Locatie: een hiphopkelder van een middelgrote stad in de provincie. Je zou de avond saai noch inspirerend kunnen noemen. De optredens waren, tot dan toe, tamelijk voorspelbaar. Terwijl de tent toch ‘Home of the Brave’ werd genoemd. Die naam was trouwens ook niet origineel.
Toen ontstond er plotseling commotie. Een man van rond de zestig had het podium betreden. Dit kon best de volgende act zijn. Of een vader die zijn kind zocht. Een gezagsdrager misschien, die iets gewichtigs had te melden? Hij droeg een politiepet, maar dan zo één die ook voor style item kon doorgaan.
Hij zei op zoek te zijn naar een weggelopen hond en wilde een oproep plaatsen. Iemand moest van deze wending in het programma op de hoogte zijn, want op zijn aangeven werd op de achtergrond een begeleidingsband gestart. Al snel bleek dat hij het Beat Box tempo niet kon bijhouden. Eigenlijk reciteerde hij meer dan dat hij rapte.
Poëzie met een grote P leek een beetje naar de achtergrond verdwenen.
Misschien maakte dit onderdeel uit van zijn optreden? Een poëtisch protest in een voormalig gemeenschapshuis waar nu alleen nog ruimte was voor Breakdance, bboy, hiphopdance, popping, DJ, Turntablism, scratchen, Rap en Graffiti workshops? Poëzie met een grote P leek een beetje naar de achtergrond verdwenen.
Hij droeg een prozaïsch gedicht voor over ene ‘Raaf’ die misschien voor hem op de vlucht was of in het geheim een ‘terloops gezin’ had gesticht. Het beest kon ook zijn opgepakt door ‘witgejaste mannen’ en nu ergens in ‘een tuig’ staan alwaar zijn ‘kwijl werd opgemeten’.
Klein straatschenderig wezen, waar hang je uit? Wie heeft je ’t laatst gezien? Ik stelde geen condities aan je zwerftocht, maar dat je steeds terugkwam gaf mij hoop (al was het honger dat je naar je hok dreef).
Tot zover deze zoektocht naar zijn huisvriend. Door het gejoel dat uitbrak kon men de rest van de voordracht niet meer horen. De schrijver/performer begon te jammeren dat het een schande was, maar zo werkte dat hier. Het publiek had een mening en bepaalde. Deze grijsaard wist gewoon te weinig beats in een minuut te stoppen waardoor de boombooms met hem aan de haal gingen en de protesterende buurtjongeren voor zijn boodschap bedankten.
Je moest de stem van de auteur er gewoon niet bij horen, noch hem er bij zien.
Het heeft niet aan de woorden gelegen, concluderen sommigen. Je moet de stem van de auteur er gewoon niet bij horen, noch hem zien optreden. In de rust van een bundel en bij onstentenis van zijn wat al te grote gedrevenheid komt het geschrevene prachtig geserreerd over. Dit lijkt zo’n geval waar we vorm en vent moeten scheiden in het belang van de schoonheidsbeleving.
Oproep
Klein straatschenderig wezen, waar hang je uit? Wie heeft je ’t laatst gezien? Ik stelde geen condities aan je zwerftocht, maar dat je steeds terugkwam gaf mij hoop (al was het honger dat je naar je hok dreef). Makke vos, waar ben je nu? Werd je soms meegelokt door witgejaste mannen? Sta je ergens in een tuig en wordt je kwijl gemeten? Jij was toch nooit te paaien met een plakje? Jij tilde toch je poot op voor de boomstille garde?
Kreeg je niet genoeg te kluiven? Of heb je soms weer een terloops gezin gesticht? Enig schepsel dat ik binnen liet nadat ik elke ingang had gedicht, hier spreekt je baas, blaf me toe in het vertrouwd geïnfecteerd gewoefwaf. Hoeveel manden heb ik niet vervangen? Wie leerde jou met pijn en moeite 5 bevelen waaronder blijf en zit en hier? Wie wist het meest van rabiës, loopse teven, wie trok de teken uit je vacht, en heeft je, na je ongeval, op al je poten teruggebracht?
