Hoe overmatige voorzichtigheid consensus kan vertroebelen.
Soms ontdek je iets van jezelf met terugwerkende kracht. Deze brief bijvoorbeeld. Lange tijd wist ik niet dat hij was afgedrukt. Ik had de krant van die dag gemist. Dat gebeurt weleens. Ik lees de Volkskrant in de digitale versie; veel artikelen verdwijnen ongemerkt uit zicht omdat ze door recenter nieuws worden weggedrukt.
Toen ik de brief later probeerde terug te vinden via het zoeksysteem van de krant, bleek dat geen eenvoudige opgave. Brieven worden daar wel degelijk opgeslagen, maar eerder als een verzameling “lezersreacties” dan als afzonderlijke bijdragen, dus niet gemakkelijk op naam op te sporen. Titels worden door de eindredactie bedacht. Wie zijn eigen woorden zoekt, moet dus enig geduld meebrengen.
Uiteindelijk bood een chatbot uitkomst door een alternatieve zoekroute aan te reiken. Tot mijn verrassing bracht die niet alleen deze brief boven water, maar ook andere ingezonden stukken die ik ooit ter beoordeling had opgestuurd, en die kennelijk eveneens zijn gepubliceerd zonder dat ik daarvan op de hoogte was gesteld. Een aangename ontdekking, moet ik toegeven, want opname in de krant was tenslotte het doel van het schrijven.
Toch blijft het een beetje merkwaardig. De brievenredactie vraagt nadrukkelijk om een telefoonnummer te vermelden, wat de indruk wekt dat er vooraf contact wordt opgenomen. Dat is in mijn geval blijkbaar niet nodig gebleken.
Hoe dan ook overheerst de tevredenheid. Het is prettig te merken dat inspanningen niet geheel in stilte verdwijnen. Misschien heb ik mijn fifteen minutes of fame inmiddels zelfs ruimschoots overschreden, zij het met enige vertraging.
Vastgereden in de drek van mijn wensgedachten, begrijp ik nu dat ze de stem voor het platteland nog luider gaat vertolken.
Even dacht ik dat ze er mee op zou houden. “Rijd de tractor maar voor, ik betaal de transportkosten.” Maar ze doet slechts afstand als leider. Ze blijft actief als Kamerlid. Ze blijft boeren mobiliseren. Ze trekt alleen de kar niet meer. Dit is geen koerswijziging; dit is stationair draaikonten op het erf.
De herinnering aan rampen heeft een lange halveringstijd.
The GreenXtreme – Hoofdstuk 11
Ik woonde eind jaren tachtig in een studentenhuis in Maastricht. Daar hadden we vaak buitenlandse studenten op bezoek als tijdelijke onderhuurders ivm uitwisselingsprojecten. Ooit waren de logés twee dames uit de Oekraïne. Ze zaten op de universiteit van Kiev en volgden in ons land een economisch semester. Een jongen die naast mij woonde studeerde iets technisch op hbo niveau. Hij beschikte over een stralingsdetector, of laten we zeggen: hij maakte mij en de rest van het huis wijs dat het een heuse geigerteller was. Ik weet nog steeds niet of hij ons voor de gek hield maar het ding maakte het bekende ratelgeluid van oplopende klikjes als hij in de buurt van onze gasten kwam of van hun spullen. Niet iedereen kon daarom lachen.
De Tsjernobylexplosie is een van de meest apocalyptische technologische ongelukken aller tijden. Ze werd veroorzaakt door slechte ontwerpkeuzes en incorrecte besturing. Deze ramp toont aan hoezeer dingen kunnen misgaan als ingenieurs fouten maken.
In feite veroorzaakten drie fouten samen de Tsjernobylexplosie. De eerste fout was de manier waarop de ingenieurs water gebruikten in de reactor. Ze hadden water nodig om stoom te vormen, want stoom is het medium dat de warmte-energie van de reactor opneemt en elektriciteit genereert via een stoomturbine. Het probleem is dat vloeibaar water veel beter neutronen absorbeert dan stoom. Als de operators de reactor afkoelen, bevat de kern vooral water. Als ze de reactor dan onjuist opwarmen en het water snel in stoomfase schiet, kan een energiepiek volgen. De snelle omzetting van water naar stoom veroorzaakt een snelle toename van het aantal neutronen: een positief terugkoppelingsproces.
De tweede fout betrof het ontwerp van de regelstaven. Een regelstaaf wordt geacht neutronen te absorberen, maar de punten van de Tsjernobylregelstaven waren van grafiet. Toen de regelstaven de reactor ingingen, verdreven ze daarom het water, wat leidde tot een volgende energiepiek.
Ten derde had de Tsjernobylreactor geen beschermende behuizing, dus toen de explosie zich voordeed, was er niets wat de vervuiling opving.
Het ongeluk verliep als volgt: op 26 april 1986 koelden de operators de kern onjuist af. Toen ze weer opstartten, schoot het water in stoomfase en ontstond een energiepiek. De regelstaven werden ingevoerd, waarbij de grafietpunten een tweede, rampzalige energiepiek veroorzaakten. De brandstofstaven barstten en de regelstaven zaten klem. Een stoomexplosie blies de kern open, waardoor zuurstof binnenstroomde en een brand ontstond, die nucleair materiaal de lucht in pompte. Een tweede explosie – waarschijnlijk een kleine nucleaire ontploffing door de fusie van smeltende brandstof – vergrootte de hoeveelheid vrijkomend nucleair materiaal.
Je kunt nu citytrips naar Pripjat maken. Ook de rest van het rampgebied is een toeristische trekpleister geworden.
Miljoenen hectares land werden besmet met gevaarlijke niveaus radioactieve neerslag en vrijwel heel Europa kreeg te maken met fall-out. De ontwerpbeslissingen van een paar ingenieurs en de operationele fouten van een paar operators troffen miljoenen mensen. In de discussie over eventuele herintroductie van kernenergiecentrales in Nederland is het goed om te beseffen dat fouten zoals boven omschreven natuurlijk nooit meer gemaakt worden.
