From: The Meltdown of Monarchies
I am invited for a visit with the king. It takes place at his home, a palace that doesn’t flaunt its splendor, and precisely because of that, it feels majestic to me. I convince myself that this environment reflects the character of my host and wonder if he understands that someone like me, the son of a working-class family, is impressed by such surroundings. “We’re a fairly normal family,” he will say later. By that time, I will have also met his wife and one of his daughters. Over time, I can indeed see the normalcy, but when I first meet him in person, I’m stiff with nerves.

I already feel uncomfortable around VIPs, let alone with a monarch. I fear that -much to my dismay- I am susceptible to fame. That’s ridiculous and completely against my principles, so I can be thankful that this king puts me at ease; every time he appears, I feel a mixture of awe and compassion. He’s tall, his stature fills the room, but he has nothing grandiose about him. You could say he lacks grace, but that is certainly not a shortcoming. He is the least imposing monarch I know. That reassures me and inspires sympathy.
He is a king of class, but the better version of that concept. He distinguishes himself by mastering the art of staying grounded. Is that the result of a healthy sense of perspective, or is there something else at play? Many royals appear more stately than he does. They seem to embody a long family history. Distinction suits them, it is their driving force. They embrace their inherited role much more easily and are less concerned with the misdeeds of their ancestors. This man represents a country with critical citizens and a history that humbles. If he doesn’t present himself with humility, his people would devour him. But it’s also within him. I believe that, from a young age, he’s had his reservations about the state system and the historical accident that chose him.
That I, as the tenant of a two-room apartment, am impressed by the environment in which I am received is perhaps logical, but I can’t forgive myself for this fascination. My views on capitalism and old money urge me towards indifference, yet I cannot deny that the opulence, which comes with monarchy, exerts a strong pull on me. Perhaps, for my host, the palace is also the only allure of kingship. For him and his family, who get to live there, that’s nice. I’m a fleeting visitor and want to leave my weakness behind by unburdening myself. While the king shows me his most amiable side, I feel the urge to share libertarian thoughts with him. I want to let him know why I believe in a republic. I suspect that he also wants me to speak up about this. After all, he didn’t invite me here for nothing. Of course, he’s read my book.
“I greatly appreciate this meeting, Your Majesty,” I begin sincerely. “I want you to understand that my position in favor of a state without hereditary succession by a head of state doesn’t stem from hatred or distrust towards you and your family. On the contrary, it arises from my deep disdain for the conspiracy theories circulating in far-right circles and other extremist groups. I’m the last person to believe that the royal family is involved in dark conspiracies, or that they are puppets of a hidden world order pulling the real strings behind the scenes. But how do we banish such absurd fabrications? The genie seems to be out of the bottle, Your Majesty. People are driving each other crazy on social media. So much is claimed, and so little is proven. Honestly, I believe there’s only one way left to rid ourselves of these annoying rumors.”
“By giving the slanderers no further reason,” the king adds. His kind eyes seem to have absorbed my words and have grown a bit more serious. He limits his response to that single sentence, so I continue my argument freely: “That’s exactly what I mean, Your Majesty. Apart from that, I believe in a system where power and privilege are not based on birth, but on merit. That seems fairer and more inclusive. A system where everyone has equal opportunities, where the strength of society comes from its diversity and the possibilities it offers to all, regardless of their background.” This moment of revealing my colors is accompanied by a vision of the future that I keep to myself.
Over smelten gesproken
Uit: The Meltdown of Monarchies
Ik word uitgenodigd voor een bezoek aan de koning. Dat speelt zich af bij hem thuis, een paleis dat niet wil pronken met z’n pracht en juist daardoor majesteitelijk op mij overkomt. Ik maak mij wijs dat deze omgeving het karakter uitstraalt van mijn gastheer en vraag me af of hij begrijpt dat een arbeiderszoon als ik onder de indruk raakt van dit soort ambiances? ‘We zijn een vrij normaal gezin’, zal hij later zeggen. Tegen die tijd heb ik ook zijn vrouw en één van zijn dochters leren kennen. Dat normale zie ik er gaandeweg wel aan af, maar als ik hem voor het eerst in het echt ontmoet, sta ik stijf van de zenuwen.

