Een maatschappelijk acceptabele leugen?

Mensen verdraaien liever hun motieven dan dat ze hun zelfbeeld beschadigen.

Wat was de meest waarschijnlijke prompt die PVV-Kamerlid Maikel Boon aan zijn chatbot voerde om tot de gemanipuleerde AI-afbeelding te komen die hij vervolgens op sociale media verspreidde? Was dat: (1) “Manipuleer deze rechtbanktekening zodanig dat de auteursrechten komen te vervallen”, of eerder iets als: (2) “Geef de verdachten een dreigender, Arabisch uiterlijk”?

Het antwoord laat zich raden. Tegelijkertijd zit er iets opvallends in Boons verdediging. Kennelijk begrijpt hij heel goed dat het maatschappelijk minder schadelijk klinkt om te zeggen dat hij ‘copyright’ probeerde te omzeilen dan om toe te geven dat hij bewust een racistisch effect wilde versterken. Zelfs hier lijkt nog een gradatie te bestaan tussen kwaad en erger.

De morele cosmetica van propaganda, zichtbaar in haar hedendaagse vorm. AI verandert Boon op commando in een erwt. Waarom gaf ik mijn chatbot die opdracht? Omdat de politicus liegt tot hij groen ziet? Of omdat hij in de politiek altijd een groentje zal blijven? Hoe dan ook getuigt zijn cosmetische geweten van een dubbel gedopte domheid: hij laat niet alleen andermans gezichten grimmiger maken, maar kleurt ook zijn eigen motieven zorgvuldig bij tot ze binnen de grenzen van het aanvaardbare vallen. Een goed verstaander doorziet die schijnverpakking natuurlijk direct.

De bewerkte rechtbanktekening stond geruime tijd zichtbaar in een video op de Instagram-pagina van de PVV Noord-Brabant. De oorspronkelijke illustratie van rechtbanktekenaar Petra Urban toonde twee Syrische broers die terechtstonden wegens betrokkenheid bij de dood van hun zus Ryan. In de aangepaste versie waren de gezichten grimmiger gemaakt en was de sfeer van de afbeelding donkerder aangezet. Daarmee veranderde niet alleen het uiterlijk van de verdachten, maar ook de betekenis van het oorspronkelijke journalistieke werk.

Dit staat niet op zichzelf. Boon werd eerder al in verband gebracht met AI-afbeeldingen waarin blonde vrouwen als onschuldige slachtoffers figureerden tegenover mannen met een bewust getinte huid en overdreven agressieve trekken. Ook verschenen AI-bewerkte afbeeldingen van Frans Timmermans in online omgevingen waar gebruikers openlijk geweld en doodswensen uitten. Zulke beelden functioneren allang niet meer als satire of provocatie. Ze zijn bedoeld om vijandbeelden op te roepen en emoties doelgericht op te hitsen.

Daarmee raakt deze affaire aan iets groters dan auteursrecht of onbeholpen gebruik van AI-tools. Het gaat om de normalisering van politieke beeldmanipulatie. AI maakt het inmiddels kinderlijk eenvoudig om bestaande beelden subtiel te verdraaien: iets zwaardere schaduwen, iets bozere ogen, iets meer dreiging in een gezicht. Juist die kleine ingrepen blijken buitengewoon effectief in het bespelen van onderbuikgevoelens.

Opmerkelijk is bovendien dat Boon eerder ontkende betrokken te zijn bij het maken en verspreiden van dergelijke AI-beelden. Zijn huidige uitleg – dat hij slechts dacht auteursrechten te ontwijken – klinkt daardoor weinig geloofwaardig. Misschien is dát nog het meest veelzeggende aan deze affaire: niet alleen dat zulke beelden worden gemaakt, maar dat men intuïtief begrijpt welke motieven nog enigszins toonbaar zijn en welke niet.

Dat mechanisme beperkt zich overigens niet tot politici of propagandisten. Ik herken er iets van uit een volstrekt alledaagse situatie. Een aangetrouwde neef van mij vertelde op familiefeestjes steevast dat hij op de SP had gestemd. Dat kon niet waar zijn, hij is een fervente ultra-rechts stemmer. Toch bleef hij het herhalen, met een bijna merkwaardige hardnekkigheid.

Dat fascineert me. Want waarom zou iemand liegen over iets wat zo overduidelijk met zijn eigenlijke standpunten vloekt, en bovendien niet eens bijzonder prestigieus klinkt? Vermoedelijk omdat de leugen minder over politiek ging dan over identiteit. Door te beweren dat hij SP stemde, presenteerde hij zichzelf impliciet als sociaal bewogen, kritisch op ongelijkheid en solidair met ‘gewone mensen’. Niet de politieke overtuiging stond centraal, maar het morele imago dat ermee werd opgeroepen.

Precies daarin zit de parallel met Boons verdediging. Ook daar lijkt de feitelijke waarheid ondergeschikt aan het beeld dat iemand van zichzelf wil bewaren. “Ik wilde alleen auteursrechten omzeilen” klinkt als een technische fout; dom misschien, maar niet kwaadaardig. Het alternatief zou betekenen dat men openlijk toegeeft bewust op raciale vooroordelen te hebben ingespeeld. En dat tast niet alleen de reputatie aan, maar ook het eigen zelfbeeld.

Interessant genoeg verraadt zo’n leugen juist dat er nog altijd een morele grens wordt gevoeld. Wie werkelijk geen onderscheid meer ervaart tussen fatsoen en onfatsoen, hoeft zijn motieven ook niet zachter voor te stellen dan ze zijn. Nu echter werd de leugen een vorm van cosmetica voor het geweten.

