Redeloze reddingsoperaties

Onze on demand cultuur streamt voor een habbekrats onze eigen exposities.

De argumenten om kwijnende musea te redden vertonen vaak een treffende gelijkenis; ook al zijn deze instellingen volstrekt verschillend wat collecties, thema’s, onderwerpen en ambities betreft.

Omdat ik in Rotterdam om de hoek woonde van het Nationaal Onderwijsmuseum liep ik er vaak naar binnen. Het gebouw was rustgevend door z’n stilte, z’n oudheid en z’n grootte. Wat velen bij het bezoek aan een heiligdom of een park ervaren, ervoer ik daar: een totale onthechting van de waan van de dag in een ruimte met een tijdloze sereniteit die elke aardse ruis buitensloot.

De pleidooien voor kwijnende musea zijn pijnlijk inwisselbaar. Ze herhalen dezelfde clichés, terwijl onze eigen internetverbindingen veel van die traditionele instituten overbodig maken. Bovendien biedt ons eigen huis ook vaak een weldadige stilte waarin de buitenwereld ophoudt te bestaan.

Eerlijk gezegd deed het tentoongestelde me nooit zoveel of althans: niet genoeg. Welke speciale expositie er ook was opgetuigd, het wist de lethargie nooit helemaal uit de zalen te jagen. Ook de vaste collectie had het niet; ze maakte een uitgeputte indruk. Niet dat ik dit erg vond. De allesbepalende sfeer voelde altijd goed. Ik was én van de straat én ik zat niet thuis. Bovendien deed ik iets cultureels en iets ogenschijnlijk verstandigs.

Nu dreigt het doek te vallen voor dit museum.

Natuurlijk luiden de academici direct de noodklok in de kwaliteitskranten. Een land dat zijn eigen educatieve geschiedenis bij het grofvuil zet, zo waarschuwen historici plechtig, verliest niet zomaar een gebouw, maar zijn collectieve geheugen. Zonder dit ‘kompas’ zouden we prompt vergeten wie we zijn en ondergraven we zelfs onze democratische fundamenten. Het museum is immers geen stoffige opslag, maar een maatschappelijk laboratorium.

Het zijn ronkende, bijkans existentiële argumenten voor een instituut waar ik vooral kwam om even niet thuis te hoeven zitten. En zo zijn we terug bij het begin: welk kwijnend museum er ook gered moet worden, de verdedigingslinies worden overal met dezelfde grote woorden opgetrokken.

Hoe fraai die pleidooien ook klinken, ze hebben hun langste tijd gehad. Ze missen simpelweg overtuigingskracht in een tijdperk waarin de computer de muren van het museum heeft gesloopt. Waarom zou de burger nog naar een fysiek instituut pelgrimeren als alle denkbare informatie over welk onderwerp dan ook met één muisklik te voorschijn flitst? Inclusief alle auditieve, filmische, optische en sensorische middelen die de techniek ons biedt. Kortom: iedereen met een internetverbinding richt vandaag de dag voor een habbekrats zijn eigen kunsttempel of rariteitenkabinet op.

We zeggen het traditionele museumbezoek vaarwel op exact dezelfde manier waarop we het lineaire televisiekijken de rug toe keren. We consumeren niet langer lijdzaam wat een extern comité van conservatoren of programmamakers voor ons heeft klaargezet. De moderne mens is de soevereine regisseur geworden van zijn eigen informatieverschaffing. Wie behoefte heeft aan onderwijsgeschiedenis, stelt zijn eigen chronologie samen; gepersonaliseerd, on demand en zonder de geur van spaanplaat en suppoosten.

De treurige conclusie is dan ook dat de traditionele museumlobby vecht tegen de bierkaai. Haar argumenten zijn niet zozeer vals, ze zijn vooral hopeloos anachronistisch. Ik stel voor dat we de musea ontdoen van hun stoffige ballast, maar de burger wel het genoegen blijven bieden van de adembenemende, verstilde ruimte zelf. Dat geeft hem voldoende reden om af en toe zijn huis te verlaten, dat, met een beetje geluk, overigens ook vaak in staat is om het straatrumoer en het profane leven buiten de deur te houden.