Verzet en protest

Van oude wijsheid tot de wortels van klimaatactivisme.

The GreenXtreme – Hoofdstuk 2

Als je terugkijkt op de geschiedenis van het verzet, valt op dat het telkens draait om mensen die niet willen buigen voor onrecht. Dit onrecht heeft door de eeuwen heen vele vormen aangenomen: tirannie, sociale ongelijkheid, onderdrukking, uitbuiting, censuur. Opstandigen vormen vaak een tegenbeweging in een systeem dat ethisch onhoudbaar is geworden. Ze geven daarmee uitdrukking aan een diepgeworteld verlangen naar rechtvaardigheid, autonomie en menselijke waardigheid. Klimaatactivisme werd de jongste voortzetting van deze eeuwenoude strijd. Omdat het protest niet begon bij milieuzorg, maar wortels heeft in bredere ideeën over gerechtigheid, is het boeiend en noodzakelijk om stil te staan bij denkers die het verzet tegen onrecht door de tijd heen hebben vormgegeven.

Verzet in de oudheid: orde, rechtvaardigheid en tirannie

De wortels van onze ideeën over verzet liggen bij de oude Griekse filosofen. Plato, in zijn beroemde werk Politeia (De Staat), waarschuwde voor de chaos die kan ontstaan als elke burger doet wat hij wil:

“De tirannie is niets anders dan een uiting van de heerschappij van het laagste deel van de ziel.”
— Plato, Politeia

Voor hem was verzet tegen de staat alleen legitiem als het leidde tot herstel van de orde en rechtvaardigheid. Het idee dat mensen tegen hun overheid in opstand mogen komen, zag hij met argwaan: de harmonie van de stadstaat moest behouden blijven.

Aristoteles sprak over rechtvaardigheid als het hoogste doel van de staat en vond dat het volk een recht had om onrecht te weerstaan:

“Wanneer het bestuur het recht schaadt, is verzet niet alleen gerechtvaardigd maar noodzakelijk.”
— Aristoteles, Politica

Zijn genuanceerde kijk legde de basis voor latere discussies over legitimiteit van verzet.

De Romeinse filosoof Cicero was explicieter in het rechtvaardigen van opstand tegen tirannie. Hij stelde dat er een universele, natuurlijke wet is die hoger staat dan menselijk recht, en dat

“het recht om te rebelleren tegen tirannie voortkomt uit het recht op zelfbehoud en gerechtigheid.”
— Cicero, De Republica

Dit idee kreeg later grote invloed in de middeleeuwen en de moderne tijd.

Al vroeg zien we dat verzet nooit louter een impulsieve reactie is, maar altijd een afweging van rechtvaardigheid en orde. Ik herken hierin het dilemma van hedendaagse klimaatactivisten: wanneer is het legitiem om regels te breken in naam van een hoger doel?

Middeleeuwen en vroegmoderne tijd: natuurlijk recht en revolutionaire ideeën

Thomas van Aquino werkte Cicero’s idee van de natuurlijke wet verder uit. Hij schreef:

“Wie het volk onderdrukt en de rechtvaardigheid negeert, berooft zichzelf van zijn gezag.”
— Thomas van Aquino, Summa Theologica

Met deze woorden legde hij de basis voor een theologische opvatting waarin gezag niet absoluut is, maar afhankelijk van rechtvaardigheid. Als een heerser zijn plichten verzaakt en zich tot tirannie wendt, mag hij volgens Aquino zijn gezag verliezen. Dit bood latere denkers en politieke gezagsdragers — zij het met grote voorzichtigheid — een moreel kader om verzet tegen tirannie te overwegen. Toch bleef dit een delicate kwestie binnen de katholieke leer, die stabiliteit en gehoorzaamheid doorgaans hoger waardeerde dan revolutionaire actie.

Niccolò Machiavelli bracht een realistischere toon in het debat. Zijn uitspraak:

“De doel heilig de middelen.” (apocrief)
— Niccolò Machiavelli, Il Principe

benadrukt dat verzet en revolutie vaak onorthodoxe middelen vereisen. Machiavelli erkende de harde realiteit van macht en liet zien dat soms geweld nodig is om rechtvaardigheid te herstellen. Dit pragmatisme sprak later revolutionairen aan.

John Locke was een ware voorloper van modern politiek verzet. In zijn Two Treatises of Government stelt hij dat mensen van nature rechten hebben — leven, vrijheid en eigendom — en dat een overheid die deze schendt, haar legitimiteit verliest:

“Wanneer een regering het vertrouwen van het volk misbruikt, hebben de burgers het recht haar te vervangen.”
— John Locke, Two Treatises of Government

Rousseau ging verder met zijn sociaal contract, waarin de soevereiniteit bij het volk ligt en verzet een recht is als de overheid dit contract verbreekt:

“Wanneer het volk zegt: ‘Wij willen niet langer gehoorzamen,’ begint de vrije mens zijn ware bestaan.”
— Jean-Jacques Rousseau, Du Contrat Social

De ideeën van Locke en Rousseau zijn voor mij essentieel in het begrijpen van klimaatprotesten. Klimaatactivisten claimen niet alleen hun rechten, maar ook het recht van toekomstige generaties, wat het klassieke denken over ‘het volk’ aanzienlijk uitbreidt.

Verlichting: vrijheid, rede en publieke kritiek

De Verlichting was een tijd van opstandigheid en kritisch denken. Voltaire, de flamboyante verdediger van vrijheid, schreef:

“Ik verafschuw wat u zegt, maar ik zal mijn leven geven om uw recht het te zeggen te verdedigen.”
— Voltaire (toegeschreven)

Hieruit spreekt het fundamentele principe van vrije meningsuiting als basis voor elk verzet.

