Mijn superieure lijden (2)

Een vriendschappelijke interventie voerde mij terug naar de onvervalste versie van een vaderlands verhaal.

Ik ben opgevoed in een gezin dat werd gestut door het zuchten en kreunen van oudere zussen. Vier om precies te zijn. Dankzij hen raakte ik al vroeg vertrouwd met de twee fundamentele vormen van gedesillusioneerde liefde. Je zou kunnen zeggen dat ik een onvrijwillige masterclass volgde in het breken van harten. In het begin was dat louter leerzaam; het ging toen namelijk niet om mijn eigen hart dat sneuvelde. Ik had me nog nooit met vrouwen ingelaten. Ik kon hen dus ook geen hartzeer bezorgen.

Normaal nu. Na een natsukashii navigeerde ik ontnuchterd van Nippon naar Nederland.

Het lot maakte mij tot de Benjamin. Mijn zussen waren de eersten die teleurstelling in de liefde ervoeren, en wel in de eenvoudige variant. Zij koesterden hoogdravende verwachtingen over een minnaar, om vervolgens met een schok te ontdekken dat de jongeman in kwestie niet de emotionele diepgang bezat om een kroon te kunnen zetten op zijn perfecte uiterlijk. De held bleek gewoon een figurant. In zo’n geval ben je een illusie armer, maar laten we wel wezen: het liefdesobject heeft in feite nooit bestaan.

Men huilt om een fata morgana dat bij nader inzien een hoopje zand blijkt te zijn. Het werd niets, maar er was ook niets. Niets werkelijks. Dit type liefdesverdriet is een milde vorm van existentiële griep. Het vraagt om een kuurtje van zelfmedelijden en theatraal achterafge-analyseer waaraan je als huisgenoot beleefde maar minimale aandacht besteedt. Een nieuwe aanbidder volstaat doorgaans als medicijn. Liefdesverdriet van deze categorie is een luxeprobleem van jewelste.

Nee, dan mijn ervaringen! Deze kwamen wat laat op gang maar ergens in de nadagen van mijn jeugd – ik was al 21 – moest er wel een vrouw in mijn leven binnenwandelen. Dat had op een gegeven moment meer met kansberekening te maken dan met charme. Sindsdien werd ik het structurele slachtoffer van de andere sekse die, precies zoals mijn zussen, hun verwachtingen als een strenge meetlat langs mijn lichaam en mijn hersenen legden. Dat laatste niet in de zin van intelligentie, maar uitgelegd als inlevingsvermogen of zoiets.

Ook ik bleek de ware niet; ik kon de torenhoge ambities van hun verbeelding niet stutten en kreeg, exact zoals de onfortuinlijke minnaars van mijn zussen, de wacht aangezegd. Hier wringt de schoen, en hier begint mijn superieure lijden. Waarom, zo hoor ik de lezer vragen, zou mijn lijden de zieligheid van mijn teleurgestelde zussen zo glansrijk verslaan? Heel simpel: wanneer je wordt afgewezen, blijft het object van je liefde irritant aanwezig. Dat is veel pijnlijker. Dat zal je nooit meer loslaten.

Zij — ik hanteer de vrouwelijke vorm, ik spreek hier immers vanuit de empirische data van mijn eigen ellende — blijft in je universum ronddolen. Ze manifesteert zich op de meest tactloze manieren, bijvoorbeeld door doodleuk opnieuw verliefd te worden. Hoe groot de geografische afstand ook is, het nieuws van haar herwonnen geluk sijpelt altijd door de kieren van je bestaan; het voelt alsof er in een toch al gehavend hart een nieuw mes wordt geplant met chirurgische precisie.

Ik durf de stelling aan dat ik aanzienlijk zieliger was dan alle vrouwen die mijn pad hebben gekruist, zussen en maîtresses incluis. De feiten liegen niet. Terwijl mijn zussen hun desillusie met verbazingwekkende efficiëntie overwonnen en bespraken met een kersverse opvolger, kende ik lange perioden van solitair geweeklaag. Zij ruilden hun spookbeelden in voor nieuwe kandidaten; ik bleef achter zonder troostende vervanging, starend naar de plek waar de werkelijkheid mij de deur had gewezen.

Het is een zware last, de enige van een groot gezin te zijn die écht weet wat verliezen is en daar de rest van zijn leven op moet teren.