De dames die bij ons logeerden werden geboren op zo’n 95 km van de plek van de ramp. Ze bezochten ons drie jaar na die catastrofe. In 1986 maakte Tsjernobyl nog deel uit van de Sovjet-Unie, vlak bij de grens met Wit-Rusland. De omgeving van Tsjernobyl en de dichstbijzijnde stad Pripjat zijn na de ramp afgesloten vanwege de hoge radioactiviteit.
Doordat er geen mensen meer wonen, heeft de natuur vrij spel. Zo is de omgeving een waar natuurgebied geworden, waar allerlei bijzondere flora en fauna te vinden is. Het zou cynisch zijn om dit laatste feit als argument te gebruiken voor de herinvoering van atoomenergie. Zo van: als het fout gaat houd je in ieder geval een prachtig, van mensen verstookt, gebied over. Ik zal dit nooit hardop zeggen.
En dan was er nog Fukushima
Misschien is het goed om nog even stil te staan bij wat er precies gebeurde tijdens de tsunami van 2011 in Japan. De onverdunde waarheid, zeg maar. De Fukushimareactoren waren aardbevingsbestendig ontworpen. Toen voor de kust van Japan een zeebeving plaatsvond met een kracht van 9,0 stopten de reactoren onmiddellijk door automatisch de regelstaven te laten zakken. De reactorgebouwen waren niet beschadigd.
Alles leek oké. De beving sloot de centrale wel af van het stroomnet, maar er waren meerdere back-upsystemen, waaronder accu’s, dieselgeneratoren en noodkoelingssystemen, die geen externe energie nodig hadden. De ingenieurs hadden zelfs rekening gehouden met een tsunami, door een beschermende dijk rond de centrale te bouwen.
Ze hadden echter geen rekening gehouden met een tsunami van 15 meter hoog en de gevolgen die deze kon hebben. Ze rekenden op een tsunami van hooguit 10 meter. De dieselgeneratoren, de accu’s, de verdeelkast en de brandstoftanks bevonden zich allemaal in de kelder van de centrale, en de 15 meter hoge tsunami vernielde deze noodstroomvoorziening. De accu’s vielen uit en de dieselgeneratoren stonden onder water, net als de verdeelkast, zodat het onmogelijk was om eenvoudig nieuwe externe energiebronnen in te pluggen. Omdat een gesloten klep niet open wilde, faalde bij Unit 1 het noodkoelsysteem, dat zonder stroom zou moeten werken.
Als de ingenieurs bedacht waren geweest op een 15 meter hoge tsunami, zou de zaak in Fukushima heel anders zijn gelopen, maar vanwege een atypische natuurramp waren alle denkbare back-upsystemen op slag nutteloos.
Ok, soms doen ingenieurs aannamen die onjuist blijken. Vaak wordt de zaak gecorrigeerd voor er echt iets misgaat. Dan doet de fout zich voor in een systeem waarin genoeg speling zit om die te compenseren. Of een back-upsysteem neemt de controle over. Zo nu en dan groeien kleine misvattingen uit tot catastrofes. Maar wetenschappers leren daar onmiddellijk van. Ik acht het onwaarschijnlijk dat de hierboven omschreven fouten nogmaals worden gemaakt.
Kernenergie, vriend of vijand?
Nieuws over rampen met kernenergiecentrales doet een pleidooi voor het heroverwegen van kernenergie als energiebron natuurlijk geen goed. Wat het consumentenvertrouwen sowieso niet helpt is, naast de ramp zelf, de uitleg die vaak wordt gegeven van de catastrofe en van kernenergie in het algemeen. Die blijkt vaak niet correct.
Ik durf te beweren dat iedere ramp met een kerncentrale, reactors van de toekomst veiliger maakt. Althans, wat techniek en voorzorgmaatregelen betreft. Waarmee ik mij niet voor herinvoering van kernenergie uitspreek. Het probleem is dat we meer energie nodig hebben dan andere duurzame bronnen op dit moment kunnen leveren.
Is lozen de oplossing?
De Japanse regering overwoog om meer dan 1 miljoen ton verontreinigd water van de Fukushima Daiichi kerncentrale in zee te lozen. Daarmee kwam ze in aanvaring met de locale vissers die beweerden dat deze maatregel hun toch al zwaar beschadigde bedrijfstak nog verder om zeep hielp. Lozing zou het moeizaam herwonnen consumentenvertrouwen opnieuw beschamen.
Milieugroepen waren ook tegen deze maatregel. Buurland Zuid Korea, dat vanaf de ramp in Maart 2011 de import van zeevangst uit de regio boycot, heeft herhaaldelijk haar bezorgdheid geuit.
De regering van Japan gaf al langer aan dat ze de meer dan 1000 tanks aan nucleair afvalwater in de Stille Oceaan kwijt wilde. Met deze beslissing kwam er een einde aan jaren van onderhandelen over wat er met het water moest gebeuren. Andere opties waren verdamping of de constructie van nog meer opslagtanken op andere plekken.
Het water werd indertijd gebruikt om drie beschadigde reactorkernen tegen smelten te behoeden. De hoeveelheid afvalwater steeg met 170 ton per dag want de verdunning van verontreinigd water ging noodgedwongen door. De druk om te besluiten wat er met het water moest gebeuren nam toe omdat de opslagruimte op het terrein van de kerncentrale tegen het einde van de zomer van 2022 ontoereikend werd.
Augustus 2023 begon Japan met het gecontroleerd lozen van het ALPS-behandelde water in de Stille Oceaan, na jarenlange voorbereiding, met IAEA-toezicht. Dit water is grondig gefilterd (met uitzondering van tritium) en sterk verdund, volgens internationale normen. De IAEA bevestigde in juli 2023 dat de lozing “consistent met internationale veiligheidseisen” is en dat de radiologische impact verwaarloosbaar is. Sindsdien zijn meerdere missies van de IAEA uitgevoerd, inclusief inspecties in oktober 2023 en april 2024. Zeewatermetingen tot november 2024 tonen geen verhoogde tritiumniveaus boven de detectiegrens, en alle waarden blijven ver onder WHO‑normen.
