Semantiek als schild

Hoe één voorzetsel het verschil maakt tussen een meeloper en een master.

Beste Stéphanie en Janneke,

In een van jullie laatste podcastuitzendingen van De Shitshow ventileren jullie de ergernis aan mensen die een sweater dragen met het logo van Harvard, terwijl ze nooit aan die universiteit hebben gestudeerd. Als voorbeeld valt de naam van Humberto Tan.

In de laatste uitzending van de podcast Dit is Amerika wil presentator Michiel Vos, die naar jullie heeft geluisterd, van zijn gesprekspartner weten hoe het nou zit: “Heb je op Harvard gezeten of niet?”

De beroemde voetballer Tonny Harvard en zijn Ziggo-fans.

Het is grappig om te horen hoe Humberto hier semantiek gebruikt om toch te kunnen suggereren dat hij daar onderwijs heeft genoten. Hij bezigt namelijk consequent de formulering: “Ik heb bij Harvard gezeten.”

Dat is een prachtig staaltje taalkundige gymnastiek. Het echte antwoord op de vraag van Vos is even simpel als ontnuchterend: nee, hij heeft daar geen reguliere academische graad behaald. De presentator is gewoon in de rechten afgestudeerd aan de Universiteit van Amsterdam. Met zijn specifieke woordkeuze spreekt hij technisch gezien overigens wel de waarheid; zijn achterwerk heeft daadwerkelijk contact gemaakt met het meubilair op de campus in Cambridge.

In 2016 volgde hij daar namelijk een kortstondige masterclass aan de Harvard Business School. Het betrof de collegereeks The Business of Entertainment, Media, and Sports, gedoceerd door de Nederlandse professor Anita Elberse. Zo’n intensief ‘executive’ traject duurt doorgaans geen jaren, maar slechts een dag of vier. Het is een prestigieuze netwerkcursus waar vermogende prominenten aanschuiven; Tan deelde de collegebanken destijds met onder anderen acteur Channing Tatum en rapper LL Cool J.

Zijn zorgvuldig gekozen bewoordingen functioneren als een schild. Het voorkomt de valse claim van een volwaardige master of PhD, terwijl de elitaire associatie met het instituut subtiel overeind blijft. Een even slimme als ironische strategie om status te cultiveren.

Aangezien beide podcasten onder de vleugels van Tonny Media vallen, vermoed ik dat ik jullie hiermee geen schokkend nieuws breng en dat de onderlinge ergernissen op de kantoorvloer niet al te hoog oplopen. Maar toch; de anekdote is te vermakelijk om onbenoemd te laten.

Met vriendelijke groet,

Ronald

Lezersreactie:
Laat het ontdekken van de dubbele bodem in het onderschrift van die afbeelding maar aan de scherpte van de lezer over. De klankovereenkomst met ‘sycophants’ is volkomen duidelijk.

Antwoord:
Dank je. Bij deze geschrapt.

Haha, hij heeft daar dus niet regulier in de boeken gezeten. Toch vind ik het eigenlijk wel een meesterlijk staaltje verbale acrobatiek. Met die formulering zoekt hij exact de grens op tussen een feitelijke herinnering en pure status, wat maar weer eens bewijst dat de man retorisch ijzersterk is. Wat mij betreft hoeft hij hierom niet direct genadeloos aan de schandpaal; je moet hem de sportiviteit van de woordspeling bijna nageven.
Bram_V

Dat hij bij elke anekdote over zijn ‘Harvard-tijd’ direct de namen van Channing Tatum en LL Cool J laat vallen, maakt het er nou niet bepaald geloofwaardiger op. Als je met Hollywoodsterren en rappers in de collegebanken zit, weet je eigenlijk al dat je niet bezig bent met een gortdroge studie macro-economie, maar met een peperduur netwerkfeestje voor prominenten. Juist de behoefte om die namen te noemen, verraadt de drang naar status.
Eline, Haarlem

Vrijheid van meningsuiting à la carte

De selectieve verontwaardiging van de Grote Leider en zijn volgelingen.