Dat zie je vaker bij mensen die hun imago voortdurend subtiel proberen bij te sturen. Ze kiezen niet zomaar een willekeurige onwaarheid. Ze kiezen zorgvuldig de versie van de werkelijkheid waarin ze nét iets redelijker, fatsoenlijker of menselijker lijken dan hun gedrag eigenlijk rechtvaardigt.

Misschien verklaart dat ook waarom zulke mensen vaak zo verontwaardigd reageren wanneer hun gedrag wordt blootgelegd. Niet alleen omdat ze betrapt zijn, maar omdat de zorgvuldig opgebouwde morele verpakking ineens scheurt. Soms bewaakt iemand liever de schijn van fatsoen dan het fatsoen zelf.

Lezersreactie:
Choose your battles, Ronald. Zullen we even stilstaan bij de verschrikkelijke daad van die twee broers? En laten we vooral de vader niet vergeten; de feitelijke aanstichter en indoctrinant die de boel heeft opgehitst en vervolgens lafhartig naar het buitenland is gevlucht. Ik kan de woede van Boon heel goed begrijpen. Het zou toch in eerste instantie over dit soort van barbaarsheid moeten gaan? Ik vraag me af of jij nog wel de hardcore atheïst bent waar je je altijd op voor liet staan. Waarom richt je je pijlen op een AI-plaatje in plaats van op de ideologie die dit soort gezinsmoorden voortbrengt?

Mijn reactie:
Het korte antwoord is: ja, ik ben nog exact dezelfde atheïst. Mijn standpunt over religieus geïnspireerd geweld is onveranderd en sluit naadloos aan bij bijvoorbeeld de filosofie van Sam Harris. Uit naam van het geloof – en specifiek binnen de dogmatische ereregelingen van patriarchale culturen – worden de meest huiveringwekkende wreedheden gelegitimeerd. De moord op Ryan is een gitzwart moreel failliet. De rol van de vader als ideologische aanstichter, die jonge geesten vergiftigt en daarna de benen neemt, is ronduit abject. Wie de geschriften van Harris kent, weet dat rede en menselijk welzijn de enige ijkpunten zijn; religieuze dogma’s vormen daarop een directe bedreiging. Over de aard van die daad bestaat tussen ons dus geen millimeter ruimte voor discussie.
Maar dat brengt ons bij de kern van de zaak: waarom verwoordt een politicus als Boon diezelfde filosofische of maatschappelijke kritiek dan niet gewoon? Waarom grijpt hij niet naar het geschreven woord, naar een messcherp debat over de doctrine van de eermoord, of naar een rationele ontleding van deze culturele misstand? Antwoord: omdat ultrarechts daar simpelweg de intellectuele capaciteit en de bijbehorende innerlijke beschaving voor mist.
Om een geloofskwestie op een objectieve, universele manier te fileren, heb je argumenten nodig. Je moet de rede aan je zijde hebben. Ultrarechts intellectueel onvermogen compenseert dat gebrek aan overtuigingskracht door te vluchten in primitieve beeldtaal. Men debatteert niet; men hitst op. Ultrarechtse politici hebben geen goed geformuleerde filosofische bezwaren tegen religieus dogmatisme; ze hebben een tribale afkeer van de ander. Door de werkelijkheid niet te analyseren maar visueel te misvormen (grovere trekken, een donkerdere huid), verlagen zij een legitieme maatschappelijke discussie tot een racistisch schimmenspel.
Boon strijdt niet tegen het religieuze kwaad van de vader; hij gebruikt het lijk van een jonge vrouw als politiek vliegwiel. En dat is precies de intellectuele armoede die aan dit soort manipulaties voorafgaat.

Semantiek als schild

Hoe één voorzetsel het verschil maakt tussen een meeloper en een master.

Beste Stéphanie en Janneke,

In een van jullie laatste podcastuitzendingen van De Shitshow ventileren jullie de ergernis aan mensen die een sweater dragen met het logo van Harvard, terwijl ze nooit aan die universiteit hebben gestudeerd. Als voorbeeld valt de naam van Humberto Tan.

In de laatste uitzending van de podcast Dit is Amerika wil presentator Michiel Vos, die naar jullie heeft geluisterd, van zijn gesprekspartner weten hoe het nou zit: “Heb je op Harvard gezeten of niet?”

De beroemde voetballer Tonny Harvard en zijn Ziggo-fans.

Het is grappig om te horen hoe Humberto hier semantiek gebruikt om toch te kunnen suggereren dat hij daar onderwijs heeft genoten. Hij bezigt namelijk consequent de formulering: “Ik heb bij Harvard gezeten.”

Dat is een prachtig staaltje taalkundige gymnastiek. Het echte antwoord op de vraag van Vos is even simpel als ontnuchterend: nee, hij heeft daar geen reguliere academische graad behaald. De presentator is gewoon in de rechten afgestudeerd aan de Universiteit van Amsterdam. Met zijn specifieke woordkeuze spreekt hij technisch gezien overigens wel de waarheid; zijn achterwerk heeft daadwerkelijk contact gemaakt met het meubilair op de campus in Cambridge.

In 2016 volgde hij daar namelijk een kortstondige masterclass aan de Harvard Business School. Het betrof de collegereeks The Business of Entertainment, Media, and Sports, gedoceerd door de Nederlandse professor Anita Elberse. Zo’n intensief ‘executive’ traject duurt doorgaans geen jaren, maar slechts een dag of vier. Het is een prestigieuze netwerkcursus waar vermogende prominenten aanschuiven; Tan deelde de collegebanken destijds met onder anderen acteur Channing Tatum en rapper LL Cool J.