Binnenlandse vissersgroepen bleven zorgen uiten over imagoschade voor de visserij, ondanks garanties over veiligheid. China hief zijn ban op Japanse visproducten deels op in mei 2025, na technische gesprekken en erkenning van “substantieel veiligheidsvooruitgang”, maar handhaaft beperkingen voor producten uit tien prefecturen, waaronder Fukushima. Zuid-Korea handhaaft een boycot, maar werkt samen met IAEA‑monitoring en volgt wetenschappelijke adviezen.
Sinds augustus 2024 is er al ongeveer 62.400 ton water geloosd in acht rondes. Nu de lozing doorgaat, worden lege opslagtanks vanaf 2025 afgebroken om ruimte vrij te maken. De lozing gaat gestaag voort volgens plan, met voortdurende monitoring. Tegelijkertijd intensiveren internationale partijen (China, Zuid-Korea, Zwitserland) hun eigen bemonstering, samen met IAEA, om onafhankelijk te verifiëren dat de waterkwaliteit veilig blijft. China bereidt zich voor op gedeeltelijke hervatting van import uit Japan, afhankelijk van afronding van technische analyses en papierwerk.
Ik herhaal de vraag die ik in de kop van dit stukje stelde: is lozen de oplossing. In dit geval zeg ik: Misschien; als de herinniering aan Fukushima maar nooit verwatert en als we hiervan voor altijd hebben geleerd dus nooit meer zo’n zelfde fout maken.
Biomassa wordt in Europa officieel nog steeds als hernieuwbare energie aangemerkt. Dat is, wat mij betreft, de eerste fundamentele vergissing in het klimaatbeleid. Al jaren schuurt het en inmiddels weten we waarom. Wetenschappers hebben overtuigend aangetoond dat het verbranden van houtige biomassa niet circulair is, laat staan klimaatvriendelijk. Nieuwe aanplant van bomen garandeert op geen enkele manier een sluitende CO₂-compensatie. Sterker nog, het duurt decennia voordat jonge aanwas de uitgestoten CO₂ van verbranding weer enigszins goedmaakt. Ondertussen stijgt de uitstoot vandaag, niet morgen, en is die bij biomassa op de korte termijn zelfs hoger dan bij steenkool.
Toch blijft het verhaal van biomassa hardnekkig rondzingen in beleidsdocumenten, subsidieaanvragen en officiële statistieken. Ik vind dat verbijsterend.
Want wat stellen we ons eigenlijk voor bij ‘duurzame’ biomassa? In de praktijk gaat het vooral om de verbranding van hout: hout uit bossen, hier en elders. Dat hout zou afkomstig zijn uit ‘duurzaam bosbeheer’, maar wie bepaalt dat? Lange tijd was het genoeg als er een keurmerk op zat — FSC, PEFC — en vervolgens stroomden er miljarden euro’s aan subsidies richting biomassacentrales. Als die certificaten er maar op zaten, was alles groen.
Maar wat zegt zo’n label uit Estland? Of uit de Verenigde Staten? Rusland wordt minder relevant sinds de oorlog in Oekraïne (althans op papier). Veel van het hout dat jarenlang werd verstookt in Nederlandse centrales kwam uit de Baltische staten, Canada of Zuidoost-VS. Laten we wel wezen: hoe controleer je duurzaam bosbeheer op duizenden kilometers afstand, terwijl lokale inspecties zeldzaam zijn en bedrijven vaak hun eigen data aanleveren? Ik geloof gewoon niet meer in de illusie van de gecertificeerde houtsnipper.
Bestaande biomassacentrales worden uitgefaseerd. Dat is niet minder dan een farce.
In Nederland liepen we voorop in de biomassa-euforie. Toen het in de jaren 2010 duidelijk werd dat we onze CO₂-doelen niet zouden halen, greep men biomassa aan als het makkelijke compromis: iets dat je meteen kon bijstoken in bestaande kolencentrales. Ideaal voor de cijfers. De centrale in Diemen bijvoorbeeld — eigendom van Vattenfall — kreeg jarenlang miljoenen euro’s subsidie. Inmiddels heeft het kabinet besloten geen nieuwe subsidies meer te verlenen voor het verbranden van houtige biomassa voor elektriciteits- of warmteproductie. Dat klinkt als winst, maar bestaande centrales blijven draaien zolang de oude subsidiepotten lopen. We zitten dus nog jaren aan deze vervuilende oplossing vast.
In Duitsland is de koers inmiddels omgeslagen: er worden geen nieuwe biomassacentrales meer gebouwd die hout verbranden. De focus ligt daar nu op kleinschalig gebruik van reststromen: landbouwafval, rioolslib, GFT, en biogas uit mest. Ook Denemarken is aan het afbouwen. Kopenhagen draaide jarenlang op houtpellets, maar heeft nu stevige plannen om vóór 2030 over te stappen op duurzame alternatieven zoals geothermie en warmtepompen. België heeft biomassa lang toegestaan, maar in Wallonië en Vlaanderen zijn projecten stilgelegd of uitgesteld, mede onder druk van burgers en milieuorganisaties. Europa zet nu formeel in op afbouw van grootschalige houtverbranding, al blijft het bureaucratisch wikken en wegen.
De herziening van de Europese Richtlijn Hernieuwbare Energie (RED III) stelt zekere grenzen:
Hele bomen mogen niet meer als biomassa worden verstookt;
Subsidies mogen alleen nog gaan naar resthout of afvalbiomassa;
Landen moeten zorgvuldiger aantonen dat hun biomassa duurzaam én efficiënt is.
Dat klinkt goed, maar ik blijf sceptisch. Want Europese richtlijnen gaan zelden gepaard met duidelijke, harde verplichtingen die onvoorwaardelijk zijn en ondubbelzinnig. Wat ‘resthout’ precies is, blijkt in de praktijk vaak een kwestie van boekhouding. Als een boom niet geschikt is voor de meubelindustrie, mag hij ineens ‘resthout’ heten. En dan wordt hij opgestookt. Wie controleert dat?