Als de schoft genaamd Trump en zijn schurkenbende door niets en niemand werden tegengehouden, zouden ze waarschijnlijk achter de volgende journalisten aangaan (de lijst is uiteraard niet compleet, maar dit zijn de commentatoren die ik volg):

  • Ben Meiselas; MeidasTouch Network.
  • David Pakman; The David Pakman Show.
  • Tim Miller; The Bulwark.
  • Jessiah; Pondering Politics.
  • Amy Goodman en Juan González; Democracy Now!.
  • Brian Tyler Cohen; No Lie.
  • Luke Beasley; The Luke Beasley Show.
  • Krystal Ball; Breaking Points (dikwijls gepresenteerd met Saagar Enjeti).
  • Kyle Kulinski; Secular Talk.
  • Cenk Uygur en Ana Kasparian; The Young Turks (Rebel HQ).
  • Natalie Wynn; ContraPoints.
  • Sam Seder; The Majority Report with Sam Seder.
  • Chris Hedges; The Chris Hedges Report (of gelieerd aan The Real News Network).
  • Kara Swisher; On With Kara Swisher.
  • Hasan Piker; HasanAbi.
  • Thom Hartmann; The Thom Hartmann Program.
  • Scott Galloway en Kara Swisher; Pivot.
  • Chip Franklin, Corinne Straight en Justin Horowitz; Really American.
  • Adam Mockler; The Adam Mockler Show.
  • Jeffrey Sachs, John J. Mearsheimer, Stephen Walt, Rohit „Ro” Khanna; geen eigen platform maar regelmatig optredend als gasten in andermans show vanwege hun expertise.
Noam Chomsky: “If you’re in favor of freedom of speech, then you’re in favor of freedom of speech precisely for views you despise. Otherwise, you’re not in favor of freedom of speech.” (De cartoon van Matt Wuerker wordt hier geplaatst met impliciete toestemming.)

Vrijheid van meningsuiting, het is een prachtig concept. Een soort heilig huisje in het Amerikaanse landschap, vooral luidkeels bejubeld door Donald Trump en diens discipelen. Tenminste, zolang de boodschap in hun straatje past. Zodra de wind uit een andere hoek waait, verandert datzelfde principe in een ongemakkelijke hindernis.

Neem het recente theater rond Jimmy Kimmel. De presentator durfde het aan om een grap te maken over het leeftijdsverschil tussen Trump en zijn echtgenote Melania (“Mrs. Trump, you have a glow like an expectant widow”). Een mop zo oud als de weg naar Kralingen; absoluut geen hoogvlieger op het gebied van originaliteit. Cruciaal detail: deze uitspraak werd gedaan vóórdat een verward individu probeerde binnen te dringen bij een evenement in Washington. Er was dus precies nul komma nul causaal verband. Toch schreeuwde het Trumpkamp moord en brand; het zou gaan om “aanzetten tot geweld”.

Trump eiste zelfs dat de zender ABC Kimmel de laan uit zou sturen (dit wordt daar nu zowaar overwogen). Dat is een regelrechte poging om een kritisch medium de mond te snoeren. Censuur in de praktijk, verpakt als morele verontwaardiging.

De hypocrisie druipt er vanaf wanneer we kijken naar het eigen gedrag van de gewelddadige narcist. Nog geen twee dagen later maakte hij tijdens een officieel moment met de Britse koning zelf een flauwe opmerking over zijn huwelijk en Melania. Gênant? Zeker. Maar riep iemand op om hem van het podium te plukken? Nee hoor. Dat valt dan weer onder de noemer ‘vrijheid van meningsuiting’ en ‘je moet ertegen kunnen’.

Het probleem is niet de grap; het probleem is de persoon die hem vertelt. Wanneer Trump of zijn handlangers beledigingen uiten, is het humor. Wanneer een komiek precies hetzelfde doet over de leider zelf, is het plotseling gevaarlijk en moet het stoppen. Dit is geen principiële houding; het is opportunisme van de bovenste plank. Het mechanisme is inmiddels zo voorspelbaar als een klok:

  • Men rukt een willekeurige opmerking uit zijn context en plakt er de stempel ‘bedreiging’ op.
  • Vervolgens wordt dit gekoppeld aan een echt incident zonder enig bewijs (een klassieke drogreden).
  • Morele paniek is het resultaat, want woorden zouden immers geweld veroorzaken.

Satire is al eeuwenlang een onmisbaar instrument om de macht te controleren. In de Verenigde Staten wordt dit zelfs expliciet beschermd door het Eerste Amendement. En nee, dat recht is er niet alleen voor serieuze journalisten; ook humoristen hebben er recht op.

Het gevaar voor het vrije woord komt niet van een late-night host met een flauwe opmerking. Het schuilt in politici die zelf bepalen wie er wel of niet mag spreken en die mediabedrijven onder druk zetten. Zelfs als Kimmel zijn baan behoudt, is de dreiging reëel. Het creëert een angstcultuur waarin mensen uit voorzorg zwijgen uit angst voor represailles. En dat is precies hoe een vrije maatschappij langzaam afglijdt naar conformiteit.

Vrijheid van meningsuiting betekent niet dat je alles fantastisch moet vinden. Het betekent dat ook meningen die je de strot uitkomen, beschermd zijn. Je hoeft niet te lachen om Kimmel, je mag diens grappen gerust smakeloos vinden. Maar eisen dat een kritisch geluid van de buis verdwijnt, is iets heel anders.

