Smeltwater en zeewater in overvloed.

Maar ijspret zit er helaas niet meer in.

‘Dichten of dijkverzwaren, dat is de kwestie’. Zo heette het gedicht dat ik in 2016 instuurde voor Turings Nationale Gedichtenwedstrijd. De onafhankelijke jury vond het goed maar ik won er geen prijs mee. Geen probleem. Op de lof die mij werd toegezwaaid kon ik maandenlang teren. De jury schreef:

Vooral op het gebied van muzikaliteit en ritme een ijzersterk gedicht. Die hele eerste strofe met enkel eenlettergrepige woorden werkt echt fantastisch. Tijdens het lezen kun je het gedicht ook meteen horen. Woordspel kan al snel te veel aandacht vragen binnen een gedicht en daardoor geforceerd aandoen, maar het waterwoordspel in dit gedicht met spoelen, drijven, wassen, lekken etcetera, blijft mooi in balans. Het is aanwezig, maar het wordt nooit teveel.
Naast een fantastisch ritme, bevat het gedicht ook nog eens een aantal geweldige regels zoals ‘Je kunt de vindingrijkheid van water nauwelijks overdrijven’ en de slotzin ‘Hij moet nog zoveel kwijt van zijn gemoedstoestand’.

Commentaar van de jury van De Nationale Gedichtenwedstrijd 2016.

Later kreeg ik twijfels over het gedicht. Had het misschien aan de titel gelegen dat mijn inzending, ondanks die geweldige beoordeling, zelfs niet in de wedstrijdbundel belandde met de 100 beste gedichten? Was de verwijzing naar Shakespeare toch een beetje te flauw geweest?

Om antwoord op die vraag te krijgen stuurde ik het gedicht het volgende jaar opnieuw in, maar nu genaamd ‘Verdronken Land’. De inhoud liet ik ongemoeid. Ook nu mocht mijn bijdrage op een goede beoordeling rekenen. Ik viel echter alweer niet in de prijzen. De misgelopen cheque vormde het probleem niet, maar hoe zat het met mijn eeuwige roem?

Ik moest er in berusten een ‘ijzersterke’ dichter te blijven voor een zeer beperkte kring van fijnproevers. Gelukkig had de jury weer enorm genoten. Men schreef:

Het geweldige aan dit gedicht is dat het heel erg grappig is terwijl het zichzelf doodserieus neemt. Ondertussen toon je hier een sterk taalgevoel en slaag je erin om die taal heel beheerst en vindingrijk te spinnen rond de centrale thematiek van het waarom van het schrijven. Sterk gedicht, waarvoor dank!’

Commentaar van de jury van De Nationale Gedichtenwedstrijd 2017.

Ik ben niet onopgemerkt gebleven. Men gunt mij mijn klaagzang. Nu ik kiezen moet tussen een bestaan als miskend poëet of ‘niet zijn’, blijkt de keuze snel gemaakt. To be or not to be? Niet te pathetisch graag. Er is geen sprake van een vraag, laat staan van een dilemma; zolang het water mij niet aan de lippen staat, valt er goed te leven in dit land.

Een semi-geëngageerd schrijver in een neoliberale rechtstaat kan opstandig van de daken schreeuwen hoe erg hij het vindt dat de wereld wegkwijnt door klimaatopwarming. (Het is nog erger dan buiten de prijzen vallen op een schrijfwedstrijd.) Er zelf tegen strijden komt in mijn geval neer op: erover schrijven. Ik maakte onze slappe houding t.a.v. de milieuproblematiek tot thema van dit gedicht en neem ook mezelf de maat.

Voor dit doel lijkt dichten misschien niet het aangewezen middel, maar dat is nu eenmaal wat ik doe. Voordat het optrekkend vocht mij het land uit jaagt, laat ik hopelijk nog wat gedichten na die de juiste toon bevatten om de humor ervan te waarderen. Ik voeg er nog een ‘waterig’ gedicht aan toe, genaamd bezoeking. Omdat het winter is eindigt het in een wak.

📱🔄 Voor de juiste weergave van de bladspiegel en regelafbreking adviseer ik om je telefoon in landscape mode (horizontaal) te houden. Zo zie je het gedicht zoals het bedoeld is.

Verdronken Land


Hoor hoe de dichter dicht dat vocht maar kracht onder
een kurk is, zee wat macht achter de duinen. Maar
lees de krant; één ramp spoelt alles aan de kant.

Je kunt de vindingrijkheid van water nauwelijks overdrijven.
Noch die van zuipers. Dus wij gebruiken ons verstand. Wie
voelt zich niet ontmand door de wassende waarheid?

Een hooggebergte vlijt zich lekkend neer in onze boezem,
terwijl de kust – die vervaarlijk oprukkende rand – haar
zilte lippen aan ‘t fronsend voorhoofd brandt.

‘Vaarwel mijn strand’. Shakespeare schijnt ons te verlaten.
Maar voordat groente brak smaakt en rivieren in zijn
verzen schijten, verhogen wij de scheidingswand.

Waar het ons tegenzat was hij wel vaker dissonant.
Als ‘de vis aardt naar de zee’, dan de dronkaard naar zijn
drank. Leg hem niet uit hoe hij aan lager wal belandt.

‘Onder water worden tranen onzichtbaar.’ O ja, hij laat vast
iets pathetisch na. Maar dood door verdrinking ligt niet voor
de hand. Hij moet nog zoveel kwijt van zijn gemoedstoestand.

©Ronald van Noorden ©2015 Uitgeverij Cum Suis

Bezoeking


Kerstavond. De slaapzaal krijgt bezoek.
Vrienden brengen vrieskou binnen.

M. overkomt iets groots en blonds, iets met een
schamper lachje. Ze geeft hem sloffen.

Ze roert de kwestie van een lening aan;
in dialect dus niet te volgen.

Later, ze laat haar ogen rondgaan en wordt boos;
die ene plant kon hij nog niet verzorgen?

Op de gang draait ze joints en
gunt ons geen trekje. Als ze weg is…

waarom huil je M.? (Al zijn honden werden vals
en moesten worden weggebracht).

Ga nu zelf de kou in. Vanavond nog
hak ik een wak voor alle Friezen.


©Ronald van Noorden ©2012 Uitgeverij Cum Suis

Passages uit: Der alte Mann und die kranke Schwester.