Joeg iets in mij de huiver door je leden? Maar je eerste plas werd zonder morren opgedept, de tweede tijdig ondervangen, en toen je zindelijk genoeg was mocht je de berber voor de haard beslapen. Jij lieve op je eigen staart jagende idioot, braaf beest waar ik soms mijn handen aan heb afgeveegd, kras aan mijn deur, vertrouw je neus voordat de nestgeuren vervagen. Ik smeek je Raaf, als je nog leeft, keer langs het spoor terug dat aan ons kleeft.
Opeens herkende hij zijn buurt niet meer.
Hij dacht dat de verkeerde tram
hem te ver van huis had gebracht;
hij stapte uit en alles was hem vreemd.
Hij liep zichzelf teruggekeerd voorbij,
zag vreemde voeten onder zich verdwijnen.
Aan wie vroeg hij de weg dat hij een
kamer in dit huis kreeg naast de mijne?
Hier was het goed, hij werd meteen begrepen.
Maar hij verdwaalde dieper in zichzelf.
Er staken, zei hij, ogen in zijn rug;
hij moest en zou naar huis terug.
Daar is hij ook beland. Gehaald door iemand
die hem vreemd was, werd hij met foto’s
van zichzelf bedrogen; hij kreeg het ware
nooit zo waar meer onder ogen.
Maar hij mocht opgaan in andermans
verleden, en kon, al had hij het te leen,
wel instaan voor het leven van een
man die ooit gelukkig scheen.
Voordat René Stoute een verhalenbundel schreef met een meeslepende titel, scheen hij een onverschillig stuk vreten dat bietsend en gappend door de hoofdstad zwierf. Dit vertelde mij althans een oud klasgenoot, die ook naar Mokum was verhuisd. De mannen waren geen vrienden, wel lotgenoten, twee grachtengordeljunks met schrijfaspiraties. De klasgenoot beweerde te zijn afgekickt. Zijn writersblock bleek onherstelbaar.
Renate is op 19 maart 2000 op negenenveertigjarige leeftijd overleden.
Ik leefde in Amsterdam in dezelfde periode als zij. Ik verbleef ook veel op straat. Die kennis uit mijn provinciestad kwam ik regelmatig tegen. Hij versperde mij de weg omdat hij iets belangrijks had te melden. Het kwam er altijd op neer dat hij geld van mij wilde. Stoute zag ik nooit. Hij ziet er bleek uit op een foto uit die tijd die ik op internet vond. In levende lijve is hij voor mij onzichtbaar gebleven. ‘Maar is dat laatste niet juist het kenmerk van zulke jongens?’ probeerde de steeds vager wordende bekende.
Het gedicht R/r is ontstaan nadat ik had gelezen van de geslachtsverandering van schrijver en dichter René Stoute. Renate is op 19 maart 2000 op negenenveertigjarige leeftijd overleden.
Het leven van Stoute is in mijn ogen één van de meest tragische Nederlandse schrijverslevens in de literaire geschiedenis van ons taalgebied.
De tweede regel van mijn gedicht bevat een verwijzing naar de titel van haar debuut; de verhalenbundel ‘Op de rug van vuile zwanen’. Het werk kwam uit in 1982. De schrijfster zou vanaf toen nog ruim tien jaar als man door het leven moeten.
Niet alleen de titel sprak me aan, ook het boek deed me veel indertijd, mede omdat ik in de beschreven periode zelf nogal zieltogend door Amsterdam zwierf. Ik voelde verwantschap met de junk die al schrijvend probeert zijn verslaving te boven te komen. Het vervolg is voorspelbaar en dramatisch.
Waardering kan zo belangrijk zijn. Zou het hem een opleving hebben gegeven?