Vrij naar Chomsky: Wie vrijheid van meningsuiting alleen verdedigt wanneer het hem uitkomt, verdedigt haar in feite helemaal niet.






Volmaakt gestileerde irrelevantie

De kleffe verhouding van de kunstkenner tot zijn onderwerp.

Natuurlijk kan Arthur De Graaf op forse kritiek rekenen; hij slingert immers een onbestaand citaat de wereld in met behulp van AI. Hij bijt in het zand en geeft zijn omissie ruiterlijk toe. Maar dat juist de heren van de kunstredactie over hem heen vallen, stoort De Graaf mateloos. Hij kent deze hofnarren van de status quo te goed. Terwijl zij hun zinnen polijsten met dure adjectieven en esoterische beeldspraak, zorgen ze er vooral voor dat hun werk geen rimpeling veroorzaakt in de vijver van de publieke opinie.

Juist de kampioenen van de risicoloosheid toonden zich het meest onvermurwbaar ten aanzien van een misstap van een collega die alleen voorkwam waar wél iets op het spel stond. Hadden zij ooit meer gedaan dan de theaterrol van journalist spelen? Ze bleven veilig achter de linies van het culturele leven; een terrein waar ze net genoeg van afwisten (mits je de filosofie niet meerekende).

De kunstjournalistiek verkiest blijkbaar een volmaakt gestileerde leegte boven een schurende zoektocht naar de waarheid. Bij Arthur staat er tenminste iets op het spel; bij hen is de inzet louter decoratief. Het is een wrange paradox: de sector kijkt liever naar een risicoloos ballet van woorden dan naar een scherpschutter die een doelwit durft te kiezen. De kans op een misser is bij die laatste vele malen groter, maar hij raakt tenminste de werkelijkheid aan.

In plaats van stelling te nemen, geven deze critici de voorkeur aan de kleffe intimiteit van de vernissage. Ze laten zich compromitteren bij premières van volstrekt inwisselbare voorstellingen. Ze worden gewillig rondgeleid langs hapjes en drankjes; ze dragen de badge en incasseren het salaris, maar ze verzuimen op het meest fundamentele niveau: het blootleggen van wat er werkelijk toe doet. Waarom wordt hun fundamentele luiheid nooit bestraft, terwijl een actieve fout direct tot een publieke executie leidt?

Misschien is het antwoord voor De Graaf simpeler dan hij denkt. Zijn beroepsgroep straft hem zo hardvochtig omdat hij bewijst dat hij er nog toe doet, al is het maar door te falen. Zijn critici daarentegen begaan de enige zonde die in de huidige journalistiek onbestraft blijft: ze zijn volkomen irrelevant. Ze overleven omdat ze, in al hun taalkundige precisie, simpelweg niets te zeggen hebben.

Terug van nooit weggeweest

Mona Keijzer was niet op zoek naar een reddingsvlot; daarvoor is haar Luctor et Emergo-reflex te goed ontwikkeld. Kapitein Mona confisceerde een ietwat verouderde ‘Lifeboat’ die alleen maar opgepimpt hoefde te worden om haar naam te mogen dragen.

De bijbehorende zeebenen heeft zij nog niet ontwikkeld. Toch is haar monsterboekje allerminst onbeschreven. Ze heeft best al zout over haar boeg gekregen, maar tot nu toe was zij een beetje een ‘mooiweerzeilster’. Zodra de barometer daalde, zocht zij een veilige haven op.

Je zou kunnen zeggen dat zij de kunst van het laveren goed onder de knie heeft, maar zich aan boord snel loopt te vervelen. Ze is een kapitein die wel aan het roer wil staan, maar geen zeekaarten inziet. Haar scheepje heeft de neiging om als ‘Flying Dutchman’ zonder kompas door een mist te varen.

Als ze al een bestemming weet uit te stippelen, is die buitenland-onvriendelijk en blijkt zij op ramkoers met de werkelijkheid te liggen. Hoezo geen mensen aan boord met een migratie-achtergrond Mona? Ooit van bootvluchtelingen gehoord?

De gekte achter het masker

Dit was niet de manier waarop ze de stad op stelten zouden gaan zetten.

Elias wist het al toen hij de trein uitstapte. De lucht in zijn longen voelde te ijl, zijn voeten te licht. Hij had die ochtend meer koffie gedronken dan de wankele vrede in zijn hoofd kon verdragen. Cafeïne fungeerde als versneller voor de naderende gekte. Terwijl hij richting de binnenstad liep, passeerde hij De Inktpot, het massieve gebouw waarin zijn oude werkgever was gevestigd. Met die UFO op de rand oogde het niet als een kantoorpand, maar als het hoofdkwartier uit de Gouden Eeuw van de comics.

