Er staat een groot kantorencomplex aan de Eusebiusbuitensingel. Deze singel bevindt zich in het historisch beladen gebied rondom een brug die beroemd werd bij de Slag om Arnhem. Het primaire doel van de geallieerde bombardementen was die Rijnbrug zelf te treffen, zodat de Duitsers deze niet konden gebruiken of verdedigen. Een primair doel heeft echter vaak een secundair effect. In dit geval betekende dit dat de directe omgeving onvermijdelijk beschadigd raakte door de onnauwkeurigheid van de bombardementen.
Aan de achterkant van het ‘sfeervolle’ gebouw bevindt zich een ‘expeditiehof’ met één deur waarachter ik ook al niet moest zijn. De schimmige bureaucratie van de ambtenarij bezit een kantoorlogica die de brandstof lijkt te vormen voor het soort van misverstanden waar je vaak tegen aanloopt bij deze instanties.
Bekijk het kantorencomplex en je ziet causale verbanden. Het gevolg van de bijwerkingen en uitwerkingen van goedbedoelde aanvallen was een zwaargetroffen terrein dat na de oorlog werd platgebulldozerd. Dit braakliggende perceel vroeg om bebouwing. Die bouwdrang leidde tot een architectonisch gedrocht. In dat gedrocht werken nu gemeente-ambtenaren met een sick-building-sydrome. Het is handig om dit in je op te slaan als je als postbode een pakketje bij de balie gaat afgeven dat niet door de brievenbussen 49, 51 of 53 buiten past.
Op het pakketje staat trouwens een huisnummer dat niet correspondeert met één van die buitengleuven. Dat is ook de reden dat de dame aan de balie het weigert aan te nemen. Ik heb het gebouw dan al drie keer omcirkeld. Er is nergens een brievenbus voor nummer 15. Dat wil niet zeggen dat de geadresseerde, genaamd De Connectie, een verzonnen onderneming is. Integendeel; de dame aan de balie kan bevestigen dat De Connectie zich in het gebouw bevindt waarvan zij de baliemedewerkster is. Ze kan echter geen pakketje aannemen met een nummer dat niet bestaat.
Waar ik dan wel moet zijn? Dat krijgt ze niet goed uitgelegd. Ik besluit het gebouw nog eenmaal te omcirkelen. Aan de achterkant zie ik duidelijk De Connectie als logo op een gevel staan. Toevallig houden een paar medewerkers buiten pauze. Ik betrek ze bij mijn zoektocht. Ze reageren alleraardigst en kijken met mij mee. Ze komen er voor het eerst in hun carrière achter dat hun organisatie geen brievenbus bevat. Ergens voorbij een slagboom, op een binnenruimte die niet bestemd is voor onbevoegden, bevindt zich wel een deur waarboven expeditie staat.
Om hier iemand te spreken te krijgen, moet je een huisnummer invoeren en op een belsymbooltje drukken. 15 geeft geen soelaas. Dan maar een nummer van één van de brievenbussen die ik ken. Ik probeer 51 en krijg zowaar de vrouw van de balie te spreken. Ze herhaalt dat ik verkeerd zit maar er gaat wel een deur open. Binnen zie ik iets dat lijkt op een expeditieruimte. Een medewerker zegt dat ik post voor nummer 15 op de nummers 53 of 51 kan bezorgen. Ik zeg dat ik dat absoluut gedaan zou hebben als het buspakketje door de gleuf had gepast. In zo’n geval, adviseert hij, moet ik het maar bij de balie aldaar afgeven.
We zijn rond. Ik was nooit een fan van consumentenprogramma’s waarin je zag hoe mensen van het kastje naar de muur werden gestuurd. De triviale kleinzieligheid van bijvoorbeeld ‘Ook dat nog’ leek mij schadelijker voor kijkers dan het onrecht dat kopers was aangedaan. Die mensen hadden gewoon de oorlog niet meegemaakt. Ik wil niet beweren dat het verstandig is om dingen in verband te brengen met de oorlog, maar het kan handig zijn, voor het laten afvloeien van opwinding, om de oorzaak van een misverstand in een ver, en ingrijpend (dus minder pietluttig) verleden te plaatsen. Ik overweeg om terug te keren naar de balie en het pakje als een oefengranaat, over het hoofd van de dame, de werkruimte in te smijten.
Maar nee; ik plak een stickertje op het pakje met een kruisje bij zowel ‘geen brievenbus’ als bij ‘geweigerd’. Wij postbodes hebben altijd een rolletje met dat soort van plakkertjes in ons noodpakket. Eigenlijk weet ik al wat er gaat gebeuren: de collega die morgen deze wijk heeft, zal voor precies hetzelfde dilemma staan. Twee kruisjes op één stickertje, dat kan niet. Er mag altijd maar één reden worden opgegeven. Het pakketje gaat dus gewoon terug in het systeem. Vergeet niet dat PostNL nog met één been in de regeltjesjungle van de ambtenarij staat. Muggenzifterij is een ware kunstvorm geworden. En bovendien: is kleingeestigheid uiteindelijk niet wat iedereen bestaansrecht geeft?
Vandaag gedroeg ik mij postbode-onwaardig.
Als je meer dan één reden opgeeft, wordt je klacht niet erkend en zal het pakketje gewoon weer terug in het systeem gaan, ook al was de afwezigheid van een bus en een weigering precies wat er gebeurde.
Postscriptum Een collega zei: “Ik zou je oplossing oncollegiaal vinden, als je me niet persoonlijk had ingelicht. Ik zal mij morgen bij die balie van mijn liefste kant laten zien. Het is de toon die de muziek maakt, Ronald.”
Dankzij één van uw laatste columns weet ik dat de scout van een piepklein voetbalteam in Zweden onopvallende spelers aandraagt waardoor de club Goliaths als IFK Göteborg en AIK Fotboll verslaat. Ondertussen gaat hij als postbode door met postbezorgen want dat moet natuurlijk ook gebeuren.
Na het lezen van uw stukje dacht ik: wie beter dan meneer Wagendorp om mijn postbodeverhalen te waarderen, zodat hij ze eventueel aan de redactie kan doorgeven. U schrijft over een postbode met scoutkwaliteiten; ik hoop een postbode te zijn met schrijfkwaliteiten.
Ik zag opeens de gelijkenis. U zou een schrijver kunnen zijn die zich even als talentontdekker opwerpt. Mijn verhalen gaan niet over sport. Niemand kan u op dat terrein naar de kroon steken. U moet vooral doorgaan met uw prachtige columns over dat veelbewogen thema.
Ik mag minder ervaren zijn dan u, maar ik schrijf deze brief met voldoende zelfvertrouwen om mij aan u te durven presenteren. Ik begrijp dat ik mij alleen maar in de kijker kan spelen door goed te schrijven; dat blijft het eerste en het laatste criterium voor succes.
Wilt u zo vriendelijk zijn om een blik te werpen op de bijgevoegde columns? Ook een postbode met scoringsdrang heeft een scout nodig. In één van mijn toekomstige postbodeverhalen zou sprake kunnen zijn van een voetbalcolumnist die mijn talent zag. Dat stukje zou ik graag een keer schrijven.