In 1991 bracht de schrijver zijn behoefte aan travestie aan het licht achter een, bewust transparant gehouden, façade van fictie. Terzelfdertijd kwam Maarten ‘t Hart met een soortgelijke boodschap. Die was niet zozeer in literatuur vervat maar werd veel openlijker uitgedragen. Ik vroeg mij af of diens belijdenis eerder een provocatie was dan een daadwerkelijk verlangen om gekleed te gaan als lid van de andere sekse. Het antwoord doet er niet toe. Feit is dat alle media-aandacht zich richtte op de in, weinig modieuze, vrouwenkleding uitgedoste ‘t Hart. Waarschijnlijk vanwege zijn grotere bekendheid als publieksschrijver. Ik gun hem die aandacht. Hij is een groot schrijver. Zijn uitdossing was allesbehalve glamoureus. Een dragqueen leek hij zeker niet. Maar ook dat doet niet ter zake. Wat ik mij nu afvraag is of een soortgelijke aandacht iets voor Stoute had kunnen betekenen. Waardering kan zo belangrijk zijn. Zou het hem een opleving hebben gegeven?
De gendertransformatie die Renate niet lang daarna onderging verliep allesbehalve gemakkelijk. Het schrijven wilde ook niet meer zo. Het lichaam van de schrijfster werd herinnerd aan een slopend drugsverleden middels opspelende leverkwalen. Ook stress was een constante factor. Een combinatie van problemen werd de schrijfster fataal. René heeft een veel te kort bestaan als Renate mogen doorbrengen.
Het leven van Stoute is in mijn ogen één van de meest tragische Nederlandse schrijverslevens in de literaire geschiedenis van ons taalgebied. Zij verdient dan ook meer dan mijn ene gedichtje. Soms is het triest dat je werk niet wordt opgepikt zoals je voor ogen stond. Vaker is zo’n misverstand alleen maar lachwekkend. Doorgaans ook best wel begrijpelijk.
Ik heb onderstaand gedicht indertijd opgestuurd om mee te doen aan Turings Nationale Gedichtenwedstrijd. Ik was blij dat ik met mijn bescheiden eerbetoon de eerste ronde haalde en minder opgetogen dat het niet terechtkwam in de selectie van de laatste 100 (dan wordt het opgenomen in een verzamelbundel). Mijn uitverkoring voor althans die eerste schifting had als voordeel dat het gedicht van een kort commentaar werd voorzien door een vakjury. Men had er het volgende over te zeggen:
‘Het begin is sterk, met de Niels Holgersson-achtige beschrijving, daarna wordt het cryptisch en onhelder. Concentreer je op een beeld en werk dat uit.’
Ik had een tamelijk helder beeld van de door Amsterdam zwervende junk toen ik het schreef. Zoals ik boven al suggereerde heeft het indertijd niet veel gescheeld of ik was zelf in het drugscircuit terecht gekomen. Het moet een worsteling geweest zijn voor Stoute om daarvan afgekickt verslag uit te brengen. De verhalen die hij bij De Arbeiderspers inleverde dienden dan ook ingrijpend geredigeerd te worden.
Ook ik kon wel wat redactieadviezen gebruiken indertijd. Zo had ik wat mannelijke persoonsvormen door vrouwelijke moeten vervangen. Ik had ieder misverstand over mijn onderwerp kunnen wegnemen door in de titel gewoon de man en de vrouw bij naam te noemen. Die veranderingen heb ik onderstaand doorgevoerd:
René / Renate (over R. Stoute)
Haar neus nog vol van wat hij had gedaan
– hij had op zwanenruggen meegevlogen –
werden de uren gram voor gram gewogen
waarin zij leerde op zichzelf te staan.
Zijn laatste boek ging over spijt
van wonden die tot bloedens toe genezen,
verdriet dat hangt rond ieder afscheid
en ‘t heft in eigen hand dat zich laat vrezen.