Kapitel 1 – Das erste Klingeln

Es war ein Dienstagmorgen, an dem das Leben von Herrn Feldkamp zum zweiten Mal begann. Das erste Mal hatte er es selbst nicht bemerkt – es war nach dem Schlaganfall, nach dem Krankenhaus, nach dem stillen Aufgeben. Das zweite Mal hingegen hörte man es schon von weitem: Absätze auf Asphalt, das rhythmische Tippen eines Smartphones, das Klackern eines Feuerzeugs.

Sie trat in sein Leben wie ein kleiner Sturm: Lara, 24 Jahre alt, Haare zum Pferdeschwanz gebunden, in einer Hand das Telefon, in der anderen eine halbgerauchte Zigarette, die sie mit einer schnellen Geste im Blumentopf neben der Eingangstür ausdrückte.

„Guten Morgen, Herr Feldkamp! Ich bin Lara, Ihre neue Betreuungskraft. Ich bin noch nicht ganz wach, aber das wird schon.“ Ohne eine Antwort abzuwarten, zog sie sich die Schuhe aus, betrat die Wohnung und rief: „Wo ist die Kaffeemaschine?“

Herr Feldkamp, 83 Jahre alt, Rollstuhlfahrer, ehemaliger Ingenieur und überzeugter Pessimist, sah sie zum ersten Mal – und wusste sofort: Diese Frau war entweder ein Versehen der Agentur oder ein Wink des Schicksals. Er tippte mit einem Finger an die Brille, schob sie auf die Nase zurück und murmelte: „Wenn Sie die Kaffeemaschine finden, sagen Sie es mir auch. Ich suche sie seit dem Umzug.“

Lara lachte. Es war ein ehrliches, unaufgeregtes Lachen, wie man es selten hört in der Welt der Altenpflege.

„Na, dann fangen wir doch gleich mit einer gemeinsamen Suche an. Vielleicht finden wir dabei auch gleich das Leben wieder.“

Herr Feldkamp verzog den Mund. Nicht ganz ein Lächeln – aber fast.

Kapitel 2 – Das Foto im Bücherregal

Zwei Wochen waren vergangen, seit Lara das erste Mal durch die Tür gestolpert war. Ihre Gewohnheiten hatten sich nicht geändert – sie telefonierte immer noch laut auf dem Balkon („Boah, Mama, chill mal!“), rauchte zu viel, und trug manchmal Schuhe mit Plateausohlen, die in der Wohnung hallten wie Hufgetrappel.

Aber etwas hatte sich sehr wohl geändert.

Herr Feldkamp wartete morgens auf sie. Nicht, dass er es zugegeben hätte. Aber sein Bart war plötzlich früher gestutzt, der Kaffee schon gekocht. Und wenn Lara sich verspätete, brummte er lauter als üblich.

An einem verregneten Donnerstagnachmittag, als Lara Staub wischte – sie machte das grundsätzlich nur halbherzig, aber mit viel Musik aus ihrem Handy –, fiel ihr Blick auf ein eingerahmtes Foto im Regal. Ein altes Schwarz-Weiß-Bild. Drei Männer in Uniform, einer davon lächelte verschmitzt in die Kamera. Der junge Mann rechts hatte Augen wie Feldkamp.

„Boah, Sie waren ja mal richtig hot, Herr Feldkamp!“, rief sie lachend.

Der Alte hob den Kopf. Als er das Bild sah, wurde sein Gesicht hart. „Stellen Sie das zurück.“

„Ist das Ihr Bruder?“, fragte Lara, diesmal leiser.

Stille.

Dann sagte er, mehr zu sich selbst: „Mein Bruder… ja. Oder das, was von ihm übrig blieb.“

Lara stellte das Foto zurück, aber da war etwas in seinem Blick, das sie nicht losließ – eine Mischung aus Bedauern, Wut und einer tiefen Müdigkeit.

„Ich hab auch ‘nen Bruder“, sagte sie zögerlich. „Aber der redet nicht mehr mit mir. Sagt, ich bin ein Klotz am Bein.“

Herr Feldkamp schwieg.

Lara war schon fast wieder draußen im Flur, da hörte sie seine Stimme – heiser, gebrochen, aber deutlich: „Meiner war in Ungarn. 1956. Panzer. Er kam nie zurück.“

Sie drehte sich nicht um, ließ ihm den Moment. Aber sie machte eine mentale Notiz: Da ist etwas. Da ist Geschichte. Da ist Schmerz.

Sie verstand zum ersten Mal, dass er sich nicht aus Bosheit hinter einer dicken Mauer versteckte. Sondern weil er Angst hatte, dass niemand mehr klopfen würde.

Kapitel 3 – Überraschung mit Zimt

Lara hatte eine fixe Idee. Und wer Lara kannte – was im Fall von Herrn Feldkamp niemand so recht tat – wusste: eine fixe Idee ließ sie nicht mehr los.

Am Freitagmorgen roch es in der Wohnung nach etwas, das der alte Mann seit Jahren nicht mehr gerochen hatte: Zimt.

„Was ist das?“, knurrte er, als sie mit einer Papiertüte hereinschneite.

„Zimtschnecken! Selbst gekauft! Ich hab null Plan vom Backen, aber die vom Bäcker unten sind mega. Und Sie meckern ja immer, dass ich nichts Gescheites esse – jetzt ess ich wenigstens was mit… wie heißt das Zeug nochmal… Gefühl?“

„Nährwert“, murmelte Herr Feldkamp, aber sein Ton war weicher als sonst.

Sie stellte einen Teller auf den Tisch. „Komm. Heute ist Freitag. Ich hab was organisiert.“

Er hob eine Braue. „Was genau haben Sie organisiert? Eine Zimt-Attacke?“

„Fast“, grinste Lara. „Ich hab den alten Plattenspieler aus dem Keller mitgebracht. Und eine LP. Edith Piaf.“

Herr Feldkamp sah sie an, als hätte sie gerade ein Stück seiner Vergangenheit vom Dachboden geholt.

„Sie mögen französische Musik, oder?“

Er sagte nichts. Nur ein kaum merkliches Nicken.

Sie stellte die Nadel auf die Platte. “Non, je ne regrette rien“ kratzte sich warm und leise aus den Lautsprechern, und der Raum veränderte sich. Etwas sank in die Tiefe, etwas anderes stieg auf.

Sie saßen nebeneinander. Er mit zitternden Händen, sie mit klebrigen Fingern vom Zuckerguss.

„Wissen Sie“, sagte Lara schließlich, „ich hab keinen Opa mehr. Und Sie, naja, Sie haben keine Enkelin. Vielleicht können wir uns was ausleihen.“

Er lächelte nicht. Aber er reichte ihr ein Stück Zimtschnecke, ohne ein Wort.