Bovendien: biomassa blijft aantrekkelijk voor energiebedrijven. Want ze mogen de uitgestoten CO₂ officieel als ‘nul’ rekenen op de balans, omdat bomen ‘ooit’ zouden teruggroeien. En zolang dat boekhoudkundige voordeel blijft bestaan, blijft biomassa aantrekkelijk. Ondanks alle klimaatschade.
Ik herinner me nog de tijd dat partijen als GroenLinks en D66 het gebruik van biomassa verdedigden als ‘noodzakelijk’ voor de energietransitie. Alsof het stoken van bomen een tussenoplossing zou zijn. Die houding is inmiddels afgezwakt — zeker bij de achterban — maar in de praktijk blijven we zitten met deals uit het verleden. Waarom trekken diezelfde partijen niet aan de noodrem, nu de wetenschap duidelijker is dan ooit? Waarom blijven ze vasthouden aan een dogma dat niet meer verdedigbaar is?
Het roept ook bredere vragen op. Waarom stonden klimaatbewuste burgers jarenlang alleen in hun wantrouwen tegenover ‘duurzame energie uit hout’? Waarom moest de publieke opinie pas kantelen toen er beelden opdoken van kaalgekapt bosgebied? Waarom blijven politici zo gevoelig voor lobby’s van grote energiebedrijven, terwijl kleine burgerinitiatieven vaak struikelen over regeldruk en gebrek aan subsidie?
Ik zie hoe de wanhoop toeslaat bij milieuactivisten. Eerst demonstreerden ze vreedzaam, vol idealen. Maar steeds vaker hoor ik geluiden van wanhoop, van woede. En wie zal het ze kwalijk nemen? Als het voortschrijdend inzicht van politieke partijen trager verloopt dan de groei van jonge aanplant in een kaalgekapt bos, dan weet ik eerlijk gezegd ook niet meer waar de oplossing vandaan moet komen.
We moeten accepteren dat biomassa niet de oplossing is. We moeten erkennen dat gebruik hiervan een historische blunder was, ingegeven door haast, illusies en boekhoudtrucs. Ik ben klaar met mooie woorden over ‘duurzame biomassa’. Want bomen verbranden ís geen duurzame oplossing. Het is een symptoom van een beleid dat de illusie verkoos boven de realiteit. En die fout, die mogen we niet nog eens maken.
Nadelen van het langzame uitfaseren van bestaande biomassacentrales:
Beleidsmatige onzekerheid Het uitstelgedrag creëert een grijs gebied waarin bedrijven, gemeenten en investeerders niet weten waar ze aan toe zijn. Dat remt innovatie en planning voor duurzame alternatieven.
Doorlopende subsidies zonder toekomstvisie Zolang centrales blijven draaien, blijven er (vaak forse) subsidies naar een energiebron die geen langetermijntoekomst heeft. Dat is geld dat niet geïnvesteerd wordt in echt duurzame oplossingen.
Lage prikkel voor transitie Een trage uitfasering haalt de druk van de ketel om alternatieven zoals geothermie, aquathermie, of restwarmtenetten versneld op te bouwen.
Vastklampen aan oude technologieën Lang doorgaan met biomassa houdt oude infrastructuren in stand, terwijl snelle afbouw ruimte zou maken voor nieuwe, schonere technologieën.
Slechte signalen aan de samenleving Langzaam afbouwen kan bij het publiek het beeld oproepen dat biomassa ‘toch nog wel meevalt’ of dat de urgentie ontbreekt, wat het draagvlak voor echte verduurzaming ondermijnt.
Blijvende afhankelijkheid van import Zolang de centrales blijven draaien, blijft ook de import van biomassa (zoals houtpellets) doorgaan – vaak uit twijfelachtige bronnen, wat de klimaatwinst tenietdoet.
Milieu-impact blijft bestaan Elke extra draai-uur van een biomassacentrale betekent uitstoot – niet alleen van CO₂, maar ook van fijnstof en stikstofoxiden. Hoe langer we doorgaan, hoe groter de schade.
Ik herinner me de eerste momenten waarop ik begon te beseffen dat de wereld om me heen veranderde en niet op een manier die geruststelde. Het was geen plotseling inzicht, maar een langzaam ontwaken. Een gevoel dat er iets niet klopte, dat zich beetje bij beetje opdrong. Verhalen over onrecht, en over mensen die daartegen in verzet kwamen, trokken steeds meer mijn aandacht. In de geschiedenis kwam ik telkens weer figuren tegen die hun stem verhieven tegen onderdrukking, vaak tegen de stroom in. Of het nu ging om politieke tirannie, sociale ongelijkheid of, later, de dreiging van een ecologische ramp. Als ik terugdenk aan het begin van mijn betrokkenheid bij klimaatactivisme, kom ik uit in de jaren zeventig, al ligt de oorsprong natuurlijk verder terug.
Voor mij begon het verzet met een gevoel van onbehagen, een knagend besef dat er iets goed fout zat. Het zat niet in grote gebaren, maar in kleine momenten van tegenspraak: situaties waarin ik leerde om vanzelfsprekendheden in twijfel te trekken. Ik denk aan mijn jeugd, in een Brabants dorpje aan de rand van het bos. Dat bos moest langzaam wijken voor een nieuwbouwwijk. Het bracht nieuwe speelkameraadjes, maar ook een groeiend besef van hoe kwetsbaar de natuur is. Verhalen over de vernietiging van het regenwoud of de vervuiling van rivieren raakten me diep. Het was de soort onmacht die je als kind kunt voelen, vermengd met een eerste glimp van woede.
Het boek Walden van Henry David Thoreau uit 1854 is in vele prachtig vormgegeven edities verschenen. Het vormt een filosofisch verslag van Thoreau’s teruggetrokken leven in de natuur, waarin hij reflecteert op eenvoud, zelfvoorziening en de essentie van het bestaan. Dit meditatieve relaas over een leven in eenvoud en harmonie met de natuur is Thoreau’s poging om de wereld te begrijpen door haar deels achter zich te laten. Hij werd daarmee een pionier van de alternatieve levenshouding en het onafhankelijke denken.