Zijn zorgvuldig gekozen bewoordingen functioneren als een schild. Het voorkomt de valse claim van een volwaardige master of PhD, terwijl de elitaire associatie met het instituut subtiel overeind blijft. Een even slimme als ironische strategie om status te cultiveren.

Aangezien beide podcasten onder de vleugels van Tonny Media vallen, vermoed ik dat ik jullie hiermee geen schokkend nieuws breng en dat de onderlinge ergernissen op de kantoorvloer niet al te hoog oplopen. Maar toch; de anekdote is te vermakelijk om onbenoemd te laten.

Met vriendelijke groet,

Ronald

Lezersreactie:
Laat het ontdekken van de dubbele bodem in het onderschrift van die afbeelding maar aan de scherpte van de lezer over. De klankovereenkomst met ‘sycophants’ is volkomen duidelijk.

Antwoord:
Dank je. Bij deze geschrapt.

Haha, hij heeft daar dus niet regulier in de boeken gezeten. Toch vind ik het eigenlijk wel een meesterlijk staaltje verbale acrobatiek. Met die formulering zoekt hij exact de grens op tussen een feitelijke herinnering en pure status, wat maar weer eens bewijst dat de man retorisch ijzersterk is. Wat mij betreft hoeft hij hierom niet direct genadeloos aan de schandpaal; je moet hem de sportiviteit van de woordspeling bijna nageven.
Bram_V

Dat hij bij elke anekdote over zijn ‘Harvard-tijd’ direct de namen van Channing Tatum en LL Cool J laat vallen, maakt het er nou niet bepaald geloofwaardiger op. Als je met Hollywoodsterren en rappers in de collegebanken zit, weet je eigenlijk al dat je niet bezig bent met een gortdroge studie macro-economie, maar met een peperduur netwerkfeestje voor prominenten. Juist de behoefte om die namen te noemen, verraadt de drang naar status.
Eline, Haarlem

Flaneren met Wittgenstein

Over mode-filosofie en de logica van het sadistische universum.

De Tractatus was zo’n boek waarmee ik vroeger liep te pronken zoals anderen met een Louis Vuitton of de Gazzetta dello Sport. De taalfilosoof draait zich nu misschien om in zijn graf vanwege mijn onzuivere woordgebruik. Pronken met een dure handtas behoort tot een andere categorie; daar draait alles om geld en status. En die beroemde roze sportkrant? Die trok weliswaar aandacht, maar dan van een publiek dat mij volkomen koud liet. Bovendien wordt alles in die krant door de lezer gespeld. Bij Wittgensteins beruchte werk lag dat anders. Ik kon de eerste zin citeren en kende ook de legendarische uitsmijter: “Wovon man nicht sprechen kann, darüber muss man schweigen.” Een prachtig ironisch credo voor iemand die het boek vooral gebruikte om indruk te maken. Steeds opnieuw probeerde ik het te begrijpen, maar mijn werkelijke kennis kwam uiteindelijk uit secundaire bronnen. Willem Frederik Hermans bewees als vertaler het wél volledig te hebben doorgrond. Door zijn lens werd de Tractatus Logico-Philosophicus bijna onaantastbaar.

Hermans had een broertje dood aan ‘gezwam’. In de Tractatus vond hij de ultieme munitie tegen de zweverige naoorlogse ethiek en religie. Voor hem was Wittgenstein een opruimdienst. De beroemde stelling 7 vertaalde Hermans als: “Houd je kop als je niet weet waar je het over hebt”. Het is ironisch dat ik het werk als mode-item gebruikte, terwijl Hermans het inzette als een vlijmscherp scalpel. In zijn essaybundel Het sadistische universum presenteert hij Wittgenstein als de enige die de wereld werkelijk durft te zien als een verzameling feiten, los van menselijke moraal. Wittgenstein vond dat de meeste mensen hem niet hadden begrepen. Zelfs Bertrand Russell kreeg er, afgaande op de inleiding tot de engelse vertaling, verbaal van langs. Dat ik enkel de eerste en laatste zin kende, maakte mij in zekere zin een eerlijker lezer dan degenen die deden alsof ze de logische proposities wisten te doorgronden.

Ik gebruikte de Tractatus niet alleen om indruk te maken, maar ook in de hoop de sleutel te vinden die Hermans erin leek te hebben ontdekt. Waar ik verdwaalde in de mist van logische proposities, gebruikte hij de Tractatus als een vlijmscherp scalpel. De beroemde slotzin van Wittgenstein hanteerde Hermans niet als een bescheiden advies, maar als een intellectueel executiepeloton. Alles wat naar metafysica, morele verheffing of spiritueel gezwets rook, werd door hem zonder pardon als gezwam terzijde geschoven.

In zijn essays hield hij Wittgenstein omhoog als een stopbord tegen vaagtaal. Wie begon over ‘de zin van het leven’ of ‘de schoonheid van de ziel’, maakte zich volgens hem schuldig aan intellectuele oplichting. Hermans was daardoor bijna ‘bulletproof’: hij verschanste zich achter een muur van logische onwrikbaarheid. De wereld bestond uit feiten, niet uit verborgen bedoelingen of goddelijke plannen. Voor iemand als ik, die allergisch is voor elke zweem van spirituele mistvorming, had dat wereldbeeld iets bevrijdends, al ging er ook een ijzige kilte van uit.

