Wormvormig aanhangsel

Een wankel vorstenhuis en de vorstelijke vergeefsheid van een bijwoordelijke bepaling.

“Het besluit van een beschaving om over te gaan tot de afschaffing van de monarchie gaat niet over één nacht ijs”, aldus de Noorse commentator in het discussieprogramma waar ik zomaar inviel. Hij voegde daar aan toe: “Maar wat helpt en het proces versnelt is een goede rel, dat wel.” En daar ging het mis. Niet met de ondergang van de monarchie – die historische wetmatigheid voltrekt zich door alle schandalen immers geheel volgens schema – maar met mijn zorgvuldig gecultiveerde republikeinse focus. Terwijl de deprimerende feiten omtrent onze bovenbuur-royals voor de zoveelste maal de revue passeerden, bleef mijn aandacht steken. Onwrikbaar. Als een Noorse zalm in een håv (wat geloof ik Scandinavisch is voor fuik).

Mijn blik was gegijzeld door die laatste twee woorden: ‘dat wel’. De taaljongen in mij won het direct van de staatsrechtelijke criticus. De absolutie van de monarchie kon plotseling wachten; we hadden hier immers een acute taalkwestie aan de hand. Want wat is dat ‘dat wel‘ in hemelsnaam (om niet te zeggen: dan wel niet), semantisch en syntactisch gesproken? Wat voegt zo’n frase toe aan de mededeling, behalve een linguïstisch klopje op de schouder? Had de oorspronkelijke Noorse spreker daadwerkelijk een idioom gebruikt dat deze annex noodzakelijk maakte, of was de vertaalcomputer – die tegenwoordig ongetwijfeld door een oververhitte AI wordt aangestuurd – weer eens aan het overpresteren en hallucineren?

Laten we deze taalkundige bijvangst eens fileren. Syntactisch gezien is ‘dat wel’ een modale toevoeging, een soort nagedachte die functioneert als een restrictief voegwoordelijk bijwoord. Het zwom onverhoeds mee met de buit, zeg maar. Het is een zinsdeel met de allure van een wormvormig aanhangsel. Zoals de monarchie dat zelf trouwens ook is: een rudimentair aanwezig overblijfsel uit een feodaal verleden dat in een moderne democratie geen enkele heldere functie meer vervult, maar dat we toch maar laten bungelen totdat iemand die overbodigheid durft te elimineren.

Twee woordjes maar. Semantisch gezien doen ze iets fascinerends. Ze relativeren niet, maar accentueren juist de eerdere bewering door een hypothetisch contrast bij voorbaat uit te sluiten. Ze zeggen: “Mocht u twijfelen aan de kracht van een koninklijk schandaal, doet u dat dan vooral niet.” Is het overbodig? Strikt taalkundig: ja. Psychologisch: nee. Misschien zelfs noodzakelijk voor de nuance.

Ondertussen stort in Oslo het kaartenhuis ineen. Men spreekt daar over zeer serieuze zaken zo zwart als mishandeling, aanranding, cocaïnemisbruik, ongezonde koninklijke privileges en messentrekkerij. De monarchie wankelt op haar grondvesten. Maar de mens is een vreemd wezen dat zich in tijden van crisis laat afleiden door de gekste futiliteiten. Terwijl het volk aan de koninklijke stoelpoten zaagt, zit ik te dubben over de grammatica. Dat wel. Of óók. Correctie: méér nog. Ik bedoel: dan dat. Ik bedoel: dan dat ik me onledig houd met de eigenlijke kwestie. Begrijp je? Echt wel.

Het is een tragische constatering: ik probeer me te focussen op dit monarchische melodrama maar de associatieve kortsluiting in mijn brein is compleet. Om mezelf te kalmeren, bedenk ik juist iets dat helemaal losstaat van de koninklijke janboel, namelijk hoe het taalkundige aanhangsel ‘dat wel’ zich in andere Noorse contexten zou gedragen. “De Noren hebben een existentieel gebrek aan zonlicht, en toch is het een krachtig volk; maar goed, tegenwoordig slikt men vitamine-D en vroeger waren het Vikingen, dat wel!” Als we de AI-vertaalmachine de vrije loop laten, vermoed ik dat elk Noorse zin binnenkort met deze linguïstische staartmees eindigt:

“De fjorden zijn onpraktisch diep en de houtkachel verspreidt meer fijnstof dan een kolencentrale, maar met Noorse sokkenwol brei je de ellende zo weg, dat wel.”

“De Noorse trui zit volstrekt oncomfortabel en kriebelt tot op het bot, maar het ding zorgt niettemin dat je beschermd bent tegen tocht, dat wel.”

“Odin en Thor waren destructieve types met een ongezonde fixatie op hamers en runen, maar de Noorse mythologie is qua plotwisseling superieur aan de gemiddelde Netflix-serie, dat wel.”

“Spitsbergen ligt er koud en verlaten bij, ongeschikt voor menselijke bewoning, maar de ijsberen hebben er tenminste geen last van ronkende talkshows over falende prinsen, dat wel.

Het Noorse koningsdrama is een serieuze zaak – het biedt momenteel minder stabiliteit dan een Zweedse zelfbouwkast – maar zolang de vertaalcomputers ons trakteren op onverwachte taalkundige versieringen, wankelt mijn brein vrolijk mee. Morgen ga ik over tot de orde van de dag en de harde politieke realiteit. Denk ik. Of ik raak afgeleid door een verdwaalde puntkomma. De kans is aanwezig, dat zeker.

Lezersreacties:

Dat wel, dat wel? Wat ben jij snel afgeleid Ronald. Rel, del, del, wie trekt er aan de bel en geeft er een schop onder de derrière van het hele koninklijke stel?
(Bram de Jager, Deventer)

Je wordt bedankt. De vreselijke misstappen van de kroonprinselijke stiefzoon transformeren in mijn hoofd nu ook tot absurdistisch gerijm. Een opeenvolging van schandalen, rigoureus afgewisseld met idiote woordcombinaties: Huisvredebreuk, dat wel. Slachtofferhulp, oorlel. Prinselijk privilege, kasteelbel. Messentrekkerij, what the hell. Kroonprinselijk debacle, welk een gezwel!
(Kees Groenewegen, Vlaardingen)

Een concept met een luchtje

Voedselverspilling is niet het probleem maar wel dat we limonade in zee gieten die z’n prik heeft verloren.

Het zal weer even als vanouds gaan geuren in het Boijmans Van Beuningen. De pindakaasvloer keert namelijk terug; ditmaal als eerbetoon. Je zou denken dat het broodbeleg waar we allemaal groot mee zijn geworden, snel ranzig wordt buiten de pot. Maar dat was ook de vorige keer het probleem niet. Er trok misschien een wat weeë geur door de zalen, maar de hoofdkritiek betrof toch voedselverspilling. In mijn soort van kringen werd daar niet over gezeurd; Wim T. Schippers was heilig. De conceptuele kunst al evenzeer. Bovendien smeert het museum het goedje ditmaal uit ter nagedachtenis aan de bedenker. Dan zwijg je uit respect, zo dicteert de etiquette.

Oude concepten op herhaling; we kijken niet meer naar het werk van een gevaarlijke dissident, maar naar een gepatenteerde museumclown die binnen de lijntjes van de goede smaak mag rebelleren. Als licentiekunst niet langer ontregelend overkomt maar eerder ondeugend, is ze dan niet veel te gezapig geworden?

De persoonlijkheidscultus gedijt uitstekend bij dit schoolvoorbeeld van zuivere conceptuele kunst; het idee past op een door een notaris beëdigd A4-tje, waarna de uitvoering slechts een kwestie is van veel Calvé bestellen. Door de inferieure en vervangbare eigenschappen van de materie, blijft het kunstwerk immuun voor de tand des tijds. Dat vormt althans de achterliggende gedachte: het vergaat niet, het kan feilloos herrijzen, volstrekt onverschillig welke anonieme medewerker de smurrie uitsmeert en naderhand weer opdweilt. Wat valt er te verpesten aan de meesterlijke vondst van een vloertje gemalen pinda’s?

De ironie wil dat de mythe van deze kunstvorm, die we hardnekkig ophangen aan de cultus van de vedette, wankelt zodra het idee de gedaante aanneemt van een onverwacht probleem dat de nodige nazorg vergt.

Ik doel nu op een ander project van Wim T. Schippers in datzelfde museum, genaamd ‘Het is me wat’. De toeschouwer kreeg een rotsblok te zien dat de zwaartekracht tartte, maar werd natuurlijk bij de neus genomen, dat begrepen de meesten ook wel. De ‘kei’ bleek een optische illusie; een vederlichte schil van purschuim rond een verborgen magneetkern. Het idee was leuk maar in beginsel technisch onvoldragen. De meegeleverde elektronica in de sokkel was zo delicaat dat de magneetbalans al crashte bij de minste zucht wind, laat staan wanneer de tastgrage museumbezoeker de moeizaam zwevende steen een duwtje gaf. Het ding stortte dan ook herhaaldelijk in.

Het concept zoals de gevierde kunstenaar het bedoeld had, bleek in de weerbarstige realiteit een fysische onmogelijkheid, totdat de wetenschap te hulp schoot. Er moest een heel leger aan ingenieurs van de TU Delft opdraven om de haperende illusie te reanimeren. Zij stripten de sokkel en brachten de nodige wijsheid in; via geavanceerde lasersensoren en razendsnelle feedback-algoritmen herprogrammeerden zij het magnetische veld totdat de computer elke menselijke aanraking live kon corrigeren. Zíj maakten het kunstwerk functioneel en dus af.