Und das war mehr, als sie erwartet hatte.

Kapitel 4 – Die Spuren unter der Haut

An einem grauen Mittwoch hatte Lara ihren üblichen Schwung verloren. Sie kam zu spät, roch nach kaltem Rauch, und ihre Worte hatten Kanten.

„Schlechter Morgen?“, fragte Herr Feldkamp, ohne aufzusehen.

„Könnte man sagen.“ Sie stellte die Tasche ab, nahm sich ein Glas Wasser, trank hastig.

Er merkte, dass sie die Schatten unter den Augen nicht von Müdigkeit hatte.

„Haben Sie geweint?“

Sie verzog das Gesicht. „Was glauben Sie denn?“

Er sagte nichts. Stille war seine Waffe – und manchmal auch seine Einladung.

Nach ein paar Minuten legte sie ihr Handy auf den Tisch, als hätte es sie verraten. Das Display war gesprungen.

„Ich war bei meiner Mutter.“

„Und?“

„Sie hat wieder diesen Ordner rausgeholt. Der mit den alten Briefen. Briefe von ihrem Vater. Meinem Opa.“

Er hörte auf zu atmen. Oder so schien es.

„Er hat im Osten gedient. Wehrmacht. Später… SS. Wir haben nie drüber geredet. Aber da sind Fotos. Briefe mit Siegeln. Mein Bruder will alles wegwerfen. Ich nicht.“

„Warum nicht?“, fragte Feldkamp leise.

„Weil ich wissen will, wer ich bin. Auch wenn es schmerzt.“

Er sah sie an, als würde er sie zum ersten Mal wirklich sehen.

„Mein Vater hat Auschwitz überlebt.“

Die Worte fielen wie Steine.

Lara wurde blass. „Das wusste ich nicht.“

„Konnte ja keiner wissen. Ich rede nicht viel. Aber vielleicht… ist das der Moment.“

Sie saßen lange schweigend da. Zwei Biografien, die einander zufällig berührt hatten – und sich nun nicht mehr voneinander lösen konnten.

„Meinen Sie…“, begann Lara zögernd, „dass Schuld vererbbar ist?“

Feldkamp schüttelte den Kopf. „Aber das Schweigen ist es.“

Und genau da, in diesem einen Satz, war ihre Verbindung geboren. Eine, die tiefer ging als Pflegepläne oder Medikamentendosen.

Kapitel 5 – Das Archiv

„Sie können sich jederzeit umentscheiden“, sagte Lara und sah ihn ernst an, während sie die schwere, ledergebundene Mappe auf seinen Wohnzimmertisch legte.

Herr Feldkamp antwortete nicht sofort. Er fuhr mit dem Finger über das spröde Leder, als würde er es abtasten wie eine Narbe.

„Ich wollte immer wissen, was die anderen gedacht haben“, murmelte er schließlich. „Was sie geschrieben haben. Während wir gestorben sind.“

Lara schluckte. Sie hatte die Mappe schon unzählige Male durchgesehen – allein, mit ihrer Mutter, nie mit jemandem wie ihm. Noch nie mit einem, der auf der anderen Seite gestanden hatte. Oder besser: auf der richtigen.

Sie öffnete das Cover. Das Papier raschelte wie altes Laub.

„Das ist ein Brief von 1943. Breslau.“ Sie zeigte auf die fein geschwungene Handschrift. „‚Liebe Anneliese, ich bin gestern angekommen…‘“

Feldkamp streckte die Hand aus. „Darf ich?“

Sie reichte ihm das vergilbte Blatt.

Er las langsam. Wort für Wort. Manchmal murmelnd, als würde er sich vergewissern, dass die Worte wirklich dort standen.

„Die Judenfrage wird hier nun endlich mit der nötigen Strenge behandelt…“

Er brach ab. Legte das Blatt mit einer zitternden Bewegung zurück.

„Ich wusste, dass es grausam war“, sagte Lara leise. „Aber zu lesen, wie beiläufig er das schreibt…“

Feldkamp sah aus dem Fenster. Draußen war es hell geworden.

„Wir sind aufgewachsen mit den Schreien, die keiner hören wollte. Und ihr… mit dem Schweigen, das keiner brechen wollte.“

Lara öffnete ein zweites Fach. Fotografien, sorgfältig beschriftet: „Sommerausflug – Lemberg 1942“.

Ein Picknick. Lächelnde Männer in Uniform. Einer hebt ein Glas.

„Das ist mein Urgroßvater.“ Sie zeigte auf den Mann mit dem schmalen Schnurrbart und dem schiefen Lächeln.

„Er sieht… normal aus“, flüsterte sie.

Feldkamp nickte. „Das ist das Erschreckende.“

Eine Weile lang blätterten sie schweigend. Briefe. Postkarten. Ein Orden in einer kleinen Schachtel. Ein Foto von einer jungen Frau mit Kopftuch – rückseitig beschriftet: ‚Sofka – unsere polnische Haushilfe‘.

„Sie wurde wahrscheinlich deportiert“, sagte Lara.

„Vielleicht.“

„Was soll ich damit tun?“ fragte sie plötzlich. „Alles wegwerfen? Dem Museum geben? Vergraben?“

Feldkamp schüttelte den Kopf. „Nein. Bewahren. Und lesen. Immer wieder lesen. Sonst fängt das Schweigen wieder an.“

Sie nickte langsam. In ihren Augen spiegelte sich etwas Neues: eine Haltung, ein beginnendes Begreifen.

Und irgendwo draußen, zwischen den Fassaden des Viertels, bellte ein Hund. Das Leben ging weiter – aber im Inneren der kleinen Wohnung war etwas aufgebrochen, das nicht mehr ungesagt bleiben konnte.

Het gedicht ‘verdronken land’.

Uit: Het Eenmansimperium

‘Dichten of dijkverzwaren, dat is de kwestie’. Zo heette het gedicht dat ik in 2016 instuurde voor Turings Nationale Gedichtenwedstrijd. De onafhankelijke jury vond het goed maar ik won er geen prijs mee. Geen probleem. Op de lof die mij werd toegezwaaid kon ik maandenlang teren. De jury schreef:

Vooral op het gebied van muzikaliteit en ritme een ijzersterk gedicht. Die hele eerste strofe met enkel eenlettergrepige woorden werkt echt fantastisch. Tijdens het lezen kun je het gedicht ook meteen horen. Woordspel kan al snel te veel aandacht vragen binnen een gedicht en daardoor geforceerd aandoen, maar het waterwoordspel in dit gedicht met spoelen, drijven, wassen, lekken etcetera, blijft mooi in balans. Het is aanwezig, maar het wordt nooit teveel.
Naast een fantastisch ritme, bevat het gedicht ook nog eens een aantal geweldige regels zoals ‘Je kunt de vindingrijkheid van water nauwelijks overdrijven’ en de slotzin ‘Hij moet nog zoveel kwijt van zijn gemoedstoestand’.