Waar bezorg ik geadresseerde reclame voor een naamloze ontvanger zonder huis?
Ik schat in dat zeker tachtig procent van de geadresseerde post die niet op naam staat, reclame is; papier dat zich voordoet als belangrijk maar vaak onnodige aandacht trekt. Ontvangers zitten er meestal niet op te wachten. Op de enveloppen staat ‘aan de bewoners van’. Ongerichte post mag letterlijk geen naam hebben.
Dit verrassingsoffensief is vergelijkbaar met ongevraagde boodschappen die tegenwoordig van alle kanten op ons af komen. De mensen zijn murw geslagen door deze commerciële opdringerigheid. Een postbode komt er mee weg zoals ook een bushokje met reclameposters van schuld gevrijwaard blijft. Iedereen begrijpt dat zij slechts de boodschappers zijn (of zo je wilt: de dragers).
In opdracht van BPD werkte architectenbureau Zecc samen met Orange Architects en Studio Spacious aan het ontwerp voor 287 nieuwbouwwoningen op het terrein van de voormalige Cobercofabriek. Daar kun je nu al 287 reclame-enveloppen naar toe sturen, maar die kunnen met geen mogelijkheid worden bezorgd.
Wat ook helpt? Waarschijnlijk profiteert een PostNL-bezorger nog van een oudvertrouwde reputatie als PTT-er. Ooit waren de posterijen een publieke dienst. De ‘bestellers’ droegen uniformen met koperen knopen. Naast het bezorgen van louter belangrijke informatie, had de beambte een sociale functie. Hij bezat een vaste wijk, lette een beetje op in zijn omgeving en maakte hier en daar een praatje.
Mijn baas verwees onlangs naar deze mooie maatschappelijke taak. Er stond een oproep in het bedrijfsblaadje en er werd een flyer uitgedeeld. Het probeerde bezorgers op het hart te drukken dat we nog steeds zo’n functie hebben. We blijven een soort van ogen en oren van de buurt; wijkwachthonden die niet lopen te kwispelen voor een aai of kwijlen van een koekje maar die alarm kunnen slaan als er iets niet pluis is. Ik vind dat best.
Het kost me geen enkele moeite om een oogje in het zeil te houden, maar er is, vrees ik, wel iets wezenlijks veranderd. De postbode heeft het te slikken – dag in dag uit – dat hij een commerciële bijvracht moet meezeulen. Het is een plicht waarvoor hij niet heeft gekozen. Ik weet niet waarom ik mij altijd zo licht en bevrijd voel als mijn taak als postbezorger er op zit. Is het omdat het best belastend voelt om tot een tussenpersoon in de verleidingseconomie te zijn verworden?
Handige bedrijven hopen onschuldige bewoners te treffen waar ze het meest ontvankelijk zijn: in de leefruimte tussen hun eigen muren. ‘Eigen haard is goud waard’ (ook al zo’n reclameleus) en juist daarom dringen zij zich door deuren, naar de warmste plek in huis, met glimlachend drukwerk dat bewoners wijsmaakt dat geluk te koop is.
De brievenbus is de open wond die wij zelf in onze gevel hebben gekerfd: een gapende gleuf naar de straat toe, waarlangs de buitenwereld naar binnen sijpelt, compleet met alles waar een luchtje aan kan zitten. De postbode onderhoudt die wond; hij laat haar etteren maar verzorgt haar ook, met af en toe iets noodzakelijks, een brief of een pakje waarop de klant echt zat te wachten.
Dat voor wat betreft de bevredigende kant van het werk. Maar goed, dan blijft er dus nog altijd een last aan je kleven van geadresseerde post die een niet geadresseerde stadgenoot met een berg papier opzadelt. Vervelend voor hen, voor mij, en – dit moet gezegd – belastend ook voor het milieu.
En dan heb ik het nog niet eens gehad over een andere vorm van geadresseerde, op niemands naam gestelde, post; te weten reclame die ergens dient te worden afgeleverd, maar in werkelijkheid helemaal niet kan worden afgeleverd omdat er in de zogenaamde straat op het zogenaamde nummer, nog helemaal geen gebouw staat.
Het bedrijf dat de nieuwe bewoner wilde informeren over haar onmisbare product, was in dit geval te vroeg begonnen met haar verleidingstactieken. We zien een braakliggend terrein. Zelfs dat wat ze de bouwrijpfase noemen, is er nog niet van start gegaan. Het enige dat er tot nu toe werd opgericht, is het informatiebord met de plandatum van de bouw en de namen van projectontwikkelaar en architect.
In mijn bezorgwijk in Arnhem heet die leegte het Cobercokwartier; het terrein van de oude Melkfabriek waar werkelijk nog geen steen van een straat of een huis is gelegd, maar waar de straatnamen wel bekend zijn gemaakt en de commercie zich (dus) ook al laat zien. Zodoende sta ik daar met stapels identieke enveloppen voor het Vermicohof en het Camizhof.
Niemand is tot nu toe boos geworden dat ik dingen bij ze naar binnen smijt die rechtstreeks de papierbak in kunnen. Misschien word ik daar toch een keer op aangesproken. Of erger. Je moet je frustratie toch ergens kwijt als getreiterde brievenbusbezitter.
Soms moet ik denken aan het verweer van die jongeman in de rechtbank die vol liefdesverdriet zat en dagelijks geconfronteerd werd met posters van zijn ex (ze was onverhoeds model geworden). De dader begreep dat de bushokjes, waar zij voor iedereen te zien was, er niets mee te maken had.
Maar hij moest z’n agressie toch ergens kwijt?
Een oproep van het Bijzondere Momenten Fonds aan de postbezorger. Dit lijkt me een lofwaardig streven en daar is dus helemaal niets mis mee. Natuurlijk zal ik in actie komen bij een ‘niet-pluisgevoel’, zoals het hier nog ‘geite-wollen-sokkig’ wordt genoemd.
Een lezer schreef: ‘Wat een mooi inkijkje in het leven van een postbode. Alleen al het woord bode is natuurlijk al ouderwets. Vroeger had je ook ijlbodes voor mondelinge snelle post. Ik woonde in Amsterdam in de ‘Koperen knopen buurt’ waar allemaal ambtenen hadden gewoond die in dienst waren voor de gemeente.’
Mijn antwoord: ‘Alweer bedankt voor jouw reactie. Het woord ‘ijlbode’ vind ik prachtig. Ik heb het in https://ronaldvannoorden.com/2025/06/07/neerlandsch-postbestel-herboren/ over postbodes die in de oorlog zogenaamde ‘witte post’ bezorgden. Zij werden soms ‘stille lopers’ of ‘witte rijders’ genoemd. Dat laatste was een knipoog naar ‘de Zwarte Ruiter’, symbool van het verzet. Interessant wat je vertelt over de ‘Koperen knopen buurt’. Dus jij bent een jongen uit de Staatsliedenbuurt? Ik heb het even opgezocht en lees: ‘in de beginperiode van de 20e eeuw [woonden daar] relatief veel lagere ambtenaren – zoals tramconducteurs, politieagenten, brandweerlieden, spoorwegpersoneel – die uniformen droegen met koperkleurige knopen. Dat leidde ertoe dat de buurt in de volksmond werd aangeduid als ‘Koperen-Knopenbuurt’ of varianten daarvan.’ Fijn dat je me op zulke sporen zet. Blijf lezen, blijf reageren.’