Daar wringt wat mij betreft één schoen in de moderne kunstbeschouwing. Waarom cultiveren we de uniekheid van de solitaire schepper, als het werk in de praktijk pas kan overleven dankzij dit gecombineerde ‘kunstenaarschap’? Zonder de specifieke expertise van de Delftse bètatechnici was ‘Het is me wat’ een dood brok isolatiemateriaal op een sokkel. Zij vormden geen louter gereedschap; zij waren de feitelijke makers. De kunstwereld functioneert soms exact zoals de bergsport: wetenschappers en ander hulpvaardig personeel vormen in deze vergelijking de sherpa’s van de conceptuele kunst. Zij leveren naamloos de loodzware, cruciale prestaties in de ijle lucht van het grote idee, terwijl de man met de reputatie de media te woord staat en de lof oogst.

Vandaag de dag moeten we de hardnekkige illusie van de geniale vedette misschien een beetje loslaten. Complexe kunst fungeert immers als een groepscreatie, waarbij iedere deelnemer zijn eigen noodzakelijke expertise inbrengt. Het conceptuele idee is leuk zolang de handtekening eronder maar het juiste gewicht draagt en de hele ‘massa’ vertegenwoordigt.

Om het nog even over die vage groep te hebben die ik hierboven als ‘ons soort mensen’ aanduidde: we kunnen soms best kritisch zijn over verschillen tussen arm en rijk in de wereld, over de groeiende kloof tussen de intellectuele praatklasse en de praktische uitvoerders, en over de kwalijke gevolgen van de meritocratie als ideologische rechtvaardiging voor deze ongelijkheid. Die kritiek betreft vooral de commerciële wereld. In de kunstwereld daarentegen is de heldenverering nog nauwelijks een punt van discussie. Natuurlijk reiken we prijzen uit, organiseren we retrospectieven rondom solistische genieën en kennen we miljoenenbeurzen toe aan individuele namen. Bij zoiets delicaats als een concept dat louter bij de gratie van andermans zweet en intellectuele arbeid in de lucht wordt gehouden, vind ik die hardnekkige focus op de publiekslieveling soms misplaatst.

Goed, we maken de ene mens dus belangrijker dan de ander en kleineren ondertussen onszelf; dat punt heb ik proberen te maken. Ik wil hier ook gezegd hebben dat we niet alleen onze bewondering voor zekere individuen overdrijven maar ook die voor hun voortbrengsels. Dat is de tweede schoen die mij wringt. Pindakaas op een vloer uitsmeren is als flesjes Exota naar de zee dragen. Vergelijkbare concepten bestonden in 1961 al in talloze uitvoeringen. Ook het wekken van de suggestie van magnetische afstoting was conceptueel nooit zo uniek dat je er patent voor hoefde aan te vragen; het natuurverschijnsel zelf lijkt me van nature boeiender.

Ik denk dat er sprake is van een cruciaal esthetisch failliet: de institutionalisering van de avant-garde. Wat gisteren nog aanstoot gaf vormt de gesubsidieerde erfgoedzorg van vandaag. Zodra een ontregelend idee wordt geadopteerd door de directie en met fluwelen handschoentjes wordt beheerd, verliest het zijn tanden. De museale bureaucreatie heeft dit expressiemiddel inmiddels zo grondig ingekapseld dat de angel er definitief uit is. Je kijkt al gauw naar een man die een beetje mal doet in plaats van naar een dwarsligger die gegarandeerd mensen op de kast jaagt.

Het blijft de ultieme paradox van de gecontroleerde rebellie: de pindakaasvloer jaagt niemand meer de stuipen op het lijf; het lokt hooguit nog een milde glimlach uit bij een publiek dat braaf aanschuift voor een portie nostalgische excentriciteit. Als kunst onvoorwaardelijk en permanent moet ontregelen – een standpunt dat ik het mijne noem – dan vormt deze gecultiveerde herhalingsoefening juist het tegendeel. De museale bureaucreatie reduceert de heiligschennis tot een ongevaarlijk ritueel, keurig goedgekeurd door de welstandscommissie van de kunstelite.

Sorry Wim T. Schippers, je was een grappige kerel met een heerlijke provocerende inslag; een man wiens kunst dreef op absolute onvoorspelbaarheid. Juist daarom slaat deze in memoriam-tentoonstelling de plank zo mis. Het museum eert niet de beeldenstormer, maar balsemt de rebellie tot een behaaglijke traditie. Waarom moet de herinnering aan jouw scherpe karaktertrek zo kort na je dood zo braafjes in beeld worden gebracht? En waarom durven we sommige ideeën van gelauwerde lieden na verloop van tijd niet voor clichés uit te maken? Ook wat, goed geconserveerd, in een la ligt, als louter licentie, kan op een zeker moment zijn tijd echt gehad hebben.

De ware as van Europa

Van de Orkney eilanden via mijn vloerplank linea recta naar Ancona (of net even anders).

Het begon allemaal, zoals zo vaak bij veelbelovende projecten, met een volstrekt triviale irritatie. In dit geval: een houten vloerplank in mijn Arnhemse huiskamer. Een kaarsrecht stuk hout, zoals dat hoort, maar toch niet identiek aan al zijn buren. Het was er later ingelegd. Waarschijnlijk had men ooit onder de vloer moeten zijn. Het orginele eikenhout moest verloren zijn gegaan. Nu lag er in plaats daarvan een goedkoop surrogaat met een afwijkende kleur. Daarom kon het daar niet blijven, vond ik.

Mijn plan was even elegant als ambitieus; ik wilde dit stuk vuren vervangen door een op maat gesneden strook doorzichtig glas. Daaronder een subtiel ledstripje voor de sfeer, en op het glas twee strakke, contrasterende pijlen die in elkaars verlengde de kamer in wezen.

Heet het poëtische vrijheid dat ik de Orkney eilanden liever omdoop tot Vikingeiland en San Marino en Ancona zelfs helemaal links laat liggen, teneinde de suggestie te wekken dat mijn zuidoostlijn in Ithaka uitkomt? 

Het doel? Mijn interieur fysiek verbinden met de kosmos. Op de ene punt van de glazen kompasnaald moest een tot de verbeelding sprekende wereldstad komen te staan; op de andere punt de perfecte tegenpool. Een blikvanger die bij het vallen van de avond oplicht en de bezoeker subtiel influistert: ‘kijk, als je deze lijn duizend kilometer doortrekt, sta je dáár.’

Met een kompas bepaalde ik de exacte as van de planken. De naald loog nooit. De lengterichting van mijn kamer bleek zich standvastig te oriënteren op een koers van 342 graden naar het noordwesten, en bijgevolg 162 graden naar het zuidoosten. Nu hoefde ik de geografie alleen nog maar te dwingen zich naar mijn vloerplanken te voegen.

Mijn overmoedige romantiek, een schuin oog op de kaart en een snelle rekensom brachten me in hogere sferen. Noordwestelijk moest het granieten, mistige Aberdeen liggen; bakermat van robuuste architectuur aan de Schotse kust. En de andere kant op? De ultieme hoofdprijs. De lijn leek zich in een rechte streep door de Alpen te boren om via de Adriatische Zee pardoes te eindigen op Ithaka, het mythische eiland van Odysseus; de plek die in de wereldliteratuur symbool staat voor het ultieme verlangen naar huis. Van Aberdeen naar Ithaka, dwars door mijn Arnhemse huiskamer. De titel van dit bericht borrelde al op in mijn bloghoofd.

Om deze geografische poëzie visueel te bezegelen, vroeg ik AI een overzichtskaart te genereren. Een simpele opdracht, zou je denken: trek een rechte lijn van 342 en 162 graden vanuit mijn locatie in Arnhem en toon de steden die zich aan hun uiteinden bevinden. Toen begon de chatbot te hallucineren. Hij raakte in een diepe, technologische identiteitscrisis. Hij wilde zó graag aan mijn romantische verlangen voldoen, dat hij de wetten van de cartografie ter plekke ophief. De computer stuurde me een kaart waarop Arnhem was herverkaveld en diep in Duitsland lag. Een andere variant toonde een lijn die met een lichte, elegante zwiep om Aberdeen heen boog om toch vooral Ithaka te kunnen raken. De computer probeerde een fysiek onmogelijke, kromme plank in mijn huiskamer te leggen, louter om het sprookje in stand te houden. Kunstmatige intelligentie, zo bleek, vertelt liever een sfeervolle leugen dan de nuchtere waarheid.

De realiteit leert ons dat de aarde hardnekkig rond is. Wie op een platte kaart een liniaal legt, vergeet dat een constante kompasas (de ‘loxodroom’ van mijn vloerplank) op een driedimensionale bol een heel eigen koers vaart. De computer verwarde mijn kompaslijn met een grootcirkel en boog de werkelijkheid om tot een geometrisch gedrocht. Toen de digitale stofwolken waren opgetrokken en de nuchtere natuurwetenschappelijke berekening werd hersteld, bleek Odysseus mijn huiskamer op meer dan een haar na te hebben gemist. Ithaka werd onbarmhartig van het bord gekegeld. Aberdeen bleek net een paar graden te ver naar links te liggen.