Commentaar van de jury van De Nationale Gedichtenwedstrijd 2016.
Felipe IV a Caballo (1635-36), Diego Velázquez. (Museo del Prado / WWF). Het Prado Museum en het WWF plaatsten een nieuwe voorstelling van een klassiek schilderij naast het oude om ons op een originele manier op de ernst van klimaatopwarming (en dus van zeespiegelstijging) te wijzen. Over elkaar heen geprojecteerd is het effect zo mogelijk nog dramatischer, vind ik. (Met permissie) Ik zou kunst die esthetisch blijft maar ook begaan is met maatschappelijke vraagstukken, als de hoogste vorm van artistieke expressie willen bestempelen.

Later kreeg ik twijfels over het gedicht. Had het misschien aan de titel gelegen dat mijn inzending, ondanks die geweldige beoordeling, zelfs niet in de wedstrijdbundel belandde met de 100 beste gedichten? Was de verwijzing naar Shakespeare toch een beetje te flauw geweest?

Je zou er bijna van gaan drinken!

Om antwoord op die vraag te krijgen stuurde ik het gedicht het volgende jaar opnieuw in, maar nu genaamd ‘Verdronken Land’. De inhoud liet ik ongemoeid. Ook nu mocht mijn bijdrage op een goede beoordeling rekenen. Ik viel echter alweer niet in de prijzen. De misgelopen cheque vormde het probleem niet, maar hoe zat het met mijn eeuwige roem?

Ik moest er in berusten een ‘ijzersterke’ dichter te blijven voor een zeer beperkte kring van fijnproevers. Gelukkig had de jury weer enorm genoten. Men schreef:

Het geweldige aan dit gedicht is dat het heel erg grappig is terwijl het zichzelf doodserieus neemt. Ondertussen toon je hier een sterk taalgevoel en slaag je erin om die taal heel beheerst en vindingrijk te spinnen rond de centrale thematiek van het waarom van het schrijven. Sterk gedicht, waarvoor dank!’

Commentaar van de jury van De Nationale Gedichtenwedstrijd 2017.

Ik ben niet onopgemerkt gebleven. Men gunt mij mijn klaagzang. Nu ik kiezen moet tussen een bestaan als miskend poëet of ‘niet zijn’, blijkt de keuze snel gemaakt. To be or not to be? Niet te pathetisch graag. Er is geen sprake van een vraag, laat staan van een dilemma; zolang het water mij niet aan de lippen staat, valt er goed te leven in dit land.

Een semi-geëngageerd schrijver in een neoliberale rechtstaat kan opstandig van de daken schreeuwen hoe erg hij het vindt dat de wereld wegkwijnt door klimaatopwarming. (Het is nog erger dan buiten de prijzen vallen op een schrijfwedstrijd.) Er zelf tegen strijden komt in mijn geval neer op: erover schrijven. Ik maakte onze slappe houding t.a.v. de milieuproblematiek tot thema van dit gedicht en neem ook mezelf de maat.

Voordat het optrekkend vocht mij het land uit jaagt, laat ik hopelijk nog wat gedichten na.

Voor dit doel lijkt dichten misschien niet het aangewezen middel, maar dat is nu eenmaal wat ik doe. Voordat het optrekkend vocht mij het land uit jaagt, laat ik hopelijk nog wat gedichten na die de juiste toon bevatten om de humor ervan te waarderen.

Verdronken Land

Hoor hoe de dichter dicht dat vocht maar kracht onder
een kurk is, zee wat macht achter de duinen. Maar
lees de krant; één ramp spoelt alles aan de kant.

Je kunt de vindingrijkheid van water nauwelijks overdrijven.
Noch die van zuipers. Dus wij gebruiken ons verstand. Wie
voelt zich niet ontmand door de wassende waarheid?

Een hooggebergte vlijt zich lekkend neer in onze boezem,
terwijl de kust – die vervaarlijk oprukkende rand – haar
zilte lippen aan ‘t fronsend voorhoofd brandt.

‘Vaarwel mijn strand’. Shakespeare schijnt ons te verlaten.
Maar voordat groente brak smaakt en rivieren in zijn
verzen schijten, verhogen wij de scheidingswand.

Waar het ons tegenzat was hij wel vaker dissonant.
Als ‘de vis aardt naar de zee’, dan de dronkaard naar zijn
drank. Leg hem niet uit hoe hij aan lager wal belandt.

‘Onder water worden tranen onzichtbaar.’ O ja, hij laat vast
iets pathetisch na. Maar dood door verdrinking ligt niet voor
de hand. Hij moet nog zoveel kwijt van zijn gemoedstoestand.

Schrijver: Ronald van Noorden ©Cum Suis 2015

Het gedicht ‘Generatie Swipe’.

Uit: schrammenbloed

Het onderstaande gedicht werd in 2016 ingestuurd voor deelname aan de Turing Nationale gedichtenwedstrijd (nu genaamd: De Gedichtenwedstrijd). Ik noemde het toen Tinderella. Alle gedichten in de tweede ronde werden voorzien van een persoonlijke feedback.

Assepoester heeft geen tijd meer om te wachten tot de fee haar koppelt met de man van haar leven. Tegenwoordig moet ze daar zelf voor zorgen! Gelukkig bestaat er zoiets als de dating-app Tinder. Meet Tinderella. Een romantische verbinding komt vaker niet tot stand dan wel. Ze veegt de mindere goden in één vloeiende beweging aan de kant.

Die luidde voor dit gedicht:

Zeer mooi, erg vakkundig gedicht dat iets van de tijdsgeest perfect verwoordt. Vooral in de laatste helft overtuigt dit gedicht, want aanvankelijk klinkt de combinatie van het zeer traditionele rijmschema, het moraliserende thema, en het afstandelijke perspectief nogal belerend (wat niet wil zeggen dat de ‘les’ niet helemaal terecht is). Naar het einde toe komt er meer plaats voor ambiguïteit (vrij willen zijn van ‘dwangprofeten’, niet meer te hoeven ‘kreunen voor de eeuwigheid’ is begrijpelijk) en neemt het gedicht de lezer volledig mee. De ‘wij’-vorm, die impliceert dat elk van ons (ook Tinderella zelf dus) zo tot oppervlakte en tijdelijk vermaak wordt herleid, is uitstekend gekozen. De v-v-v alliteratie aan het einde (prachtige zin!) roept perfect de snel herhaalde swipe-beweging op, maar doet het gedicht ook mentaal nagalmen in de leegte. Virtuoos.