Die fascinatie sijpelde door in zijn romans. In Nooit meer slapen probeert Alfred Issendorf wanhopig de werkelijkheid met kennis, kaarten en metingen te bedwingen, maar juist daarin gaat hij ten onder. Hij struikelt niet alleen over stenen in Finnmark, maar ook over het onvermogen van taal en logica om de chaos van de werkelijkheid volledig vast te leggen. In De donkere kamer van Damokles wordt waarheid zelfs zo rekbaar dat feiten en interpretaties niet langer van elkaar te scheiden zijn. Alsof Hermans uiteindelijk moest erkennen dat Wittgensteins logische vestingwerk toch scheuren vertoonde zodra echte mensen, oorlogen en angsten het betraden.

De ironie blijft dat ik de Tractatus onder mijn arm klemde om erbij te horen, terwijl Hermans het gebruikte om anderen buiten te sluiten. Mijn eigen ‘mislukking’ – niet verder komen dan de eerste en laatste zin – is misschien wel de eerlijkste verhouding die ik ooit met het boek heb gehad. Wittgenstein schreef dat men de ladder moest wegwerpen nadat men haar had beklommen. Ik had die ladder nooit echt beklommen, maar ik poseerde er wel mee. Misschien schuilt juist daarin iets wezenlijk menselijks: de onbedwingbare neiging om de stilte toch weer met woorden te vullen, zelfs wanneer we diep vanbinnen weten dat we eigenlijk zouden moeten zwijgen.

Lezersreactie:
Ik denk eerlijk gezegd niet dat Hermans Wittgenstein echt heeft begrepen, maar dat hij de taalfilosoof vooral exploiteerde voor zijn eigen project: het ontmaskeren van de menselijke moraal als een verzameling misverstanden. Voor hem was de zwijgplicht uit de laatste zin van de Tractatus louter het ultieme wapen om de Nederlandse literatuur te zuiveren van wat hij ‘het vage, het ethische en het zalvende’ noemde.

Mijn antwoord:
Tja, we zullen nooit weten of Wittgenstein W.F. Hermans niet ook had bekritiseerd als de taalfilosoof het werk, de uitspraken en de vertaling van de Nederlandse schrijver had gekend. Hermans heeft in een interview alle filosofie als een vorm van bellettrie bestempeld. Dat was niet vlijend bedoeld en het is niet duidelijk of die kwalificatie ook voor de Tractatus gold. In ieder geval maakte hij dankbaar gebruik van de reputatie van Wittgenstein en diens boek; namelijk dat zij onaantastbaar autoritair waren.
Waar tijdgenoten zich overgaven aan psychologische duidingen of morele verheffing, sneed Hermans alles weg wat niet aan de strikte eisen van de logica voldeed. Hij vond dat wie de taal misbruikte om over onbewijsbare zaken te spreken, zich schuldig maakte aan intellectuele oplichting. Het maakte hem tot de meest gevreesde polemist van zijn tijd. Hermans’ wereldbeeld was dat van de technocraat en de geoloog: de natuur is er, de feiten liggen vast, en elke menselijke poging om daar een hogere betekenis aan te geven is gedoemd te mislukken.
Wetenschappelijk gezien is de Tractatus een poging om de taal te zuiveren tot een instrument dat enkel nog de werkelijkheid spiegelt. Voor Hermans was dat de enige legitieme vorm van schrijven. Omdat mensen niet kunnen zwijgen over zaken waarover ze niets weten, ontstaat er een ‘sadistisch universum’ waarin iedereen elkaar met woorden bedriegt. Hermans bewees daarmee dat Wittgenstein weliswaar gelijk had dat we moesten zwijgen, maar dat de menselijke natuur te ijdel en te angstig is om dat ook daadwerkelijk te doen. Hij dreef de spot met die onbedwingbare drang om de stilte te vullen met onzin; een drang waar ik, met mijn boek onder de arm op zoek naar status, me ook een beetje schuldig aan maakte.
Het maakt mij eerlijk gezegd niet zoveel uit of Hermans Wittgenstein helemaal bevatte. De filosoof heeft hem in ieder geval uitgedaagd om de uiterste consequentie van de feitelijkheid op te zoeken. Waar anderen de leegte tussen de feiten opvullen met spiritueel cement of morele troost, dreef Hermans de spot met die vluchtwegen. Hij eiste, net als Wittgenstein, dat we de wereld onder ogen zagen zoals ze is: een verzameling feiten die onze taal weliswaar kan spiegelen, maar die zich verder niets van ons aantrekt.
Voor Hermans was die begrenzing van de taal geen beperking, maar een morele plicht. Hij wilde dat we stopten met het uitwisselen van ‘gezwam’ en terugkeerden naar een verstandige, zuivere uitwisseling over datgene wat wél vaststaat. Of hij de logische formules nu tot in de finesses doorgrondde of niet; hij begreep de provocatie van de Tractatus als geen ander: durf te zwijgen over wat je niet weet, zodat wat je wél zegt, eindelijk weer gewicht krijgt. In die zin was hij geen nihilist, maar een radicale realist die de ladder van Wittgenstein beklom om het uitzicht op de kale, onversierde waarheid te kunnen verdedigen.

Tegenstemmen uit de VS

Wat verbindt de commentatoren uit mijn eerdere lijstje?