Aanleiding voor de verandering t.o.v. gisteren (zie eerder):

Lezersreactie: Goed verhaal, Ronald. Maar [het] verhaal over de man met vier zussen en de teleurstellende liefde vraagt helemaal niet om een Japanse context. Het is van zichzelf sterk genoeg. Alle toevoegingen in kaders, over Deshima enz., zijn mijns inziens overbodig en smaken als een slecht dessert. Skip het gefotoshop of bewaar dat voor andere afdelingen van je website. Leer je nu eens te beheersen.
Ik: Dank je wel Hans. Ik besef meteen dat je gelijk hebt.

Mijn superieure lijden (1)

Adana wa ‘Kawaii Karimero’ desu.

Mijn naam is Kawaii Karimero. Ik ben opgevoed in Dejima in een huis dat werd gestut door het zuchten en kreunen van oudere zussen. Vier om precies te zijn. Dankzij hen raakte ik al vroeg vertrouwd met de twee fundamentele vormen van gedesillusioneerde liefde. Je zou kunnen zeggen dat ik een onvrijwillige masterclass volgde in het breken van harten. In het begin was dat louter leerzaam; het ging toen namelijk niet om mijn eigen hart dat sneuvelde. Ik had me nog nooit met vrouwen ingelaten. Ik kon hen dus ook geen hartzeer bezorgen.

Dejima is kleinschalig, museaal en historisch accuraat. Met zijn houten pakhuizen en woningen lijkt het exact op het kunstmatige eilandje in het centrum van Nagasaki dat in de 17e eeuw werd aangelegd om de Nederlandse handelaren te isoleren van de Japanse bevolking. In Dejima voel je de geschiedenis van eenzame Nederlandse koopmannen die jarenlang op een houten vlonder naar de zee staarden. Dat is een speciaal soort melancholie dat mijn personage in zijn rol van vertaler goed kan uitstralen. (Voor deze fotobewerking heb ik, met impliciete toestemming, een foto van de Japanse beroemdheid Tsuji Hitonari gebruikt. Dat leek me om meer dan één reden een uitstekende match. Zie onder.)

Het lot maakte mij tot de Benjamin. Mijn zussen waren de eersten die teleurstelling in de liefde ervoeren, en wel in de eenvoudige variant. Zij koesterden hoogdravende verwachtingen over een minnaar, om vervolgens met een schok te ontdekken dat de jongeman in kwestie niet de emotionele diepgang bezat om een kroon te kunnen zetten op zijn perfecte uiterlijk. De held bleek gewoon een figurant. In zo’n geval ben je een illusie armer, maar laten we wel wezen: het liefdesobject heeft in feite nooit bestaan.

Men huilt om een fata morgana – wij noemen dat hier Shinkirō – dat bij nader inzien een hoopje zand blijkt te zijn. Het werd niets, maar er was ook niets. Niets werkelijks. Dit type liefdesverdriet is een milde vorm van existentiële griep. Het vraagt om een kuurtje van zelfmedelijden en theatraal achterafge-analyseer waaraan je als huisgenoot beleefde maar minimale aandacht besteedt. Een nieuwe aanbidder volstaat doorgaans als medicijn. Liefdesverdriet van deze categorie is een luxeprobleem van jewelste.

Nee, dan mijn ervaringen! Deze kwamen wat laat op gang maar ergens in de nadagen van mijn jeugd – ik was al 21 – moest er wel een vrouw in mijn leven binnenwandelen. Dat had op een gegeven moment meer met kansberekening te maken dan met charme. Sindsdien werd ik het structurele slachtoffer van de andere sekse die, precies zoals mijn zussen, hun verwachtingen als een strenge meetlat langs mijn lichaam en mijn hersenen legden. Dat laatste niet in de zin van intelligentie, maar uitgelegd als inlevingsvermogen of zoiets.

Ook ik bleek de ware niet; ik kon de torenhoge ambities van hun verbeelding niet stutten en kreeg, exact zoals de onfortuinlijke minnaars van mijn zussen, de wacht aangezegd. Hier wringt de schoen, en hier begint mijn superieure lijden. Waarom, zo hoor ik de lezer vragen, zou mijn lijden de zieligheid van mijn teleurgestelde zussen zo glansrijk verslaan? Heel simpel: wanneer je wordt afgewezen, blijft het object van je liefde irritant aanwezig. Dat is veel pijnlijker. Dat zal je nooit meer loslaten.