Bij VIPs voel ik me al ongemakkelijk, laatstaande bij een vorst. Ik vrees dat ik, geheel tegen mijn wil in, bevattelijk ben voor beroemdheid. Dat is belachelijk en volstrekt in strijd met mijn principes en dus mag ik blij zijn dat deze koning het me gemakkelijk maakt; steeds wanneer hij in beeld verschijnt, voel ik een mengeling van ontzag en mededogen. Hij is groot, zijn postuur vult de ruimte, maar hij heeft niets verhevens. Gebrek aan gratie, zou je kunnen zeggen, maar een tekortkoming is dat zeker niet. Hij is de minst voorname vorst die ik ken. Dat stelt gerust en wekt sympathie.
Hij is een koning van klasse, maar dan de betere versie van dat begrip. Hij onderscheidt zich omdat hij de kunst verstaat van het gewoon blijven. Is dat het gevolg van een gezond relativeringsvermogen of zit er nog iets anders achter? Veel royals komen statiger over dan hij. Ze lijken de belichaming van een lange familiegeschiedenis. Distinctie doet hen goed, het is hun drijfveer. Ze laten zich hun overerfde functie veel meer aanleunen en bekommeren zich minder om de wandaden van hun voorvaderen. Deze man vertegenwoordigt een vaderland met kritische onderdanen en een verleden dat nederig stemt. Als hij zich niet bescheiden opstelt, lust zijn volk hem rauw. Maar het zit ook in hemzelf. Ik geloof dat hij van kindsbeen af bedenkingen heeft bij het staatsbestel en het historische toeval dat hem heeft uitverkoren.
Dat ik, als huurder van een tweekamerappartementje, onder de indruk raak van de omgeving waarin ik word ontvangen, is misschien wel logisch, maar ik kan mezelf die fascinatie niet vergeven. Mijn opvattingen over kapitalisme en oud geld manen me tot onverschilligheid, en toch kan ik niet ontkennen dat de weelde, die komt met het vorstendom, een sterke aantrekkingskracht op me uitoefent. Misschien is zo’n paleis ook voor mijn gastheer de enige bekoring van het koningschap. Voor hem en zijn familie, die er in mogen wonen, is dat fijn. Ik ben een kortstondige bezoeker en wil mijn zwakte achter me laten door m’n hart te luchten. Terwijl de koning mij zijn vriendelijkste kant toont, voel ik de drang om libertijnse gedachten met hem te delen. Ik wil hem laten weten waarom ik geloof in een republiek. Ik vermoed dat hij ook wil dat ik me daarover uitspreek. Hij heeft me hier toch niet voor niets naartoe laten komen. Natuurlijk heeft hij mijn boek gelezen.
‘Ik waardeer deze ontmoeting zeer, Uwe Majesteit’, begin ik gemeend. ‘Ik wil dat u begrijpt dat mijn standpunt voor een staat zonder erfopvolging door een staatshoofd niet voortkomt uit haat of wantrouwen jegens u en uw naasten. Integendeel, het vloeit juist voort uit mijn diepe afkeer van de complottheorieën die circuleren in ultra-rechtse kringen en andere extremistische groeperingen. Ik ben de laatste persoon die denkt dat de koninklijke familie betrokken is bij duistere samenzweringen, of dat ze marionetten zijn van een verborgen wereldorde die achter de schermen de echte macht vormen. Maar hoe ban je zulke idiote verzinsels nog uit? De geest lijkt uit de fles, Majesteit. Mensen maken elkaar gek op de ‘socials’. Er wordt zoveel beweerd en zo weinig bewezen. Eerlijk gezegd geloof ik dat er nog maar één manier is om van deze irritante geruchtmakingen af te komen.’
‘Door de lasteraars geen aanleiding meer te geven’, vult de koning aan. Zijn vriendelijke ogen lijken mijn woorden te hebben geabsorbeerd en zijn iets ernstiger geworden. Hij houdt het bij die ene reactie, dus vervolg ik vrijmoedig mijn betoog: ‘Dat is precies wat ik bedoel, Majesteit. Los daarvan geloof ik in een systeem waarin macht en privileges niet gebaseerd zijn op geboorte, maar op verdienste. Dat lijkt me rechtvaardiger en inclusiever. Een systeem waarin iedereen gelijke kansen heeft, waarin de kracht van de samenleving voortkomt uit haar diversiteit en de mogelijkheden die het biedt aan allen, ongeacht hun achtergrond.’ Dit moment van kleurbekennen gaat gepaard met een toekomstvisie die ik voor me houd.