Dualiteit speelt vaak een rol bij striphelden. Wanneer de grenzen tussen de eigen identiteit en de held vervagen, ontstaat er een gevaarlijke synergie. In de psychologie spreekt men bij een bipolaire stoornis vaak over de verhoogde eigenwaarde en de tomeloze energie die een manische of hypomane staat kenmerkt. Bij Batman lijkt het niet anders; de tunnelvisie die nodig is om de stad te redden, laat weinig ruimte voor degenen die naast hem staan.

Elias zag zichzelf staan. Niet als de man die een afspraak had met een goede vriendin, maar als de Dark Knight die vanaf de daken neerkeek op een stad die hij naar zijn hand ging zetten. Het was een kortsluiting in zijn hersenen: de gevels van de Utrechtse panden bogen weg voor het decor van Gotham. Hijzelf loste op in de schaduw van een wreker. Elias kende de manie achter die vermomming als geen ander.

Deze metamorfose is een klassieker waarmee in strips de diepste angsten worden verbeeldt. Bij Batman overstijgt de missie het niveau van een hobby; er openbaart zich een pathologie. Veel critici beschouwen de vleermuis als de werkelijke identiteit, terwijl Bruce Wayne slechts dienstdoet als het vleesgeworden masker om de schijn van normaal op te houden. Waar een personage als Spider-Man worstelt met sociale frictie – Peter Parker probeert zijn huur te betalen terwijl zijn alter ego de wereld redt – kenmerkt de tweespalt bij Batman zich door een grimmiger, existentiëler kaliber.

Het trauma van Wayne drijft hem tot een obsessieve hyperfocus. Vanuit een psychologisch perspectief schuurt dit tegen een dissociatieve staat aan, al behoudt Bruce de regie. Bij Elias nam de biologie de regie nu over. In die koortsachtige toestand degradeerde zijn empathische vermogen tot een bijverschijnsel; een noodzakelijk kwaad dat moest wijken voor de architect van het universum. Een overvloed aan dopamine joeg zijn hersenen op tot een toerental dat geen enkele nuance meer verdroeg; een interne storm die alles wegvaagde ten gunste van die ene, allesoverheersende missie.

De ontmoeting vond plaats in een café aan de Oudegracht. Voor Elias fungeerde haar stem als achtergrondruis bij zijn eigen, schitterende gedachtestroom. Hij was getransformeerd tot een personage; eendimensionaal, onstuitbaar en volkomen onbereikbaar voor de menselijke maat. Terwijl zijn geest ruimte bood aan messiaanse inzichten, waande hij zich in Sin City. De bravoure waarmee hij die denkbeeldige wereld dacht te redden, voelde in zijn hoofd heroïsch, maar in de praktijk van de middag bleef daar niets van over. Het reduceerde zijn gedrag tot een staaltje vermoeiende egomanie.

Pas uren later, toen de zon zakte en de koortsige glans van de dag begon af te nemen, kwam hij bij. In de stilte van de terugreis besefte hij wat hij had aangericht. Haar aandoening, die allesoverheersende factor in haar leven – de reden ook dat ze soms met moeite haar koffiekopje tilde – was in zijn tunnelvisie niet meer dan een voetnoot geweest. Terwijl hij zijn eigen bedreigde fantasiewereld bestierde, had hij haar onherroepelijk in de steek gelaten. De Batman in hem had het stuur overgenomen met een arrogantie die geen tegenspraak duldde. Zijn neurologie verklaarde de drang, de verhoogde eigenwaarde en de tomeloze energie, maar zij wiste niet de schuld uit. Hij schaamde zich diep, maar helaas wel te laat.

De stad was die dag inderdaad onveilig geweest. Alleen was hij zelf de schurk van het verhaal geworden.