Jury van Turings Nationale Gedichtenwedstrijd 2016

Tja, als je zo’n waardering krijgt (virtuoos!), kun je jezelf de vraag stellen wat je nog meer moet doen om in de prijzen te vallen. Toch is het verstandiger om je daar niet op te fixeren en je tevreden te stellen met het deskundige commentaar van de voorjury. Het ging om een persoonlijke beoordeling van medewerkers van de poëzietijdschriften Awater en Poëziekrant.

Het gedicht is nu opgenomen in de bundel Het Eenmansimperium

Ik deed mijn voordeel met deze professionele feedback. Ik veranderde alleen nog de naam van het gedicht. Ik noemde het een tijdlang Her ‘Tinder’ Touch. Het gedicht is nu opgenomen onder de naam Generatie Swipe in de bundel Het Eenmansimperium, uitgegeven door uitgeverij Cum Suis.

Generatie Swipe


Je passies zijn niet groot en kort van duur,
de smaak van het moment beheerst je leven,
de stemming van de dag of van een uur
beïnvloedt onophoudelijk je streven.

Je dient de gril van je gemoed; al geven
wanen geen voldoening, een nieuw geloof
is goed voor even (je moet er blind en doof
voor zijn, of gek, of in het nauw gedreven).

Goeroes, wonderdokters, dwangprofeten,
al die dwazen voor bepaalde tijd
die je te woord staat tegen beter weten…

Wie kreunt nog voor de eeuwigheid?
Je haalt ons binnen en je moet ons kwijt;
wij worden met een vingerveeg vergeten.

Schrijver: Ronald van Noorden © 2016 Cum Suis


Voor de geïnteresseerden, hier een kleine geschiedenis van de ontwikkeling van dit gedicht. In 2012 noemde ik het RP (naar de datingsite Relatie Planet die in die tijd nog populair was). Het gedicht eindigde minder sterk toen, namelijk met de zin: ‘wij worden met een muisklik weer vergeten!’ In 2016 doopte ik mijn gedicht om tot ‘Tinderella’, in 2017 tot Her ‘Tinder’ Touch, en nu noem ik het Generatie Swipe. Het is onder die naam opgenomen in de bundel Het Eenmansimperium.

Gedachten over poëzie, gevolgd door het gedicht ‘kruimeldief’.

Uit: Schrammenbloed

Ik acht alle kunst – ook de toegepaste – een vorm van overdrijving, maar zeg er meteen bij dat ik overdrijving niet vervelend vind. Bij een bepaalde vorm van poëzie hangt het erom, de laatste tijd. Ik ben geneigd om afstand te nemen van de ontoegankelijke variant, zeker van de moeizame voortbrengselen die alleen maar complex lijken en verder niet verrassen.

Frederic Bennett – Climbing Mount Olympus

Mijn blik ketst af op een bepaalde vorm van poëzie. Ik twijfel niet aan mijn bevattingsvermogen maar wel aan mijn goede wil. Ik snap iets van het waarom van dichterlijk bedoelde uitingen, maar ik sluit me inmiddels steeds bewuster af voor werk dat het gewoon niet heeft voor mij.

Veel gedichten zijn, met een beetje moeite, inhoudelijk goed te begrijpen. Ze dragen een prettige boodschap uit, verpakt in een boeiend thema. Ze vervelen niet en maken de voorstelling niet te simpel. Dat is één kant van het poëtisch spectrum. Daarnaast is er het soort van poëzie dat voor literatuur wil doorgaan maar geen waarachtigheid bevat. Wat is daarmee aan de hand?

Zit er teveel ijdelheid achter? Ach nee, waarom zou een dichter geen praalhans mogen zijn? Gaat het de schrijver meer om de luister van woorden dan om de boodschap? Ook niet, dat kan hele aangename poëzie opleveren vol taalvernieuwing. Ontbeert het hem aan inspiratie? Ach, waarom zou je enorm gemotiveerd moeten zijn? Soms dient een goed gedicht zich aan terwijl je niets van plan was.

Ik denk dat wat werkt zich bevindt binnen een kleine marge van te elitair en te banaal. Op het scherp van die snede balanceert het zo’n beetje. De schrijver die zich op die richel handhaaft toont evenwicht. Zijn positie kan nog steeds wankel zijn maar zijn werk toont harmonie en stabiliteit. Het voor de hand liggende aan de ene kant en het onbegrijpelijke aan de andere, zijn slechts een kleine misstap verwijderd van de ideale route. Maar een goede schrijver maakt geen misstappen, althans niet op dit terrein.

Er blijft weinig over aan genotsbeleving als je mee moet voelen met een taal die omwille van de originaliteit bewust ontoegankelijk is geworden. De inspanning die je moet doen om het geschrevene te begrijpen, staat de schoonheidservaring in de weg. Hetzelfde geldt voor een resultaat waarin de literaire kwaliteiten teveel aan de kant zijn geschoven. Dan voelt het allemaal te plat, te laag, te min.

Het is lastig om te voldoen aan de criteria van wat ik zelf mooi vind aan poëzie. De beeldspraak die ik voor mijn dilemma hanteer werkt voor mij best aardig, maar deel ik – omdat die zo cliché is – liever niet met anderen. Tot nu toe dan. Ik maak even een uitzondering op mijn regel om uit te leggen hoe ik tot onderstaand gedicht kwam. Noem het een gelegenheidsmetafoor, ik moet u tenslotte op de hoogte brengen [sic].

Als ik mijmer over het geheim van goede poëzie zie ik steeds die berg voor me met dat smalle pad naar boven. Mijn voeten vinden geen houvast [andermaal sic]. Als je dat doortrekt kun je het al gauw een zangberg noemen. Durf je nog onverschrokkener de uitgesleten paden te betreden, dan houd je jezelf staande, onder Apollo’s leiding, op Helicons flanken, om uiteindelijk uit de bron te drinken van het zuiverste water.