Het zal waarschijnlijk zo’n vaart niet lopen, maar toch.
Enkele van mijn lezers vonden het niet zo prettig dat ik een mogelijke coalitie van D’66, CDA, VVD en Ja21 als democratie-ondermijnend afschilderde. Zij zijn van mening dat D’66 en CDA zich altijd zullen verzetten op het onverhoopte moment dat ook maar de schijn zou ontstaan dat de democratie zou worden uitgehold of dat er iets anders dreigde te gebeuren dat staatsrechtelijk niet in orde was. Wat de VVD betreft? Die partij krijgt van hen in haar huidige presentatie iets meer het nadeel van de twijfel (wat mij een verstandige benadering lijkt).
Naar mijn mening is er van het degelijke liberale fundament van de VVD onder Yesilgöz niet veel meer over. De liberale traditie binnen die partij is naar de achtergrond gedrukt. Het interne platform van de, over het algemeen, wat oudere garde, pleit voor de klassieke kernwaarden maar kabbelt een beetje op de achtergrond onder leiding van Klaas Dijkhoff. Ik geloof wel in Klaas, maar ja, die voert een fluistercampagne in een podcast met maar 4000 luisteraars of daaromtrent.
Waar liggen de kernpunten van deze onderstroming? Nadruk op individuele vrijheid, verantwoordelijkheid, rechtstatelijkheid enzovoort. Een koers die zich niet primair richt op populistische retoriek of enkel op hard rechts beleid, maar op de middenklasse (dat ik iemand daar, een beetje eng, het “goede volk” hoorde noemen) en op een vrijere samenleving (liberalisme pur sang). Die VVD staat kritisch tegenover samenwerking met partijen of stromingen die worden gezien als antidemocratisch of populistisch. Dijkhoff heeft dat expliciet uitgesproken. Maar helaas: Dijkhoff stond niet op de verkiezingslijst.
We moeten afwachten wat er gaat gebeuren. Ik hoop en denk dat Rob Jetten de lichte voorkeur die hij nu laat doorschemeren voor een brede middencoalitie met GroenLinks/PvdA ook zal verwezenlijken. Dan kunnen we een zucht slaken maar zal er overigens wel een ander probleem aan het licht komen, volgens mij. Als Jetten in de ogen van radicaal-rechtse vuilspuiers (let op, dit is een soort van pleonasme) straks ietsje linkser blijkt te zijn dan hij zich tijdens de verkiezingen heeft voorgedaan, zal hem hetzelfde overkomen als wat er met Timmermans, Sigrid Kaag en Job Cohen is gebeurd (moet ik dat nog uitleggen?).
Niettemin heb ik de gewraakte zin in mijn stukje aangepast en staat er nu het volgende: ‘Het kan heel goed zijn dat er straks een zetel wordt afgesnoept van de SP die dan naar D’66 gaat. Deze ene zetel zou een coalitie van D’66, VVD, CDA en Ja21 mogelijk kunnen maken (nu hangt die nog op 75 zetels). Een linkse partij zou in dat geval, geheel conform de democratische regels van restzeteltoekenning, een zetel hebben afgestaan aan een kabinet dat, naar de aard van rechtse coalities, de democratische waarden eerder in termen van orde en bestuur dan van gelijkheid en participatie zal interpreteren.’
Andere opties voor het beëindigen van die laatste zin waren – subtieler – ‘…een kabinet dat, zoals we van meer rechts georiënteerde regeringen kunnen verwachten, de democratische beginselen wellicht wat strakker in bestuurlijke termen uitlegt dan in sociale.’ Of, met een meer ironische ondertoon: ‘…een kabinet dat, geheel binnen democratische kaders, de nadruk wat minder legt op de breedte van die democratie dan op haar efficiëntie.’ Helaas waren niet al mijn lezers met zelfs deze uitgebreide keuze uit drie veranderingen, tevreden te stellen.
Het zij zo, verdere aanpassingen om hen een aangenamer leeservaring te verschaffen, zouden een ‘naar de mond praten’ zijn geworden, en dat moeten we hier niet hebben.
Heiligdommetjes die hoogbejaarden moesten huisvesten?
We kunnen het helaas nog niet over de eerste bewoner van mijn huis hebben. Terwijl dat toch het leukere verhaal is. Het bleek een kerkmeester te zijn. Hij moest toezicht houden op de orde tijdens de mis. Dat vond men een serieuze taak en hij manifesteerde zich dan ook als een ernstige, om niet te zeggen strenge man. In de buurt van meneer Koetsier – want zo heette hij – moest je je koest houden. Sloeg hij koorknaapjes? Dat kan ik niet zeggen. We moeten ons eerst storten op het huis waar hij woonde; het huis dat nu mijn huis is en een aantal vragen oproept. Het spijt me dat dit stukje niet over een potentiële sadist gaat maar over een onschuldig stulpje.
Niet ieder bouwsel in Nederland vermag zich in gelijke mate te verheugen in de zegen, dan wel in de vehoogde aandacht of speciale attentie, van de Paus.
Het adres waar ik woon maakt onderdeel uit van een blokje van serievormige katholieke ‘keurslijfjes’ die in de jaren veertig in gebruik werden genomen. De Roomse kerk mocht zich eigenaar en opdrachtgever noemen, maar natuurlijk heeft er in Vaticaanstad nooit ook maar een penningmeester (laatstaande een paus) naar getaald. De Woningbouwvereniging St. Joseph was nauw betrokken bij de ontwikkeling. Ze werden gerealiseerd als onderdeel van het uitbreidingsplan voor de stad. Ze moesten voorzien in de groeiende behoefte aan een plek voor paapsgezinden: een mooie processie van aan elkaar geplakte doorsneewoningen die misschien net iets meer allure bezaten dan de zoveelste rijtjeshuizen omdat ze bedoeld waren als onderdeel van een hofje.
Als we deze woningen met de nummers 35 t/m 61 denkbeeldig op de lange zijde van een L plaatsen, dan zou er nog een bejaardentehuis worden gerealiseerd op de korte zijde van die letter, en wel het dichtst in de buurt van de St. Josephkerk. Dat is echter niet doorgegaan omdat er toen – welk een tijd – nog te weinig katholieke bejaarden waren! Het vreemde is dat ergens wordt vermeld dat aan de Beatrixstraat in 1940 twee blokken ‘bejaardenwoningen’ werden opgeleverd met de naam ‘Meihof’. De vermelding zegt: ‘Voor de realisatie hiervan had pastoor Van der Loo van de Sint Jozefkerk zich erg ingespannen. De naam en het jaartal 1940 staan op een sluitsteen boven in het verbindingspoortje tussen de twee blokken.’