Deze vroege kiemen van verzet, dit intuïtieve gevoel dat er iets moest veranderen, vond ik later terug in de verhalen van mensen die hun leven radicaal anders inrichtten, voorlopers die zich bewust losmaakten van de heersende opvattingen en nieuwe morele richtingen verkenden. Ik las over denkers als Henry David Thoreau, die met zijn boek Walden (1854) een pleidooi hield voor een simpeler, zelfvoorzienender leven in harmonie met de natuur. Hoewel zijn verzet primair filosofisch en individueel van aard was, inspireerde zijn idee van burgerlijke ongehoorzaamheid latere generaties van activisten. Voor mij was Thoreau een bevestiging dat het mogelijk was om een alternatieve weg te kiezen, los van de dominante cultuur.
Het collectieve klimaatactivisme zoals we dat nu kennen, ontstond natuurlijk pas later. Maar de wortels ervan reiken dieper; tot in de geschiedenis van milieubewustzijn en maatschappelijke strijd. Voor mij markeerde de overgang van een algemeen verzet tegen onrecht naar specifiek klimaatactivisme een verdieping van dat oorspronkelijke onbehagen. Het besef dat we niet alleen elkaar, maar ook de planeet schade toebrengen, kwam als een schok; ook voor mij.
Ook het boek Silent Spring van Rachel Carson, oorspronkelijk verschenen in 1962, kent inmiddels vele uitgaven, vaak voorzien van een nieuw voorwoord of nawoord. Silent Spring gaf de natuur een stem op het moment dat haar stilte dreigde in te treden. Het geldt als een baanbrekend werk dat milieubewustzijn op de kaart zette, met een indringende aanklacht tegen het gebruik van pesticiden en de schade die dit aanricht aan ecosystemen.
Een cruciale figuur in deze ontwikkeling, die mij diep heeft beïnvloed, is Rachel Carson met haar baanbrekende boek Silent Spring uit 1962, het jaar waarin ik werd geboren. Het stond bij ons thuis in de kast maar het duurde even voordat ik het voor het eerst las. Toen het zover was, bleek het een openbaring. Carson toonde op wetenschappelijke en tegelijk poëtische wijze de desastreuze gevolgen van het onbeperkte gebruik van pesticiden zoals DDT. Haar werk was geen oproep tot radicale actie zoals straatprotesten, maar een verzet van de meest fundamentele soort: het blootleggen van de waarheid, het doorbreken van de stilte. Silent Spring veroorzaakte een schokgolf en wordt algemeen gezien als het startschot van de moderne milieubeweging. Voor mij was het een wake-up call, een bevestiging dat mijn diffuse angst een concrete grondslag had.
Na Carson zag ik een geleidelijke verschuiving. De focus verlegde zich van lokale milieuproblemen naar een breder, mondiaal perspectief. In de jaren ’70 verschenen de eerste wetenschappelijke rapporten over de opwarming van de aarde. Er werden voorzichtige kleine stappen richting klimaatactivisme gedaan. Het proces verliep moeizaam: de boodschap was complex en de gevolgen leken nog abstract en ver weg. Ik denk aan de eerste Earth Day in 1970, georganiseerd door onder anderen Gaylord Nelson en Denis Hayes; het werd een belangrijke mijlpaal in het mobiliseren van publieke aandacht voor milieukwesties. Nog geen klimaatactivisme in de strikte zin van het woord, maar wél een moment waarop het collectieve besef groeide dat zorg voor de planeet een gedeelde verantwoordelijkheid vormt.
In de jaren ’80, met de opkomst van het concept van duurzame ontwikkeling (gepopulariseerd door het Brundtland Rapport uit 1987, ook bekend als Our Common Future), begon het besef te groeien dat economische groei en milieubescherming met elkaar verzoend moesten worden. Dit was een belangrijke stap, want het bracht de discussie over milieu verder dan alleen het beschermen van natuurgebieden; het betrof nu de kern van ons economische systeem. Ik zag hoe de eerste klimaatconferenties, zoals de inmiddels legendarische UNFCCC-top in Rio de Janeiro in 1992, voorzichtig probeerden internationale samenwerking te smeden. Hoewel de resultaten vaak teleurstellend waren, vormden dit belangrijke vroege stappen in het formuleren van een wereldwijde respons.
Pas in de jaren ’90 en vroege jaren 2000’s begon het klimaatactivisme echt vorm te krijgen. Organisaties als Greenpeace en Friends of the Earth richtten hun aandacht steeds nadrukkelijker op klimaatverandering. Ik raakte voor het eerst betrokken bij een lokale klimaatgroep; een klein, wat onbeholpen begin, maar toch een duidelijke uiting van collectieve weerstand tegen de inertie en het ontkennen van de ernst van de situatie. De namen van mensen als Bill McKibben, met zijn vroege waarschuwingen in The End of Nature (1989), en later Al Gore, met zijn film An Inconvenient Truth (2006), galmden door de publieke ruimte. Zij gaven een stem aan de wetenschappelijke consensus en probeerden die te vertalen naar een breder publiek, een inspanning die de basis legde voor verdere mobilisatie.
Voor mij is de reis van het vroege verzet naar het hedendaagse klimaatactivisme een persoonlijke reis van groei en betrokkenheid geweest. Het begon met een onbestemd onbehagen, gevoed door verhalen en figuren die me inspireerden, en is uitgegroeid tot een diepgeworteld geloof in de noodzaak van actie. Het is de realisatie dat verzet, in al zijn vormen, van stille contemplatie tot luide protesten, essentieel is om de wereld, en onszelf, te beschermen. De strijd is nog lang niet gestreden, maar de zaadjes van verzet, geplant door de visionairs van weleer, zijn inmiddels uitgegroeid tot een wereldwijde beweging.