Dat feestje ging dus niet door. Maar wat ik ervoor terugkreeg, was de pure, onversneden waarheid. Geen computerillusies meer, maar geometrische zekerheid. Als het glas straks in de vloer ligt en het ledlicht aan gaat, wijzen de pijlen naar de absolute, territoriale uitersten van het Europese continent die mijn huis doorsnijden. Aan de zuidoostkant reist de blik onder een hoek van exact 162 graden langs Bonn, en rakelings langs de minirepubliek San Marino, om na exact 1.090 kilometer te eindigen in de historische Italiaanse havenstad Ancona aan de azuurblauwe Adriatische Zee; poort naar de klassieke oudheid.

Draai ik me om, dan schiet de blik onder 342 graden over de Veluwe, verlaat bij Den Helder de Nederlandse kust, klieft door de woeste Noordzee en komt na 915 kilometer pas weer aan land op de stormachtige, prehistorische Orkney-eilanden in het uiterste noorden van Schotland. Een mythische eilandengroep die eeuwenlang het brute zenuwcentrum vormde van een Noors Viking-graafschap; de plek van waaruit de drakenschepen hun strooptochten over de Britse eilanden coördineerden en waar de echo van het Oudnoords nog altijd door de kliffen jaagt.

Toegegeven, Ancona klinkt minder poëtisch dan Ithaka, maar het heeft de onwrikbare schoonheid van de feiten. Mijn huiskamer vormt de ware as tussen Schotse stormen en Italiaanse zon. Graveer ik dat straks met een gerust hart in het glas? Of zal ik me op de valreep toch een kleine, romantische afwijking van de rechte koers permitteren? Het is verleidelijk om bij de ene pijl ‘Vikingeiland’ te schrijven en bij de andere de naam van de ultieme bestemming uit menig epos; het synoniem voor de persoonlijke ontdekkingsreis. Geïnspireerd door het beroemde gedicht van Konstantínos Kaváfis, waarin de reis boven het doel1 gaat, blijkt de tweestrijd tussen de exacte geometrie en de lokroep van de mythologie, eerlijk gezegd, allang beslecht.

  1. Ithaka (1911) is het beroemdste gedicht van de Griekse dichter Konstantínos Kaváfis. Het is een ode aan het leven als reis. De boodschap is helder: het is niet het einddoel dat telt, maar de ervaringen en wijsheid die je onderweg opdoet. Hieronder vind je de klassieke en veelgeprezen Nederlandse vertaling van het gedicht door Hans Warren en Mario Molegraaf:

    Wanneer je op reis gaat naar Ithaka,
    wens dan dat de weg lang mag zijn,
    vol avonturen, vol ervaringen.
    Vrees de Laistrygonen en de Cyclopen,
    en de woedende Poseidon niet,
    zulke monsters zul je op je weg niet tegenkomen
    wanneer je gedachten hooggespannen zijn,
    wanneer een verfijnde emotie
    je geest en je lichaam beroert.
    De Laistrygonen en de Cyclopen,
    de woedende Poseidon zul je niet ontmoeten,
    als je ze niet meedraagt in je ziel,
    als je ziel ze niet voor je neerzet.

    Wens dat de weg lang mag zijn.
    Dat er vele zomerochtenden zullen zijn
    waarop je – met wat een vreugde, met wat een genot! –
    havens binnenvaart die je voor het eerst ziet;
    dat je mag stoppen bij Fenicische handelsposten,
    en mooie waren mag aanschaffen,
    parelmoer en koraal, barnsteen en ebbenhout,
    en allerlei verfijnde parfums,
    zoveel verfijnde parfums als je maar kunt krijgen;
    dat je vele steden in Egypte mag bezoeken,
    om te leren en te leren van de wijzen.

    Houd Ithaka altijd in gedachte.
    Daar aan te komen is je uiteindelijke bestemming.
    Maar overhaast de reis in geen geval.
    Laat hem liever vele jaren duren
    en arriveer pas als oude man op het eiland,
    rijk door alles wat je onderweg hebt verworven,
    zonder te verwachten dat Ithaka je rijkdom zal schenken.

    Ithaka heeft je de mooie reis gegeven.
    Zonder Ithaka was je niet vertrokken.
    Meer heeft het je niet te bieden.

    En vind je het armzalig, Ithaka heeft je niet bedrogen.
    Zo wijs geworden, met zoveel ervaring,
    zul je al begrepen hebben wat Ithaka’s beduiden.
    ↩︎
Hier nog even een voorbeeld van een overcompleet informatiebord, dat bovendien een iets te alternatieve waarheid toont; zoveel zustersteden blijkt het verlengde van mijn kamerplank niet te doorkruisen. Maar het idee voor een lichtgevend baken blijft overeind en komt er dus wel.

Op de koffie komen met een verre vriend

Een vloeibaar compromis tussen taal en therapie.

Het begon met een bericht dat ze in een vlaag van acute machteloosheid naar een verre vriend had gestuurd. Haar zoon leed aan een weigerachtige apathie die in Japan hikikomori wordt genoemd; het hardnekkig binnenskamers blijven, de wereld buiten de deur houden tot een hanteerbaar minimum. Alleen ging het hier niet om extreme opsluiting, maar om een moeizaam bevochten compromis; er bestond in Nederland immers leerplicht. Twee uur per dag moest hij proberen tussen andere kinderen te overleven. Twee schamele uren; een schijntje voor de onderwijsinspectie, een loodzware expeditie voor de dertienjarige.

En toen was daar die dinsdag. Een oudere jongen had gevraagd of hij kwam chillen. En of hij rookte. Een banale, alledaagse interactie, maar voor haar zoon de psychologische equivalent van een aardverschuiving. Prompt weigerde hij zijn woensdagafspraak na te komen. Er moest onderhandeld worden. Kon het niet een uurtje later, want de concentratie bleek nu weg. ‘Terwijl hij überhaupt maar TWEE UURTJES gaat!’ had ze getypt, de frustratie in kapitalen op haar scherm hamerend. ‘En ik heb er dus vrij voor moeten nemen. Terwijl er feitelijk NIETS aan de hand is!’

Uit machteloosheid op de Wiener Melange gedrukt. Misschien lag de oplossing in iets wat zij altijd voor wansmaak had versleten.

De verre vriend, die zich graag tooide met de titel van taalkundige, reageerde met de voor hem kenmerkende breedsprakigheid. Hij bezat de irritante neiging om alledaagse problemen te verheffen tot een existentieel toneelstuk, gezegend met een aplomb dat verdacht veel weg had van een zanger met sterallures die allang op z’n retour is (denk aan Herman van Veen); badend in zijn eigen metaforen en immer overtuigd van de helende werking van welgekozen, goed gearticuleerde woorden.

Hij stuurde geen troost, hij stuurde een etymologische beschouwing. Haar woede over de mislukte woensdag prevelde hij weg als een kwestie van perspectief. Haar zoon zag tegen alles op als een berg, had zij uitgelegd, maar de verre vriend sloeg die klein tot een bult. En een bult, zo dicteerde hij vanuit zijn ivoren toren, was slechts een minieme verheffing in het landschap die kon worden gladgestreken met een niet eens zo’n omslachtige aanpak. Een plan B zeg maar, waarbij de vraag overigens onbeantwoord bleef wat dat alternatief dan wel mocht inhouden.

Nu zat ze hier, in de steriele stilte van de wachtruimte. De onbeholpen beeldsprakerigheid bracht, althans wat de taal betreft, misschien toch een verbintenis teweeg. De bultmetafoor van de verre vriend en háár bergvergelijking doorbraken in elk geval een hoogteverschil in naam. Misschien kon ze haar zoon doen inzien dat hij inderdaad bergen van molshopen maakte en dat het die bult z’n eigen schuld was dat alles onoplosbaarder leek als gevolg van overdrijving; het gigantisch lijkende obstakel kon ook slinken als je het positief benaderde.

Even, uit een behoefte aan overzicht in deze beroerde situatie, verbeeldde ze zich dat het hele dilemma slechts een kwestie was van semantiek en dat ze momenteel meer had aan die verre veelprater dan aan heel het geschoolde therapeutendom dat zich nu op haar probleemkind stortte. Ze klapte het boek dicht dat ze in de wachtkamer zat te lezen, liep naar de koffiecorner en drukte voor het eerst van haar leven op ‘Wiener Melange’; een combinatie van toevoegingen en smaken die haar altijd pervers had geleken.

Het apparaat produceerde een laatste mechanische rochel en vulde het bekertje met een schuimende, drielagige substantie. Ze pakte het warme plastic beet en keek naar de troebele overgang van koffie, melk en cacao. Het was een onwaarschijnlijk brouwsel; een vloeibaar amalgaam waarin de smaakwerelden die ze altijd strikt gescheiden had gehouden, nu noodgedwongen in elkaar overliepen. Ze nam een voorzichtige eerste slok. De smaak was intens, vreemd en absoluut niet te vergelijken met de voorspelbare, bittere filterkoffie die ze normaal gesproken dronk om de tijd te doden. Het was zoet en tegelijkertijd krachtig. Het zette haar zintuigen direct op scherp.

Terwijl de warmte door haar keel zakte, besefte ze dat deze mengeling haar eigenlijk helemaal niet tegenstond. Integendeel. Het was alsof die verre veelprater met zijn bultmetafoor zojuist hoogstpersoonlijk door de cacao heen roerde en haar uitdaagde. Waarom had ze eigenlijk altijd zo braaf geloofd dat alleen de bittere, zwart-wit diagnoses van de deskundigen de juiste remedie waren? Als taal rekbaar was, en als smaken konden muteren, dan waren er misschien heel andere, onorthodoxe routes om haar zoon weer op de rails te krijgen.