Montesquieu bracht de scheiding der machten in stelling, om te voorkomen dat macht zich zou concentreren en tirannie zou ontstaan:

“Machtsconcentratie leidt tot tirannie; daarom is vrijheid alleen mogelijk bij gespreide macht.”
— Montesquieu, De l’esprit des lois

Kant voegde een diepere ethische laag toe aan het idee van protest. Hij stelde dat echte vrijheid komt uit autonomie en publieke rede, en waarschuwde voor ongehoorzaamheid die het maatschappelijke vertrouwen zou ondermijnen:

“Durf te weten! Heb de moed je eigen verstand te gebruiken.”
— Immanuel Kant, Beantwortung der Frage: Was ist Aufklärung?

Zijn ideeën over burgerlijke ongehoorzaamheid zetten een ethisch kader neer, waarbij protest alleen legitiem is als het de rede en de moraliteit respecteert.

Kant daagt mij uit na te denken over de ethische grenzen van klimaatactivisme. Tot hoever mag verzet gaan zonder de samenleving te ondermijnen? Tegelijkertijd geeft hij hoop door te benadrukken dat het publieke debat de motor van verandering is.

19e-eeuw: klassenstrijd en individuele burgerlijke ongehoorzaamheid

Karl Marx zag verzet als het onvermijdelijke gevolg van economische ongelijkheid. Zijn analyse was onverbiddelijk:

“De geschiedenis van alle bestaande samenlevingen is de geschiedenis van klassenstrijd.”
— Karl Marx, Het Communistisch Manifest

Voor Marx is het proletariaat het ware verzet, de revolutionaire kracht die het oude regime moet omverwerpen.

Tegelijkertijd formuleerde Henry David Thoreau een radicale visie op individueel verzet, in zijn essay Civil Disobedience (1849):

“Wanneer de wet onrechtvaardig is, moet men weigeren eraan mee te werken.”
— Henry David Thoreau, Civil Disobedience

Thoreau verwees naar zijn eigen weigering belasting te betalen uit protest tegen slavernij en de Mexicaans-Amerikaanse oorlog. Zijn ideeën over burgerlijke ongehoorzaamheid vormen een directe brug naar het hedendaagse milieuprotest.

Friedrich Nietzsche bracht een existentieel perspectief. Hij zag het verzet niet alleen als een politieke daad, maar als een uitdrukking van de wil tot macht en zelfverwezenlijking:

“Word wie je bent.”
— Friedrich Nietzsche, Also sprach Zarathustra

Voor Nietzsche betekent verzet ook het loslaten van traditionele waarden om ruimte te scheppen voor nieuwe, individuele zingeving.

Thoreau inspireert mij het meest in het klimaatactivisme, juist vanwege zijn nadruk op persoonlijke verantwoordelijkheid en moed. Nietzsche roept me op om het innerlijke verzet te omarmen dat verder gaat dan politiek — een spirituele rebellie tegen de status quo.

20e-eeuw: totalitarisme, macht en het absurde verzet

In een eeuw van totalitaire regimes en wereldwijde conflicten analyseerde Hannah Arendt het fenomeen totalitarisme en de rol van verzet daarin. Zij stelde:

“Verzet is de daad die vrijheid schept.”
— Hannah Arendt, The Origins of Totalitarianism

Voor Arendt is verzet een fundamentele menselijke daad, een manier om het eigen bestaan en dat van de gemeenschap te bevestigen.

Michel Foucault bracht macht en verzet samen als een spel dat door iedereen gespeeld wordt:

“Waar macht is, is ook verzet.”
— Michel Foucault, Surveiller et Punir

Zijn visie maakt duidelijk dat verzet niet alleen gericht is tegen een specifieke macht, maar ook een constante aanwezigheid is in sociale relaties, kennis en identiteit.

Albert Camus stelde in De Mythe van Sisyphus (1942) dat het leven absurd is, maar dat juist daarom verzet een ethische plicht is:

“In het midden van de winter ontdekte ik eindelijk dat er in mij een onoverwinnelijke zomer is.”
— Albert Camus, De Mythe van Sisyphus

Camus toont het verzet als een existentiële daad, die ondanks zinloosheid toch betekenis geeft.

Deze denkers maken mij bewust dat verzet niet slechts een politiek instrument is, maar een diep menselijke conditie. Klimaatactivisme heeft ook iets van die absurde strijd tegen een overweldigende werkelijkheid, maar het wordt juist daardoor krachtig.

Milieuactivisme en de eerste denkers over ecologisch verzet

Pas in de tweede helft van de 20e eeuw kreeg milieuactivisme filosofische fundamenten. Rachel Carson zette met Silent Spring (1962) de alarmbel over de destructie van ecosystemen:

“De mens is deel van de natuur, en zijn overleving hangt af van het respect daarvoor.”
— Rachel Carson, Silent Spring

Aldo Leopold formuleerde een ethiek van de aarde:

“Een ding is goed als het de integriteit, stabiliteit en schoonheid van de biotische gemeenschap bevordert.”
— Aldo Leopold, A Sand County Almanac

Murray Bookchin verbond ecologie met sociale rechtvaardigheid en introduceerde het concept van sociale ecologie, waarin verzet tegen onderdrukking en tegen milieuvernietiging onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn. Volgens hem kon milieuproblematiek niet los worden gezien van hiërarchie en sociale ongelijkheid:

“De overheersing van de natuur door de mens komt voort uit de zeer reële overheersing van mens door mens.”
Murray Bookchin, De ecologie van de vrijheid (1982)

Voor Bookchin was de bevrijding van mens én natuur een gedeelde strijd. Waar anderen pleitten voor technologische oplossingen of consumptiebeperking, benadrukte hij de noodzaak van radicale democratisering en het afbreken van autoritaire structuren. Alleen door sociale verhoudingen fundamenteel te veranderen, zo stelde hij, kunnen we werkelijk ecologisch samenleven.