Wat ik helaas ook bij mezelf ontdekte, was dat actievoeren niet echt in mijn bloed zit. Niet dat ik ongevoelig ben voor wat er gebeurt. Integendeel, soms brand ik vanbinnen. Maar dat vuur is traag, bijna bedaard, als smeulend hout dat niet wil opvlammen, alleen maar rook verspreidt die in je ogen bijt. Ik vraag me nu af waarom ik juist deze metafoor van vuur en rook kies, terwijl ik juist fel tegen houtstook ben. Misschien zegt het iets over mijn karakter: innerlijk vol tegenstrijdigheden, mild hypocriet, maar altijd met de beste bedoelingen.
Ik bewonder hen die direct in actie komen. Die spandoeken maken en zich vastlijmen aan asfalt. Ik zie ze staan, daar op het Malieveld of in de kou voor een bestuursgebouw, en voel een soort heimwee naar iets wat ik nooit gehad heb: die vanzelfsprekende overgave, die innerlijke roep die geen tegenspraak duldt. Mijn engagement werkt anders. Ik twijfel veel. Ik schrijf liever dan dat ik schreeuw. Ik observeer, analyseer, ontleed; soms tot in het absurde. Waar een ander opstaat en loopt, blijf ik nog zitten, in gesprek met m’n geweten, m’n angst, m’n verlangen naar nuance.
Is dat laf? Misschien. Maar ik geloof ook dat er meer vormen van verzet zijn dan de zichtbare. Activisme, zo dacht ik lang, moest luid zijn, moet storen, moet breken. Maar er is ook een soort verzet dat langzaam werkt. Dat de taal inzet als middel. Dat zoekt naar beelden die beklijven, naar verhalen die niet schreeuwen, maar wél blijven hangen.
Soms verwijt ik mezelf dat ik niet radicaler ben. Niet fysieker. Alsof mijn lichaam weigert mee te doen aan de strijd waarin mijn geest al jaren verwikkeld is. Alsof ik een soldaat ben die voortdurend zijn geweer vergeet. Toch probeer ik deel te zijn van de beweging. Op mijn manier. Ik voer gesprekken. Ik stel vragen, ook aan mezelf. Ik probeer te luisteren naar die onderstroom die de wereld in stilte verandert; de langzaamste revolutie die er is: die van inzicht, van verandering van binnenuit.
Misschien ben ik geen activist, maar een activerende schrijver. Iemand die niet de barricade opklimt, maar een ladder naar begrip bouwt. En ik hoop, al is het maar een beetje, dat ook dat telt. Dat ook traag vuur kan branden (maar dan liefst zonder fijnstof).
Nog even dit:
Silent Spring ademt een soort van ingehouden verzet, en dat maakt het boek des te krachtiger. Rachel Carson schreef het niet als een pamflet, maar als een wetenschappelijk onderbouwde, haast literaire aanklacht. Ze was biologe en marien ecoloog, geen activist in de traditionele zin. Toch schuilt er in haar rustige, zorgvuldige toon een diep moreel appel. Ze zet geen grote woorden in, maar juist in haar beheersing voel je de urgentie.
Carson verzette zich — bijna stilletjes maar uiterst doeltreffend — tegen het dominante geloof in technologische vooruitgang zonder ethische begrenzing. Ze stelde de chemische industrie verantwoordelijk voor ecologische schade, en bracht tegelijk het overheidsfalen aan het licht. Haar verzet lag in het openbaren van wat anderen liever verborgen hielden. Haar boek werd een kalme, maar onverzettelijke aanklacht tegen de vernieling van de natuur, geschreven met de precisie van een wetenschapper en de overtuigingskracht van iemand die wist dat haar woorden het verschil konden maken.
Voor mij bood Silent Spring een vorm van erkenning: dat betrokkenheid ook intellectueel en stil kan zijn. Het boek liet zien dat verzet zich niet altijd uit in spandoeken en leuzen, maar net zo goed in het geduldig verzamelen van feiten, het helder formuleren van een ongemakkelijke waarheid, het schrijven dat de lezer aan het denken zet. Carson liep niet voorop in demonstraties, maar wat zij deed — grondig onderzoek vertalen naar toegankelijke taal — was minstens zo ontwrichtend voor het heersende narratief.
In zekere zin voelde het als een rechtvaardiging van mijn eigen neiging tot een stiller engagement: ik hoefde niet per se op de barricade te staan om toch iets van verzet te voelen of uit te dragen.
Er zijn momenten waarop de werkelijkheid zich in alle helderheid aandient. Een alarmerend klimaatrapport, een verdwijnende gletsjer, de onafwendbare opwarming van de aarde. En toch lijkt die werkelijkheid steeds minder vat te krijgen op het publieke bewustzijn. Hoe valt het te verklaren dat feiten, hoe goed onderbouwd ook, niet langer vanzelfsprekend gezag hebben? Wat zegt dat over onze verhouding tot kennis, tot waarheid, tot elkaar? In dit hoofdstuk probeer ik te begrijpen waarom de moderne mens — ondanks een overvloed aan informatie — steeds moeilijker tot inzicht komt.
Onlangs las ik de samenvatting van een rapport van het IPCC. De boodschap was helder, ondubbelzinnig en niet nieuw: de zeespiegel stijgt sneller dan eerder gedacht, gletsjers smelten in rap tempo, en het risico op overstromingen neemt toe. In IJsland werd in 2019 al afscheid genomen van de eerste verdwenen gletsjer, en in de Zwitserse Alpen hield men een symbolische begrafenis voor de Pizol-gletsjer. De wetenschappelijke conclusie laat aan duidelijkheid niets te wensen over: als overheden niet snel en gecoördineerd handelen, zal de schade aan ecosystemen en menselijke leefgebieden onomkeerbaar zijn.
Maar wat mij telkens weer verbaast, is dat zulke glasheldere waarschuwingen zo weinig weerklank vinden buiten de kringen van degenen die toch al overtuigd zijn. Waarom raken deze feiten niet verankerd in het publieke bewustzijn? Ik vraag me af: wat is er aan de hand met onze verhouding tot kennis en waarheid? Waarom laten zoveel mensen zich niet leiden door wat de wetenschap aantoont, maar juist door wat hen bevalt; door geruchten, gevoelens, vermoedens of de opinie van een vage bekende op sociale media?