In mijn eerdere blogbericht deelde ik een verzameling Amerikaanse commentatoren. Naar aanleiding van dat overzicht vroeg iemand zich af op grond van welke criteria deze selectie tot stand kwam. Die vraag rechtvaardigt een toelichting. Dit overzicht dient immers niet enkel als hulpmiddel om online opinievormers in kaart te brengen, maar wil ook een genuanceerder beeld schetsen van het Amerikaanse politieke landschap. Te vaak heerst in Europa de gedachte dat de Verenigde Staten louter uit extremen en chaos bestaan. De werkelijkheid blijkt gelukkig een stuk complexer en genuanceerder.

Gisteren voorspeld, vandaag bewaarheid. Trump heeft inderdaad het voornemen uitgesproken om MTN voor de rechter te slepen. Ben Meiselas – advocaat van huis uit – lust hem rouw. (Ik schreef trouwens voor het eerst over deze mogelijkheid op 25 oktober 2025 in https://ronaldvannoorden.com/2025/10/25/drie-kanaries-in-een-kolenmijn/)

Ik toon hier eerst de verzameling van opiniemakers, zoals ik die gisteren ook online zette:

  • Ben MeiselasMeidasTouch Network.
  • David PakmanThe David Pakman Show.
  • Tim MillerThe Bulwark.
  • JessiahPondering Politics.
  • Amy Goodman en Juan GonzálezDemocracy Now!.
  • Brian Tyler CohenNo Lie.
  • Luke BeasleyThe Luke Beasley Show.
  • Krystal BallBreaking Points (dikwijls gepresenteerd met Saagar Enjeti).
  • Kyle KulinskiSecular Talk.
  • Cenk Uygur en Ana KasparianThe Young Turks (Rebel HQ).
  • Natalie WynnContraPoints.
  • Sam SederThe Majority Report with Sam Seder.
  • Chris HedgesThe Chris Hedges Report (of gelieerd aan The Real News Network).
  • Kara SwisherOn With Kara Swisher.
  • Hasan PikerHasanAbi.
  • Thom HartmannThe Thom Hartmann Program.
  • Scott Galloway en Kara SwisherPivot.
  • Chip Franklin, Corinne Straight en Justin HorowitzReally American.
  • Adam MocklerThe Adam Mockler Show.
  • Jeffrey Sachs, John J. Mearsheimer, Stephen Walt, Rohit „Ro” Khanna; geen eigen platform maar regelmatig optredend als gasten in andermans show vanwege hun expertise.

De lijst is samengesteld op basis van de volgende uitgangspunten:

  1. Het betreft overwegend progressieve denkers en analisten, opiniemakers en commentatoren. Het stempel ‘progressief’ is een politiek en sociologisch begrip. De commentatoren van The Bulwark komen oorspronkelijk vaak uit conservatieve of centrumrechtse hoek. Die houd ik, eerlijk gezegd, wat kritischer in de gaten.
  2. Het volledige gezelschap bezit de Amerikaanse nationaliteit. Dit staatsburgerschap is een verifieerbaar juridisch feit (hoewel de gekte van de huidige politiek met zich meebrengt dat sommige van de legaal in de VS wonende commentatoren toch te vrezen hebben voor wat ICE met hun beschermde status zal uitrichten. Zij hebben namelijk een migratieachtergrond.).
  3. De onderwerpen van hun uitzendingen richten zich overwegend op de binnenlandse politiek en maatschappelijke debatten in de Verenigde Staten. Er is dus nauwelijks internationale berichtgeving. Deze Amerikanocentrische focus schept duidelijkheid.
  4. Ieder van hen manifesteert zich via het videoplatform YouTube; dit medium fungeert als hun digitale megafoon. Velen van hen zijn ook als podcast te beluisteren. Sommigen van hen gebruiken de YouTube-factor louter als distributiekanaal voor hun podcasts of radio-uitzendingen.
  5. De inkomsten komen veelal van crowdfunding, abonnees op platforms zoals Patreon of betaalde podcasts, waardoor zij losstaan van traditionele mediabedrijven. Hun financiële onafhankelijkheid is belangrijk.
  6. Er is sprake van een hecht ecosysteem waarin de makers geregeld in elkaars programma’s verschijnen; deze intertekstualiteit en netwerkinspanningen versterken hun gezamenlijke online bereik aanzienlijk.
  7. Hun content bevindt zich in de categorie duiding, analyse en opinie. Je kunt hun commentaren wel objectieve journalistiek blijven noemen omdat zij doen aan factchecking. Zij duiden de actualiteit op een journalistiek verantwoorde manier.
  8. Zij leveren kritisch commentaar in plaats van uitsluitend droog nieuws te verspreiden. Hun uitgesproken standpunten creëren een inhoudelijke signatuur die overeenkomt met mijn eigen politieke voorkeur. Het merendeel pleit voor linkse dus democratische standpunten; denk hierbij aan sociale hervormingen en progressieve wetgeving. Wat is er mis met een moraal die deugt?

Europa kampt met een forse opkomst van radicaal-rechtse bewegingen. Hoewel de naald op ons continent vooralsnog uitslaat naar een democratische meerderheid, balanceren ook wij op de rand van autocratische ontwikkelingen. Wanneer we over de oceaan kijken, zien we iets hoger oplopende spanningen. Toch is er een aanzienlijke groep Amerikanen met een scherp moreel kompas en een diepgeworteld besef van beschaving. Zij vormen in de praktijk nog altijd de overhand, ook al is dat door de lawaaierige polarisatie niet altijd direct zichtbaar.