De Franse filosoof Bruno Latour beschouwt de milieucrisis als een oproep tot een nieuw politiek denken:

“We moeten onze relatie met de aarde heruitvinden, want de oude scheiding tussen mens en natuur is dood.”
— Bruno Latour, Nous n’avons jamais été modernes

Klimaatactivisme is daarmee de logische volgende stap in een lange traditie van verzet, een verzet dat niet alleen gericht is op sociale rechtvaardigheid, maar ook op het behoud van ons leefmilieu. Het vereist een nieuw bewustzijn, een diepgeworteld respect en liefde voor onze planeet.

Verzet als continuüm van hoop en verantwoordelijkheid

Verzet is een kracht die onze geschiedenis en toekomst vormt. Het is nooit simpel, altijd omgeven door ethische dilemma’s, conflicten en risico’s. Maar het is ook een uitdrukking van onze vrijheid en menselijke waardigheid. Als klimaatactivist voel ik me verbonden met deze rijke traditie van denkers en strijders. Hun woorden geven me kracht en richting in mijn eigen engagement. Zoals Camus zei, zelfs in het absurde verzet schuilt een onoverwinnelijke zomer, een hoop die nooit dooft. En die hoop, gecombineerd met liefde voor onze aarde en medemensen, zal het fundament zijn voor het verzet van morgen.

Bronnen

  • Plato, Politeia
  • Aristoteles, Politica
  • Cicero, De Republica
  • Thomas van Aquino, Summa Theologica
  • Niccolò Machiavelli, Il Principe
  • John Locke, Two Treatises of Government
  • Jean-Jacques Rousseau, Du Contrat Social
  • Voltaire (toegeschreven)
  • Montesquieu, De l’esprit des lois
  • Immanuel Kant, Beantwortung der Frage: Was ist Aufklärung?
  • Karl Marx & Friedrich Engels, Het Communistisch Manifest
  • Henry David Thoreau, Civil Disobedience
  • Friedrich Nietzsche, Also sprach Zarathustra
  • Hannah Arendt, The Origins of Totalitarianism
  • Michel Foucault, Surveiller et Punir
  • Albert Camus, De Mythe van Sisyphus
  • Rachel Carson, Silent Spring
  • Aldo Leopold, A Sand County Almanac
  • Murray Bookchin, The Ecology of Freedom: The Emergence and Dissolution of Hierarchy
  • Bruno Latour, Nous n’avons jamais été modernes

De mens in opstand

Bij één boek van Albert Camus wil ik nog even in het bijzonder stilstaan omdat het erg veel indruk op me heeft gemaakt: De mens in opstand. Het is een werk dat ik keer op keer kan openslaan en waar ik telkens weer iets nieuws uit oppik. Wat me vooral raakt, is hoe Camus de opstand niet simpelweg als een politieke daad ziet, maar als iets fundamenteel menselijks. Niet de massa’s die zich roeren, maar de enkeling die weigert te buigen voor het absurde, de onrechtvaardigheid, en de zinloosheid van het bestaan.

Camus zegt het ergens prachtig: ‘De mens is het enige schepsel dat weigert te zijn wat het is.’ Die weigering, die opstand, is geen wanhoop, maar een protest en een bevestiging tegelijk. Het is alsof hij zegt: ik accepteer de absurditeit van het leven, maar ik geef me er niet aan over. Ik kom in opstand. En dat maakt me meer mens dan ooit.

Wat me ook diep heeft doen nadenken, is zijn opmerking over de paradox van de ‘goede terrorist’. In een tijd waarin misdaad vaak met de veren van onschuld pronkt, stelt Camus dat juist de opstandige mens, de rebel, zichzelf altijd onderzoekt, zichzelf ter verantwoording roept en grenzen stelt, ook aan zichzelf. De opstand eist vrijheid, maar die vrijheid betekent nooit dat je vrij bent om de vrijheid van een ander te schenden. De ultieme vrijheid, de vrijheid om te doden, is iets dat de opstand in wezen nooit kan toestaan, want de opstand is een verzet tegen het eigen sterven, tegen de dood. Wie anderen doodt, verraadt de logica van zijn eigen opstand.

Dat is een moeilijk maar cruciaal punt: de opstand is niet de roep om totale anarchie of willekeur, het is juist een eis tot matigheid, tot respect voor het leven, tot het erkennen van een gedeelde menselijke waardigheid. Geen Nietzscheaanse Übermensch die alles mag, maar de rebel die juist de vrijheid voor iedereen opeist. Camus stelt dat die vrijheid zich verbiedt aan wie de vrijheid van de ander wil breken.

Hij wist ook dat dit hem vriendschappen zou kosten. Tegen zijn goede vriend Jean-Claude Brisville zei hij vlak voordat het boek uitkwam: “Laten we elkaar maar een hand geven. Want over een paar dagen zullen er niet veel mensen meer zijn die nog bereid zijn dat te doen.” Het is die eenzaamheid van de opstandige enkeling die me fascineert en ook soms raakt: de moed om te staan tegen zowel de massa als de tijd.

In De mens in opstand neemt Camus ons mee vanaf het begin. Hoewel hij soms het existentialisme raakt – het besef dat het bestaan voorafgaat aan de essentie, en dat we onszelf in onze daden moeten creëren – blijft hij het duidelijk anders doen dan Sartre. Waar existentialisten soms een vlucht zien in het creëren van betekenis, blijft Camus trouw aan de absurditeit en kiest hij voor de opstand als antwoord. Niet vluchten, niet berusten, maar opstaan en weigeren mee te doen aan laffe of destructieve illusies.

De opstand is geen nihilisme. Het is het eigen protest dat betekenis creëert. ‘Ik schreeuw dat alles absurd is’, zegt Camus, ‘maar ik moet in mijn schreeuw geloven.’ Zo wordt ‘ik denk, dus ik ben’ vervangen door ‘ik kom in opstand, dus ik ben.’