Zij — ik hanteer de vrouwelijke vorm, ik spreek hier immers vanuit de empirische data van mijn eigen ellende — blijft in je universum ronddolen. Ze manifesteert zich op de meest tactloze manieren, bijvoorbeeld door doodleuk opnieuw verliefd te worden. Hoe groot de geografische afstand ook is, het nieuws van haar herwonnen geluk sijpelt altijd door de kieren van je bestaan; het voelt alsof er in een toch al gehavend hart een nieuw mes wordt geplant met chirurgische precisie.

Ik durf de stelling aan dat ik aanzienlijk zieliger was dan alle vrouwen die mijn pad hebben gekruist, zussen en maîtresses incluis. De feiten liegen niet. Terwijl mijn zussen hun desillusie met verbazingwekkende efficiëntie overwonnen en bespraken met een kersverse opvolger, kende ik lange perioden van solitair geweeklaag. Zij ruilden hun spookbeelden in voor nieuwe kandidaten; ik bleef achter zonder troostende vervanging, starend naar de plek waar de werkelijkheid mij de deur had gewezen.

Het is een zware last, de enige van een groot gezin te zijn die écht weet wat verliezen is en daar de rest van zijn leven op moet teren. Misschien dat ik mij daarom wel goed voel als figurant. Ik loop rond als ‘Oranda-tsūji’ op de waaiervormige weergave van een kunstmatig eilandje dat in de 17e eeuw werd aangelegd om de Nederlandse handelaren te isoleren van de Japanse bevolking. Als onderdeel van het Historisch ervaringspersoneel – de toeristen noemen dat roleplayers of re-enactors – is de rol van Nederlandse tolk mij op het lijf geschreven.

De held van mijn boek zou Kawaii Karimero gaan heten, omdat zijn zussen hem zo noemen. Kawaii betekent schattig of lieflijk. Zij konden hem plagen met z’n eeuwige jongensachtigheid maar zij boden hem ook altijd bescherming en zij functioneerden als een soort van juffen, al was dat soms voor lessen van hoe het juist niet moet.

Het hele gezin is opgegroeid tussen de nep-grachten van het waaiervormige eiland in het centrum van Nagasaki. Als we nep zeggen moeten we trouwens oppassen. Ja, de waterwegen waren eerst gedempt en zijn later weer uitgegraven om het eilandkarater te herstellen. Maar het gezin leeft niet in een simulacrum (een kopie zonder origineel); het eiland Desima heeft de tijd juist overleefd. Biedt dat niet een fascinerende omgeving voor de vorming van iemands identiteit?

De bijnaam Karimero moet ik ook nog verklaren. In Japan is Calimero een heel ander verhaal dan elders. Hij is daar namelijk nog altijd zeer bekend. Sterker nog, het is grotendeels aan Japan te danken dat het kuiken wereldwijd zo populair is geworden. Hoewel Calimero een Italiaanse creatie is (van de gebroeders Pagot), zijn de twee grote animatieseries geproduceerd door Japanse studio’s. Omdat de series decennialang op de Japanse televisie te zien waren, herkennen meerdere generaties Japanners het personage direct. Het wordt daar beschouwd als een klassieke mascotte.

In tegenstelling tot veel andere landen waar Calimero langzaam uit het collectieve geheugen verdween, bleef er in Japan altijd een markt voor knuffels, briefpapier en andere producten met zijn beeltenis. Het is overigens een interessant biologisch fenomeen dat een kuiken decennialang uit een ei kan kruipen zonder ooit de eierschaal op zijn kop te verliezen. Je kunt concluderen dat de schaal met een soort organische lijm aan zijn schedel is vergroeid, wat de nodige vragen oproept over zijn schedelontwikkeling.

De specifieke uitspraak “Zij zijn groot en ik is klein, en dat is niet eerlijk, o nee” is trouwens een puur Nederlandse creatie. De tekst werd in de jaren ’70 bedacht door de Nederlandse vertalers. In Japan zegt Calimero dit niet. De Japanse versie van het personage is minder gefocust op het “slachtofferrol-complex” dat in Nederland zo iconisch is geworden. Hoewel hij ook in Japan een dapper maar onhandig kuiken is dat tegen onrecht strijdt, ontbreekt de specifieke herhaalbare catchphrase over zijn lengte.