Dat is waar, die sluitsteen bevindt zich daar. Maar dit zou betekenen dat het blokkencomplex met de naam ‘Meihof’, waarin ik woon, in de analen als ‘bejaardenwoningen’ werden aangeduid. Als dit waar is, waarom werd er dan ook nog over het realiseren van een bejaardenhuis gerept? Ik heb naar het antwoord gezocht. Misschien vormt dit een verklaring: in de katholieke woningbouw uit die tijd werd de term ‘bejaardenwoning’ niet gebruikt in de moderne zin van kleine seniorenwoningen. Men bedoelde vaak: woningen ‘voor ouderen of echtparen op leeftijd’ die nog zelfstandig woonden, maar een zekere rust en nabijheid tot de kerk of hun gemeenschap zochten. Met andere woorden: ‘bejaardenwoningen’ konden toen best redelijk ruime eensgezinswoningen zijn, alleen bedoeld voor een wat oudere doelgroep.
Het kan ook zijn dat het oorspronkelijke plan inderdaad in een hofje met bejaardenwoningen en eengezinswoningen voorzag, maar dat dit plan is versoberd of samengevoegd. Een bejaardenhuis (in collectieve zin, dus met voorzieningen) werd nooit gebouwd. In plaats daarvan heeft men wellicht de hele reeks huizen als gewone gezinswoningen uitgevoerd, met behoud van de naam ‘Meihof’ als herinnering aan het oorspronkelijke plan. Dat zou verklaren waarom deze wel gerealiseerde woningen ruimer zijn dan ‘bejaardenwoningen’; ze zijn technisch gewoon gezinswoningen, maar historisch ontstaan uit een parochiaal, later losgelaten, plan waarin ouderenzorg en huisvesting verweven waren.
Kijk, dat is nou het rotte van historische werkelijkheden: ze weigeren zich te schikken naar een goed verhaal over een schijnbare schoft. Je wilt iets spannends schrijven over de eerste bewoner van je huis, en belandt in een kluwen van onvolledige archieven en tegenstrijdige bronnen. Ik voel me een halve archivaris nu. Ik moet het stof uit m’n haren kloppen. Waar is de wijn, de geur van wierook, het flakkerende kaarslicht, de kerkmuziek en het hemelse gezang tegen de achtergrond waarvan ik een verhaal over een mogelijke smeerlap kan ontvouwen? Ik zit opeens vast in een moeras van onduidelijkheden, vermoedens en onvolledige bouwplannen uit 1940 en het wordt nergens spannend.
Ik denk dat ik Conclave uit de kast trek van Robert Harris en vandaag vroeg naar bed ga. Het boek schijnt nog beter te zijn dan de film. Nee wacht; maak daar Betrayal van, samengesteld door een journalistenteam van TheBoston Globe (en ook al verfilmd; zie Spotlight).
Een lezer schreef: ‘Koetsier was een prima sympathieke man. Het hele gezin trouwens.’
Ik weet niets meer van Koetsier dan wat ik hierboven over hem heb opgeschreven. Dat de kerkmeester streng was en dat je als kind een beetje zenuwachtig werd als hij zich in je buurt bevond, houd ik voor waar. Die informatie komt namelijk van dezelfde lezer. Maar ik moet toegeven dat tussen strengheid en wreedheid veel verschil zit.
Het stukje dat ik aangaf liever te hebben geschreven dan wat ik hier uit de doeken doe over mijn huis, zal er nooit van komen. Ik gaf een denkbeeldige situatie weer: namelijk die van een valse kerkmeester, of erger. Ik zou het veel leuker vinden om daarover door te gaan omdat zoiets nu eenmaal een plot verschaft en het een zeker vooroordeel zou bevestigen dat ik over kerkmeesters koester (en over het katholicisme in z’n geheel).
Maar of de heer Koetsier ook daadwerkelijk een sadist was, laat ik in het midden door er het bijvoeglijk naamwoord ‘potentiële’ voor te zetten. Later ben ik even voorzichtig als ik het woord ‘smeerlap’ gebruik; daar plaats ik namelijk het woord ‘schijnbare’ voor. De lezer geeft aan dat Koetsier niets kwaads over zich had; hij kan dat absoluut beter weten dan ik.
Naschok voor de postbezorger (en een hard gelag voor de SP).
Ik heb vanochtend de moeite genomen om precies te begrijpen hoe het complexe systeem van restzetelverdeling werkt. Daarom ben ik nu bijna aan het eind van m’n Latijn. Eigenlijk zou ik terug naar bed moeten, maar ik zie het niet zitten om pas in de middag post te gaan bezorgen. Niet dat dit niet mag; een postbode heeft tot zeven uur ’s avonds de tijd om – plastisch uitgedrukt – ‘zijn zakken leeg te lopen’. Hoe dat werkt hoef ik niemand uit te leggen; je begint met volle fietstassen en eindigt met niets. Als alles is afgeleverd ga je moe maar opgeruimd naar huis.
Een postbode heeft een heerlijk overzichtelijk beroep. Maar het wordt wel laag betaald. Voor het afdwingen van betere arbeidsvoorwaarden was er altijd de SP. Laten we nooit vergeten dat de SP de arbeider echt gesteund heeft met raad en daad waar andere partijen aarzelden tussen idealen en belangen. Waar andere partijen hun beloftes vergaten, stond de SP nog schouder aan schouder met de werkvloer. Waar andere partijen afstand namen, bleef de SP dichtbij, met hart voor de gewone man. Waar andere partijen zich richtten naar Den Haag, bleef de SP luisteren naar de stemmen uit de straat. Waar andere partijen zwegen, sprak de SP met lef, met warmte, en met overtuiging.
Sommige mensen zitten echt op hun post te wachten. Ik vermoed dat het de meeste geadresseerden geen donder uitmaakt hoe laat er iets in hun bus valt, maar er zijn van die dagen, in het leven van iedere postontvanger, die een prompte bezorging vereisen. Daarom is het goed dat de postbode een vaste bezorgtijd aanhoudt en ook niet te laat van huis gaat. Ik kan meevoelen met mensen die van stiptheid op bezorggebied houden als ik denk aan de verdeling van restzetels. Ik word gek van het moeten wachten op de definitieve toekenning daarvan.
En dat terwijl er in het woord ‘restzetel’ toch een hele duidelijke indicatie zit dat we geduld moeten hebben omdat er alleen maar achteraf kan worden gekeken wie er recht op heeft. Nu ik dit schrijf valt mij plotseling in dat de ethymologische achtergrond van het woord ‘post’ ook iets in zich lijkt te hebben van ‘na’ of ‘achteraf’. Dat zou leuk zijn voor dit stukje want dan lijkt het rond (zoals er in mijn werkdag als postbezorger ook een aangename afronding zit). ‘Post’ in de zin van ‘na’ berust bij woorden als ‘postbode’ echter op een misverstand. Jammer dat ik op de valreep moeilijk moet gaan doen.