De historische voorbeelden die hij behandelt – van de Franse Revolutie tot het terrorisme – tonen keer op keer hoe snel een opstand kan ontsporen wanneer ze zich verliest in ideologieën die absolute waarheden claimen en daardoor anderen onderdrukken. Het gevaar is dat de opstand verandert in terreur. Maar hier introduceert Camus zijn buitenbeentje: de Russische terrorist Kaljajev, die, na het plegen van moord, zichzelf aanvaardt en zijn eigen dood omarmt als ultiem protest. Hij wordt door Camus met respect genoemd als ‘fijngevoelige moordenaar’, een paradox die laat zien dat de opstand niet per se onmenselijk hoeft te zijn, zolang hij trouw blijft aan zijn eigen grenzen en waarden.

Dat raakt me diep: de erkenning dat er in het breken van regels, in het uiterste offer, nog steeds een vorm van zuiverheid en menselijkheid kan schuilen. De vuile handen van de moordenaar worden alleen gewassen in zijn eigen dood, en die daad schept nog steeds waarden.

Tegelijkertijd laat Camus zien dat dit een uitzondering is, een zeer zeldzaam moment in de geschiedenis van de revolutie. De meeste opstanden verworden tot machtsstrijd en moord, en dan is de opstand verraden. Toch blijft zijn boodschap helder: de opstand is het moment waarop we bevestigen dat we mens zijn, dat we grenzen stellen aan geweld, en dat we onze eigen vrijheid nooit ten koste van die van anderen mogen opeisen.

Wat mij ook bijblijft, is die merkwaardige paradox uit het boek: ‘Op de dag dat de misdaad pronkt met de veren van de onschuld, wordt door een merkwaardige omkering, die kenmerkend is voor onze tijd, de onschuld gesommeerd zich te rechtvaardigen.’ Het essay wil die vreemde uitdaging aangaan: waarom worden de eerlijke, de opstandige nu verdacht? Waarom moet de rebel zich verdedigen in een wereld die vaak verdraaid en absurd is?

Dat we in onze tijd zo weinig meer lijken te geven om Camus’ pleidooi voor matigheid, bezonnenheid en respect voor het leven, doet me soms bang worden. Maar juist daarom voelt zijn werk nu misschien krachtiger dan ooit. De mens in opstand nodigt me telkens weer uit om niet mee te gaan in extremisme, niet te vluchten in ideologieën die de ander ontmenselijken, en vooral om trouw te blijven aan het diepste menselijke: het vermogen om te weigeren, te protesteren, zonder de ander te vernietigen.

Voor mij is dit boek niet alleen een filosofische tekst, maar een soort gids in de chaos van deze tijd. Het leert me dat opstand een daad van vrijheid en verantwoordelijkheid is en dat de ware opstand de opstand van het individu is die zich bewust is van zijn grenzen én die van de ander.

Een vroeg gefluister van verzet

De geboorte van klimaatactivisme.

The GreenXtreme – hoofdstuk 1

Ik herinner me de eerste momenten waarop ik begon te beseffen dat de wereld om me heen veranderde en niet op een manier die geruststelde. Het was geen plotseling inzicht, maar een langzaam ontwaken. Een gevoel dat er iets niet klopte, dat zich beetje bij beetje opdrong. Verhalen over onrecht, en over mensen die daartegen in verzet kwamen, trokken steeds meer mijn aandacht. In de geschiedenis kwam ik telkens weer figuren tegen die hun stem verhieven tegen onderdrukking, vaak tegen de stroom in. Of het nu ging om politieke tirannie, sociale ongelijkheid of, later, de dreiging van een ecologische ramp. Als ik terugdenk aan het begin van mijn betrokkenheid bij klimaatactivisme, kom ik uit in de jaren zeventig, al ligt de oorsprong natuurlijk verder terug.

Voor mij begon het verzet met een gevoel van onbehagen, een knagend besef dat er iets goed fout zat. Het zat niet in grote gebaren, maar in kleine momenten van tegenspraak: situaties waarin ik leerde om vanzelfsprekendheden in twijfel te trekken. Ik denk aan mijn jeugd, in een Brabants dorpje aan de rand van het bos. Dat bos moest langzaam wijken voor een nieuwbouwwijk. Het bracht nieuwe speelkameraadjes, maar ook een groeiend besef van hoe kwetsbaar de natuur is. Verhalen over de vernietiging van het regenwoud of de vervuiling van rivieren raakten me diep. Het was de soort onmacht die je als kind kunt voelen, vermengd met een eerste glimp van woede.

Het boek Walden van Henry David Thoreau uit 1854 is in vele prachtig vormgegeven edities verschenen. Het vormt een filosofisch verslag van Thoreau’s teruggetrokken leven in de natuur, waarin hij reflecteert op eenvoud, zelfvoorziening en de essentie van het bestaan. Dit meditatieve relaas over een leven in eenvoud en harmonie met de natuur is Thoreau’s poging om de wereld te begrijpen door haar deels achter zich te laten. Hij werd daarmee een pionier van de alternatieve levenshouding en het onafhankelijke denken.

Deze vroege kiemen van verzet, dit intuïtieve gevoel dat er iets moest veranderen, vond ik later terug in de verhalen van mensen die hun leven radicaal anders inrichtten, voorlopers die zich bewust losmaakten van de heersende opvattingen en nieuwe morele richtingen verkenden. Ik las over denkers als Henry David Thoreau, die met zijn boek Walden (1854) een pleidooi hield voor een simpeler, zelfvoorzienender leven in harmonie met de natuur. Hoewel zijn verzet primair filosofisch en individueel van aard was, inspireerde zijn idee van burgerlijke ongehoorzaamheid latere generaties van activisten. Voor mij was Thoreau een bevestiging dat het mogelijk was om een alternatieve weg te kiezen, los van de dominante cultuur.

Het collectieve klimaatactivisme zoals we dat nu kennen, ontstond natuurlijk pas later. Maar de wortels ervan reiken dieper; tot in de geschiedenis van milieubewustzijn en maatschappelijke strijd. Voor mij markeerde de overgang van een algemeen verzet tegen onrecht naar specifiek klimaatactivisme een verdieping van dat oorspronkelijke onbehagen. Het besef dat we niet alleen elkaar, maar ook de planeet schade toebrengen, kwam als een schok; ook voor mij.