Het theater van de knevelaars

Waarom de geconstrueerde leugen altijd struikelt over zijn eigen details.

Ik las dat Hans Croiset de ‘Blijvend Applaus Prijs’ heeft gekregen voor zijn complete oeuvre. Prachtig natuurlijk, maar bij het horen van die achternaam dwalen mijn gedachten steevast af naar Jules. Of beter gezegd, naar die ene, voor de hele familie zo pijnlijke vraag die er altijd aan voorafgaat: welke Croiset had die ontvoering door neonazi’s ook alweer in scène gezet? Het is een typisch geval van wat ik een ‘pleonasme/tautologie-verwarring’ noem; zo’n feitje dat je een paar keer in je leven opzoekt, om het vervolgens weer even vrolijk te vergeten omdat de kwestie je uiteindelijk toch te weinig interesseert.

Terwijl Quentin Tarantino in ‘Inglourious Basterds’ (2009) nazi’s liet merken om hun identiteit onuitwisbaar te maken, hanteerde Jules Croiset het mes in 1987 in spiegelbeeld; hij kerfde het hakenkruis in eigen vlees om een fictieve dadergroep tot leven te wekken. Een macaber staaltje theater dat de gendarmerie al snel als ‘too much information’ doorzag. Het is een even fascinerende als tragische les in opsporingspsychologie. De leugenaar struikelt zelden omdat hij te weinig vertelt, maar omdat hij de werkelijkheid dwingend wil dicteren. Hij overschreeuwt de waarheid met een overvloed aan details, onwetend dat diezelfde details zich als getuigen tegen hem zullen keren.

Het bleek dus om Jules te gaan, de jongere broer. Zijn naam – en die van de rest van de dynastie – raakte in 1987 voorgoed bezoedeld in Namen in België (what’s in a name?). Juist daar zou hij in een hinderlaag zijn gelokt. Hij werd er in een “grote, donkere auto” geduwd en door deze “knevelaars” (echt zo’n theatraal Jules Croiset-woord) onder het uiten van antisemitische dreigementen richting de Franse grens gevoerd.

De zeventigjarige carrière van de negentigjarige Hans interesseert me subiet geen snars meer. Ik wil weer even alles van deze kidnapping weten, of liever: van de “faux-ontvoering” zoals de Belgische gendarmerie het eufemistisch doopte, nadat zij de feitelijke onmogelijkheden van het scenario hadden blootgelegd. Jules wist de recherche in eerste instantie met veel details te voeden, maar hij hield geen rekening met de nuchterheid waarmee zij zijn fantastische scenario naast de logistieke realiteit van zijn Franse soloritje legden.

Hier loopt de geconstrueerde werkelijkheid steevast in de klassieke val: de absolute controle willen behouden door middel van details. Wie de waarheid spreekt, hoeft alleen maar te putten uit een rommelig, organisch geheugen vol gaten en vage herinneringen. Wie daarentegen een leugen fabriceert, voelt de dwingende noodzaak om de toehoorder preventief te overtuigen. Elke ruimte voor twijfel moet vooraf worden geëlimineerd; dus wordt het verhaal dichtgetimmerd met ankerpunten, citaten, logistieke feiten en emotionele inkleuring. Wat de fantast echter over het hoofd ziet, is dat elk verzonnen detail geen versterking van zijn vesting vormt, maar een nieuw feit dat zich pijnlijk leent voor controle. Juist hier openbaart zich de paradox van de overdaad: de leugen verdrinkt niet in een gebrek aan fantasie, maar in een fatale overvloed ervan. Het perfecte script geldt paradoxaal genoeg altijd als de eerste aanwijzing dat er geregisseerd wordt.

Kijken we met die psychologische bril naar Jules Croiset, dan zie je de acteur onwillekeurig de regieaanwijzingen dicteren. Een daadwerkelijk getraumatiseerd slachtoffer van een ontvoering herinnert zich na een bevrijding meestal slechts flarden; de textuur van een bekleding, een specifieke geur of het vage verstrijken van de tijd. Jules niet. Jules herinnerde zich een complete theaterproductie.

Hij wist de gendarmerie destijds haarscherp te vertellen hoe de antisemitische dialogen in die grote, donkere auto klonken, kon de politieke motieven van zijn knevelaars tot in detail fileren en schetste een motief dat zo naadloos paste bij de maatschappelijke storm rond het Fassbinder-toneelstuk, waarin hij een rol vertolkte, dat het wel móést kloppen. Elk personage in zijn auto sprak precies zoals de buitenwereld dacht dat een neonazi zou spreken. Het was dramaturgisch vlekkeloos.

Om dit huiveringwekkende relaas van de vermeende ‘fascistische dreiging’ van het ultieme bewijs te voorzien, ging Croiset in zijn zucht naar realisme zelfs over tot fysieke enscenering. Hij toonde de verbijsterde autoriteiten zijn ontblote borstkas, waarin de ontvoerders met een mes een hakenkruis zouden hebben gekerfd. Het was een even macabere als theatrale afleidingsmanoeuvre; een moreel schild dat kritische vragen kortstondig onmogelijk maakte. Wie twijfelt er immers aan een man die de littekens van de haat fysiek met zich meedraagt?

Precies op die schijnbare perfectie liep hij vast. Het bleek de ultieme overdaad in zijn paradoxale constructie. De rechercheurs in Namen lieten zich namelijk niet gijzelen door de enorme emotionele lading van dit antisemitische drama. Terwijl de publieke opinie in Nederland nog trilde op haar grondvesten, hielden de Belgen het hoofd koel; zij ruilden de morele verontwaardiging in voor de landkaart en de stopwatch. Toen zij de theoretische rijtijden naast de werkelijke chronologie legden, de getuigenverklaringen ter plekke controleerden – waar niemand een worsteling rond een grote auto had gezien – en de benzinetank van Croisets eigen wagen peilden, bleek de logistieke realiteit sterker dan het script. De acteur had simpelweg te veel kruisjes op de kaart gezet.

Toen de gendarmerie hem vervolgens confronteerde met de medische realiteit van het hakenkruis – dat qua hoek en diepte verdacht veel weghad van een zelftoegebrachte wond – en hem ook nog vroeg hoe hij zichzelf met een acrobatisch vernuft dat de gemiddelde boeienkoning jaloers zou maken had weten vast te binden in die Franse kelder, stortte het kaartenhuis in. Het spel was uit. De fantasie was te zwaar geworden voor de dunne ijslaag van de werkelijkheid. Jules bekende dat hij de autorit alleen had afgelegd, de brieven zelf had getypt en het mes in eigen hand had genomen.

In Inglourious Basterds dwingt Aldo Raine de nazi’s om hun ware aard voor altijd op hun voorhoofd te dragen; Jules Croiset kerfde het symbool daarentegen in zijn eigen borst om te veinzen dat hij door hen was belaagd. Dezelfde plastische handeling, maar met een volslagen omgekeerde psychologische dynamiek. Ik ga hier zo op door omdat ik stomtoevallig die film weer eens had opgezet, geheel onwetend dat ik de volgende dag, door de prijstoekenning aan Hans Croiset, aan de automutilatie van zijn broer zou worden herinnerd.

Lezersreactie:

Goed bezig Ronald. Als jij je eenmaal ergens in vastbijt…
(Gertrud Wiesenthal, Braunau am Inn)

Mijn reactie:

Jazeker, Gertrud. En ik zou iedereen die iets te verbergen heeft op neo-nazigebied willen meegeven: treed nooit te veel in detail. Dat is mijn parool aan de zelfverloochenaar: tuig geen complex, overgedetailleerd alternatief verhaal op om een dubieus verleden mee af te dekken. Verdruk de ware geschiedenis als je dat niet kunt laten, maar strooi geen overdaad aan zand in mijn ogen. Dat wekt de onderzoeksjournalist in mij acuut uit zijn tent. Bedenk wel, dat ik afstam van een verzetsman én krantenjongen; het opsporen van verzwegen geschiedenissen zit me in het bloed.
Dank voor je reactie, Gertrud. Hoe staat het met jouw eigen onderzoeken daar? Ben je nog iets nieuws op het spoor gekomen? We schrijven elkaar weer snel.

Niemand danst in zuiver daglicht

Breaking Bad is de ultieme parade van verborgen agenda’s.

Wanneer de fysieke uitputting van het klussen in mijn ‘nieuwe’ woning me te veel werd, bood de televisie de perfecte vluchtroute. Ik zeeg neer in mijn getrouwe binge-stoel en besloot Breaking Bad nogmaals in zijn geheel te consumeren. Vijf dagen; langer had ik niet nodig. Een prestatie die het midden houdt tussen bewonderenswaardige focus en acute schaamte over mijn gebrek aan doe-het-zelf-discipline.

Een ‘grappig’ contrast met de hoofdrolspelers is, dat de ‘Salamanca-Twins’ juist geen last hebben van een dubbelleven. Geen geheimen, geen dilemma’s: gewoon pure, onvervalste, en bloedstollende moordlustige toewijding. Hun agenda blijkt glashelder: dood en verderf zaaien. Zonder enige twijfel en met een angstaanjagende efficiëntie. Hun eendimensionale meedogenloosheid houdt welgeteld zeven afleveringen stand; daarna is het definitief gedaan met hun zwijgzame terreur. (Deze bewerkte ‘dik aangezette’ weergave van de broers door Luiz Henrique wordt afgedrukt met impliciete toestemming.)

