeft aangesteld. Wij vinden hun geweld primitief, maar onze eigen methoden om de wereld te vernietigen zijn simpelweg efficiënter georganiseerd.

Het filmproject ‘Van de stobbe en de bossen’, waarover in dit blogbericht wordt gesproken, werd gemaakt door Martin van den Oever en Petra Timmer samen met Ab van Dien voor herinneringscentrum Kamp Westerbork en het Joods Historisch museum.

De grote vloeistofbalans

Waarom je lichaam eigenlijk een lekke tuinslang is.

We zien onszelf graag als rationele wezens. We filosoferen over de zin van het bestaan, lossen complexe problemen op en creëren dingen die ons overleven. Maar als we de biologische motorkap opendoen, blijft er van die verheven status weinig over. Fysiologisch gezien zijn we namelijk niets meer dan een wandelende, poreuze zak met vocht die de hele dag vloeistoffen filtreert, rondpompt en uitstoot. Gestructureerde gedachten hierover begonnen bij mij met een simpele bloedneus. Is dat een uitscheiding? Een ‘excrement’? De wetenschap zegt onverbiddelijk: nee. Hoeveel manieren zijn er eigenlijk om vloeibaar te zijn? Om niet te verdrinken in onze eigen sappen, heb ik de boel gecategoriseerd. De biologie hanteert namelijk een strikte hiërarchie voor alles wat onze openingen verlaat:

Niet alles wat je verlaat is een uitscheiding. Soms is het simpelweg een diefstal uit je eigen voorraadkast: bloed dat ontsnapt uit een gesprongen vat is een kostbare lichaamsvloeistof die haar weg naar buiten heeft gevonden door een defect, niet door een proces. Wat je hier ziet is het gevolg van een bloedneus nadat ik, na een fikse verkoudheid, een hard stukje in m’n neus had verwijderd. Geen ramp dus.

1. De vuilnisman (Excreties)
Dit is pure noodzaak. Je lichaam verbrandt brandstof en produceert metabolisch afval. Als je dit niet loost (denk aan urine of zweet), vergiftig je jezelf. Ook de bekende ‘excrementen’ (feces) behoren tot deze categorie: de onverteerbare restjes waar je cellen klaar mee zijn.

2. De productieafdeling (Secreties)
Dit zijn stoffen met een missie. Je lichaam investeert kostbare energie in het maken van deze ‘onderhoudsvloeistoffen’. Denk aan speeksel voor je droge cracker, talg voor je huid, tranen voor je hoornvlies, of die hoogst complexe cocktail van spermatozoa. Zelfs moedermelk is een doelgerichte secretie; een vloeibaar geschenk van de immunologie.

3. De lekkages (Lichaamsvloeistoffen & Transudaat)
Hier gaat het mis, of wordt het ingewikkeld. Bloed hoort in de vaten, punt. Een bloedneus is geen ‘reiniging’, het is een mechanisch defect; een kapotte leiding in het systeem. Soms is een vloeistof echter een hybride: het vocht bij seksuele opwinding is functioneel een secretie, maar mechanisch een ‘transudaat’. Er wordt geen kraan opengezet; de bloeddruk wordt simpelweg zo hoog dat het vocht door de vaatwanden naar buiten sijpelt. Hydraulica op z’n best.

De buitenbeentjes
Natuurlijk laat de natuur zich niet altijd in een hokje duwen. Neem pus. Vaak verafschuwd, maar eigenlijk is het een ereveld. Het is een verzameling gesneuvelde witte bloedcellen die hun leven gaven om een bacterie uit te schakelen. Het is geen ‘afval’ (excretie), maar een uit de vaten getreden lichaamsvloeistof die getuigt van een lokaal slagveld. En braaksel? Dat is technisch gezien geen uitscheiding, maar een brute lozing van de maaginhoud.

Als we de balans opmaken, dwingt dat nederigheid af. We besteden fortuinen aan parfum om te verhullen dat we constant aan het verdampen en filteren zijn. De gemiddelde volwassene bestaat voor 60% uit water. Dat we overeind blijven zonder als een plumpudding in elkaar te zakken, is een wetenschappelijk mirakel.