‘Post’ als voorzetsel of bijwoord in het Latijn betekent inderdaad ‘na’ of ‘achter’ (in tijd of ruimte). Dit is de wortel van Nederlandse en internationale woorden zoals postscriptum (na-schrift), postnataal (na de geboorte) en postdoctoraal (na het doctoraat). ‘Post’ in de zin van ‘brieven’ is echter niet het Latijnse ‘post’ in de zin van ‘na’. We hebben hier te maken met een klassiek voorbeeld van homonymie (woorden met dezelfde klank of spelling, maar een verschillende oorsprong en betekenis), waarbij de twee woorden toevallig beide teruggaan op het Latijn.
De etymologische achtergrond van het woord ‘post’ (in de zin van briefwisseling of postbezorging) gaat ook terug op het Latijn, maar posta is een afleiding van het Latijnse werkwoord pōnere, wat ‘plaatsen’ of ‘stellen’ betekent (met het voltooid deelwoord positum). De oorspronkelijke betekenis van posta of het Latijnse posita (of mansio posita / mutatio posita) was de plaats of het vastepunt waar postpaarden werden gewisseld, of waar koeriers gestationeerd waren langs een route. Dit waren dus de wisselstations of rustplaatsen voor de bodes en hun paarden.
Van deze betekenis van een vastgestelde plaats langs de route, ontwikkelde het woord zich later tot de koeriersdienst of het systeem van de ruiters die op vaste intervallen waren ‘geplaatst’, daarna tot het vervoer van de brieven en berichten zelf, en uiteindelijk tot de briefwisseling en de organisatie (posterijen) zoals we die nu kennen. Het woord is dus nauw verbonden met het idee van iets wat op een vaste plaats is gesteld langs een route, bedoeld voor het snelle vervoer van berichten. Nu bent u als lezer misschien aan het eind van uw Latijn.
Ik wil nog even wijzen op een speling van het lot die dingen, zoals hierboven beschreven, eerder verwarrender maken dan dat ze mooi op hun plaats vallen. Het kan heel goed zijn dat er straks een zetel wordt afgesnoept van de SP die dan naar D’66 gaat. Deze ene zetel zou een coalitie van D’66, VVD, CDA en Ja21 mogelijk kunnen maken (nu hangt die nog op 75 zetels). Een linkse partij zou in dat geval, geheel conform de democratische regels van restzeteltoekenning, een zetel hebben afgestaan aan een kabinet dat, naar de aard van rechtse coalities, de democratische waarden eerder in termen van orde en bestuur dan van gelijkheid en participatie zal interpreteren.
Dat is een hard gelag voor de SP waar deze ‘blogpost’ helaas niets aan kan veranderen.
Wie Kaa de slang speelt in deze metafoor, lijkt me duidelijk.
Een spannende verkiezingsdag eindigde met een gezellige muziekavond. Gastvrouw Sophie had “in de roos gekozen”, zoals zij het trots formuleerde. Haar “mannetje” was “the man” met 26 zetels. Haar echte partner Floris installeerde z’n platenspelers zodat ieder van ons z’n favoriete LP en singletje kon laten horen (zo waren de spelregels). Ik kwam natuurlijk weer aanzeulen met dat grijsgedraaide Varagramalbum vol strijdliederen, gezongen door De Stem des Volks. Ingrid kapte mij een beetje bits af: “Doe eerst dat 78-toeren plaatje maar.” Haar Henk bracht mij helemaal tot zwijgen: “Wil je nou nog steeds demonstreren dat je De Internationale in de oude versie en de nieuwe versie kunt meezingen?” Bijna alle aanwezigen vielen hem bij. Ze vonden niet alleen ‘Ontwaakt, verworpenen der aarde’ maar ook ‘Hé joh, ze houden je d’r onder’ hopeloos ouderwets.
Mijn jungleboek had meer succes, vooral de B-zijde met ‘Ik ben Baloe de bruine beer, ik vind het berenleven beregoed.’ Dat sloot goed aan bij ‘het positieve verhaal’ en de ‘vrolijke uitstraling’ waarnaar de kiezer enorm op zoek was geweest deze ronde. De A-zijde eindigde ook heel opgeruimd en klonk de luisteraars als muziek in de oren, al werd er alleen maar op gesproken. Bij het belletje mocht je steeds de bladzijde omslaan in het bijgeleverde kinderboekje. Mowgli had eerst wel een groot conflict met Kaa de slang, maar het werd steeds duidelijker dat ze de negativiteit achter zich zouden laten. Tja, ze moesten wel. Of?
De vergelijking met de huidige politiek was iedereen duidelijk. In de Haagse jungle hangt de zware lucht van vervlogen verwachtingen en bestuurlijk wanbeleid. Rob Jetten, fris als een tropisch briesje met een zonnepaneel op zijn rug, treedt de donkerte van dat woud tegemoet. Het ligt vol verradelijke wortels waarover hij vroeg of laat zal struikelen. De bomen fluisteren over “brede samenwerking” en “nieuwe bestuurscultuur”. En daar, glanzend tussen de varens, ligt Dilan Yesilgöz; haar glimlach strak, haar blik berekenend. “Kom dichterbij, Rob,” sist ze, “we hebben hetzelfde doel: stabiliteit, redelijkheid, vooruitgang…” En zo begint het refrein van Disney’s Kaa opnieuw: “Geloof in mij…”
Jetten, die graag gelooft dat rationeel overleg de wereld kan redden, wiegt zachtjes mee op de melodie. Hij vergeet dat in de jungle niet de idealist overleeft, maar de slang die het langst stil blijft liggen. Terwijl hij nog nadenkt over een progressieve invulling van het woord “compromis”, is Yesilgöz al drie keer van koers veranderd. Ze heeft het kompas verkocht en is het morele noorden (dat ben ik, ahum) uit het zicht verloren. Disney’s Jungle Book is tenslotte een kinderfilm, en zo klinkt dit ook: vrolijk, hoopvol, tot Bagheera (Alexander Pechthold met een zucht van diep moreel ongemak?) tussenbeide komt en de betovering verbreekt. “Wakker worden, Rob,” bromt hij. “De slang eet niet omdat ze honger heeft, maar omdat het in haar natuur ligt.”
In Kipling’s oorspronkelijke boek is Kaa een wijze bondgenoot, maar die nuance gaat in deze Haagse bewerking verloren. Yesilgöz, de neoliberale variant, heeft de oude slang ingeruild voor iets nieuws: de glimmende huid van pragmatisme, waar niets aan blijft kleven; geen visie, geen schuld, geen zorg voor wie uit de boom (en toom) valt. Ze beweegt zich met het gemak van iemand die gelooft dat macht een vorm van natuurkunde is: wat boven ligt, hoort daar ook te blijven. Jetten, arme Mowgli, wil graag dat de jungle zich laat temmen. Maar tussen de sissende stemmen van de VVD, de verre tijger Shere Khan van extreemrechts, en de dof echoënde apenkreten van de talkshows en socials, is de kans klein dat hij er zonder krassen uitkomt. Misschien blijft hij overeind, misschien wordt hij ingesnoerd, maar één ding is zeker: in de jungle overleeft alleen wie leert dat de slang niet met argumenten, maar met afstand moet worden bejegend.