Tijdens deze adembenemende herhaling schrok ik van mijn eerdere oppervlakkigheid. Wat had ik de eerste keer veel gemist; of was ik simpelweg vergeten hoe vernuftig deze Griekse tragedie in elkaar steekt? Het overkoepelende thema dat zich ditmaal onbarmhartig aan mij opdrong, was niet de drugshandel, maar het sinistere dubbelleven van praktisch elk hoofdpersonage. Niemand danst puur in het daglicht in deze serie.

Waarschuwing vooraf: Mocht je de afgelopen vijftien jaar onder een steen hebben geleefd en deze serie nog willen bekijken; hierna volgen monumentale spoilers. je bent gewaarschuwd.

Walter White:
In de buitenwereld kennen we hem als de sullige, ietwat meelijwekkende scheikundeleraar in een beige pantalon die worstelt met een terminale diagnose. Dat is de man die meelij opwekt. Achter die façade schuilt echter Heisenberg; een rücksichtloze, narcistische drugskoning die kickt op macht, manipulatie en puur gevaar. Waar hij aanvankelijk beweert de criminaliteit in te gaan voor het financiële welzijn van zijn gezin, blijkt zijn ware drijfveer vele malen donkerder: hij vindt het heerlijk om de almachtige schurk te zijn.

Skyler White:
Zij presenteert zich steevast als de bezorgde, moreel superieure huisvrouw en zwangere moeder die koste wat kost de schone schijn probeert op te houden. Haar verborgen realiteit is die van een uiterst kille, berekenende witwasser en strateeg. Zodra ze de omvang van Walts imperium doorgrondt, transformeert ze in een medeplichtige die koudbloedig adviseert over het monddood maken van getuigen; om over haar discrete buitenechtelijke escapade met haar baas nog maar te zwijgen.

Hank Schrader:
Voor zijn collega’s en familie is Hank de ultieme alfaman; de luidruchtige DEA-agent die flauwe grappen maakt over criminelen en absolute onkwetsbaarheid uitstraalt. In werkelijkheid is hij een doodsbange, kwetsbare man die kampt met zware paniekaanvallen en posttraumatische stress. Hank verbergt zijn psychologische breekbaarheid achter een dikke laag machismo en stort zich obsessief op de jacht naar Heisenberg om zijn eigen interne demonen te negeren.

Marie Schrader:
Marie ontmoeten we als de perfectionistische, ietwat bemoeizieke verpleegkundige die altijd klaarstaat met ongevraagd advies en een lichte obsessie voor de kleur paars. Haar schaduwzijde is die van een dwangmatige kleptomane en pathologische leugenaar. Wanneer de spanningen thuis ondragelijk worden, steelt ze dure spullen uit openhuizen en verzint ze complete alternatieve levens voor zichzelf om aan haar eigen benauwde realiteit te ontsnappen.

Gustavo Fring:
De stad kent hem als een gerespecteerde, filantropische ondernemer; de eigenaar van een succesvolle fastfoodketen en een gulle steunpilaar van de lokale gemeenschap. Achter die vriendelijke glimlach schuilt een ijskoude, angstaanjagend efficiënte drugslord met een onverzadigbare drang naar wraak. Gus is een sociopaat met twee gezichten wiens gehele imperium eigenlijk slechts een instrument is om de executie van zijn voormalige partner te wreken.

Saul Goodman:
Zijn publieke persona is dat van de flamboyante, ietwat komische ‘criminele’ advocaat die de wet buigt met glanzende reclamespots en goedkope praatjes. De man achter dit masker is een diep cynische, tragische opportunist die alle morele grenzen heeft weggedrukt. Onder de felle colberts schuilt Jimmy McGill; een man die zijn eigen trauma’s en schuldgevoelens over de dood van zijn broer overschreeuwt door volledig op te gaan in een moreel corrupt personage.

Mike Ehrmantraut:
Op het eerste gezicht is hij de norse, zwijgzame opa die liefdevol op de kleinkinderen past en overdag parkeertickets controleert bij de rechtbank. Zijn geheime leven is dat van een voormalige corrupte agent en een dodelijk efficiënte huurmoordenaar. Mike leeft in een strikt gecompartimenteerde realiteit waarin hij zijn gruwelijke werkzaamheden volledig loskoppelt van zijn rol als zorgzame grootvader.

En dan is er de grote uitzondering op de regel. Waar ieder ander personage een beschaafd masker opzet om een innerlijk monster of een diep gebrek te camoufleren, bewandelt Jesse Pinkman de omgekeerde weg.

Zijn publieke gezicht is dat van een luidruchtige, opstandige ‘wanna-be gangster’ die grossiert in straattaal, goedkope drugs en een schijnbaar totaal gebrek aan fatsoen. Maar zijn schaduwzijde herbergt een diep getraumatiseerde, empathische ziel met een verrassend zuiver moreel kompas.

Jesses geheim is niet dat hij slechter is dan hij zich voordoet; zijn geheim is dat hij juist inherent goed is. Hij is een beschadigde jongen die wanhopig zoekt naar goedkeuring en liefde, maar gevangen raakt in een web van sociopaten. Zijn verborgen kant is een diepe kwetsbaarheid en een oprecht beschermend instinct voor de zwaksten in de samenleving, met name verwaarloosde kinderen. Waar Walter White transformeert van mens naar monster, blijft Jesse tegen de klippen op zijn menselijkheid bevechten. Dat maakt hem niet alleen het meest tragische personage van de serie, maar ook het eigenlijke morele anker.

Het mechanisme achter al deze dubbellevens is overigens fascinerend. In de psychologie spreekt men van cognitieve dissonantie wanneer iemands daden niet stroken met zijn zelfbeeld. Om die spanning te overleven, splitsen deze personages hun persoonlijkheid op. Het is een wetenschappelijk verklaarbaar overlevingsmechanisme; al is de uitwerking in dit geval destructief.

Al met al een geruststellende gedachte terwijl ik na mijn binge-sessies naar mijn eigen onaffe muren stond te kijken: mijn huis mocht dan een puinhoop zijn, ik heb tenminste geen miljoenen aan drugsgeld in de kruipruimte liggen. Althans; dat houd ik mijn buren voorlopig voor.

Een weekend vol lawaai

Decibel-debielen en een rappende fascist, maar nee, ik zal niet schelden; alleen een beetje muggenziften.

Afgelopen weekend leek Arnhem het toneel van een merkwaardige wedstrijd: welke geluidsbron wist het verst de persoonlijke levenssfeer van anderen binnen te dringen? Aan de ene kant was er het Free Your Mind Festival op de Stadsblokken. Aan de andere kant trad Ye – beter bekend als Kanye West – op in het Gelredome. Over de controverses rond deze artiest, zijn publieke uitspraken en zijn plaats in het hedendaagse culturele landschap valt veel te zeggen. Misschien kom ik daar een andere keer op terug. Voor nu beperk ik mij tot iets veel concreters: de herrie.

De Volkskrant sprak bewonderend over een ‘oorverdovende synthbas’ en een ‘draaikolk van basfrequenties’. Opmerkelijk hoe geluidsoverlast van toon verandert zodra een zogenaamde kunstkenner ervoor applaudisseert. Voor de muziekrecensent zijn trillende neusvleugels en een allesverzengende geluidsmuur tekenen van artistieke grootsheid. Voor de omwonende zijn het vooral redenen om naar de klok te kijken. Wat de één ervaart als een kosmische muziekbeleving, beschrijft de ander als acht uur lang ongevraagde dreunen. Opmerkelijk genoeg heeft vooral de eerste ervaring een eigen vocabulaire ontwikkeld: ‘spectaculair’, ‘krankzinnig’, ‘overweldigend’. De tweede heet simpelweg klagen.

Op de Stadsblokken dreunde urenlang EDM1 over de uiterwaarden. Wie van die muziek houdt, zal dat ongetwijfeld als een feest hebben ervaren. Maar voor duizenden anderen betekende het iets anders: een dag lang onvrijwillig meeluisteren. Lage bastonen houden zich immers niet aan gemeentegrenzen of persoonlijke voorkeuren. Ze trekken zich weinig aan van gesloten ramen, slaapkamers of de wens om een rustige zaterdagavond door te brengen.

Merkwaardig genoeg wordt dergelijke overlast tegenwoordig bijna automatisch gelegitimeerd. Zodra een festival eenmaal populariteit geniet, muteert de overlast in een ‘nobele bijdrage’ aan de levendigheid van de stad; een herrie die omwonenden maar te slikken hebben. Wie klaagt, krijgt al snel het verwijt dat hij niet met zijn tijd meegaat, zuur is geworden of jongeren hun plezier niet gunt.

Maar waarom eigenlijk? Waarom geldt de behoefte van duizenden festivalbezoekers aan luid amusement als een zwaarder belang dan de behoefte van bewoners aan rust in hun eigen huis? Die vraag wordt opmerkelijk zelden gesteld.

Natuurlijk is een stad geen bibliotheek. Samenleven betekent dat mensen elkaar soms tot last zijn. Dat geldt voor verkeer, bouwprojecten, sportevenementen en festivals. Volledige stilte kan niemand claimen. Toch lijkt er de laatste jaren een verschuiving te hebben plaatsgevonden. Waar vroeger werd geprobeerd om overlast zoveel mogelijk te beperken, lijkt tegenwoordig vooral gezocht te worden naar manieren om haar te rechtvaardigen.