Aan die, uit de hoge borst van moeder aarde ontspringende levensader, kon je, in verheven tijden, als serieus poëet, traditioneel je dorst naar dichtvermogen lessen. Dat zuivere water heette inspiratie. De kostbare bron moest een beetje ver en onbereikbaar gesitueerd worden, opdat niet iedere zelfverklaarde muzenzoon er z’n voordeel mee zou doen. Zo werd het dichten een elitaire aangelegenheid.

Symbolisch gezien weet ik precies wat ik goede poëzie vind. Een goed gedicht kan over alles gaan zolang de vervaardiger de afgronden van hoogdravendheid en platitude maar weet te mijden. In het volgende gedicht houd ik de bedreiging van het overgecompliceerde volgens mij goed op afstand. We zien hier geen gekunsteld gewrocht dat alleen nog door de maker is te duiden.

Ik ben ook niet aan het rijmen geslagen. Het is – al zeg ik het zelf – geen onbenullig gelegenheidsversje geworden. Maar oh jee, ik heb de daad van het dichten naar een berg verplaatst en daar ligt laagheid op de loer. Die massieve puist was maar niet weg te slaan uit mijn voorstellingsvermogen. Ik knijp hem helemaal uit – als ik zo vrij mag zijn – en of dat niet gaat stinken? Juist de banaliteit van het leentjebuur spelen op de flanken van een historisch monument (om niet te zeggen artefact) leek mij een aardig issue.

Naast dat wat anderen al op zangbergen hebben uitgespookt – en bij Helicon, dat is een hoop! – leek mij dit ‘niemendalletje’ een grappige uitbreiding van het beeld van de berg als behoeder van de inspiratiebron. Ik stel mij als kruimeldief zowel bescheiden op als onbeschoft. Ik treed de traditie met voeten. Ik eer en verteer. Ik beoefen hetzelfde vak als de grote voorgangers, die ik ogenschijnlijk bewonder, maar hak en pak naar believen.

Ik ben wel klaar met de mythologie van de hoogvlakte. Er mag uiteindelijk geen poëtische berg meer overblijven.

Kruimeldief

Ik mik wel op iets hogers
– Hartz, Olympus, Helicon of Mont Ventoux –
maar wil het dal nog voor de avondval bereiken
(mijn liefste zangberg leidt een kabelbaan naar boven).

Als ik steel zijn het maar schilfers
van ’t Papier Massief der Grote Literaten,
wat kiezelstenen roofgoed naar het eigen nest;
ik leg ze uit als stratenmaker in m’n eigen straatje.

Zie mij, toevallige raper in het
voorportaal van eeuwenoude groeven,
die slechts bevrijdt wat toch al loszat.
Perfectie kan me wat. (Misschien is dat te merken?)

(Uit: Schrammenbloed; © 2012 Cum Suis; Auteur: Ronald van Noorden)

Claude Lorrain – Apollo en de Muzen op berg Helicon

Het gedicht ‘Pillendraaister’.

Uit: Schrammenbloed

Pillendraaister


Drie dragees schreef de dokter
en altijd maar dat meisje
dat diens duisternis vertaalde met een lach.

Ze zette onleesbare briefjes om
van onbegrijpelijk naar onbeduidend,
zichzelf onbetaalbaar makend.

Ze scheen bezorgd, dat was al wat.
Ze maalde en mengde, bundelde
krachten tot een handvol hoop.

Navigerend tussen meterslange lades,
zwevend boven haar precisieschalen,
was zij het enige wat hielp.

“Lees de instructies” zei ze.
Ze waarschuwde altijd
voor bijwerking. Van wie? Van wat?

Maar onvermijdelijk dyslectisch
want te erg voor woorden,
keerde hij potjes in potjes, kraste

zijn vaarwel op een bijsluiter,
en verzamelde moed voor
geen terugkeer meer mogelijk.


Ronald van Noorden © 2012 Cum Suis

Het gedicht ‘Oproep’.

Uit: Schrammenbloed

Locatie: een hiphopkelder van een middelgrote stad in de provincie. Je zou de avond saai noch inspirerend kunnen noemen. De optredens waren, tot dan toe, tamelijk voorspelbaar. Terwijl de tent toch ‘Home of the Brave’ werd genoemd. Die naam was trouwens ook niet origineel.

Toen ontstond er plotseling commotie. Een man van rond de zestig had het podium betreden. Dit kon best de volgende act zijn. Of een vader die zijn kind zocht. Een gezagsdrager misschien, die iets gewichtigs had te melden? Hij droeg een politiepet, maar dan zo één die ook voor style item kon doorgaan.

Solovlucht van een bipolaire copiloot. (Het Eenmansimperium, ©Cum Suis)

Hij zei op zoek te zijn naar een weggelopen hond en wilde een oproep plaatsen. Iemand moest van deze wending in het programma op de hoogte zijn, want op zijn aangeven werd op de achtergrond een begeleidingsband gestart. Al snel bleek dat hij het Beat Box tempo niet kon bijhouden. Eigenlijk reciteerde hij meer dan dat hij rapte.

Poëzie met een grote P leek een beetje naar de achtergrond verdwenen.

Misschien maakte dit onderdeel uit van zijn optreden? Een poëtisch protest in een voormalig gemeenschapshuis waar nu alleen nog ruimte was voor Breakdance, bboy, hiphopdance, popping, DJ, Turntablism, scratchen, Rap en Graffiti workshops? Poëzie met een grote P leek een beetje naar de achtergrond verdwenen.

Hij droeg een prozaïsch gedicht voor over ene ‘Raaf’ die misschien voor hem op de vlucht was of in het geheim een ‘terloops gezin’ had gesticht. Het beest kon ook zijn opgepakt door ‘witgejaste mannen’ en nu ergens in ‘een tuig’ staan alwaar zijn ‘kwijl werd opgemeten’.

Klein straatschenderig wezen, waar hang je uit? Wie
heeft je ’t laatst gezien? Ik stelde geen condities aan je
zwerftocht, maar dat je steeds terugkwam gaf mij hoop
(al was het honger dat je naar je hok dreef).

Tot zover deze zoektocht naar zijn huisvriend. Door het gejoel dat uitbrak kon men de rest van de voordracht niet meer horen. De schrijver/performer begon te jammeren dat het een schande was, maar zo werkte dat hier. Het publiek had een mening en bepaalde. Deze grijsaard wist gewoon te weinig beats in een minuut te stoppen waardoor de boombooms met hem aan de haal gingen en de protesterende buurtjongeren voor zijn boodschap bedankten.

Je moest de stem van de auteur er gewoon niet bij horen, noch hem er bij zien.