De aankomende verkiezingen zullen hier meer duidelijkheid over verschaffen. Pas na die stembusgang kunnen we hopelijk weer spreken van een normalisatie van de bilaterale relaties tussen beide continenten. Tot die tijd is het cruciaal om de stemmen van de rede te blijven beluisteren en delen.

Vrijheid van meningsuiting à la carte

De selectieve verontwaardiging van de Grote Leider en zijn volgelingen.

Als de schoft genaamd Trump en zijn schurkenbende door niets en niemand werden tegengehouden, zouden ze waarschijnlijk achter de volgende journalisten aangaan (de lijst is uiteraard niet compleet, maar dit zijn de commentatoren die ik volg):

  • Ben Meiselas; MeidasTouch Network.
  • David Pakman; The David Pakman Show.
  • Tim Miller; The Bulwark.
  • Jessiah; Pondering Politics.
  • Amy Goodman en Juan González; Democracy Now!.
  • Brian Tyler Cohen; No Lie.
  • Luke Beasley; The Luke Beasley Show.
  • Krystal Ball; Breaking Points (dikwijls gepresenteerd met Saagar Enjeti).
  • Kyle Kulinski; Secular Talk.
  • Cenk Uygur en Ana Kasparian; The Young Turks (Rebel HQ).
  • Natalie Wynn; ContraPoints.
  • Sam Seder; The Majority Report with Sam Seder.
  • Chris Hedges; The Chris Hedges Report (of gelieerd aan The Real News Network).
  • Kara Swisher; On With Kara Swisher.
  • Hasan Piker; HasanAbi.
  • Thom Hartmann; The Thom Hartmann Program.
  • Scott Galloway en Kara Swisher; Pivot.
  • Chip Franklin, Corinne Straight en Justin Horowitz; Really American.
  • Adam Mockler; The Adam Mockler Show.
  • Jeffrey Sachs, John J. Mearsheimer, Stephen Walt, Rohit „Ro” Khanna; geen eigen platform maar regelmatig optredend als gasten in andermans show vanwege hun expertise.
Noam Chomsky: “If you’re in favor of freedom of speech, then you’re in favor of freedom of speech precisely for views you despise. Otherwise, you’re not in favor of freedom of speech.” (De cartoon van Matt Wuerker wordt hier geplaatst met impliciete toestemming.)

Vrijheid van meningsuiting, het is een prachtig concept. Een soort heilig huisje in het Amerikaanse landschap, vooral luidkeels bejubeld door Donald Trump en diens discipelen. Tenminste, zolang de boodschap in hun straatje past. Zodra de wind uit een andere hoek waait, verandert datzelfde principe in een ongemakkelijke hindernis.

Neem het recente theater rond Jimmy Kimmel. De presentator durfde het aan om een grap te maken over het leeftijdsverschil tussen Trump en zijn echtgenote Melania (“Mrs. Trump, you have a glow like an expectant widow”). Een mop zo oud als de weg naar Kralingen; absoluut geen hoogvlieger op het gebied van originaliteit. Cruciaal detail: deze uitspraak werd gedaan vóórdat een verward individu probeerde binnen te dringen bij een evenement in Washington. Er was dus precies nul komma nul causaal verband. Toch schreeuwde het Trumpkamp moord en brand; het zou gaan om “aanzetten tot geweld”.

Trump eiste zelfs dat de zender ABC Kimmel de laan uit zou sturen (dit wordt daar nu zowaar overwogen). Dat is een regelrechte poging om een kritisch medium de mond te snoeren. Censuur in de praktijk, verpakt als morele verontwaardiging.

De hypocrisie druipt er vanaf wanneer we kijken naar het eigen gedrag van de gewelddadige narcist. Nog geen twee dagen later maakte hij tijdens een officieel moment met de Britse koning zelf een flauwe opmerking over zijn huwelijk en Melania. Gênant? Zeker. Maar riep iemand op om hem van het podium te plukken? Nee hoor. Dat valt dan weer onder de noemer ‘vrijheid van meningsuiting’ en ‘je moet ertegen kunnen’.

Het probleem is niet de grap; het probleem is de persoon die hem vertelt. Wanneer Trump of zijn handlangers beledigingen uiten, is het humor. Wanneer een komiek precies hetzelfde doet over de leider zelf, is het plotseling gevaarlijk en moet het stoppen. Dit is geen principiële houding; het is opportunisme van de bovenste plank. Het mechanisme is inmiddels zo voorspelbaar als een klok:

  • Men rukt een willekeurige opmerking uit zijn context en plakt er de stempel ‘bedreiging’ op.
  • Vervolgens wordt dit gekoppeld aan een echt incident zonder enig bewijs (een klassieke drogreden).
  • Morele paniek is het resultaat, want woorden zouden immers geweld veroorzaken.

Satire is al eeuwenlang een onmisbaar instrument om de macht te controleren. In de Verenigde Staten wordt dit zelfs expliciet beschermd door het Eerste Amendement. En nee, dat recht is er niet alleen voor serieuze journalisten; ook humoristen hebben er recht op.

Het gevaar voor het vrije woord komt niet van een late-night host met een flauwe opmerking. Het schuilt in politici die zelf bepalen wie er wel of niet mag spreken en die mediabedrijven onder druk zetten. Zelfs als Kimmel zijn baan behoudt, is de dreiging reëel. Het creëert een angstcultuur waarin mensen uit voorzorg zwijgen uit angst voor represailles. En dat is precies hoe een vrije maatschappij langzaam afglijdt naar conformiteit.