Neem de eindtijd van middernacht. Die wordt vaak gepresenteerd als een genereuze concessie aan omwonenden. Alsof burgers dankbaar zouden moeten zijn dat de muziek niet nog langer doorgaat. Maar tegen die tijd hebben velen al acht uur onafgebroken basdreunen moeten verdragen. De vraag is dan niet of het om twaalf uur stopt, maar waarom zulke intensieve geluidsoverlast überhaupt als normaal wordt beschouwd.

Afgelopen weekend bleek die eindtijd bovendien niet eens het werkelijke einde. Na de muziek volgde vuurwerk. Waarom precies, blijft een raadsel. Alsof de boodschap moest zijn dat de stilte vooral niet te vroeg mocht terugkeren. Daarna ging het feest op sommige plekken informeel verder. Het officiële einde bleek in de praktijk vooral een administratief begrip.

Wat mij misschien nog het meest fascineert, is de culturele verandering die hierachter schuilgaat. Veel mensen hebben hun oordeel over populaire cultuur grotendeels opgeschort. Niet omdat ze alles werkelijk waarderen, maar omdat ze bang zijn om als ouderwets of elitair te worden weggezet. Het idee dat men onderscheid mag maken tussen verschillende vormen van cultuur lijkt verdacht te zijn geworden.

Daardoor ontstaat een merkwaardige situatie. Iedereen heeft voorkeuren, maar bijna niemand durft ze te verdedigen. Men spreekt liever over smaak alsof alle smaken noodzakelijkerwijs gelijkwaardig zijn. Wie kritiek heeft op een muziekstijl, een festivalcultuur of een bepaalde vorm van massavermaak, wordt al snel beschuldigd van arrogantie.

Maar cultuurkritiek is niet hetzelfde als minachting voor mensen. Je kunt erkennen dat duizenden bezoekers oprecht genieten van een dancefestival en tegelijkertijd constateren dat een samenleving die steeds meer lawaai produceert misschien ook iets verliest. Rust bijvoorbeeld. Concentratie. Reflectie. Het vermogen om niet voortdurend geprikkeld te worden.

“Brood en spelen” was ooit een politieke strategie om de bevolking tevreden te houden. De moderne variant lijkt vooral uit steeds luidere en steeds grotere evenementen te bestaan. Alsof iedere leegte onmiddellijk moet worden opgevuld met geluid, licht, spektakel en afleiding.

Misschien blijft dit uiteindelijk de vraag die mij bezighoudt. Niet waarom mensen naar festivals gaan; zij zoeken ontspanning, een volstrekt legitiem streven. De werkelijke kwestie draait om de vraag waarom ontspanning zo vaak alleen nog denkbaar lijkt in de vorm van maximale prikkeling. Waarom stilte steeds verder transformeert tot een zeldzaamheid, terwijl lawaai aan terrein wint.

En waarom degene die rust zoekt zich steeds vaker moet verantwoorden, terwijl degene die haar verstoort dat nauwelijks hoeft te doen.

  1. EDM, oftewel Electronic Dance Music. Als het specifiek gaat over de subcultuur van nachtenlang doorhalen in duistere loodsen of op massale weides, spreken we simpelweg van ravemuziek of dancemuziek. Binnen die gigantische vergaarbak hangt het er maar net vanaf hoe hard die bas precies beukt en hoe snel die beats per minuut (BPM) elkaar opvolgen. De geschiedenis heeft de neiging om deze geluiden op te knippen in nogal specifieke smaken: House, Techno, Trance, Hardcore/Gabber, vraag me niet wat het precies was wat ik twee avonden moest aanhoren. ↩︎

Haar “tja” werd een plotseling “ja”

Het faillissement van de platonische vrede; een vriendschap van jaren gereduceerd tot louter voorspel.

Zijn seksuele toespelingen hadden tot dan toe steevast een spottend ‘tja’ op haar lippen getoverd, alsof ze de precieze hoeveelheid enthousiasme probeerde te doseren die nodig was om de vriendschappelijke vrede te bewaren zonder valse hoop te wekken. En toch maakten zijn erotische hints meer bij haar los dan ze liet merken; haar lichaamstaal legde een onwillekeurig protest bloot dat haar eenlettergrepige schamperheid direct tegensprak. Het schreeuwde om een vluchtroute, hoe smalend ze ook bleef glimlachen. Het bracht een nerveuze spanning teweeg die, gemeten naar de graad van cognitieve dissonantie, ook begrepen kon worden als een wanhopige poging om de uiterlijke schijn van onbewogenheid te redden.

Heel haar biologie stak de draak met die gecultiveerde gereserveerdheid. De kuiltjes tussen haar sleutelbeenderen verraadden een plotselinge, oppervlakkige ademhaling en het ritmische kloppen in haar hals hield gelijke tred met zijn herhaalde insinuaties. Terwijl haar verstand nog zocht naar een intellectuele vluchtroute, verwijdden haar pupillen zich onwillekeurig en oncontroleerbaar; een gitzwarte bekentenis die haar honende lachje rücksichtslos tegensprak. Haar vingers zochten nerveus de rand van haar glas, alsof ze zich ergens aan moest vasthouden om niet toe te geven aan de hitte die zichtbaar via haar decolleté omhoog kroop.

Hij zweeg even en liet de stilte tussen hen vallen als een vergeefse adempauze. Het was fascinerend om te zien hoe haar gecultiveerde fatsoen vocht tegen de realiteit van haar eigen huid; een ongelijke strijd die ze eigenlijk al had verloren.
“Je ‘tja’ klinkt heel verstandig,” zei hij, terwijl hij zijn blik traag van haar lippen naar het ritmische kloppen in haar nek verschoof; “maar je lichaam spreekt een heel andere taal.”
Ze wilde antwoorden, dat zag hij aan de lichte trilling van haar onderlip, maar de woorden bleven steken in een ademteug die net iets te lang duurde. De spottend-amicale vrede waar ze zo angstvallig aan vasthield, was flinterdun geworden.

Haar krampachtige grip op het glas bood de uitnodiging waar hij op had gewacht. Hij reikte over de tafel en legde zijn hand vlak naast de hare; niet om haar aan te raken, maar om de warmte te voelen die inmiddels van haar hele lijf af straalde. Ze trok haar hand niet weg. Haar ademhaling stokte even; een minieme hapering in haar verdediging die de spanning in de kamer deed zinderen.
“Als je echt wilt vluchten,” fluisterde hij, terwijl hij de afstand tussen hun gezichten net genoeg verkleinde om de geur van haar parfum vermengd met de opgelaaiende blos van haar wangen zo intens mogelijk te ervaren, “moet je nu opstaan.”

Ze bleef zitten. De seconden tikten weg met een lome, zware traagheid, maar de verwachte opstand bleef uit; haar benen weigerden simpelweg de orders van haar gekrenkte geestvermogen op te volgen. In plaats daarvan liet ze haar hoofd een fractie achteroverhellen, een micro-beweging waarmee ze haar hals nog verder ontblootte, alsof ze zich onbewust schikte in de onvermijdelijkheid van het gebeuren.
“Ik sta niet op,” fluisterde ze, en hoewel haar stem probeerde te klinken als een nuchtere vaststelling, verraadde de hese ademloosheid eronder de totale overgave.

Ze liet de rand van het glas los en gleed met een langzame, bijna tastende beweging over het tafelblad, tot haar nagels de zijkant van zijn duim raakten. Die eerste, minimale aanraking stuurde een schokgolf door haar autonomie; hij zag de rilling over haar schouders lopen terwijl de huid op haar armen zich samentrok in een vlaag van kippenvel. Nu bloosde ze overal. Haar verstand had de strijd gestaakt. Wat overbleef was de pure, ongecensureerde reactie van een lichaam dat veel te lang had moeten hongeren naar wat hij haar zojuist met een paar gewaagde toespelingen had voorgespiegeld.

Hij draaide zijn palm en sloot zijn vingers om de hare; haar huid was heet en vochtig van de nerveuze opwinding die ze, met haar blik strak in de zijne gevangen, niet meer probeerde te ontkennen. De vriendschappelijke vrede werd definitief verscheurd. Voorzichtige verstrengelingen vormden een te mager compromis voor de spanning die het liefdesspel inmiddels dicteerde. Hij liet haar los en bracht zijn hand omhoog, traag genoeg om haar de kans te geven om alsnog terug te deinzen. Ze verzette zich niet. Zijn tastzin vond de zijkant van haar hals, waar de slagader nog altijd als een bezetene tekeerging.

Toen gleed zijn hand onherroepelijk omlaag. Via de glooiing van haar boezem, die heftig meeboog op haar ademhaling, dreef de gloed van haar huid hem naar de bovenrand van het verborgene; en ten slotte daaronder, naar de verboden contouren van haar borst die onder de dunne stof van haar kleding uitnodigend aanvoelde. Een smekende, hese zucht ontsnapte aan haar lippen toen zijn pink haar tepel vond, die zich onder de hernieuwde druk onmiddellijk hard en rebels aftekende. Hij had haar fatsoen niet alleen monddood gemaakt, het was fysiek gecapituleerd.

Terwijl hij bezitnam van dit herwonnen territorium, registreerde een overgebleven, cynisch deel van zijn brein de absolute roekeloosheid van deze transactie. Hij vond het fascinerend hoe de calculus van de begeerte werkte; hoe hij in het belang van deze prachtige, vleselijke samensmelting bereid was om de zorgvuldig opgebouwde houdbaarheid van een jarenlange vriendschap op het spel te zetten. Rationeel gezien vormde dit een inferieure deal; een emotioneel faillissement dat op de lange termijn onherroepelijk zijn tol zou eisen. Maar nu wogen de herinneringen aan hun veilige, platonische routine van de afgelopen jaren op geen enkele manier op tegen de tastbare realiteit van het moment. Hij reduceerde hun complete geschiedenis met terugwerkende kracht tot louter voorspel; en het angstaanjagende was dat de wetenschap dat hij alles op het spel zette, de naderende extase een bijna transcendente lading gaf.