Zoveel uitleg deed de geest geen goed.
‘t Verleden dat zij trachtte te verdrijven
kon hij zo nuchter niet beschrijven
of ‘t kroop haar toch weer in het bloed.
Naschrift: Zoals wij weten speelt Nils Holgersson de hoofdrol in een kinderboek van Selma Lagerlöf. Ik wist van dit jochie alleen maar dat hij voor straf was omgetoverd in een duimgroot wezen. Ik geloof wel dat ik het kinderboek vroeger bezat maar verhalen over kleine mensen schoof ik altijd meteen aan de kant.
Op wikipedia leerde ik dat Nils zijn lot een beetje had verdiend. Hij had namelijk een kabouter gevangen genomen en geweigerd hem vrij te laten. Nils was sowieso een nogal naar wezentje voordat hij uitvloog. Bijna alle wezens op de boerderij waar hij woonde maakten kennis met zijn sadistische trekjes. Toen hij er in slaagde om mee te vliegen op de rug van zwanen en hij zijn woonplaats dus achter zich kon laten leek iedereen blij dat hij weg was. Voor hem begon er een leerzaam en louterend avontuur.
Toen ik op zoek ging naar wat meer informatie over de titel van Stoutes’ boek, en dan met name het feit dat ‘zijn’ zwanen vuil zijn, werd er, ter verklaring, op sommige plaatsen ook naar een versregel van Paul van Ostaijen verwezen. ‘t Is grappig om te lezen dat veel mediabronnen elkaar wat dit betreft napraten maar dat niemand de gewraakte regel ook daadwerkelijk kan citeren. Die is er dan ook niet.
Wij hebben, volgens mij, geen sprookjes nodig, noch citaten uit het werk van Ostaijen, om ‘Op de rug van vuile zwanen’ te verklaren. De titel verwijst naar het bestaan als heroïne-junk dat Stoute tot zijn 27ste heeft geleid. Zowel de ‘zwanen’ als het ‘vuile’ ervan worden met dat gegeven afdoende verklaard.
Vandaag een eigen lied en een veel mooier lied van Jean Ritchie.
Kompelcomplex
Wat heeft dit doolhof hen misleid. Hier gingen zoveel longen, zoveel ruggen stuk, zoveel vergeten levens, bezet door arbeid. Hier groef men goud en vond men geen geluk.
Met in de verste gangen onbereikbaar licht: door paters en patronen lonkend in het zicht gesteld genadebrood, en, ver onder modaal, een winstopslagje op de laagste loonschaal.
Welke plichten stonden hen voor ogen dat niet viel toe te geven aan rebelse dromen? Hoe konden zij, zo vaak hun vlucht werd overwogen, in deze duisternis weer tot bezinning komen?
Stomme gravers in dat klokhuis aarde wier handen joegen naar een nieuw record. Zelfs als de schaftfluit hen bedaarde ging het werk nog in hun hoofden door.