Ik hoor steeds vaker zeggen dat de NOS onbetrouwbaar is. Dat ‘de wetenschap ook maar een mening’ is. Dat klimaatverandering een hoax zou zijn. En deze uitspraken komen zelden als uitnodiging tot een gesprek. Integendeel: ze worden uitgesproken met een agressieve zekerheid die weinig ruimte laat voor twijfel of nuance.
De opmars van klimaatwetenschapsontkenning. Boze boeren met hun trekkers naar Den Haag, worden door sympathisanten toegejuicht als bevrijders. In een tijdperk van informatieovervloed laat sympathie zich zelden sturen door cijfers. Het toont aan hoe moeilijk het is om feiten nog vaste grond te geven in een omgeving waar gevoel, groepsdenken en wantrouwen vaak meer gewicht hebben dan bewijs. Terwijl rapporten wijzen op de noodzaak van ingrijpende veranderingen in de landbouw, klinkt op de viaducten het applaus voor wie zich hiertegen verzet. Wat gebeurt er als emotie en identiteit zwaarder gaan wegen dan kennis en analyse? Het spanningsveld tussen noodzakelijke beleidsmaatregelen en publieke beleving komt steeds vaker tot uiting op straat.
Zouden deze mensen een organisatie als het IPCC überhaupt nog als gezaghebbend beschouwen? Want dat gezag is voor mij wél van belang. Ik zie het IPCC als een van de weinige instituten waar het zoeken naar waarheid nog onderworpen is aan een collectieve, transparante en internationale toetsing. Het is geen los collectief van klimaatactivisten, maar een samenwerkingsverband van honderden wetenschappers van over de hele wereld. Zij doen zelf geen nieuw onderzoek, maar bundelen de resultaten van talloze studies die door vakgenoten zijn beoordeeld. In een zorgvuldig proces van commentaar, revisie en toetsing wordt geprobeerd tot een zo objectief mogelijk overzicht te komen van wat we weten en wat nog niet.
Toch wordt ook dit werk gewantrouwd, genegeerd of belachelijk gemaakt. En dat brengt me bij de bredere vraag die ik me al langer stel: waarom slagen moderne democratieën er niet in een onderwijssysteem te ontwikkelen dat bijdraagt aan een breed gedeeld werkelijkheidsbesef; een systeem dat mensen leert hoe ze objectieve waarheid kunnen herkennen, meningen en manipulatie kunnen onderscheiden, en er moreel en intellectueel verantwoord naar kunnen handelen?
Misschien is het probleem dat democratieën weliswaar uitgaan van een vrij en kritisch individu, maar tegelijkertijd worstelen met de paradox dat onderwijs niet enkel kennisoverdracht is, maar ook een morele en epistemologische vorming vereist. In plaats van leerlingen te leren hoe te denken, krijgen ze vaak alleen te horen wat ze moeten weten, los van context, twijfel of zelfreflectie.
Bovendien functioneren democratische samenlevingen binnen een medialandschap en een markteconomie die eerder gebaat zijn bij opinie dan bij waarheid, bij indrukken dan bij inzicht. Het onderwijs weerspiegelt dat spanningsveld. Waar het idealiter zou moeten dienen als tegenkracht tegen desinformatie en groepsdenken, is het vaak zelf onderhevig aan politieke en economische belangen die waarheidsvorming ondermijnen.
Het tragische gevolg is dat in een tijdperk van overvloedige informatie juist het vermogen ontbreekt om de betrouwbaarheid van die informatie te beoordelen. Democratieën hebben vrijheid van meningsuiting hoog in het vaandel, maar lijken vergeten dat vrijheid zonder vorming mensen eerder vatbaarder maakt voor illusies dan voor waarheid.
Speelt in dit falen van het onderwijs ook niet mee dat een groeiende groep mensen – die de ouders zijn van schoolgaande kinderen – tegenwoordig diep wantrouwen koestert tegenover alles wat zelfs maar zinspeelt op intellectualisme, expertise of de wetenschappelijke methode? Hoe valt dit anti-intellectualisme te verklaren binnen een samenleving die zegt waarde te hechten aan kennis en waarheid?
Wantrouwen speelt een steeds grotere rol en het is symptomatisch voor een bredere crisis van vertrouwen in instituties, elites en kennisstructuren. Wat ooit gold als gezaghebbend — de universiteit, de wetenschappelijke consensus, de vakexpert — wordt steeds vaker gezien als onderdeel van een ondoorzichtige, afstandelijke of zelfs vijandige bovenlaag.
Dit anti-intellectualisme komt niet uit het niets. Het is deels een reactie op de manier waarop kennisinstellingen zich gepresenteerd hebben: vaak als afstandelijk, betweterig of wereldvreemd, niet ingebed in de belevingswereld van gewone mensen. Voeg daarbij decennia van economische ongelijkheid, culturele vervreemding en digitale desinformatie, en je krijgt een voedingsbodem waarop wantrouwen welig tiert.
Het onderwijs, in plaats van een brug te slaan tussen kennis en samenleving, lijkt vaak te falen in het ontwikkelen van echte intellectuele veerkracht: het vermogen om kritisch te denken én je open te stellen voor wat je (nog) niet weet. Dat maakt mensen vatbaarder voor simplificaties, complottheorieën en sentimenten waarin kennis wordt vervangen door gevoel, en waarheid door overtuiging.
In zekere zin zijn we terechtgekomen in een democratische paradox: vrijheid van denken zonder de vorming die nodig is om die vrijheid zinvol te gebruiken, leidt niet tot verlichting, maar tot verwarring. En in die verwarring wordt de boodschapper — de wetenschapper, de leraar, de intellectueel — steeds vaker gewantrouwd of zelfs veracht.