Het limbische systeem kende geen geschiedenis. Het trok zich al helemaal niets aan van toekomstige nostalgie. De herinneringen aan hun gedeelde lachsalvo’s, de diepe gesprekken tijdens nachtelijke autoritten en de veilige platonische routine van de afgelopen jaren wogen niet op tegen de zwaartekracht van haar blik, de aanraking van haar hele wezen en vooral ook de overgave aan haar altijd zo zorgvuldig verborgen genotsvocht en lichaamsgeur. De potentiële ravage die hij aanrichtte deed hem op geen enkele manier aarzelen. Integendeel; het besef dat zij met één verkeerde beweging een onomkeerbaar ravijn in zouden storten, gaf de naderende climax de status van een onvermijdelijke wetmatigheid; alsof de val de enige logische bestemming van de klim was geweest, een absolute noodzaak die geen uitstel meer duldde; een grandioze afronding, als het laatste, allesonthullende hoofdstuk van een bloedstollend verhaal.

Je las een fragment uit deel 2 van de autobiografie ‘Predestamped: From Publisher to Window Dresser’, een uitgave van Ronald van Noorden bij eenmansuitgeverij Cum Suis.

Lezersreacties:

Prachtig ‘zinsgebouw’, maar anatomisch gezien betwijfel ik of een blos zo snel van het decolleté naar de oren stijgt zonder hyperventilatie.
Alphons_m

Danst het koppel inmiddels de cha-cha of heeft hij toch te hard op haar teentjes getrapt?
Guus, Oosterbeek

Er gaat geen groot erotisch schrijver aan jou verloren.
Horlepiep#Fan

Van platonisch naar plat en nooit meer terug naar de beschaving.
Truus_V&D

Erg opwindend maar niet heus. Dit blogbericht werkt vooral goed op m’n slappe lachspieren.
Walter, Maassluis

Willem Frederik Hermans schreef ooit: ‘Erotiek is de triomf van de mislukking.’ Dit stuk is daar het levende, ietwat oververhitte bewijs van.
Gerard, Zutphen

Man man man, wat een theoretisch gedoe om een vrouw aan te raken. Tegen de tijd dat jij haar decolleté hebt geanalyseerd via de wetten van de thermodynamica, heeft ze haar jas alweer aan.
Zandloper77

Dit ruikt naar een klassiek gevalletje projectie van de auteur. Als ze echt zo’n nerveuze spanning had, was ze allang naar het toilet gevlucht om haar vriendinnen te appen dat ze met een psychopaat aan tafel zat.
Henk (Arnhem)

Hiep hoi! Eindelijk actie op die website van je. Volgende keer graag wat minder Latijnse termen en wat meer concrete handelingen. Ging die rits nog open of hoe zat dat?
SjaakBalletje

Ik vond het heel romantisch. Die frictie tussen verstand en gevoel is zo herkenbaar.
Annelies (Velp)

Te veel tekst voor een mislukte versierpoging.
Kees013

Paul kwakelt hooghartige shit

Over de logica van de betweter, de wetten van de steekproef en waarom ‘iedereen’ het mis heeft.

M: Ken jij het ezelsbruggetje: Piet koopt hoge schoenen?

R: De beginletters verwijzen naar de grachten van Amsterdam, is het niet? Ben je dingen voor jezelf op een rijtje aan het zetten?

M: Nee. Iemand zei dat iedereen in Nederland dit kent, maar ik kende het niet. Dus nu doe ik een klein onderzoekje.

R: ‘Iedereen’ is een onhoudbare generalisatie in vrijwel elke bewering. Als je dat woord op die manier gebruikt, krijgt het direct iets denigrerends. Het wordt, volgens mij, vooral gebezigd door iemand met een beperkte kennis, die het weinige dat hij weet zo maximaal mogelijk wil uitbuiten om status te claimen.

M: Kan het ook gewoon zijn dat diegene er oprecht van overtuigd was dat dit tot de algemene kennis behoort? Misschien is dat ook zo en ben ik de enige die dit gemist heeft.

R: Als die persoon daarvan uitgaat, is hij onvoldoende doordrongen van de statistische werkelijkheid. Het woord ‘iedereen’ wordt hier misbruikt als retorische stijlfiguur. Trap er niet in; hij past een semantisch trucje toe om autoriteit te veinzen. Met dit persoonlijke onderzoekje buig je voor zijn imponeringsgedrag. Zo wek je de indruk dat het zinvol is om ongefundeerde claims te poneren. Ik zou de bewering simpelweg als deductief onjuist kwalificeren en er verder geen intellectuele energie aan verspillen.

M: Het staat nu 3-1. Mijn moeder en een vriendin kenden het ezelsbruggetje ook direct.

R: Wat de eindstand van je steekproef ook wordt, de omvang ervan is irrelevant. Je hebt de universele claim allang gefalsifieerd. Jouw uitzonderingspositie vormt het zwarte schaap dat de stelling dat ‘alle zwanen wit zijn’ eigenhandig slacht. Die ene stem van jou zegt logisch gezien genoeg. Wat ik je op het hart wil drukken is: vind jezelf belangrijk genoeg om de onhoudbaarheid van andermans borrelpraat in te zien, zonder dat je daar eerst een heel databestand voor aanlegt.

M: Wat maak jij er een gigantische big deal van! Ik vraag gewoon wat rond, ik ben geen wetenschappelijk onderzoek aan het optuigen. Ik was gewoon onzeker of ik een gat in mijn opvoeding had. Waarom moet alles bij jou altijd meteen veranderen in een intellectuele loopgravenoorlog?

R: Mag ik je vragen of er toevallig een man achter deze absolute stelling zat?

M: Het was Paul.

R: Ah. Paul laat weer eens van zich horen. Als ik het niet dacht.

M: Pfffff. Wat doet de persoon er nou toe? Waarom sleep je dat er in hemelsnaam bij?

R: Omdat de afzender in dit geval de hele lading dekt.

M: Begrijp je dat ik dit een enorm negatieve en vermoeiende benadering vind?

R: Niet echt, want ik neem het hier voor je op. Jij plooit je naar de arrogantie van iemand die zomaar wat roept. Je had, vind ik, wat geëmancipeerder en autonomer kunnen reageren op zijn stelligheid.

M: Dit heeft werkelijk ab-so-luut niets met emancipatie te maken! Ik vroeg me gewoon iets af en jij kaapt mijn onschuldige nieuwsgierigheid om je eigen vete met Paul uit te vechten. Je neemt het helemaal niet voor me op. Je vindt het maar niks hoe ik hiermee omga. Je kleineert me waar ik bij sta.

R: Paul gedraagt zich als het ultieme schoolvoorbeeld van een mansplainer.

M: En ondertussen wil jij mij even haarfijn uitleggen hoe ik had moeten reageren en wat ik moet voelen. Wie is hier nu eigenlijk de mansplainer?

R: Dit is geen uitleggen, ik formuleer slechts een wens over hoe je je eigen autonomie kunt beschermen. Bovendien doe ik dat zonder enig gevoel van patriarchale of intellectuele superioriteit. Daarnaast pas ik simpelweg wat elementaire logica toe: als jij – en jij alleen, te midden van duizend anderen – nog nooit van het ezelsbruggetje hebt gehoord, maakt dat de stelling dat ‘iedereen’ het kent logisch onhoudbaar. Dat is geen mening, dat is een feit.

M: Nu doe je het wéér! Je verpakt je betweterigheid in een theoretische mal om je gelijk te halen!

R: Ik geef juist aan dat jouw individuele stem afdoende is; dat jij het als persoon meer dan waard bent om die claim direct te verwerpen, wat jou in feite superieur maakt aan de waardeloze stellingnemer. Ik hoop simpelweg dat mensen die mij lief zijn niet buigen voor iemand die ten onrechte stellig is.

M: Zoals jij nu doet bedoel je?

R: Als ik me ten onrechte stellig uitlaat over een falsifieerbare zaak, hoop ik net zozeer dat mensen mij met argumenten corrigeren. Maar in dit specifieke geval stel ik louter vast dat iemand een onhoudbare stelling lanceert. En roep ik jou op, als vriend, om die onzin met gepast disrespect te behandelen.

M: Jouw hele reactie is volkomen misplaatst. Waarom moet je altijd zo rücksichtslos arrogant en drammerig zijn als je denkt dat je de logica aan je zijde hebt? Ik vind het zo ontzettend onnodig en kwetsend.

R: Dat is jouw perceptie, en die staat je vrij. Arrogantie en drammerigheid zijn echter psychologische kwalificaties; iets wezenlijk anders dan analytische stelligheid, waaraan ik me in deze niet schuldig maak. Je vindt me een arrogante zak. Dat kan. Dat aanvaard ik als de prijs voor de waarheid.

M: Je bent er zo heilig van overtuigd dat je de waarheid in pacht hebt. Dat is exact dezelfde stelligheid waar je Paul van beschuldigt.

R: Dat jij dat zo ervaart, maakt het onaanvechtbaar; een subjectief gevoel onttrekt zich immers per definitie aan de logica. Maar epistemologische stelligheid en psychologische zelfovertuiging zijn twee volstrekt verschillende grootheden.