Ergens hoopt de kijker nog dat Rob, onze zonnige Mowgli van de polder, op een dag de betovering verbreekt en inziet: je kunt wel met een slang onderhandelen, maar nooit samen het bos regeren. Als deze coalitie ooit werkelijkheid wordt, zal Jetten ontdekken wat Kipling al wist: wie te dicht bij de slang wil regeren, eindigt niet in een verbond, maar in een wurggreep; met een glimlach die redelijkheid fluistert, en een politiek die intussen alles opslokt wat beweegt.
Ik viel voor het cliché, zei iemand met een ontwikkelde kunstsmaak.
Van de ene dans kwam de andere. En toen bleef ik dus dansen. Althans: ernaar kijken. Ik kwam geen moment uit mijn stoel. Mijn rug deed nog zeer van het sjouwen met boeken. Ernstige titels, zware onderwerpen; dat is een ander verhaal. Het werd tijd voor luchtigheid. En ook, vermoed ik, voor een ander soort van schoonheid. Toen zat ik plotseling naar filmpjes te kijken van zwierige twintigers. Ze trotseerden een draaischijf. Ik zag afgetrainde lijven, tastend, maar evenwichtig. De symboliek droop er van af, voor mij althans, op een manier die me zeldzaam leek.
Celui qui tombe uit 2014 van Yoann Bourgeois – een choreograaf die zichzelf ‘jongleur van het ongrijpbare’ noemt – maakt van dans een spel met de zwaartekracht. Bourgeois gebruikt fysieke instabiliteit als metafoor voor de menselijke conditie: we proberen allemaal in balans te blijven in een wereld die voortdurend beweegt of onder ons wegzakt. De voorstelling toont zes performers op een groot, ronddraaiend, kantelend houten platform. Dat platform is als een levend organisme: het beweegt, schudt, draait, en daagt de dansers uit om hun evenwicht te bewaren. Het is tegelijk acrobaties, dans en existentiële allegorie: het lichaam dat voortdurend probeert niet te vallen, als beeld van het menselijk streven, de strijd tegen chaos en de zoektocht naar harmonie.
Ik weet inmiddels dat een recensente met veel danservaring – nou ja, ook zij is tot kijken bedaard – dit optreden met eerdere, originelere, dansvoorstellingen heeft vergeleken. Ze sprak van een metafoor die de bocht uit dreigde te vliegen (of woorden van die strekking). Het zat hem ook in de muziekkeuze, gaf ze toe. Ik dacht: het bezit van kennis is belangrijk. Het biedt een afgewogen oordeel. Vergelijkingsmateriaal. Maar kan deskundigheid niet ook een belasting vormen?
Ik had een culturele achterstand wat betreft deze kunstvorm. (Lees: ik koesterde nog geen achterdocht.) Dat gaf me, naar mijn gevoel, het voordeel van onervarenheid. Ik bleek plotseling van deze bewegingen te kunnen houden. Het is te zeggen, ik zou nog steeds niet zo snel naar een zaalvoorstelling gaan, maar je weet hoe dat gaat: YouTube doet suggesties in de trant van je eerdere zoekopdracht. Voor je het weet ‘draai’ je het ene na het andere filmpje. En dan gebeurt het: je raakt ‘verslingerd’ aan iets dat voorheen je aandacht ‘niet kon vasthouden’ (pun intended).
Wat mij ‘aantrekt’ in deze dansuitvoering is het spel met de middelpuntvliedende kracht, dat ik een interessant natuurkundig fenomeen vind. Misschien spreekt het, sinds Einstein, iets minder tot de verbeelding dan zwaartekracht, maar laten we de centrifugale kracht in ere houden. Ik maal gemakkelijk door over beide fenomenen. Het zijn verschijnselen waar ik inmiddels wel goed mee uit de voeten kan.
Eerst gravitatie. Einstein heeft aangetoond dat zwaartekracht ‘slechts’ een vervorming is van het ruimte-tijd-continuüm; het weefsel van de lege ruimte, veroorzaakt door de aanwezigheid van een massa. We zijn met en op onze aarde gewoon constant aan het vallen, om de zon heen, en volgen de vervorming die de massa daarvan in het omringende ruimte-tijdweefsel maakt. We gaan dus langs het pad dat in die ruimte-tijd het kortst is.
Daarnaast zorgt rotatie van de aarde om haar as ervoor dat op voorwerpen op aarde, behalve de zwaartekracht, ook een middelpuntvliedende kracht werkt, min of meer tegen de richting van de zwaartekracht in. Hoe verder van de aardas af, hoe groter deze middelpuntvliedende kracht. Op de evenaar is deze werking het grootst, aan de polen is ze nul. De niet-gecorrigeerde, gemeten zwaartekracht is daarom op hogere breedtegraden groter dan op lagere.
De middelpuntvliedende kracht is een niet-bestaande of schijnkracht volgens de zuiver natuurkundige omschrijving. Met ‘schijn’ wordt dan bedoeld dat deze kracht alleen maar bestaat ten opzichte van het voorwerp dat meedraait. Neem een auto die een bocht neemt. Ten opzichte van de vaste grond waarop deze auto zijn draai maakt is er geen sprake van middelpuntvliedende kracht. Dit is slechts fysische preciesheid, maar zowel zwaartekracht als centrifugale kracht hebben de overeenkomst dat ze in nauwe relatie staan tot de omgeving.
De middelpuntvliedende kracht (centrifugale kracht) is dus eigenlijk geen echte kracht, maar een schijnkracht die we ervaren vanuit het standpunt van de draaiende danser zelf. In dat ‘niet-inertiële referentiestelsel’ lijkt het alsof iets hem naar buiten duwt. In werkelijkheid wil zijn lichaam gewoon rechtdoor (traagheid), terwijl het platform hem in een cirkel dwingt.
De echte kracht die op de dansers werkt vanuit het standpunt van de natuurkunde, is de middelpuntzoekende kracht (centripetale kracht). Ze trekt hen naar het midden van de draaiing. Zonder die kracht zouden de dansers door hun traagheid (inertie) rechtdoor willen gaan en dus van het platform vliegen. Deze kracht wordt geleverd door de wrijving tussen hun voeten en het draaiende platform, of door hun spieren als ze zich vasthouden. Wanneer het platform draait, moet er voortdurend een kracht naar binnen werken (richting het middelpunt) om hen in cirkelbeweging te houden. Dat is de centripetale kracht.
Ik keer terug naar het zuivere dansoptreden. Je zou je, heel flauw, van deze uitvoering kunnen afvragen: waarom moeilijk doen als het ook makkelijk kan? Een dergelijke gedachte had ik vroeger regelmatig. Dan waren ze mij alweer kwijt, die pathetische springers. Dat is absoluut niet de kritiek die ervaren kijkers op dans hebben. Voor de recensente met haar ontwikkelde smaak kan het juist niet ontoegankelijk en extreem genoeg zijn. Originaliteit is een hoog goed bij kunstminnaars. Juist als er platitudes op de planken prijken, gaan er haren overeind staan.