Ook het boek Silent Spring van Rachel Carson, oorspronkelijk verschenen in 1962, kent inmiddels vele uitgaven, vaak voorzien van een nieuw voorwoord of nawoord. Silent Spring gaf de natuur een stem op het moment dat haar stilte dreigde in te treden. Het geldt als een baanbrekend werk dat milieubewustzijn op de kaart zette, met een indringende aanklacht tegen het gebruik van pesticiden en de schade die dit aanricht aan ecosystemen.

Een cruciale figuur in deze ontwikkeling, die mij diep heeft beïnvloed, is Rachel Carson met haar baanbrekende boek Silent Spring uit 1962, het jaar waarin ik werd geboren. Het stond bij ons thuis in de kast maar het duurde even voordat ik het voor het eerst las. Toen het zover was, bleek het een openbaring. Carson toonde op wetenschappelijke en tegelijk poëtische wijze de desastreuze gevolgen van het onbeperkte gebruik van pesticiden zoals DDT. Haar werk was geen oproep tot radicale actie zoals straatprotesten, maar een verzet van de meest fundamentele soort: het blootleggen van de waarheid, het doorbreken van de stilte. Silent Spring veroorzaakte een schokgolf en wordt algemeen gezien als het startschot van de moderne milieubeweging. Voor mij was het een wake-up call, een bevestiging dat mijn diffuse angst een concrete grondslag had.

Na Carson zag ik een geleidelijke verschuiving. De focus verlegde zich van lokale milieuproblemen naar een breder, mondiaal perspectief. In de jaren ’70 verschenen de eerste wetenschappelijke rapporten over de opwarming van de aarde. Er werden voorzichtige kleine stappen richting klimaatactivisme gedaan. Het proces verliep moeizaam: de boodschap was complex en de gevolgen leken nog abstract en ver weg. Ik denk aan de eerste Earth Day in 1970, georganiseerd door onder anderen Gaylord Nelson en Denis Hayes; het werd een belangrijke mijlpaal in het mobiliseren van publieke aandacht voor milieukwesties. Nog geen klimaatactivisme in de strikte zin van het woord, maar wél een moment waarop het collectieve besef groeide dat zorg voor de planeet een gedeelde verantwoordelijkheid vormt.

In de jaren ’80, met de opkomst van het concept van duurzame ontwikkeling (gepopulariseerd door het Brundtland Rapport uit 1987, ook bekend als Our Common Future), begon het besef te groeien dat economische groei en milieubescherming met elkaar verzoend moesten worden. Dit was een belangrijke stap, want het bracht de discussie over milieu verder dan alleen het beschermen van natuurgebieden; het betrof nu de kern van ons economische systeem. Ik zag hoe de eerste klimaatconferenties, zoals de inmiddels legendarische UNFCCC-top in Rio de Janeiro in 1992, voorzichtig probeerden internationale samenwerking te smeden. Hoewel de resultaten vaak teleurstellend waren, vormden dit belangrijke vroege stappen in het formuleren van een wereldwijde respons.

Pas in de jaren ’90 en vroege jaren 2000’s begon het klimaatactivisme echt vorm te krijgen. Organisaties als Greenpeace en Friends of the Earth richtten hun aandacht steeds nadrukkelijker op klimaatverandering. Ik raakte voor het eerst betrokken bij een lokale klimaatgroep; een klein, wat onbeholpen begin, maar toch een duidelijke uiting van collectieve weerstand tegen de inertie en het ontkennen van de ernst van de situatie. De namen van mensen als Bill McKibben, met zijn vroege waarschuwingen in The End of Nature (1989), en later Al Gore, met zijn film An Inconvenient Truth (2006), galmden door de publieke ruimte. Zij gaven een stem aan de wetenschappelijke consensus en probeerden die te vertalen naar een breder publiek, een inspanning die de basis legde voor verdere mobilisatie.

Voor mij is de reis van het vroege verzet naar het hedendaagse klimaatactivisme een persoonlijke reis van groei en betrokkenheid geweest. Het begon met een onbestemd onbehagen, gevoed door verhalen en figuren die me inspireerden, en is uitgegroeid tot een diepgeworteld geloof in de noodzaak van actie. Het is de realisatie dat verzet, in al zijn vormen, van stille contemplatie tot luide protesten, essentieel is om de wereld, en onszelf, te beschermen. De strijd is nog lang niet gestreden, maar de zaadjes van verzet, geplant door de visionairs van weleer, zijn inmiddels uitgegroeid tot een wereldwijde beweging.

Wat ik helaas ook bij mezelf ontdekte, was dat actievoeren niet echt in mijn bloed zit. Niet dat ik ongevoelig ben voor wat er gebeurt. Integendeel, soms brand ik vanbinnen. Maar dat vuur is traag, bijna bedaard, als smeulend hout dat niet wil opvlammen, alleen maar rook verspreidt die in je ogen bijt. Ik vraag me nu af waarom ik juist deze metafoor van vuur en rook kies, terwijl ik juist fel tegen houtstook ben. Misschien zegt het iets over mijn karakter: innerlijk vol tegenstrijdigheden, mild hypocriet, maar altijd met de beste bedoelingen.

Ik bewonder hen die direct in actie komen. Die spandoeken maken en zich vastlijmen aan asfalt. Ik zie ze staan, daar op het Malieveld of in de kou voor een bestuursgebouw, en voel een soort heimwee naar iets wat ik nooit gehad heb: die vanzelfsprekende overgave, die innerlijke roep die geen tegenspraak duldt. Mijn engagement werkt anders. Ik twijfel veel. Ik schrijf liever dan dat ik schreeuw. Ik observeer, analyseer, ontleed; soms tot in het absurde. Waar een ander opstaat en loopt, blijf ik nog zitten, in gesprek met m’n geweten, m’n angst, m’n verlangen naar nuance.

