De tragiek van interne kritiek

Nee zeggen binnen je eigen kring.

The GreenXtreme – Hoofdstuk 7

John McWhorter beschrijft in zijn boek Woke Racism hoe bepaalde vormen van sociale rechtvaardigheid een dogmatisch karakter kunnen aannemen, vergelijkbaar met religie. Ook de filosoof Sam Harris uit regelmatig zijn zorgen over de call-out culture, die volgens hem contraproductief is voor maatschappelijke vooruitgang. Hij pleit voor een eerlijker en constructiever debatklimaat. Ik moest aan deze specifieke kritiek van beide mannen denken toen ik hoorde dat sympathisanten van klimaatbeweging Extinction Rebellion naar het Mediapark in Hilversum waren getogen om bij het gebouw van de NOS te demonstreren tegen de publieke nieuwsvoorziening.

Het roept een ongemakkelijk gevoel op wanneer je kritiek moet leveren op mensen die je in veel opzichten als geestverwanten beschouwt. Je richt je pijlen liever niet op ‘woke’ of links activisme, omdat je de doorgaans goede intenties van de betrokkenen kent en er vaak genoeg zelf mee hebt ingestemd. Toch stuit mijn medeleven op een grens wanneer activisten instellingen als de media of de wetenschap tot vijand verklaren, enkel omdat die volgens hen onvoldoende verantwoordelijkheid nemen in het benoemen van structureel onrecht. Die kritiek werkt in mijn ogen tegengesteld, dus in strijd met het beoogde doel.

Volgens mij zijn de publieke omroep en de onafhankelijke wetenschap in Nederland nog altijd in staat tot redelijkheid en objectiviteit. Als zulke instituties bij voorbaat worden gewantrouwd, verdwijnt de voedingsbodem voor het soort open uitwisseling waarop een democratische cultuur drijft. Dan gaat het niet langer om verbinding of overtuiging, maar om afrekening. Wat resteert, is een strijd waarin alleen ‘de zuiveren’ nog recht van spreken hebben — met alle risico’s van uitsluiting, moralisme en intellectuele verschraling van dien. Juist wie oprecht gelooft in vooruitgang, rechtvaardigheid en empathie, zou zich moeten verzetten tegen zo’n gesloten houding. In het vermogen tot zelfkritiek binnen de eigen morele kring ligt misschien wel de grootste kracht van een werkelijk progressieve geest. Helaas zie ik dat vermogen steeds vaker plaatsmaken voor reflexen, groepsdenken en morele zelfverheffing.

Liever zou ik mij niet genoodzaakt voelen mij uit te spreken tegen vormen van activisme die voortkomen uit kringen waarmee ik mij verwant voel. Maar tussen de waarden die ik deel en de strategieën die ik niet langer kan verdedigen gaapt een kloof die ik onmogelijk met de mantel der sympathie kan bedekken. Er tekent zich een scherp spanningsveld af tussen idealistische zuiverheid en pluralistische weerbaarheid. Waar idealisten streven naar morele consistentie — waarbij elke nuance al snel als verraad geldt — vraagt een open samenleving juist om grijstinten, zelfonderzoek en het vermogen om de eigen overtuigingen te bevragen. Ontbreekt dat, dan dreigt activisme niet langer bevrijdend maar onderdrukkend te worden, en werkt het, hoe ironisch ook, mee aan het ondermijnen van persvrijheid en onafhankelijk onderzoek.

De eerder genoemde auteurs behoren onmiskenbaar tot het progressieve kamp, althans in hun overtuigingen over rechtvaardigheid, racisme en rationaliteit. Toch liepen hun sympathieën op een bepaald moment spaak, en juist daarin schuilt iets wezenlijks: de tragiek van interne kritiek. Wie zich uitspreekt tegen uitwassen binnen de eigen kring, wordt niet zelden als verrader gezien, alsof kritiek alleen legitiem is wanneer die van buiten komt. Neem Sam Harris. Hij mag dan geen academisch filosoof zijn in de strikte zin van het woord — hij publiceert niet in peer-reviewed tijdschriften — maar zijn werk getuigt van een diepgaande filosofische inzet. Zijn toon is vaak polemisch, zijn publiek breed, en dat maakt hem voor sommige academici moeilijk serieus te nemen. Toch werpt hij zich telkens weer op als verdediger van wetenschappelijke integriteit, rationeel debat en morele helderheid; de kernwaarden van een vrije samenleving.