“The L&N Don’t Stop Here Anymore” is a ballad written and released by Jean Ritchie in 1965. Though Jean Ritchie typically eschewed controversial topics, the subject of impoverishing coal miners was touchy enough for the musician that she originally released “L&N” in 1965 under her maternal grandfather’s name, Than Hall. Ritchie grew up in Viper, Kentucky’s Slabtown Holler, and a Louisville and Nashville Railroad passenger train ran right by the mouth of the hollow. Difficult times began when the local coal mines closed and the trains stopped coming; “The L&N Don’t Stop Here Anymore” reflects that time. In 2008, Ritchie still owned the family farm in Viper and fought against mountaintop removal mining, a form of surface mining she called “a sin“. Michelle Shocked and Kathy Mattea covered the song, but it was made famous by Johnny Cash, who published his own cover of the ballad after hearing June Carter Cash sing it. (Bron: Wikipedia)
“The L & N Don’t Stop Here Anymore”
When I was a curly-headed baby My daddy set me down on his knee Saying “Son you go to school, you learn your letters Don’t you be no dusty miner, boy like me”
I was born and raised at the mouth of the Hazard Holler Where the coal cars rolled and rumbled past my door But now they stand in a rusty row of all empties Because the L & N don’t stop here anymore
I used to think my father was a black man With scrip enough to buy the company store But now he goes to town with empty pockets And his face is as white as the February snow
I was born and raised at the mouth of the Hazard Holler Where the coal cars rolled and rumbled past my door But now they stand in a rusty road of all empties Because the L & N don’t stop here anymore
Never thought I’d live to lean to love the coaldust Never thought I’d pray to hear those temples roar But God I wish the grass would turn to money And then them greenbacks would fill my pockets once more
I was born and raised at the mouth of the Hazard Holler Where the coal cars rolled and rumbled past my door But now they stand in a rusty road of all empties Because the L & N don’t stop here anymore
Last night I dreamed I went down to the office To get my payday like I done before But them old kudzu vines was covering the doorway And there was leaves and grass growing up through the floor
I was born and raised at the mouth of the Hazard Holler Where the coal cars rolled and rumbled past my door But now they stand in a rusty road of all empties Because the L & N don’t stop here anymore
In mijn top veertien van reizigers die naar plekken gaan waar ze niets te zoeken hebben, staat de bergbeklimmer bovenaan. Deze hoogtehobbyist of beroepsklauteraar haalt de ecologische voetafdruk van een gemiddelde vakantieganger op z’n sloffen. Zijn leven is een zinloze verspilling van aardse middelen teneinde zijn egocentrisme in verticale banen te leiden.
Klimmen is zonder meer slecht voor het milieu. Daarmee vergeleken kunnen we de verstilde activiteit van een schrijver bijna deugdzaam noemen. Maar veel auteurs zoeken spannende onderwerpen en daarvoor gaan ze vaak de deur uit. Van alle reisboekenschrijvers – op zich al een heel vervuilend volkje – is de inkt van de klimboekenschrijver het meest bezoedeld. Eerst moet je schade aanrichten alvorens de schande te kunnen beschrijven.
IJdelheid reikt ver in valse verzinsels, terwijl de geldingsdrang maar niet van de grond komt. Het lukt westerlingen vaak niet om de top te bereiken zonder sherpa’s. Wie kent hún namen?
Of het allemaal naar waarheid is opgetekend valt trouwens te betwijfelen. Soms wordt er te hoog opgegeven over de prestaties. Wat de bereikte hoogte in werkelijkheid was blijft in nevelen gehuld. IJdelheid reikt ver. Een narcist fabuleert – als je ’t mij vraagt – gemiddeld iets gemakkelijker dan normale stervelingen. Verzonnen triomfen zijn niet van de lucht in de klimsport.
Ik weet niet of Ronald Naar als voorbeeld kan dienen. Hij beschreef hoe hij de top van de 8125 meter hoge Nanga Parbat bereikte. Zijn reisgezel Frank Moll stelde dit in twijfel. Naar klom opnieuw in de pen. Dat was wat de man deed: hij schreef of hij steeg. Tussendoor schoot hij plaatjes als zelfverklaard fotograaf. Echter: een selfie op die berg ontbrak helaas. Er is nooit een topfoto geschoten c.q. opgedoken.
Bergbeklimmer Frank Moll uitte zijn twijfels in een interview met het blad Op Pad. Ook hier hebben we met een klimboekenschrijver te maken, maar omwille van het bovenhalen van de waarheid, zoals hij het zelf – akelig nobel – verwoordde, raakten de eigen klimprestaties een beetje ondergesneeuwd en begon hij de man, die hij ooit zo bewonderde, zwart te maken.