Is dat laf? Misschien. Maar ik geloof ook dat er meer vormen van verzet zijn dan de zichtbare. Activisme, zo dacht ik lang, moest luid zijn, moet storen, moet breken. Maar er is ook een soort verzet dat langzaam werkt. Dat de taal inzet als middel. Dat zoekt naar beelden die beklijven, naar verhalen die niet schreeuwen, maar wél blijven hangen.

Soms verwijt ik mezelf dat ik niet radicaler ben. Niet fysieker. Alsof mijn lichaam weigert mee te doen aan de strijd waarin mijn geest al jaren verwikkeld is. Alsof ik een soldaat ben die voortdurend zijn geweer vergeet. Toch probeer ik deel te zijn van de beweging. Op mijn manier. Ik voer gesprekken. Ik stel vragen, ook aan mezelf. Ik probeer te luisteren naar die onderstroom die de wereld in stilte verandert; de langzaamste revolutie die er is: die van inzicht, van verandering van binnenuit.

Misschien ben ik geen activist, maar een activerende schrijver. Iemand die niet de barricade opklimt, maar een ladder naar begrip bouwt. En ik hoop, al is het maar een beetje, dat ook dat telt. Dat ook traag vuur kan branden (maar dan liefst zonder fijnstof).

Nog even dit:

Silent Spring ademt een soort van ingehouden verzet, en dat maakt het boek des te krachtiger. Rachel Carson schreef het niet als een pamflet, maar als een wetenschappelijk onderbouwde, haast literaire aanklacht. Ze was biologe en marien ecoloog, geen activist in de traditionele zin. Toch schuilt er in haar rustige, zorgvuldige toon een diep moreel appel. Ze zet geen grote woorden in, maar juist in haar beheersing voel je de urgentie.

Carson verzette zich — bijna stilletjes maar uiterst doeltreffend — tegen het dominante geloof in technologische vooruitgang zonder ethische begrenzing. Ze stelde de chemische industrie verantwoordelijk voor ecologische schade, en bracht tegelijk het overheidsfalen aan het licht. Haar verzet lag in het openbaren van wat anderen liever verborgen hielden. Haar boek werd een kalme, maar onverzettelijke aanklacht tegen de vernieling van de natuur, geschreven met de precisie van een wetenschapper en de overtuigingskracht van iemand die wist dat haar woorden het verschil konden maken.

Voor mij bood Silent Spring een vorm van erkenning: dat betrokkenheid ook intellectueel en stil kan zijn. Het boek liet zien dat verzet zich niet altijd uit in spandoeken en leuzen, maar net zo goed in het geduldig verzamelen van feiten, het helder formuleren van een ongemakkelijke waarheid, het schrijven dat de lezer aan het denken zet. Carson liep niet voorop in demonstraties, maar wat zij deed — grondig onderzoek vertalen naar toegankelijke taal — was minstens zo ontwrichtend voor het heersende narratief.

In zekere zin voelde het als een rechtvaardiging van mijn eigen neiging tot een stiller engagement: ik hoefde niet per se op de barricade te staan om toch iets van verzet te voelen of uit te dragen.

Een slap aftreksel van een relevant dilemma

The GreenXtreme – Voorwoord.

De nu volgende opmerking is allesbehalve een aanbeveling om verder te lezen, maar het moet gezegd: de ondertitel van dit boek kon beter. Het bevat een vraag die niet meer actueel is. Er staat zoiets als: Wordt het geen tijd om de wet te overtreden in het belang van onze gezondheid? Of: Moeten we het huidige recht en haar verdedigers zo langzamerhand niet bevechten, nu die ons onvoldoende lijken te beschermen tegen de gevolgen van milieuvervuiling? Ik hoor de lezer denken: “Wordt het geen tijd? Zo langzamerhand? Waar heeft die man het over? Er vinden toch al heel lang acties plaats tegen onrecht door dappere mensen die de wet uitdagen in het belang van de natuur? Mensen die bestaande, onwerkbare regels negeren en de moed tonen om de bijbehorende arrestaties te trotseren. Worden er niet sinds tijden klimaatactivisten opgepakt die boetes aan hun broek krijgen of een tijdje moeten brommen voor hun idealen?”

Inderdaad, moet ik dan toegeven; voor dat hogere doel werd de wet al vaak geschonden. Deze acties hebben inmiddels een lange geschiedenis en gaan vanaf begin jaren zestig onverdroten door. Er bestaan talloze individuen en groeperingen die sindsdien het recht uitdagen om aandacht te vragen voor klimaatverandering en milieuvervuiling. Hier volgen enkele voorbeelden:

Extinction Rebellion (XR): Deze internationale beweging voert burgerlijke ongehoorzaamheidacties uit om aandacht te vragen voor de klimaatcrisis. Ze blokkeren wegen, bezetten gebouwen en verstoren openbare ruimtes om politieke en publieke aandacht te vragen voor dringende actie. Dit heeft in veel landen geleid tot massale arrestaties.

Greenpeace: Greenpeace staat bekend om directe acties, waaronder het beklimmen van boorplatforms, het blokkeren van schepen en het betreden van gesloten industriële terreinen, zoals kolencentrales, om milieuvervuiling en klimaatverandering aan te pakken. Hun acties hebben vaak geleid tot arrestaties en juridische vervolging.

De Occupy-beweging en haar sympathisanten: Veel klimaatactivisten, geïnspireerd door de Occupy-beweging, hebben wegen en pleinen bezet om economische onrechtvaardigheden en de invloed van bedrijven op klimaatverandering te bekritiseren. Deze protesten worden vaak illegaal bestempeld omdat ze openbare ruimtes zonder toestemming bezetten.

Fridays for Future jongeren en schoolstakers: Hoewel het geen geweld of zware vergrijpen betreft, overtraden duizenden jongeren wereldwijd de wet door – geïnspireerd door Greta Thunberg – tijdens schooldagen te staken en massaal de straat op te gaan om te protesteren voor klimaatbeleid. In sommige landen zijn scholieren bestraft voor deelname aan deze demonstraties.