Terug naar normaal (eigen foto, genomen op maandag 22 maart 2026). De Inktpot staat in Utrecht bekend als het grootste bakstenen monument van Nederland. Oorspronkelijk gebouwd als het vierde administratiegebouw van de Nederlandse Spoorwegen (HGB IV), is het inmiddels de zetel van de spoorbeheerder ProRail. Het gebouw werd tussen 1918 en 1921 opgetrokken onder leiding van architect George van Heukelom. Vanwege de materiaalschaarste na de Eerste Wereldoorlog moest men creatief zijn. Omdat bakstenen schaars waren, kocht de NS zelf twee steenfabrieken en een houtbedrijf op om de aanvoer te garanderen. In de fundering zijn oude spoorstaven verwerkt; een vroege vorm van hergebruik die de constructie een ijzersterke basis gaf. Het gebouw is gigantisch, met kilometers aan gangen en honderden kamers. Ter gelegenheid van de tentoonstelling Panorama 2000 plaatste kunstenaar Marc Ruygrok een UFO op de hoek van de dakrand. Het is 12 meter breed en geeft ’s avonds licht. Hoewel de buitenkant van het gebouw doet denken aan de Amsterdamse School of de vroege zakelijkheid, is het interieur minstens zo fascinerend. We zien daar veel Art deco invloeden; veel van het originele meubilair en de tegeltableaus zijn bewaard gebleven. Het gebouw bevat twee interne watertorens die vroeger de druk op de waterleidingen van het spoorwegnet reguleerden.

P.S.1: Bij Peter Parker ligt de focus minder op een gespleten psyche en meer op de sociale frictie. Hij is in de eerste plaats een mens die toevallig superkrachten heeft. Hij probeert z’n huur te betalen, tentamens te halen en relaties te onderhouden. De Spider-Man vermomming vormt de uitlaatklep voor zijn verantwoordelijkheidsgevoel. Zijn twee kanten zitten elkaar constant in de weg; als Spider-Man een bankoverval stopt, komt Peter Parker te laat op zijn werk. Als we kijken naar wie de meest ultieme dualiteit toont, komen andere stripfiguren nog sterker naar voren. Two-Face is de letterlijke verpersoonlijking van gespletenheid (goed vs. kwaad). The Hulk toont een biologische en psychologische splitsing; ratio (Banner) versus instinct (Hulk). Superman is de omgekeerde Batman; Clark Kent is het masker dat door een god wordt gedragen om erbij te horen. Hoewel Batman een diepe, duistere tweespalt kent, is Spider-Man waarschijnlijk degene die het meest tastbaar worstelt met het combineren van twee levens. We noemen Spider-Man een klassieke superheld: zijn kracht, reflexen en ‘spider-sense’ zijn genetisch veranderd. The Hulk en Superman vallen hier ook onder. De term ‘Super’ slaat direct op hun bovennatuurlijke status.

P.S2: Bruce Wayne heeft een schaduwkant en een civiele kant. Strikt genomen is hij een costumed vigilante (gemaskerde burgerwacht). Hij heeft geen superkrachten; zijn ‘kracht’ komt voort uit extreme training, technologische gadgets en een onuitputtelijke banktekening. In de academische analyse van strips wordt hij vaak een ‘Mystery Man’ genoemd, een term die stamt uit de jaren ’30 voor helden die hun identiteit verbergen om de wet in eigen hand te nemen. Zijn trauma (de moord op zijn ouders) drijft hem tot een obsessieve strijd tegen de misdaad. Als burger fungeert Wayne als filantroop en playboy. Vanuit een psychologisch perspectief zou je dit kunnen linken aan concepten uit de persoonlijkheidsleer, zoals de dissociatieve identiteitsstoornis, al voldoet Bruce zelden aan alle klinische criteria aangezien hij volledige controle en herinnering behoudt over beide rollen.
Batman ging lang geleden op in zijn alter ego; zijn menselijke kant vormt een goed geregistreerd toneelstukje voor de buitenwacht. In Gotham bestaat er geen ruimte voor twijfel. Batman is niet zomaar een man in een pak; hij is een rigide constructie van pure wilskracht en hyperfocus. Voor de buitenwacht lijkt dit misschien op discipline, maar van binnen is het een allesverslindende stroomversnelling.

P.S.3: Of je nu een duistere miljonair bent met een voorliefde voor vleermuispakken of een student met geldgebrek; de dualiteit speelt vaak een rol bij striphelden. Wanneer de grenzen tussen de eigen identiteit en de held vervagen, ontstaat er een gevaarlijke synergie. In de psychologie spreekt men bij een bipolaire stoornis vaak over de verhoogde eigenwaarde en de tomeloze energie die een manische of hypomane staat kenmerkt. Je wordt, net als Batman, de architect van je eigen universum. De stad ligt aan je voeten; elk detail is scherp en elk obstakel lijkt slechts een test van je eigen superioriteit. Maar waar Batman de controle claimt te hebben, daar neemt de bipolariteit de regie ongevraagd over. De vergroeiing met dat alter ego – die almachtige staat waarin rust een belediging is en actie de enige waarheid – heeft een hoge prijs. Terwijl Batman zweeft boven de straten, verliest hij het contact met de grond. Het is in deze staat dat de held de overhand krijgt en de menselijke connectie naar de achtergrond verdwijnt. De tunnelvisie die nodig is om de stad te redden, laat geen ruimte voor de behoeften van degenen die naast je staan.