Het heeft niet aan de woorden gelegen, concluderen sommigen. Je moet de stem van de auteur er gewoon niet bij horen, noch hem zien optreden. In de rust van een bundel en bij onstentenis van zijn wat al te grote gedrevenheid komt het geschrevene prachtig geserreerd over. Dit lijkt zo’n geval waar we vorm en vent moeten scheiden in het belang van de schoonheidsbeleving. 

Oproep

Klein straatschenderig wezen, waar hang je uit? Wie
heeft je ’t laatst gezien? Ik stelde geen condities aan je
zwerftocht, maar dat je steeds terugkwam gaf mij hoop
(al was het honger dat je naar je hok dreef).
Makke vos, waar ben je nu? Werd je soms meegelokt
door witgejaste mannen? Sta je ergens in een tuig en wordt
je kwijl gemeten? Jij was toch nooit te paaien met een
plakje? Jij tilde toch je poot op voor de boomstille garde?

Kreeg je niet genoeg te kluiven? Of heb je soms weer
een terloops gezin gesticht? Enig schepsel dat ik binnen
liet nadat ik elke ingang had gedicht, hier spreekt je baas,
blaf me toe in het vertrouwd geïnfecteerd gewoefwaf.
Hoeveel manden heb ik niet vervangen? Wie leerde jou met
pijn en moeite 5 bevelen waaronder blijf en zit en hier? Wie wist
het meest van rabiës, loopse teven, wie trok de teken uit je vacht,
en heeft je, na je ongeval, op al je poten teruggebracht?

Joeg iets in mij de huiver door je leden? Maar je eerste plas
werd zonder morren opgedept, de tweede tijdig ondervangen,
en toen je zindelijk genoeg was mocht je de berber voor
de haard beslapen. Jij lieve op je eigen staart jagende idioot,
braaf beest waar ik soms mijn handen aan heb afgeveegd,
kras aan mijn deur, vertrouw je neus voordat de nestgeuren
vervagen. Ik smeek je Raaf, als je nog leeft,
keer langs het spoor terug dat aan ons kleeft.

Ronald van Noorden ©Cum Suis

Het gedicht ‘verdwaalde’.

Uit: Het Eenmansimperium

Een dolende ridder zonder schild.

Verdwaalde


Opeens herkende hij zijn buurt niet meer.
Hij dacht dat de verkeerde tram
hem te ver van huis had gebracht;
hij stapte uit en alles was hem vreemd.

Hij liep zichzelf teruggekeerd voorbij,
zag vreemde voeten onder zich verdwijnen.
Aan wie vroeg hij de weg dat hij een
kamer in dit huis kreeg naast de mijne?

Hier was het goed, hij werd meteen begrepen.
Maar hij verdwaalde dieper in zichzelf.
Er staken, zei hij, ogen in zijn rug;
hij moest en zou naar huis terug.

Daar is hij ook beland. Gehaald door iemand
die hem vreemd was, werd hij met foto’s
van zichzelf bedrogen; hij kreeg het ware
nooit zo waar meer onder ogen.

Maar hij mocht opgaan in andermans
verleden, en kon, al had hij het te leen,
wel instaan voor het leven van een
man die ooit gelukkig scheen.


Schrijver: Ronald van Noorden © 2012 Cum Suis

Gedachten over René Stoute, gevolgd door het gedicht ‘René / Renate’.

Uit: Het Eenmansimperium

Voordat René Stoute een verhalenbundel schreef met een meeslepende titel, scheen hij een onverschillig stuk vreten dat bietsend en gappend door de hoofdstad zwierf. Dit vertelde mij althans een oud klasgenoot, die ook naar Mokum was verhuisd. De mannen waren geen vrienden, wel lotgenoten, twee grachtengordeljunks met schrijfaspiraties. De klasgenoot beweerde te zijn afgekickt. Zijn writersblock bleek onherstelbaar.

Renate is op 19 maart 2000 op negenenveertigjarige leeftijd overleden.

Ik leefde in Amsterdam in dezelfde periode als zij. Ik verbleef ook veel op straat. Die kennis uit mijn provinciestad kwam ik regelmatig tegen. Hij versperde mij de weg omdat hij iets belangrijks had te melden. Het kwam er altijd op neer dat hij geld van mij wilde. Stoute zag ik nooit. Hij ziet er bleek uit op een foto uit die tijd die ik op internet vond. In levende lijve is hij voor mij onzichtbaar gebleven. ‘Maar is dat laatste niet juist het kenmerk van zulke jongens?’ probeerde de steeds vager wordende bekende.

Het gedicht R/r is ontstaan nadat ik had gelezen van de geslachtsverandering van schrijver en dichter René Stoute. Renate is op 19 maart 2000 op negenenveertigjarige leeftijd overleden.

Het leven van Stoute is in mijn ogen één van de meest tragische Nederlandse schrijverslevens in de literaire geschiedenis van ons taalgebied.

De tweede regel van mijn gedicht bevat een verwijzing naar de titel van haar debuut; de verhalenbundel ‘Op de rug van vuile zwanen’. Het werk kwam uit in 1982. De schrijfster zou vanaf toen nog ruim tien jaar als man door het leven moeten.

Niet alleen de titel sprak me aan, ook het boek deed me veel indertijd, mede omdat ik in de beschreven periode zelf nogal zieltogend door Amsterdam zwierf. Ik voelde verwantschap met de junk die al schrijvend probeert zijn verslaving te boven te komen. Het vervolg is voorspelbaar en dramatisch.

Waardering kan zo belangrijk zijn. Zou het hem een opleving hebben gegeven?

In 1991 bracht de schrijver zijn behoefte aan travestie aan het licht achter een, bewust transparant gehouden, façade van fictie. Terzelfdertijd kwam Maarten ‘t Hart met een soortgelijke boodschap. Die was niet zozeer in literatuur vervat maar werd veel openlijker uitgedragen. Ik vroeg mij af of diens belijdenis eerder een provocatie was dan een daadwerkelijk verlangen om gekleed te gaan als lid van de andere sekse. Het antwoord doet er niet toe. Feit is dat alle media-aandacht zich richtte op de in, weinig modieuze, vrouwenkleding uitgedoste ‘t Hart. Waarschijnlijk vanwege zijn grotere bekendheid als publieksschrijver. Ik gun hem die aandacht. Hij is een groot schrijver. Zijn uitdossing was allesbehalve glamoureus. Een dragqueen leek hij zeker niet. Maar ook dat doet niet ter zake. Wat ik mij nu afvraag is of een soortgelijke aandacht iets voor Stoute had kunnen betekenen. Waardering kan zo belangrijk zijn. Zou het hem een opleving hebben gegeven?