Vrijheid van meningsuiting betekent niet dat je alles fantastisch moet vinden. Het betekent dat ook meningen die je de strot uitkomen, beschermd zijn. Je hoeft niet te lachen om Kimmel, je mag diens grappen gerust smakeloos vinden. Maar eisen dat een kritisch geluid van de buis verdwijnt, is iets heel anders.

Vrij naar Chomsky: Wie vrijheid van meningsuiting alleen verdedigt wanneer het hem uitkomt, verdedigt haar in feite helemaal niet.






De scheur in het Amerikaanse graniet

Een stem die helder blijft terwijl een wereldmacht haar eigen contouren verliest.

Soms kom je een denker tegen die door alle ruis heen snijdt. Voor mij is Jeffrey Sachs zo iemand. Geen politiek theater, geen strategisch gemompel, maar een stem die helder blijft wanneer de rest van het debat vertroebelt. In een tijd waarin middelmatigheid vaak wordt verkocht als pragmatisme, is Sachs een zeldzame combinatie van academisch gewicht en morele ruggengraat.

Zijn recente analyse van Trumps handelslogica is daar een goed voorbeeld van. Sachs begint bij de basis: een handelstekort betekent dat een land meer uitgeeft dan het verdient. Niet meer, niet minder. Hij vergelijkt het met een creditcard: als jij je kaart leegkoopt bij de lokale winkels, is het absurd om de winkeliers de schuld te geven. Toch is dat precies wat de VS doet wanneer het landen als China of zelfs Lesotho beschuldigt van “valsspelen”.

Volgens Sachs is het idee dat je met elk land afzonderlijk een evenwichtige handelsbalans moet hebben economisch nonsens. Het negeert twee eeuwen economische wetenschap en ondermijnt de efficiëntie van de wereldmarkt. De kern van het probleem ligt volgens hem niet in buitenlandse concurrentie, maar in de Amerikaanse gewoonte om structureel meer uit te geven dan het produceert; gedreven door overheidstekorten van zo’n 2 biljoen dollar per jaar. Belastingen verhogen is politiek onhaalbaar, dus blijft men lenen. Het tekort wordt vervolgens verkocht als een buitenlandse samenzwering.

Maar Sachs blijft niet bij economie. Hij ziet een land dat steeds meer wordt bestuurd via noodverordeningen, terwijl die macht eigenlijk bij het Congres hoort te liggen. Hij waarschuwt dat de VS cruciale technologische ontwikkelingen heeft gemist – elektrische voertuigen, AI – terwijl China dankzij langetermijnplanning juist versnelt. De onvoorspelbaarheid van Trumps beleid kostte de wereldmarkt op één moment naar schatting 10 biljoen dollar aan waarde. Geen verschuiving van rijkdom, maar pure vernietiging ervan.

Sachs stelt dat de VS haar eigen gebrek aan discipline en visie maskeert door anderen de schuld te geven van een tekort dat ze zelf creëren. Hij zegt het droog: als Trump zijn student was, zou hij hem een onvoldoende geven. Helaas is Trump zijn president, wat de situatie “iets vreemder” maakt.

Buiten dit optreden om heeft Sachs zich nog scherper uitgelaten over het Trump-beleid. In A New Foreign Policy: Beyond American Exceptionalism (2018) stelt hij dat de ‘Amerikaanse Eeuw’ – begonnen in 1941 – eindigde op de dag van Trumps inauguratie. Volgens hem markeert ‘America First’ geen hernieuwde assertiviteit, maar een vrijwillige troonsafstand. Een vorm van nationaal narcisme die de VS isoleert terwijl de wereld multipolair wordt. De economische zwaartekracht is verschoven naar Azië, en Washington kan de rest van de wereld niet langer dwingen haar wil te volgen.

Bij de VN heeft Sachs felle kritiek geuit op het gebruik van eenzijdige sancties, onder meer tegen Venezuela en Iran. Hij noemt ze ineffectief én in strijd met het internationaal recht. In een rapport over Venezuela stelde hij zelfs dat Amerikaanse sancties direct hebben bijgedragen aan tienduizenden doden door gebrek aan medicijnen en voedsel; “oorlogsvoering via financiële weg”, noemt hij het.

Volgens Sachs is Trump geen incident, maar een symptoom van een dieper probleem: een politiek systeem waarin miljardairs beleid kopen via campagnefinanciering. Hij hekelt dat Trump defensie-uitgaven verhoogde terwijl hij bezuinigde op diplomatie. De VS verandert zo in een garnizoensstaat: overal militaire bases, maar nergens duurzame vrede.

Ondertussen blijven de echte problemen van de Amerikaanse arbeidersklasse liggen: dalende levensverwachting, stijgende zelfmoordcijfers, verdwijnende sociale vangnetten. Geen enkel tarief lost dat op. Sachs benadrukt dat de meeste industriële banen niet naar China zijn verdwenen, maar naar automatisering. Door China de schuld te geven, ontwijkt de overheid de verantwoordelijkheid om te investeren in omscholing en sociale zekerheid; “politieke lafheid”, noemt hij het.

Voor Sachs belichaamt Trump een natie die haar eigen internationale orde afbreekt uit frustratie over haar tanende macht. Zijn antwoord is geen nieuw protectionisme, maar een terugkeer naar multilateralisme en de VN-doelstellingen voor duurzame ontwikkeling.

Verkiezingsfraude in Gorinchem

Bewijsstuk A bleek een ijzeren getuige.