Een veelzeggende veroordeling

Het cordon sanitaire kende geen pardon.

Zijn excommunicatie was onmiddellijk en totaal. Het vonnis werd geveld in de digitale arena’s, waar jongere vakbroeders inmiddels de scepter zwaaiden; een generatie die algoritmen intuïtief bespeelt en voor wie de valstrikken van AI gesneden koek zijn. Hij had zich schuldig gemaakt aan de ultieme journalistieke doodszonde. Hoe kon een man die decennialang in de frontlinie van de nieuwsgaring stond, zo struikelen over een paar regels code? Een hallucinatie van een chatbot, die door hem in de haast van de actualiteit, voor waar was aangenomen en gepubliceerd, deed hem nu de das om.

Collega’s zullen doorgaan met makkelijk scoren. Journalisten koketteren graag met hun maatschappelijke missie vanuit een zelfbenoemde status van scherpschutters van de democratie, maar helaas heeft hun waarheidsvinding vaak meer weg van een dartwedstrijdje op de redactie Cultuur & Media. (Afbeelding volledig gegenereerd door AI).

Ook de oud-collega’s waarmee hij nog omging bleken onverbiddelijk in hun oordeel. Onder hen bevonden zich terechte critici; de fout was immers reëel en pijnlijk zichtbaar. Maar er zaten ook ijdele kwezels tussen die als journalisten nooit hun nek uitstaken; die zelden of nooit een ferm politiek geëngageerd standpunt innamen. Er voltrok zich een fascinerend schouwspel; de gretigheid waarmee de ‘zuiveren in de leer’ zich op zijn fout stortten, kon eigenlijk niet pijnlijker. Terwijl de inkt van zijn verontschuldiging nog moest drogen, werd de brandstapel al opgericht.

Voor het eerst was hij zelf nieuws geworden. Hij had de neiging om de gretigheid waarmee men hem veroordeelde ‘veelzeggend’ te noemen.

Van schaamteloos naar schaamrood

Op een demonstratie van hopeloze hofmakerij volgde een exposé van idiote inschikkelijkheid.

Wie had dat gedacht? In een verwoede poging de ‘lijnen open te houden’, mogen Koning Willem-Alexander en Koningin Máxima logeren in het Witte Huis; een ‘eer’ die maar weinig buitenlandse staatshoofden te beurt valt. Premier Rob Jetten staat vierkant achter het plan, want, zo impliceerde hij met diplomatieke ernst, het is essentieel om in gesprek te blijven. Trump heeft ook al eens in Paleis Huis ten Bosch geslapen; volgens de diplomatieke etiquette kun je zo’n uitnodiging dan niet zomaar afslaan. Het is een kwestie van ‘geven en nemen’ (tit for tat); of in dit geval: ‘slapen en laten slapen’, waarbij Klaas Vaak kwistig zand in de ogen mag strooien.

De slijmerige smeermiddelen genaamd protocol, etiquette en loyaliteit zijn slechts verschillende tinten van eenzelfde kleur: het schaamteloos oranje.

Als republikein – en laat ik heel duidelijk zijn: we hebben het hier over de nobele leer van het antimonarchisme, niet over de Amerikaanse variant waar ik me met hand en tand tegen verzet – bekijk ik deze diplomatieke ongerijmdheden met afschuw. Het is een tragikomedie in optima forma: de Koninklijke familie, gevangen in een diplomatieke spagaat, genegen om de lijnen open te houden met een gek. Het is de ultieme paradox om openingen te willen creëren die inhoudloos blijven. In een staat zonder monarchie en een sterke regering zou een gezond gevoel van verlegenheid ontstaan met deze situatie.

Die zou zo’n karige knieval richting een ontspoorde autocraat onwenselijk achten en meteen een hotel boeken. Desnoods op onze kosten; als we daardoor op een normale manier met onze schaamte uit de voeten konden.

Foyergeilheid

Waarom voorstellingen voor velen slechts een intermezzo zijn bij hun eigen zelfmanifestatie.

Ik heb een tijdlang het twijfelachtige privilege genoten om gratis ballet- en operavoorstellingen bij te wonen. Mijn partner bekleedde een managementfunctie bij een podiumkunstacademie, wat mij transformeerde tot een vaste passant in de coulissen van de hogere kunsten. Mijn werkelijke voldoening haalde ik echter niet uit de spitzen, de stembeheersing, de enscenering of de dramatische coloraturen, maar uit mijn persoonlijke gezelschap: ik zat naast degene van wie ik hield en zag haar oprecht genieten. Dat was een openbaring op zich. Blijkbaar bestonden er mensen die daadwerkelijk voor de kunst kwamen. Voor de rest van de zaal durf ik die stelling namelijk niet zomaar te verdedigen.