Vechters tegen infrastructuurprojecten: Actiegroepen zoals de Standing Rock Sioux Tribe hebben wetten overtreden om te voorkomen dat pijpleidingen werden aangelegd op hun land. Dat was niet alleen een kwestie van eigendomsrecht, maar ze wilden daarmee ook de bescherming van drinkwaterbronnen en de natuur waarborgen. In Europa werden er vergelijkbare acties gevoerd tegen de aanleg van snelwegen door bossen, zoals in het Hambacher Forst in Duitsland, waar activisten zich vastketenden aan bomen en zo de aanleg van infrastructuur saboteerden.

Ontbossingsactivisten: In verschillende delen van de wereld saboteren activisten apparatuur die wordt gebruikt voor (illegale) ontbossing en mijnbouwactiviteiten. Hoewel deze acties vaak klein en verspreid zijn, overtreden ze lokale en internationale wetten om milieubescherming af te dwingen.

Al deze mensen lieten en laten met hun acties zien dat zij bereid zijn om in strijd te handelen met de wet om hun punt te verduidelijken; namelijk dat er onvoldoende wordt gedaan om de aarde leefbaar te houden. ‘Is het tijd om de wet te overtreden voor het recht op schone lucht?’ vraag ik mij op de kaft af, en nogmaals, die omschrijving voor het zogenaamde thema van mijn boek klinkt bepaald niet prikkelend. Het mist de actualiteit omdat het niet meer is dan een slap aftreksel van het echte dilemma waarmee ik worstel. De vraag kon relevanter, maar de uitgever (in mij) wilde ‘de eerste kennismaking van de lezer met het boek’ bescheiden houden.

De kwestie is niet of de wet moet worden overtreden – dat wordt immers allang gedaan – maar welke ultieme acties gerechtvaardigd zijn in de strijd voor het klimaat. Die werkelijke vraag die ik in dit boek wil stellen, formuleer ik verderop veel onvoorwaardelijker en dwingt tot een morele afweging: ‘Is het tijd om geweld te gebruiken voor het recht op schone lucht?’ Of, nog indringender: ‘Is het tijd om voor dat doel te doden?’ Met deze formulering wordt de morele discussie pas echt aangescherpt. Natuurlijk is dit geen nieuw onderwerp; het is al uitgebreid besproken door filosofen, schrijvers, activisten, milieu-ethici, kunstenaars, en zelfs een jurist (een advocaat van de duivel met engelengeduld, zie hoofdstuk 7). Ze dagen ons uit om na te denken over de grenzen van activisme en de bereidheid tot radicale acties in het licht van de klimaatcrisis.

De dilemma’s die zij ons voorleggen worden alleen maar urgenter. Mijn eigen antwoord is uiteindelijk dat ik nooit onwettig geweld zou gebruiken. Maar ik worstel voortdurend met de kwestie hoe ver we mogen gaan in onze pogingen om de wereld te redden en merk dat ik in mijn ongeduld de grenzen van het toelaatbare verleg richting almaar hardere actie. Ik maak onderscheid tussen geweld dat onder bepaalde omstandigheden legaal is, en geweld dat illegaal is. Het zijn rekbare begrippen. Het hangt af van factoren zoals intentie, aard van de situatie, en juridische rechten van de betrokkenen. Wettig geweld wordt nu gebruikt door personen of instanties die daartoe, door ons burgers, democratisch zijn gemachtigd, zoals politie, militairen, of andere overheidsinstanties.

Omstandigheden en juridisch kader vormen een belangrijke factor. Het breken van de wet wordt natuurlijk niet altijd als een geweldsdelict beschouwd. Er zijn veel vormen van wetsovertredingen die geen geweld inhouden, maar in mijn boek is geweldtoepassing als machtsmiddel om het klimaat te redden het grote thema. Het gebruik van onwettige actie komt bijvoorbeeld ter sprake in de context van het verdedigen de werkelijkheid (of, minder gezwollen: van het verhaal over wat er werkelijk aan de hand is) tegen de desinformatie, onzin en misinformatie van klimaatwetenschapontkenners. Veel mensen houden er hun eigen waarheden op na. We vinden zulke betweters, beterweters en gevangenen in het eigen gelijk ter rechter- maar ook ter linkerzijde van het politieke spectrum.

Soms wordt er helemaal niet vanuit een bepaalde sociaal-maatschappelijke motivatie gesproken, maar lijkt het een doel op zich om populistisch haat te zaaien, spirituele- of wellnesswhappieachtige inzichten te verkondigen danwel de omgeving van het gevaar van één of ander elitecomplot te overtuigen. De laatste tijd komen de zogenaamde ‘soevereine burgers’ nogal eens in het nieuws, die de legitimiteit van de staat en haar instituties volledig verwerpen. Ze creëren hun eigen regels en wetten, gebaseerd op hun eigen interpretatie van de werkelijkheid. Deze beweging is vaak geworteld in een diep wantrouwen jegens de overheid en een verlangen naar absolute vrijheid. Ze geloven dat ze boven de wet staan en dat hun handelingen niet onderworpen zijn aan de regels die voor de rest van de samenleving gelden. Dit kan leiden tot gevaarlijke situaties, waarin individuen of groepen hun eigen gang gaan en de rechten van anderen negeren.

In dit boek onderzoek ik de verschillende vormen van activisme, van burgerlijke ongehoorzaamheid tot sabotage, en de morele afwegingen die daarbij komen kijken. Ik onderzoek de vraag of geweld, in welke vorm dan ook, ooit gerechtvaardigd kan zijn in de strijd voor een gezonder klimaat. Kortom, dit boek is een poging om de complexiteit van de klimaatcrisis en de noodzaak tot actie te onderzoeken, zonder de zedelijke dilemma’s uit de weg te gaan. Ik vraag niet alleen om een intellectuele overweging, maar om een ethische afweging van wat nodig is om de aarde te redden. Ik spreek het morele geweten van de lezer aan over de keuzes die we maken en ondertussen blijf ik gefocust op de complicatie van mijn eigen worsteling met deze kwestie.