Iedere bergsporter met een handig pennetje kan een oeuvre opbouwen in veelvoud: 1. Beschrijving van de eigen reis naar de top (het klassieke reisboek). 2. Het in twijfel trekken van de claims van andere klimmers (het klokkenluidersgenre). 3. Het verdedigen van jezelf als anderen jouw woord in twijfel trekken (de polemiek of het verdedigingsgenre). Frank Moll is uiteindelijk vooral de schrijver geworden van de roman ‘Hoog Verraad’, een categorie op zich waarin alle eerder genoemde categorieën aan bod komen maar dan in fictievorm.
Naars verweer werd misschien wel zijn grootste krachttoer. ‘Hoge toppen vangen veel wind’ is een aardig boek geworden maar iedereen overtuigen lukt nooit. Hij schreef (en procedeerde) tegen de klippen op om zijn versie van de toedracht te bewijzen. Toch wel triest voor megalomane topsporters als, na al dat ijle streven op onmogelijke plekken, boos geschrijf in een kamertje thuis de meest verwoestende kracht wordt van je levenslange geldingsdrang.
Frank Moll is door de rechter het zwijgen opgelegd. Hij mocht in het openbaar niet meer zeggen dat Naar een leugenaar was. Koos hij daarom voor literaire middelen? De lezer krijgt een fictievariant voorgeschoteld met personages die meteen doen denken aan hemzelf en Naar. We lezen over een klimvriendschap die eindigt in wederzijdse haat. Kan de waarheid zo belangrijk zijn? Of de fabricage van een boekje dat voor literatuur moet doorgaan?
We zien hier vooral een paranoïde obsessie, vergelijkbaar met wat het klimmen zelf was voor beide klimmers. Beide mannen hadden veel te bewijzen. Ze zaten elkaar als boze haantjes in de weg. Wat Naar betreft denk ik: waarom niet berusten in het feit dat ‘het zelf’ wel weet waar het geweest is? Je zou zeggen dat de ware vorm van ‘zelfrealisering’ zonder dit welles nietesspelletje kon.
Maar erg zen zijn ze niet, die klimmers. Anders zouden ze wel afzien van het klimmen en wat meer in hun hoofd reizen. Dat is bovendien veel beter voor het milieu.
Veertien richels, veertien sommetten
Dat hijgend zich naar bergtoppen begeven,
op eigen kracht, om ’t planten van een vlag,
als acrobatentoer, spektakelstunt, en het verslag
in beeld gebracht, is dat hun hoogste streven?
Naar boven willen reiken, uit ijdelheid,
in ijle lucht, om de volharding van de geest,
of om te zeggen: daar en daar zijn wij geweest,
lijkt mij zo plat, zo’n opgezochte strijd.
Wat ik als kind in huis wel deed op treden,
dromend van steiltes en bereikte hoogten,
op richels pal staand, theatrale schreden,
heb ik nooit in werkelijkheid beoogd, en
wat ik liever zag, uit leedvermaak tevreden,
is dat ze vallen; zijn ze snel beneden!
Ik ben er voor hoor: het van top tot teen bekladden van ‘monumentale’ mannen die fout zaten in onze koloniale geschiedenis en dus beslist geen voetstuk verdienen. Dat verkeerde verleden vormt voor mij niet eens het hoofdprobleem. Het zou slechts een aanleiding zijn om er eens lekker over heen te gaan met verfpotten in verschillende kleuren. En om teksten op de sokkel te schrijven als ‘Wangedrocht’, ‘Misbaksel’ of ‘Lelijk uitgietsel’.
Heftiger mag ook natuurlijk (Dief, Racist, Fascist, Fuck You), maar zelf voel ik geen boosheid, slechts completeerwoede. Ik heb deze sculpturen als kunstwerk altijd te onaf gevonden, juist omdat ze zo af waren. Er ontbrak iets aan, een destructieve ‘touch’. Dat hyperrealistische heeft iets onbehaaglijks. Dat een reactie mijnerzijds uitbleef had te maken met luiheid en goed fatsoen. En met angst voor de gevolgen.