M: Wat een schitterend theoretisch rookgordijn. Dus omdat jij Pauls uitspraak epistemologisch noemt, en die van jou niet, is jouw betweterigheid heilig?

R: Nou heilig; in ieder geval van kritiek ontheven. Stelligheid is een eigenschap van de gedane bewering; zelfovertuiging is een karaktertrek van de persoon. Waar die eerste vorm van overtuigingskracht expliciet uitdaagt tot inhoudelijk verzet en tegenargumenten, blijft de tweede variant volstrekt immuun voor de rede. Stelligheid kun je direct aanvechten door feitelijk aan te tonen dat de claim onterecht is. Zelfovertuiging biedt die opening niet; die laat zich door geen enkel rationeel argument bestrijden. Kortom: stelligheid is falsifieerbaar, zelfovertuiging is hooguit laakbaar. Jij falsifieerde Pauls stelling met één adequate, goudeerlijke reactie. Het enige wat ik wilde aangeven, was: dat volstond, daar had je het bij kunnen laten. Niet dat ik je daartoe kon verplichten, dat zou immers pas echt autoritair en arrogant zijn. Maar omwille van de intellectuele hygiëne richting de vertolker van het misplaatste aplomb, had ik het simpelweg wenselijk gevonden.

M: Prachtig geformuleerd hoor. Maar onderaan de streep zit ik hier met een vriend die zich gedraagt als een arrogante zak, puur omdat hij me wilde beschermen tegen Paul. Het is fascinerend: jij kunt het op zo’n manier voor me opnemen dat ik je na afloop een enorme lul vind. Schiet mij maar lek.

Wat meer naar achteren

Het gat dat Esther slaat, vul je niet zomaar met een nieuw gezicht.

Iedere keer als er een leider weggaat in een partij controleer ik welke functieterm men hanteert voor de vacant geworden baan. Esther Ouwehand stapt op als ‘fractieleider’ maar in krantenkoppen staat ook vaak ‘fractievoorzitter’. Christine Teunissen neemt per direct de dagelijkse aanvoering en het handwerk binnen de Tweede Kamer over, dus die functie is vergeven. Ja, fractieleider (media-term) en fractievoorzitter (officiële term) mag je door elkaar gebruiken. De genoemde werknemer stuurt de club aan die daadwerkelijk in de Tweede Kamer zit. Het is een fulltimebaan die zich puur afspeelt binnen de muren van het parlement, waarbij men voorgaat in het voeren van debatten, wetsvoorstellen indient en dagelijkse Haagse politiek bedrijft.

Misschien ben ik niet geschikt om voor een representatieve, louter rationele stemmer door te gaan. Hoewel ik viel voor haar glasheldere idealen en de eloquente wijze waarop ze die etaleerde, speelde er een zwaktebod mee: een vorm van vooringenomenheid die ik liever voor mezelf houd. Charisma is een fenomeen dat je nooit slechts rationeel kunt verklaren. Laten we zeggen dat de politieke arena er met haar vertrek als partijboegbeeld een stuk minder elegant op wordt. Maar gelukkig blijft ze wel in de Kamer.

Esther is nooit partijvoorzitter geweest; degene die sinds 25 maart 2024 deze interne, bestuurlijke functie bekleedt heet Zwanny Naber. Zij volgde destijds Michiel Knol op, die de rol tijdelijk ad interim had waargenomen na het nogal tumultueuze vertrek van de daarvoor zittende voorzitter, Ruud van der Velden. Het partijvoorzitterschap behelst de minst zichtbare, maar organisatorisch wel heel belangrijke rol van interne verenigingsbaas. Deze persoon zit niet in de Tweede Kamer en bedrijft geen actuele politiek. De partijvoorzitter leidt de vereniging achter de schermen: de financiën, het organiseren van congressen, het selecteren van kandidaat-Kamerleden en het sussen van interne ruzies. Alleen al dat laatste zou bij de PvdD een hele enerverende taak worden.

Tot nu toe alles helder. Maar naast de manager van de kamerleden en de interne verenigingschef blijkt er ook nog behoefte aan een landelijk boegbeeld dat luistert naar de term ‘politiek leider’ (officieel) of ‘partijleider’ (media-term). Dit is het gezicht op de verkiezingsposter. De persoon die de ideologische koers uitzet, de grote interviews geeft en de partij vertegenwoordigt naar de hele samenleving. Vaak bezet de politiek leider ook stoel 1 (zoals Ouwehand deed), maar dat hoeft niet. Wat Esther Ouwehand betreft, kan ik melden dat zij naast de functie van fractievoorzitter de rol van partijleider heeft neergelegd zonder meteen een vervanger te noemen; de partij is vanaf nu dus officieel op zoek naar een nieuw nationaal uithangbord. (De twee kranten die ik lees waren hier gisteren niet echt duidelijk over. Vandaag ook niet, zo te zien.)

Ik denk dat Esther een gat laat vallen. Dat doet ze ongewild; ze heeft nog nooit een kuil gegraven voor een ander. Dit in tegenstelling tot andere partijgenoten die dat foute schopje wel hanteerden. Ik durf te beweren dat partijleider Ouwehand ook een gat zou laten vallen als er voor deze functie wel meteen een nieuwe kandidaat was aangesteld. Wat ik met zoveel woorden wil beweren, is dat Esther Ouwehand mij onvervangbaar lijkt. Althans voorlopig.

Gerekend vanaf het moment dat ze in oktober 2019 het fractievoorzitterschap overnam van Marianne Thieme, kon je bij landelijke verkiezingen drie keer op haar stemmen in de drievoudige hoedanigheid van lijsttrekker, politiek leider en fractieleider. Dat heb ik ook gedaan. 2021 was haar vuurdoop. Omdat ik al iets van haar had gezien in haar rol van kamerlid, gaf ik haar toen niet zomaar het voordeel van de twijfel. In 2023, na de val van het kabinet-Rutte IV, had zij zich zodanig gemanifesteerd dat ze mijn electorale steun nog overtuigender verdiende. Bij de meest recente Tweede Kamerverkiezingen van 2025 was ik een onverholen en van elke bedenking gevrijwaarde fan.

Ze heeft nu een beslissing genomen die haar geschiktheid voor het leiderschap in de politiek alleen maar onderstreept: ze doet een stap terug maar blijft wel zitten als kamerlid. Eén van de redenen formuleert ze in een interview in de Volkskrant zo: ‘[…] anders blijf je afhankelijk van dat ene bekende gezicht en dat is niet gezond.’ Daaruit spreekt een verlichte leider die wat mij betreft nog wel even aan had mogen blijven.

Maar misschien ben ik niet geschikt om voor een gemiddelde, objectieve stemmer door te kunnen gaan. Natuurlijk hadden haar heldere ideeën en verbale souplesse mijn voorkeur; het zou echter oneerlijk zijn om te ontkennen dat er ook een ander soort bekoring in het spel was. Een vorm van zwakheid waar je als veertien jaar oudere man bij de koffieautomaat discreet over zwijgt, maar die de gang naar de stembus wel een extra glans gaf.

Lezersreactie:
Ronald, je hoeft je sapioseksualiteit hier echt niet zo omfloerst op te kroppen hoor. We snappen allemaal dat je wild wordt van een goed geredigeerd amendement. Maar wees gerust: ze blijft gewoon in de Kamer zitten, dus je kunt je intellectuele libido de komende jaren blijven laven aan haar optredens bij de interruptiemicrofoon. Neem tussendoor een koude douche.
@Ouwe_Snor_67

Lezersreactie:
Na een wat saaie opsomming op het einde toch nog een lyrische biecht. Ik vrees dat ze jouw veertien jaar oudere hartslag nog naar gevaarlijke hoogten zal jagen als hoogst irritant kamerlid.
Ben, Endegeest

Lezersreactie:
Typisch weer een buitenstaander die de dynamiek binnen onze vereniging niet snapt. Alsof het partijvoorzitterschap van Zwanny Naber gereduceerd kan worden tot het ‘sussen van ruzies’. Bestuurlijke vernieuwing en de ecocentrische koersbewaking vergen visie! Dat jij Esther vooral ‘elegant’ vond, zegt meer over jouw oppervlakkige, antropocentrische blik dan over de electorale realiteit. Lees eerst ons partijprogramma eens fatsoenlijk.
@Groen_Kikker_91

Lezersreactie:
Ouwehand stapt natuurlijk niet zomaar op ‘omdat een bekend gezicht ongezond is’. Dat is pure spindoctoring voor de bühne. Er broeit allang weer wat op het partijbureau. En dat Teunissen de boel nu overneemt? Interim-management voor gevorderden. Over drie maanden praten we wel weer verder als de evaluatie van de lijsttrekkersprocedure online lekt.
Truus_van_Rijn, Wijnjerade

Lezersreactie:
Nou, ik vond Esther altijd veel te schreeuwerig. Altijd maar over die bio-industrie terwijl de gewone man de boodschappen niet meer kan betalen. En dat jij dan op haar stemt omdat ze zo ‘eloquent’ praat… trap er nou niet in! Het zijn allemaal zakkenvullers daar in Den Haag, of ze nou ‘fractieleider’ of ‘partijleider’ op hun visitekaartje hebben staan. Ze plukken ons allemaal kaal. Maar ja, smaken verschillen blijkbaar.
@KritischeKlaasvaak

Lezersreactie:
Het gat van Esther vul je niet zomaar met een blotebillengezicht!
Karel, Terneuzen