Zien en gezien worden.

De foyer is niet slechts een doorgangsruimte; het is het epische centrum van een geraffineerde ‘kijk-mij-eens-parade’. De culturele côterie trekt haar beste kleren aan om zich in deze arena te begeven. Men gaat er niet ‘naar de voorstelling’, men gaat ‘naar het theater’; een subtiel maar wezenlijk verschil. Zonder de foyer zou de zaal waarschijnlijk halfleeg blijven. Ik durf zelfs te beweren dat de voorstelling voor velen slechts het noodzakelijke decorum vormt voor de eigen profilering; een intermezzo dat de sociale interactie vervelend onderbreekt.

In de pauze, te midden van de andere consumenten van hoge cultuur, kan men zijn sociaal kapitaal etaleren als pauwenveren. Men oogst complimenten over de nieuwe designbril of andere uiterlijke trivialiteiten. Men bevestigt elkaars status door middel van een vakkundig gechoreografeerde knik of een luidruchtige lach die net iets te lang aanhoudt, bedoeld om de omstanders te laten weten dat men er is en ‘erbij hoort’. Wat dat betreft functioneert de foyer als een golfclub, zij het met minder openlijke handelstransacties en meer intellectuele pretentie.

Het is een plek van monkeys see, monkeys do voor geparfumeerde primaten; een arena waar de groepsbevestigende dynamiek belangrijker is dan de artistieke overdracht. Sociologisch gezien zijn we hier getuige van wat Thorstein Veblen ‘opzichtige consumptie’ noemde, maar dan toegepast op cultuur. In deze ruimte wordt de sociale cohesie gehandhaafd via een collectief ritueel van zelfmanifestatie, waarbij het côteriegekwezel fungeert als de lijm tussen de verschillende statusposities. Men betaalt niet voor het schouwspel, maar voor de bekrachtiging van de eigen exclusiviteit. Je ziet overduidelijk wie het te doen is om het uiterlijk vertoon en wie de voorstelling louter gebruikt als een moreel vernisje om de eigen superioriteit te bevestigen.

De ‘hyperaanwezigheid’ van de toeschouwer overstemt de act op het podium. In de psychologie noemen we dit ook wel het spotlight effect: de toeschouwer is er zo van overtuigd dat de wereld naar hem kijkt, dat hij bereid is een fortuin neer te leggen voor een tweederangs stoel, zolang die maar in de juiste ruimte staat.

Wat de voorstellingen zelf met mij deden? Ik werd vooral getroffen door de onversneden fysieke rauwproeverij van het geheel. Velen zullen het vloeken in de kerk vinden, maar op YouTube zie je in wezen de perfectie; in de zaal hoorde ik de planken echter vaak door de muziek heen klinken. Ik had dit nooit verwacht. Iedere landing na een sprong van een balletdanser klonk niet als een gewichtsloze droom, maar als een doffe klap van vlees op hout; een herinnering aan de zwaartekracht die de geparfumeerde primaat en de ballerina of danseur noble elk op hun eigen wijze pogen te ontkennen.

Het was een prachtig stukje realisme in een omgeving die van begin tot eind een illusie van perfectie probeerde op te wekken. Terwijl de foyerbezoekers buiten hun uiterste best deden om hun menselijkheid te verhullen achter dure parfums en ingestudeerde meningen, herinnerden de bonkende voeten op het podium mij eraan dat onder al die schone schijn simpelweg een lichaam schuilt dat hard moet werken om niet te vallen.

Uiteindelijk dwingt de actuele controverse rond Timothée Chalamet ons tot een ongemakkelijke eerlijkheid. De acteur beweerde dat we opera en ballet slechts met kunst- en vliegwerk in leven houden, terwijl eigenlijk “niemand er meer om geeft”. Hoewel de culturele wereld collectief over hem heen valt, raakt hij aan een waarheid die de wegblijvers met hun afwezigheid allang hebben onderstreept. Maar de eigenlijke tragiek zit in degenen die er wel zijn. Zoals ik in de foyer heb geobserveerd, is de ‘magie’ van deze voorstellingen voor velen inderdaad een holle frase geworden; een collectieve leugen om de schijn op te houden en de eigen sociale status te legitimeren.

Toch zit Chalamet er op één cruciaal punt naast. “Niemand” is een te groot woord. Tussen de dwingende groepsdynamiek en de ijdelheid van de wandelgangen door, heb ik het privilege gehad om te zien wat er gebeurt als de kunst wel binnenkomt. Ik hoefde daarvoor alleen maar naar de stoel naast me te kijken. Terwijl de rest van de zaal zich in gedachten alweer opmaakte voor de volgende parade bij de bar, was mijn vriendin werkelijk even ergens anders, geraakt door een schoonheid die de zwaartekracht en het sociale toneelspel oversteeg.