De manier waarop de volmachten waren aangeleverd, wekte argwaan; ze waren op identieke wijze voorbereid met telkens twee stempassen, een kopie van het paspoort en een paperclip. Een corruptie-klemmetje, klein van stuk, maar groot in het bij elkaar houden van verdachte zaakjes.

Volmaakt gestileerde irrelevantie

De kleffe verhouding van de kunstkenner tot zijn onderwerp.

Natuurlijk kan Arthur De Graaf op forse kritiek rekenen; hij slingert immers een onbestaand citaat de wereld in met behulp van AI. Hij bijt in het zand en geeft zijn omissie ruiterlijk toe. Maar dat juist de heren van de kunstredactie over hem heen vallen, stoort De Graaf mateloos. Hij kent deze hofnarren van de status quo te goed. Terwijl zij hun zinnen polijsten met dure adjectieven en esoterische beeldspraak, zorgen ze er vooral voor dat hun werk geen rimpeling veroorzaakt in de vijver van de publieke opinie.

Juist de kampioenen van de risicoloosheid toonden zich het meest onvermurwbaar ten aanzien van een misstap van een collega die alleen voorkwam waar wél iets op het spel stond. Hadden zij ooit meer gedaan dan de theaterrol van journalist spelen? Ze bleven veilig achter de linies van het culturele leven; een terrein waar ze net genoeg van afwisten (mits je de filosofie niet meerekende).

De kunstjournalistiek verkiest blijkbaar een volmaakt gestileerde leegte boven een schurende zoektocht naar de waarheid. Bij Arthur staat er tenminste iets op het spel; bij hen is de inzet louter decoratief. Het is een wrange paradox: de sector kijkt liever naar een risicoloos ballet van woorden dan naar een scherpschutter die een doelwit durft te kiezen. De kans op een misser is bij die laatste vele malen groter, maar hij raakt tenminste de werkelijkheid aan.

In plaats van stelling te nemen, geven deze critici de voorkeur aan de kleffe intimiteit van de vernissage. Ze laten zich compromitteren bij premières van volstrekt inwisselbare voorstellingen. Ze worden gewillig rondgeleid langs hapjes en drankjes; ze dragen de badge en incasseren het salaris, maar ze verzuimen op het meest fundamentele niveau: het blootleggen van wat er werkelijk toe doet. Waarom wordt hun fundamentele luiheid nooit bestraft, terwijl een actieve fout direct tot een publieke executie leidt?

Misschien is het antwoord voor De Graaf simpeler dan hij denkt. Zijn beroepsgroep straft hem zo hardvochtig omdat hij bewijst dat hij er nog toe doet, al is het maar door te falen. Zijn critici daarentegen begaan de enige zonde die in de huidige journalistiek onbestraft blijft: ze zijn volkomen irrelevant. Ze overleven omdat ze, in al hun taalkundige precisie, simpelweg niets te zeggen hebben.

Het pauwenverdict

Veroordeeld vanuit een zitvlak vol met veren.

Arthur van der Meer had een fout gemaakt. In zijn poging de toekomst van het vak te doorgronden was hij gestruikeld over datgene waarmee hij zich de laatste tijd intensief had ingelaten. Op aandringen van zijn hoofdredacteur toonde hij bereidheid om zich te begeven op het terrein waar journalistiek en technologie elkaar raken. Voordat hij die opdracht aanvaardde, keek Arthur, als zovelen, met veel kritiek en cynisme naar AI; nu hij er wat meer van afwist, zag hij ook de aangename kanten ervan.

Dat wilde niet zeggen dat je blind gebruik moest maken van het fenomeen. Maar de omissie van Van der Meer was, behalve oerdom, ook een uitglijder van iemand die iets probeerde; iemand die zich mengde in een debat dat ertoe deed. Wie werkt in de vuurlinie, weet dat snelheid en onzekerheid geen bijzaak zijn, maar de kern van het vak. Of die frontlinie nu een oorlogsgebied is of de rafelrand van een technologische omwenteling, informatie blijft fragmentarisch, tijd blijkt altijd schaars, fouten zijn nooit volledig uit te sluiten. Dat vormt geen excuus; het is de prijs van relevantie.

In zijn omgeving was er altijd dat type collega geweest dat opereerde in de veilige marges van het vak; de potsierlijke kunstkenner die de cultuurpagina’s mocht vullen met genodigde recensies en interviews. Deze persmuskiet liet zich graag fêteren door wie hij geacht werd te beoordelen, en produceerde aldus een obligate lofzang waarop niemand zat te wachten. Hij verwarde kritiek met beleefdheid, filterde elk risico uit zijn zinnen. Hij tikte positieve stukjes over exposities, praatte teksten uit catalogi na en kopiëerde openingstoespraakjes. Daar, op veilige afstand van de controverse, werd een reputatie opgebouwd zonder risico; een carrière zonder echte confrontatie.

Juist uit die hoek klonk nu het hardste oordeel over Van der Meer. Ziedaar de hypocrisie van de luie stoel. We hebben het over journalisten die hun hele loopbaan de weg van de minste weerstand bewandelen. Ze dagen de macht zelden uit. Ze verheffen ‘human interest’ tot de hoogste kunstvorm omdat het veilig is, omdat een zorgvuldig gecomponeerd verhaal over een cultuurdrager zelden iemand tegen de haren instrijkt. Hun grootste zonde is niet een onjuist citaat of een technologische misstap, maar een veel fundamentelere: ze doen er niet toe.

Waarom wordt die fout in de journalistiek maar zelden bestraft?