Volgende keer dat je iemand een traan ziet wegpinken, onthoud dan: dat is geen emotie, dat is gewoon een lacrimale secretie met een uitstekende timing. Slaap zacht, vloeibare medemens.

Noot voor de fijnproever:
In dit overzicht hanteer ik een strikt onderscheid tussen excretie (afval), secretie (productie) en lichaamsvloeistoffen (de interne voorraad). Pathologische vloeistoffen zoals pus of wondvocht zijn formeel geen uitscheidingen, maar ‘ontsnapte’ vloeistoffen die normaal gesproken binnen de muren van het vatenstelsel blijven.

P.S. Een ode aan de binnenblijvers
Hoewel we focussen op wat de uitgang vindt, drijven onze hersenen in een badje van hersenvocht (liquor) en worden onze gewrichten gesmeerd door synovia (gewrichtssmeer). Dit zijn de ultieme kluizenaars. Waar een excretie moet vertrekken en een secretie graag naar buiten gaat voor een missie, is de interne vloeistof het enige dat voorkomt dat je hersenen tegen je schedelwand klotsen. Wees er zuinig op.

Lezersreactie:
Je laat je, voor jouw doen, opvallend bescheiden uit over ‘opwindingsvocht’. Ik had verwacht dat je hier enorm over uit zou wijden. Ben je ziek?

Lezersreactie:
Mijn calvinistisch verleden leerde mij : Stof zijt gij en tot stof  zul gij wederkeren. Jouw verhaal ziet er heel wat sappiger en vloeibaarder uit! 

Wie de ‘Stoeve-laarsjes’ past, trekke hen aan

In een artikel van 25 april 2020 in De Gelderlander (het provinciale bijwagentje van het Algemeen Dagblad), worden de twee zusjes Stoevelaar kritiekloos aan ons voorgesteld. Zij maken het hoofdbestanddeel uit van Introvast, een vastgoed- en projectontwikkelaar uit Velp. Het is hun visie die momenteel leidend is. Ik vermoed dat journalisten en politici die hun hele leven de weg van de minste weerstand hebben bewandeld (lees: die de macht nooit werkelijk hebben uitgedaagd), zich regelmatig door hen hebben laten fêteren met hapjes en drankjes en misschien zelfs meer; iets wat de besluitvorming over het domeintje van de dames aardig heeft beïnvloed. Tja, ik wil niet beweren dat iedere projectontwikkelaar een horizonvervuiler is of een bestemmingsplansjoemelaar, maar deze betonbaronesjes – stenenhoeren vond ik te plat – bleken wel van de afdeling Lobby en Ontwikkeling. Zoals vaker bij dozenbouwers en stikstofontwijkers, bevond de onderneming zich in het spanningsveld tussen commercieel belang en lokale regelgeving. Betrouwbare bronnen meldden mij dat ze fors investeerden in beïnvloedingspraktijken om plannen juridisch houdbaar te maken voor de exploitatie van vakantieverblijven.

Zit de activiteitenagenda ook al in het complot?

Ik moest de gemeente op 17 maart bellen om er op te wijzen dat de activiteitenagenda maar tot en met 16 maart liep. En dat terwijl er vandaag een belangrijke stemming plaatsvindt; te weten de oordeelsvormende raadsvergadering over de toekomst van Buitenplaats Beekhuizen. Terwijl de klok op mijn scherm al 16:35 uur aangeeft, lijkt de gemeentelijke tijdrekening gisteren te zijn gestopt. Het is een wrang detail in een dossier dat gedomineerd wordt door een ‘papieren werkelijkheid’. Vandaag moet de raad namelijk een oordeel vellen over de Ontwerpverklaring van geen bedenkingen. Dit besluit vormt de juridische sleutel om af te wijken van het bestemmingsplan ‘Landelijk Gebied’. Men vraagt de raad in te stemmen met de transformatie van een fictieve camping van 150 staanplaatsen naar 50 permanente accommodaties; een administratieve exercitie die een stikstofreductie van 35% moet suggereren. Dat de burger de gemeente op de dag van dit cruciale debat moet herinneren aan haar eigen agenda, zegt wellicht alles over de focus van het huidige college. De koers naar een “bloeiende vrijetijdssector” lijkt in volle gang, ook als de informatievoorziening aan de inwoner even het spoor bijster is.