Chalamet heeft gelijk dat de sector op een wankel fundament rust, maar zolang er mensen zijn die, ondanks de krakende planken en de rituele gewichtigdoenerij, oprecht ontroerd raken door de rauwe inspanning op het podium, is het te vroeg om de begrafenis van de hoge cultuur in te zetten.

Recensievoorstel kinderboek Bess Kalb

Hoe een kinderboek onverwacht uitgroeide tot een verhaal over satire, censuur en doorzettingsvermogen.

Geachte hoofdredactie van de Volkskrant,

Bij veel titels wachten Nederlandse uitgeverijen vaak eerst het internationale succes af voordat zij vertaalrechten aankopen. Gezien de uitzonderlijk positieve ontvangst in de Verenigde Staten van het kinderboek Buffalo Fluffalo denk ik dat een Nederlandse uitgave slechts een kwestie van tijd kan zijn. Ik volg de komende maanden daarom actief de catalogi en aankondigingen van uitgevers.

Soms begint de interesse voor een boek niet met een citaat of iets anders dat je erover hoorde, maar met iemand die weigert stil te blijven. Ik wilde niet per se een kinderboek recenseren maar stuitte onverwacht op een bekentenis over moed. Mijn bespreking zou daarom ook gaan over een geweigerde voorleesmiddag en waarom een schrijver uiteindelijk in het Amerikaanse Congres belandde.

Mocht een Nederlandse vertaling worden aangekondigd, dan zou ik u graag aanbieden de recensie voor uw krant te schrijven. Daarbij wil ik niet alleen ingaan op het boek zelf en de internationale ontvangst, maar ook op de bredere culturele context rond auteur Bess Kalb. Zij legde recent een persoonlijke getuigenis af tijdens een hoorzitting in het United States Congress over vrije meningsuiting, naar aanleiding van de annulering van een schoollezing rond haar werk. Die achtergrond werpt een bijzonder licht op haar schrijven voor jonge lezers.

Als zelfstandig uitgever en schrijver volg ik internationale ontwikkelingen binnen het boekenvak en de kinderboekenwereld al geruime tijd. Indien gewenst lever ik de recensie kort na aankondiging of verschijning aan, afgestemd op uw redactionele planning.

De genoemde toespraak vormde voor mij de directe aanleiding om dit voorstel te doen. Ter referentie voeg ik hierbij de link toe:
https://youtu.be/rjINIH-Y_aY?si=YiV6ZNFrHhNz05RC

Met vriendelijke groet,

Ronald van Noorden
(een eenvoudige eenmansuitgever)

Ik zocht geen boek om te bespreken, maar werd verrast door een schrijver die zich indrukwekkend uitsprak. Wat het kinderboek Buffalo Fluffalo van Bess Kalb vertelt over schrijven in een tijd van polarisatie, deed zij helder, komisch, maar vaak ook ontreoerend, uit de doeken tijdens een hoorzitting.

Van Rossem werd ook gebeld

Maar vooraf. Door een luie donder.

Er werd nog lang nagepraat over de kwestie-Van Berkel. Maarten van Rossem memoreert in zijn podcast hoe Vrij Nederland hem opbelde met de vraag of hij wel echt cum laude was afgestudeerd. Een methodologisch stuitende en ethisch dubieuze werkwijze; een integere journalist begrijpt dat een verklaring van de betrokkene geen verificatie is en raadpleegt direct de objectieve bron of de juiste instantie. Heeft deze redacteur de School voor Journalistiek wel voltooid? Het verschil tussen onderzoeksjournalistiek en primeurjacht is levensgroot; de kloof tussen waarheidsverlangen en roddelzucht zou dat eveneens moeten zijn.

Wat dat aangaat moet ik een compliment maken richting de Volkskrant. In dit geval toonde de redactie aan dat feitelijke verificatie de enige legitieme basis is voor publieke verslaglegging. Waar de een genoegen nam met een lukraak telefoontje, hanteerde de ander de principes van hoor en wederhoor als een wetenschappelijk instrument; niet om een sensatie te bevestigen, maar om de waarheid te isoleren van de ruis. Het bewijst dat journalistiek pas valide wordt wanneer de bewijslast zwaarder weegt dan de verleidelijke snelheid van de primeur. Een dergelijke toewijding aan de bronnen is geen luxe, maar een bittere noodzaak om de erosie van de publieke informatievoorziening tegen te gaan.