Misbaksels verdienen geen voetstuk. Leve de verfspuiters met een inclusiever beeld van het verleden. (Wat ik dan weer jammer vind, is dat besloten wordt de beelden, juist in dit stadium van vervolmaking door verf en verminking, uit de openbare ruimte weg te halen.)
Houd je van één of meer van de volgende dingen: druipsteenkaarsen, stalagmieten, veel stroop op je pannenkoek, filmpjes van tsunami’s of aardverschuivingen, lawines, bouwvallen, schroothopen, sloopplaatsen, Jackson Pollock en ander abstract expressionisme? Dan zal deze nieuwste ‘rage’ je aanspreken, denk ik.
Vogelkak op bronzen koppen heb ik ook altijd prachtig gevonden. Van die witgele meeuwenflatsen met nog iets onverteerbaars erin. Als vrije vogel zou ik deze heren graag in de haren zitten. Ik zou keihard krijsen en mijn grote boodschap doen vol onverwerkte klonters. Jammer hoor dat er altijd een ambtenaar opduikt met een hogedrukspuit die het ‘verhaal’ dat daar ontstaat – de kunstzinnige interactie zeg maar – onbewogen uitwist.
Nu maken mensen met kennis van zaken en veel gevoel voor rechtvaardigheid mikpunten van deze voorbije helden. Ik vind het resultaat van hun acties veel beter dan een bordje erbij met een genuanceerde uitleg over de historische figuur in kwestie. Boze mensen schrijven betere teksten. Woorden die ik niet uit m’n spuitbus zou krijgen. Esthetischer ook vanwege de rijkgeschakeerde kronkels en het bonte kleurgebruik.
Verwijdering van ledematen komt het resultaat ook ten goede, vind ik. Wat ik dan weer jammer vind, is dat besloten wordt de beelden, juist in dit stadium van vervolmaking door verf en verminking, uit de openbare ruimte weg te halen. Niet doen overheden. De wisselwerking in het spanningsveld tussen heden en verleden geeft deze struikelblokken de esthetische status die openbare kunst zo vaak moet ontberen.
Nou goed, een overtuigende tekst richting bestuurders is niet aan mij besteed. Ik heb weleens een gedichtje geschreven over dit fenomeen, dat ik hierbij afdruk. Ondertussen zeg ik: succes woedende massa, maak iets moois van jullie pispalen. (P.S.: met het ‘crapuul’ in onderstaand rijm doel ik niet op jullie hoor.)
Tijdens een manische episode is een diagnose relatief eenvoudig omdat de kernsymptomen (verhoogde, expansieve of prikkelbare stemming) duidelijk herkenbaar zijn. Als psychotische symptomen op de voorgrond staan, of als er sprake is van een gemengde episode (het gelijktijdig voorkomen van manische en depressieve verschijnselen), kan de diagnose echter moeilijker te stellen zijn. Tijdens een hypomane episode is de diagnostiek soms lastiger, omdat in lichte gevallen het onderscheid met het normale functioneren alleen goed te maken is door iemand die de patiënt goed kent (heteroanamnese).
Mad Cat Bounce
Wat dacht men, dat ik boos was voor de sier? Het zat ’m in de aard van ons soort leeuwen. Ik werd aanhankelijk als een hongerig huisdier. Ook mijn gebrul zou uitmonden in geeuwen.
Zowel jager als gejaagde mocht op eigen kracht het lichaam van haar tweespalt niet genezen. Woest maar zelfredzaam tot rust gebracht was ik weldra op mijn dokters aangewezen.
Praten moest ik (ze hielpen als de beste). Het bleek dat ik mijn wezen zelf verpestte. Ze joegen de kat bij het prooidier vandaan
maar wisten zich geen raad met wat hen restte. Kun je, als je ziet, hier is geen redden aan niet beter de kat maar z’n gang laten gaan?