Tot nu toe heb ik het nog nauwelijks gehad over wat misschien wel de grootste structurele verandering is geweest in onze verhouding tot kennis: de opkomst van het internet. Waar het ooit hoopvol werd onthaald als een digitale bibliotheek voor iedereen, heeft het zich inmiddels ontwikkeld tot iets veel dubbelzinnigers. Ik denk vaak: op het moment dat toegang tot informatie universeel werd, werd de waarheid juist fragieler. Het internet heeft ons niet alleen ongefilterde toegang tot kennis gegeven, maar ook tot misleiding, verdachtmaking en een constante stroom van prikkels. Het resultaat is een nieuw soort verwarring, een verwarring die ik dagelijks zie, hoor en voel.
Ik merk het steeds vaker: het internet is voor velen niet langer een plek van kennisverwerving, maar van wereldbevestiging. Wat begon als een revolutionair democratisch medium waarin iedereen toegang kreeg tot informatie, is gaandeweg verworden tot een labyrint van meningen, algoritmen en zelfversterkende waarheden. De suggestie dat je online ‘zelf op onderzoek kunt gaan’ wordt vaak gepresenteerd als een daad van intellectuele onafhankelijkheid, maar leidt in de praktijk zelden tot werkelijk inzicht. Het is eerder een oefening in bevestigingsdrang.
Ik zie hoe mensen niet zoeken naar wat waar is, maar naar wat hen past. En het internet biedt precies dat: een eindeloze voorraad aan halve waarheden, suggestieve video’s en alternatieve verklaringen; vaak verpakt in een toon van urgentie of ontmaskering, alsof de officiële kanalen iets achterhouden. Het idee dat er achter elke wetenschappelijke consensus een verborgen agenda schuilt, is inmiddels mainstream geworden. In die context wordt het IPCC niet gezien als het resultaat van decennialang gecoördineerd onderzoek, maar als een instrument van macht. En dat doet pijn, niet alleen intellectueel, maar ook moreel.
Wat mij het meest verontrust, is hoe makkelijk iedereen inmiddels zijn eigen ‘werkelijkheid’ kan construeren. Dankzij algoritmen en sociale media worden mensen voortdurend gevoed met informatie die aansluit bij hun bestaande overtuigingen. De bubbel versterkt het zelfgevoel, het idee dat je ‘wakker’ bent of ‘ziet wat anderen niet zien’. Het gevolg is een vorm van cognitieve isolatie: wie twijfelt aan de groepswaarheid, wordt verbannen of veracht. Wie vragen stelt, is al snel een ‘slaapkop’ of ‘deugmens’. Ik ervaar dat als beangstigend; niet omdat mensen kritisch zijn, maar omdat het begrip ‘kritisch’ gereduceerd is tot wantrouwen jegens alles wat buiten het eigen denkraam valt.
Wat me raakt, is dat deze dynamiek het gesprek ondergraaft. Waar je vroeger kon twisten over interpretaties, is nu zelfs de werkelijkheid zelf inzet van strijd. We delen geen feiten meer, alleen frames. En wie vasthoudt aan de waarde van wetenschappelijke toetsing of empirisch bewijs, wordt snel weggezet als elitair of naïef. Ik voel me daardoor soms ontheemd in een samenleving die vrijheid van meningsuiting verwart met vrijheid van verzinsels, en waarin het ‘weten’ het dreigt af te leggen tegen het ‘vinden’.
Feiten verdwijnen zelden met veel vertoon. Ze lossen op in de ruis, ongemerkt, verdrongen door meningen die aantrekkelijker klinken of emotioneler aanvoelen. Toch geloof ik niet dat we het op moeten geven. De waarheid heeft geen marketing nodig, maar wel moedige mensen die haar blijven verdedigen; in het onderwijs, in de wetenschap, in het dagelijks gesprek. Als er iets is dat we onze tijd mogen toewensen, dan is het niet méér kennis, maar méér bereidheid om haar onder ogen te zien. Dat begint niet bij de ander, maar bij onszelf.
1. Ik ga nooit met vakantie. Mijn CO₂-compensatie zit in mijn stilzitten.Ik compenseer mijn vliegschaamte met stroomschuld.Door AI te gebruiken zonder vakantie te vieren in een ver buitenland, balanceer ik mijn ecologische boekhouding met morele interesse.Ik reis niet, maar mijn gedachten zijn voortdurend onderweg.Mijn AI-verslaving doet minder kwaad dan de gemiddelde cruisevakantie. 2. Ik heb geen kinderen. Mijn digitale voetafdruk is mijn enige nalatenschap.Mag ik dan een beetje doorslaan in digitale voortplanting? Elke zin die ik schrijf is een kleine geboorte.Mijn kindloosheid is geen stilstand, maar een keuze voor ruimtelijk en energetisch evenwicht. 3. Ik ben een schepper. Kunst maken is arbeid en arbeid vereist energie; vroeger kolen, nu algoritmen. Ik zet AI in als penseel. Mijn gedachtenstroom is de stroom van verhoogd bewustzijn. Het vraagt om spranken en fonkelingen. Inspiratie komt niet gratis, ook niet als ze gedeeltelijk uit de cloud valt. 4. Ik heb geen auto. Mijn vervoermiddel is de verbeelding. Volledig elektrisch, maar dan van de eigen neurotransmitters. Anderen hebben een SUV, ik heb een GPU. Ik verbruik wat ik nodig heb om stil te staan bij wat telt. 5. Ik leef sober. Wat ik neem van het netwerk, geef ik terug in taal.In plaats van spullen koop en verkoop ik ideeën.Mijn woonruimte is compact, mijn ideeën zijn groot. Dat vraagt rekenkracht.Tenzij je rekent in GPU-cycli, probeer ik juist om verspilling te vermijden. 6. AI helpt me mentale ruimte te scheppen. Mentale ruimte wint het qua schoonheid vaak van fysieke ruimte. Ik denk nu aan het slagveld (echt of overdrachtelijk); ik voer geen oorlog, ik voer prompts in. Iedereen zijn ding. Mijn CO₂-uitstoot is hoogstens emotioneel belastend. Zonder AI had ik misschien meer energie verspild aan geestelijke burn-outs. Dit is schonere verbranding. Nou goed, mijn keuzes zijn niet zuiver, maar wel bewuster dan nietsdoen.