Ik zei:“Ik zag dit nog nergens. Voor mij is dit heel origineel.”
Zij zei:“Dat begrijp ik, maar ik moest het indertijd beoordelen. Dat was in 2014. Zelfs toen had ik al heel wat draaiplateaus voorbij zien komen.”
Ik bracht mijn liefde voor natuurkunde in. Ik opperde:“Wist je dat er bij middelpuntvliedende krachten ook middelpuntzoekende krachten horen?”
“En?” reageerde zij.
Welk punt was ik van plan te maken?
Met de geïrriteerdheid van iemand wiens pas gecreëerde passie iets te snel wordt gedoofd, vervolgde ik: “Gewoon eens lekker genieten van het overbekende, dat moet toch kunnen? En voor mij was het dat dus NIET, een gemeenplaats bedoel ik. Ik vond dit speciaal en vreemd en wonderbaarlijk. Zoals gezegd, ik was erg onder de indruk. En dan kom jij langs. Jij met je beredeneerde smaak. Jij met je alles overstijgende beschouwing. Die vindt dat kunst moet provoceren, of wakker schudden, of aanzetten tot nieuwe gedachten maar vooral geen herhaling van zetten mag zijn.”
Ze keek me ongenaakbaar en geamuseerd aan.
“Nou, nou, dat moest er even uit, is het niet? Ik heb je vroegtijdig beroofd van je enthousiasme. Tjonge, jonge. Ik heb je wakker geschud en nu moet je weer op zoek naar iets anders moois. Alsof we dat niet allemaal doen. Omdat we geen cultuurbarbaren willen zijn. Omdat we door moeten. Danskunst is geen plaatje dat je grijs kunt draaien. Zal ik je eens wat vertellen, die titel van deze voorstelling, die slaat op jou. ‘Celui qui tombe’, dat ben jij, ten voeten uit. Maar nu moet je opstaan en weer doorgaan. De betovering van deze draaischijf is voorbij.”
Een recensent vergeleek de voorstelling met een vlot. Hij schreef:
‘There’s a point in most French performance pieces when you suspect that Géricault’s famous 19th-century painting The Raft of the Medusa is being referenced, and He Who Falls is no exception. In addition to spinning like a disc on a turntable, the platform acquires a vertiginous tilt. Soon it’s lurching like a ship, or indeed a raft in a storm, and human balances and counterbalances become critical. The individual survives only if the group survives. Bourgeois’s six dancers are, he says, “a mankind in miniature”. These philosophical underpinnings, if weightless, are deftly conveyed. But the performers rarely display anything approaching three-dimensional character; they’re at once hyper-skilled and remote – in this sense more like acrobats than dancers – and in consequence we don’t really engage with them.’
De recensente had deze kritiek misschien gelezen. Zij plakte er in haar stuk nog een andere vergelijking aan vast. Het tableaux vivant van The Raft of the Medusa door Adad Hannah, dat Yoann Bourgeois misschien ook wel kende. En zo associëren we er lekker op los met al onze kennis van zaken.
De zogenaamde vertegenwoordigers van de hogere cultuur, zoeken altijd naar ‘de allerindividueelste expressie van de allerindividueelste emotie’. Ze verlangen steeds weer nieuwe exceptionele ervaringen; een unieke plek in het centrum van de draaischijf, zeg maar. Natuurkrachten volgen hun eeuwenoude wetten maar mensen, met gevoel voor esthetiek, willen op alle mogelijke manieren afwijken van gebaande paden. Dat is een soort van cultuurkracht waarvoor ik doorgaans waardering heb, maar die ik opeens zo vermoeiend vind.
En ik maar hopen dat Conny Braam gedurende haar prilste jeugd in mijn huis had gewoond. Mevrouw Braam, de beroemde anti-apartheids activiste die begin jaren zeventig samen met vluchtelingen van het regime van Vorster een solidariteitsbeweging oprichtte die zich ontwikkelde tot een van de belangrijkste pijlers van het ANC. Helaas lag haar jeugd niet achter mijn voordeur, maar zes deuren verder. Ik weet dit van overbuurman R.. Hij schreef mij: ‘Op nr 27 woonden ze. Het Akzo pensioenfonds heeft die woningen ontwikkeld en de medewerkers konden ze huren. Als ze van baan veranderden mochten ze blijven wonen. In de jaren 60 konden mensen het huis kopen voor 15000 tot 24000 gulden.‘
Conny Braam: “Ben je al eens in de Beatrixstraat geweest? Mijn vader huurde daar een huis van de AKU. Het was piepklein. Ik krijg het nu nog benauwd als ik eraan denk. Ons huishouden, mijn ouders, twee broers en ik, was ook totaal naar binnen gekeerd. Niet opvallen, dat was het credo.”
Hoewel de huizen in mijn straat erg op elkaar lijken, is het rijtje waarin ik woon (35 t/m 61) van de Rooms-Katholieke kerk geweest, en dus ook in opdracht van die heilige moederparochie gebouwd. Dat vind ik een prettig gegeven: dat een atheïst en antimonarchist in een huis komt te wonen waar het bisdom de scepter zwaaide (via haar woningbouwvereniging St. Joseph). Alsof het lot mij een vorm van hypocrisie opdringt waarover ik moet nadenken. En het wordt nog interessanter. Dezelfde overbuurman wist mij te melden dat in mijn huis de familie Koetsier heeft gewoond, waarvan de vader kerkmeester was die onder andere toezicht moest houden tijdens de mis in de Sint Janskerk. Dat gebouw, met de proporties van een kathedraal, prijkt boven alles uit aan de noordoostkant van mijn straat.
Voordat ik over de functie van kerkmeester uitweid, en vooral over hoe Koetsier hier invulling aan gaf, eerst even terug naar Conny Braam. Als je weet dat onze doorgewinterde vrijheidsfanate zich in haar herinneringen uiterst negeatief uitlaat over haar vroege jaren in de Beatrixstraat, is het misschien gek dat ik het jammer vind dat ze niet bij mij heeft gewoond. Behalve strijdmadame ontwikkelde Conny zich ook tot een voortreffelijke schrijfster, die in haar memoires nauwelijks een vriendelijk woord reserveert voor haar tijd in Arnhem. Ik ben vastbesloten om al haar werk te lezen waarin die onwelgevallige jaren in volle glorie voorbij trekken. Een klein tipje van die sluier kreeg ik al voorgeschoteld in een interview dat Conny gaf aan een journalist van De Gelderlander.