A watered-down version of a relevant dilemma.

From: The GreenXtreme (Preface).

The following remark is far from a recommendation to keep reading, but it must be said: the subtitle of this book could have been better. It contains a question that is no longer relevant. It says something like: Isn’t it time to break the law for the sake of our health? Or: Shouldn’t we, by now, be fighting the current law and its defenders, as they no longer seem to protect us from the consequences of environmental pollution? I can hear the reader thinking: isn’t it time? By now? What is this man talking about? Haven’t there been actions for a long time, by brave people who flout the law in the name of nature? People who fought existing, unworkable rules and had the courage to face the resulting arrests. Haven’t climate activists been getting arrested for ages, fined as they were, or even spending time behind bars for their ideals?

Indeed, I must admit; the law has often been broken for that higher cause. These actions have a long history and have continued unabated since the early 1960s. Numerous individuals and groups have challenged the law since then to raise awareness about climate change and environmental pollution. Here are some examples:

Extinction Rebellion (XR): This international movement carries out acts of civil disobedience to draw attention to the climate crisis. They block roads, occupy buildings, and disrupt public spaces to demand political and public attention for urgent action. This has led to mass arrests in many countries.

Greenpeace: Greenpeace is known for direct actions, including climbing oil rigs, blocking ships, and entering restricted industrial sites like coal power plants to combat pollution and climate change. Their actions often result in arrests and legal prosecution.

The Occupy movement and its sympathizers: Many climate activists, inspired by the Occupy movement, have occupied streets and squares to criticize economic injustices and corporate influence on climate change. These protests are often deemed illegal because they occupy public spaces without permission.

Fridays for Future youth and school strikers: Although these actions don’t involve violence or serious crimes, thousands of young people worldwide—inspired by Greta Thunberg—broke the law by striking during school days and taking to the streets en masse to demand climate action. In some countries, students were penalized for participating in these demonstrations.

Fighters against infrastructure projects: Activist groups like the Standing Rock Sioux Tribe have broken laws to prevent pipelines from being built on their land. This was not only a matter of property rights but also a way to safeguard drinking water sources and protect nature. Similar actions have been taken in Europe against highway construction through forests, such as in Hambacher Forst in Germany, where activists chained themselves to trees, sabotaging the infrastructure development.

Deforestation activists: In various parts of the world, activists sabotage equipment used for (illegal) deforestation and mining activities. Although these actions are often small and dispersed, they break local and international laws to enforce environmental protection.

All these people have shown, and continue to show, through their actions that they are willing to break the law to clarify their point; namely, that not enough is being done to keep the planet habitable. “Is it time to break the law for the right to clean air?” I ask myself on the cover, and once again, that description of the so-called theme of my book hardly sounds stimulating. It lacks relevance because it’s nothing more than a watered-down version of the real dilemma I’m struggling with. The question could be more pertinent, but the publisher (within me) wanted to keep ‘the reader’s first encounter with the book’ modest.

The issue isn’t whether the law should be broken—after all, that’s already happening—but which ultimate actions are justified in the fight for the climate. The real question I want to pose in this book, which I formulate much more unconditionally later on, forces a moral consideration: “Is it time to use violence for the right to clean air?” Or, even more intensely: “Is it time to kill for that cause?” This formulation truly sharpens the moral discussion. Of course, this isn’t a new subject; it’s been extensively debated by philosophers, writers, activists, environmental ethicists, artists, and even a lawyer (a devil’s advocate with angelic patience, see chapter 7). They challenge us to think about the limits of activism and the willingness to engage in radical actions in light of the climate crisis.

The dilemmas they present to us are only becoming more urgent. My own answer is clear that I would never use unlawful violence. But I constantly struggle with the question of how far we are allowed to go in our attempts to save the world and find that, in my impatience, I push the boundaries of what’s acceptable toward increasingly harsher actions. I distinguish between violence that is legal under certain circumstances and violence that is illegal. These are flexible concepts. It depends on factors such as intent, the nature of the situation, and the legal rights of those involved. Lawful violence is currently used by individuals or institutions democratically empowered by us citizens, such as police, military, or other government agencies.

Circumstances and the legal framework play an important role. Breaking the law isn’t always considered a violent crime, of course. There are many forms of lawbreaking that do not involve violence, but in my book, the application of violence as a tool of power to save the climate is the central theme. The use of illegal action, for example, comes up in the context of defending the truth (or, less grandiosely: the story of what is actually happening) against the disinformation, nonsense, and misinformation from climate science deniers. Many people cling to their own versions of the truth. We find such know-it-alls, better-knowers, and prisoners of their own rightness on both the right and left sides of the political spectrum.

Sometimes, the motivation isn’t driven by any particular social or societal cause, but it seems like the goal is simply to spread populist hatred, promote spiritual or wellness-related insights, or convince others of the danger of some conspiracy. Recently, the so-called “sovereign citizens” have been in the news more often, rejecting the legitimacy of the state and its institutions entirely. They create their own rules and laws, based on their own interpretation of reality. This movement is often rooted in a deep distrust of the government and a desire for absolute freedom. They believe they are above the law and that their actions are not subject to the rules that apply to the rest of society. This can lead to dangerous situations where individuals or groups go their own way and ignore the rights of others.

In this book, I examine the various forms of activism, from civil disobedience to sabotage, and the moral considerations involved. I explore the question of whether violence, in any form, can ever be justified in the fight for a healthier climate. In short, this book is an attempt to explore the complexity of the climate crisis and the necessity for action, without shying away from moral dilemmas. I am not just asking for an intellectual consideration, but for an ethical reflection on what is needed to save the Earth. I appeal to the reader’s moral conscience regarding the choices we make, while I remain focused on the dilemma of my own struggle with this issue.