Het vraagt moed om je, als publieksdenker, uit te spreken tegen activisme dat voortkomt uit je eigen ideologische kring. Vaak is zo’n moment pas bereikt nadat je talloze beschuldigingen, verdachtmakingen en misplaatste verwijten hebt moeten slikken. Wie zich in dat wespennest begeeft, moet kunnen onderscheiden tussen gedeelde idealen en problematische methoden, en bereid zijn daar openlijk stelling in te nemen. Dat kost tijd, energie en reputatie. Je zou hopen dat iemand als Harris zich volledig zou kunnen wijden aan grotere thema’s, zoals hij dat eerder deed in The Moral Landscape of Free Will. Maar de intellectuele huishouding binnen het eigen kamp vraagt om onderhoud. En zolang een kritisch geluid wordt verward met afvalligheid, blijft dat onderhoud noodzakelijk.

John McWhorter, taalwetenschapper aan de Columbia University, behandelt in Woke Racism hoe de antiracistische beweging is veranderd in wat hij noemt een ‘nieuwe religie’, compleet met dogma’s, ketterjachten en rituelen van publieke boetedoening. Volgens McWhorter verliezen sommige progressieve activisten hun greep op de realiteit zodra zij structureel racisme benoemen in situaties waarin nuance en context ontbreken. Zijn kritiek richt zich niet op het idealisme zelf, maar op de verabsolutering ervan. Wanneer elk verschil in uitkomst automatisch wordt gezien als bewijs van onderdrukking, verwordt rechtvaardigheid tot een gesloten systeem zonder ruimte voor tegenspraak of verzoening. Daarmee ondermijnen deze activisten het draagvlak voor de emancipatie die zij juist beogen.

Wat Harris en McWhorter gemeen hebben, is hun poging om binnen hun eigen invloedssfeer een onwelgevallige waarheid uit te spreken: morele zuiverheid zonder reflectie is gevaarlijk. Kritiek van binnenuit, zoals zij die eloquent verwoorden, is geen aanval, maar een noodzakelijke correctie; een poging om idealen te verbinden met realiteitszin. Juist nu, in een tijd waarin het morele kompas vaak plaatsmaakt voor groepsdruk, sociale media-verontwaardiging en performatieve rechtvaardigheid, is het zaak om terug te keren naar de kern van kritisch denken. Dat betekent: luisteren, twijfelen, nuanceren en durven spreken, ook als dat ongemakkelijk is. Misschien begint échte vooruitgang wel bij het erkennen dat onze bondgenoten soms ook onze gesprekspartners in kritiek moeten zijn.

Sam Harris spreekt zijn zorgen over call-out culture en cancel culture uit in meerdere contexten, maar het duidelijkst komt dit naar voren in zijn podcasts en essays, en in mindere mate in zijn boeken. Het is echter wel in het boek The Moral Landscape (2010) en meer expliciet in Free Will (2012) dat hij de basis legt voor zijn kritiek op moreel absolutisme en groepsdenken, ideeën die in nauw verband staan met zijn latere uitlatingen over call-out culture.

Als je specifiek op zoek bent naar een plek waar hij duidelijk en kritisch reflecteert op call-out culture als maatschappelijk fenomeen, dan zijn zijn podcast Making Sense (voorheen Waking Up) en diverse bijbehorende essays of interviews de meest directe bronnen. Hierin uit hij concreet en expliciet zijn zorgen uit over een bepaalde vorm van ‘wokisme’ als een contraproductief verschijnsel voor maatschappelijke vooruitgang.

Een samenstelling van zijn beste interviews zijn in een boek gevat.
  • In de aflevering The New Religion of Anti-Racism (2020) bespreekt Harris uitvoerig hoe de huidige sociale rechtvaardigheidsbeweging volgens hem religieuze trekken vertoont, inclusief het straffen van afwijkende meningen.
  • In de podcastaflevering Can We Pull Back From the Brink? spreekt hij over hoe online veroordeling en morele verontwaardiging het debat blokkeren.
  • Ook in zijn e-mails en teksten op zijn website (samharris.org) verwijst hij regelmatig naar het gevaar van ideologische zuiverheid en de manier waarop cancel culture nuance ondermijnt.