Dit interessante stukje werd door R. mijn kant op gedirigeerd. Ik ben mijn straatgenoot alweer erkentelijk. (Ik werd trouwens ook heel aangenaam verrast door de naam van de interviewer van het krantenartikel; hij heet Hans Gülpen en ik beschouw hem als een vriend. In zijn artikelen laat hij de puntjes boven de U weg dus hij denkt dat hij de krant, in de meer dan dertig jaar dat hij daarvoor heeft gewerkt – als vaste kracht en freelancer – ‘een royale badkuip aan drukinkt’ heeft bespaard. Over Hans later meer.) Een ander aspect uit de mij toegestuurde informatie betreft de huisnummers 11 t/m 15. Die bestaan niet. Misschien was het de bedoeling bij het blok 5,7,9 boven- en benedenwoningen te bouwen. Op het kantoor van het Pensioenfonds wist men in ieder geval één ding heel zeker: er zou nooit een huis met nummer 13 mogen komen.
Niets menselijks was de stervelingen in mijn straat vreemd. Dat ze naar een prinses werd genoemd had natuurlijk te maken met loyaliteit en verbondenheid met het Huis van Oranje. Ook dat is een vorm emotionele projectie, oftewel een vertrouwen zonder bewijs. Nee, niet religieus, maar een gevoel van toewijding aan een instituut dat men niet rationeel hoefde te verklaren; de monarchie als symbool van morele standvastigheid, wat een bijna religieuze verering opriep. Oranjeloyaliteit is een soort van burgerlijk bijgeloof: een seculiere vorm van devotie, waarin koninklijke symbolen en rituelen de plaats innemen van traditionele religieuze vormen. Het koningshuis als iets heiligs, iets bovenmenselijks dat het land bijeenhoudt; dat lijkt sterk op religieus symbolisme: de vorst als moreel kompas, als symbool van continuïteit en nationale identiteit.
Wat ik maar zeggen wil: geloof, haat en bijgeloof tierden welig in mijn straatje. Jammer dat Conny Braam niet in mijn huis is opgegroeid; anders had ik kunnen beweren dat haar opstandige geest nu al bezit van me heeft genomen. Ach nee, laat maar; ik besef meteen dat zo’n gedachte ook weer iets van een geloof verraadt.
Het verhaal is rond. Het raadsel was banaal. De man in het zwart heeft ook bij mij aangebeld, zoals bij andere huurhuizen in mijn straat. Hij kwam slechts op asbest controleren. Hij werkte voor de woningcorporatie. Dat hij ook nu weer geheel in het zwart was gekleed – net als toen ik hem voor de boeman aanzag die hij niet bleek te zijn – maakte het verhaal van zo’n twee weken daarvoor iets aannemelijker. Hoewel nog steeds onvergeeflijk. Want het berustte op een misverstand.
Mijn vergissing ontstond nadat ik als nieuwe bewoner was toegevoegd aan de straatapp. Daar verscheen een waarschuwing: ‘Ter info: er is een oplichter actief in de Irenestraat en Beatrixstraat. Hij belt aan in zwarte werkkleding, beweert dat hij Theunissen heet en dakreparaties uitvoert. Hij zegt schade te hebben gezien, vraagt om een aanbetaling voor materiaal bij de Praxis en verdwijnt vervolgens. Zijn gegevens kloppen niet: G. Teunissen Klusbedrijf Kvk 09160841: niet bestaand. Telefoonnummer 06-16862856: onjuist.’
Het toeval wilde dat ik, toen ik nog volop aan het verhuizen was, door een man werd aangesproken op straat. Ik kan mij niets van zijn uiterlijk herinneren, alleen maar dat hij niet in het zwart was gekleed. Toch vond ik dat ik mijn nieuwe whatsapp-vrienden op de hoogte moest stellen van wat ik wel wist: ‘Die man sprak ook mij aan over een losliggende loodflap. Maar wat ik niet begrijp: toen hij die aanwees, meende ik die echt los te zien liggen. Had hij dat dan zelf gedaan, toen hij bijvoorbeeld voor iets anders op het dak was? Saboteert hij de boel? (Ik heb overigens geen gebruik gemaakt van zijn diensten.)’
Buurman R. antwoordde: ‘Dat doet hij dus inderdaad.’ En ik: ‘Wat? Rukt hij dat gewoon los? Maar dat moet gebeurd zijn toen ik hier nog niet woonde. Dan ligt dat ding daar los en móet ik dus wel iemand laten komen! Da’s gewoon vernieling.’ Een andere buur nuanceerde het: ‘Hij gaat eerst met een dakpan het dak op, maakt dan een loodflap los en vraagt daarna om geld. In jouw geval vermoed ik dat het lood al wat oud is en misschien al wat los of scheef zat. Dat maakt het makkelijker voor hem, dan hoeft hij niet eerst het dak op.’
Ik wilde graag kwijt dat ik, in mijn ogen, best verstandig had gereageerd. Ik had tegen de ‘losliggende-loodflap-man’ gezegd: “Oh, daar moet ik de woningbouwvereniging dan even naar laten kijken.” Dat leek me voor een oplichter niet interessant meer. Ik dacht er verder niet bij na, behalve dat het me geruststelde dat ik als huurder gewoon melding kon doen bij Volkshuisvesting. Die sturen wel iemand, dacht ik. Men had trouwens ook de wijkagenten ingeschakeld. Die schreven dat ze op de hoogte waren van deze man, en dat het goed was dat we alert bleven.
Daarna werd het stil. Totdat ik, twee weken later, een man in het zwart bij mijn buurvrouw zag aanbellen. In de straatapp schreef ik: ‘Zou iemand mij even willen dm’en of bellen over de man in het zwart waarover hier een discussie was losgebarsten? Ik wil geen valse beschuldiging uiten, maar iets verifiëren. Het gaat om het bezoek van een asbestcontroleur. Niet bij mij, maar bij iemand die niet op deze app zit en dus niet op de hoogte is. Ik hoop dat ik spoken zie, maar toch…’ (P.S. Ik heb het nummer van de wijkagent gebeld, maar krijg geen gehoor. Ik wil niet iemand zijn die moord en brand schreeuwt zonder reële aanleiding. Maar die is er wel naar mijn gevoel.)
De les voor mij: ik had beter moeten doorvragen. Mijn oude buurvrouw is bepaald niet gek. Alertheid is mooi, maar bemoeizucht niet. Ik moest het schaamrood op mijn kaken er even uitwandelen. Ik belde mijn zus. “Het is echt niet zo raar dat je dit verkeerd hebt ingeschat, gezien wat er tegenwoordig allemaal gebeurt,” troostte zij mij. Ik pakte dit gretig op: “Ja, de wereld zit vol oplichters, en Arnhem heeft wat dat betreft best een reputatie. Maar in plaats van de straat op te rennen, had ik iets langer met de buurvrouw moeten praten.”
Ik had bij haar aangebeld, maar liep direct door om de nummerplaat van de man te noteren. Toen ze opendeed, riep ik van een afstand: “Is hij op het dak geweest?” Waarop ze antwoordde: “Nee, hij is de asbestcontroleur.” Ik dacht toen: ook niet in orde, en sprak andere buren aan. Pas later vertelde ze mij dat hij gewoon van de woningcorporatie was.
Ik had mij het hoofd op hol laten brengen door overalertheid en een te snelle aanname.