De gendertransformatie die Renate niet lang daarna onderging verliep allesbehalve gemakkelijk. Het schrijven wilde ook niet meer zo. Het lichaam van de schrijfster werd herinnerd aan een slopend drugsverleden middels opspelende leverkwalen. Ook stress was een constante factor. Een combinatie van problemen werd de schrijfster fataal. René heeft een veel te kort bestaan als Renate mogen doorbrengen.

Het leven van Stoute is in mijn ogen één van de meest tragische Nederlandse schrijverslevens in de literaire geschiedenis van ons taalgebied. Zij verdient dan ook meer dan mijn ene gedichtje. Soms is het triest dat je werk niet wordt opgepikt zoals je voor ogen stond. Vaker is zo’n misverstand alleen maar lachwekkend. Doorgaans ook best wel begrijpelijk.

Ik heb onderstaand gedicht indertijd opgestuurd om mee te doen aan Turings Nationale Gedichtenwedstrijd. Ik was blij dat ik met mijn bescheiden eerbetoon de eerste ronde haalde en minder opgetogen dat het niet terechtkwam in de selectie van de laatste 100 (dan wordt het opgenomen in een verzamelbundel). Mijn uitverkoring voor althans die eerste schifting had als voordeel dat het gedicht van een kort commentaar werd voorzien door een vakjury. Men had er het volgende over te zeggen:

‘Het begin is sterk, met de Niels Holgersson-achtige beschrijving, daarna wordt het cryptisch en onhelder. Concentreer je op een beeld en werk dat uit.’

Ik had een tamelijk helder beeld van de door Amsterdam zwervende junk toen ik het schreef. Zoals ik boven al suggereerde heeft het indertijd niet veel gescheeld of ik was zelf in het drugscircuit terecht gekomen. Het moet een worsteling geweest zijn voor Stoute om daarvan afgekickt verslag uit te brengen. De verhalen die hij bij De Arbeiderspers inleverde dienden dan ook ingrijpend geredigeerd te worden.

Ook ik kon wel wat redactieadviezen gebruiken indertijd. Zo had ik wat mannelijke persoonsvormen door vrouwelijke moeten vervangen. Ik had ieder misverstand over mijn onderwerp kunnen wegnemen door in de titel gewoon de man en de vrouw bij naam te noemen. Die veranderingen heb ik onderstaand doorgevoerd:

René / Renate (over R. Stoute)


Haar neus nog vol van wat hij had gedaan
– hij had op zwanenruggen meegevlogen –
werden de uren gram voor gram gewogen
waarin zij leerde op zichzelf te staan.

Zijn laatste boek ging over spijt
van wonden die tot bloedens toe genezen,
verdriet dat hangt rond ieder afscheid
en ‘t heft in eigen hand dat zich laat vrezen.

Zoveel uitleg deed de geest geen goed.
‘t Verleden dat zij trachtte te verdrijven
kon hij zo nuchter niet beschrijven
of ‘t kroop haar toch weer in het bloed.


Schrijver: Ronald van Noorden © 2012 Cum Suis

Naschrift:
Zoals wij weten speelt Nils Holgersson de hoofdrol in een kinderboek van Selma Lagerlöf. Ik wist van dit jochie alleen maar dat hij voor straf was omgetoverd in een duimgroot wezen. Ik geloof wel dat ik het kinderboek vroeger bezat maar verhalen over kleine mensen schoof ik altijd meteen aan de kant.

Op wikipedia leerde ik dat Nils zijn lot een beetje had verdiend. Hij had namelijk een kabouter gevangen genomen en geweigerd hem vrij te laten. Nils was sowieso een nogal naar wezentje voordat hij uitvloog. Bijna alle wezens op de boerderij waar hij woonde maakten kennis met zijn sadistische trekjes. Toen hij er in slaagde om mee te vliegen op de rug van zwanen en hij zijn woonplaats dus achter zich kon laten leek iedereen blij dat hij weg was. Voor hem begon er een leerzaam en louterend avontuur.

Toen ik op zoek ging naar wat meer informatie over de titel van Stoutes’ boek, en dan met name het feit dat ‘zijn’ zwanen vuil zijn, werd er, ter verklaring, op sommige plaatsen ook naar een versregel van Paul van Ostaijen verwezen. ‘t Is grappig om te lezen dat veel mediabronnen elkaar wat dit betreft napraten maar dat niemand de gewraakte regel ook daadwerkelijk kan citeren. Die is er dan ook niet.

Wij hebben, volgens mij, geen sprookjes nodig, noch citaten uit het werk van Ostaijen, om ‘Op de rug van vuile zwanen’ te verklaren. De titel verwijst naar het bestaan als heroïne-junk dat Stoute tot zijn 27ste heeft geleid. Zowel de ‘zwanen’ als het ‘vuile’ ervan worden met dat gegeven afdoende verklaard.

Het gedicht ‘mad cat bounce’.

Uit: Het eenmansimperium

Tijdens een manische episode is een diagnose relatief eenvoudig omdat de kernsymptomen (verhoogde, expansieve of prikkelbare stemming) duidelijk herkenbaar zijn. Als psychotische symptomen op de voorgrond staan, of als er sprake is van een gemengde episode (het gelijktijdig voorkomen van manische en depressieve verschijnselen), kan de diagnose echter moeilijker te stellen zijn. Tijdens een hypomane episode is de diagnostiek soms lastiger, omdat in lichte gevallen het onderscheid met het normale functioneren alleen goed te maken is door iemand die de patiënt goed kent (heteroanamnese).

Mad Cat Bounce

Wat dacht men, dat ik boos was voor de sier?
Het zat ’m in de aard van ons soort leeuwen.
Ik werd aanhankelijk als een hongerig huisdier.
Ook mijn gebrul zou uitmonden in geeuwen.

Zowel jager als gejaagde mocht op eigen kracht
het lichaam van haar tweespalt niet genezen.
Woest maar zelfredzaam tot rust gebracht
was ik weldra op mijn dokters aangewezen.

Praten moest ik (ze hielpen als de beste).
Het bleek dat ik mijn wezen zelf verpestte.
Ze joegen de kat bij het prooidier vandaan

maar wisten zich geen raad met wat hen restte.
Kun je, als je ziet, hier is geen redden aan
niet beter de kat maar z’n gang laten gaan?

©Ronald van Noorden ©Cum Suis 2011