Het ‘Calimero-complex’ is een Europees psychologisch begrip. Het charmante “ik is klein” (de bewuste grammaticale fout in het Nederlands) is uniek voor onze taalregio. De mensen die mij kennen en op de hoogte zijn van mijn minderwaardigheidscomplex, begrijpen dat ik met dat gegeven ook nog iets moet in het potentiële verhaal.

Maar als ze mij inderdaad zo goed kennen, weten ze waarschijnlijk ook dat het er nooit van zal komen om dit boek daadwerkelijk te schrijven.

Ik heb voor de begeleidende foto bij dit blogbericht een selfi van Tsuji Hitonari gebruikt die ik vond op zijn Instagram-account. Daarvoor liet ik de origenele achtergrond verdwijnen. Nu poseert hij voor vier geisha’s in een toeristenoord.

Tsuji is een ware ‘renaissance man’ in de Japanse popcultuur: zanger, rockmuzikant, regisseur en winnaar van de prestigieuze Akutagawa-prijs voor literatuur. Hij past perfect in een verhaal dat in mijn hoofd aan het onststaan is. Hij woont al jaren in Parijs.

Hij is de belichaming van de Japanse intellectueel die gefascineerd is door Europa, maar altijd zijn Japanse ziel behoudt. Dit spiegelt mijn personage in Dejima: iemand die leeft in een Europese schil in Japan (en die daar overigens nooit weggaat omdat hij zijn rol van figurant in een levend museum heel serieus neemt).

Zijn boeken en liedjes gaan vaak over melancholie, eenzaamheid en de complexiteit van de liefde tussen culturen. Zijn bekendste werk, Sayanora Itsuka (Goodbye Someday), is een schoolvoorbeeld van het type hartzeer waar mijn personage ook mee worstelt.

Foyergeilheid

Waarom voorstellingen voor velen slechts een intermezzo zijn bij hun eigen zelfmanifestatie.

Ik heb een tijdlang het twijfelachtige privilege genoten om gratis ballet- en operavoorstellingen bij te wonen. Mijn partner bekleedde een managementfunctie bij een podiumkunstacademie, wat mij transformeerde tot een vaste passant in de coulissen van de hogere kunsten. Mijn werkelijke voldoening haalde ik echter niet uit de spitzen, de stembeheersing, de enscenering of de dramatische coloraturen, maar uit mijn persoonlijke gezelschap: ik zat naast degene van wie ik hield en zag haar oprecht genieten. Dat was een openbaring op zich. Blijkbaar bestonden er mensen die daadwerkelijk voor de kunst kwamen. Voor de rest van de zaal durf ik die stelling namelijk niet zomaar te verdedigen.

Zien en gezien worden.

De foyer is niet slechts een doorgangsruimte; het is het epische centrum van een geraffineerde ‘kijk-mij-eens-parade’. De culturele côterie trekt haar beste kleren aan om zich in deze arena te begeven. Men gaat er niet ‘naar de voorstelling’, men gaat ‘naar het theater’; een subtiel maar wezenlijk verschil. Zonder de foyer zou de zaal waarschijnlijk halfleeg blijven. Ik durf zelfs te beweren dat de voorstelling voor velen slechts het noodzakelijke decorum vormt voor de eigen profilering; een intermezzo dat de sociale interactie vervelend onderbreekt.

In de pauze, te midden van de andere consumenten van hoge cultuur, kan men zijn sociaal kapitaal etaleren als pauwenveren. Men oogst complimenten over de nieuwe designbril of andere uiterlijke trivialiteiten. Men bevestigt elkaars status door middel van een vakkundig gechoreografeerde knik of een luidruchtige lach die net iets te lang aanhoudt, bedoeld om de omstanders te laten weten dat men er is en ‘erbij hoort’. Wat dat betreft functioneert de foyer als een golfclub, zij het met minder openlijke handelstransacties en meer intellectuele pretentie.

Het is een plek van monkeys see, monkeys do voor geparfumeerde primaten; een arena waar de groepsbevestigende dynamiek belangrijker is dan de artistieke overdracht. Sociologisch gezien zijn we hier getuige van wat Thorstein Veblen ‘opzichtige consumptie’ noemde, maar dan toegepast op cultuur. In deze ruimte wordt de sociale cohesie gehandhaafd via een collectief ritueel van zelfmanifestatie, waarbij het côteriegekwezel fungeert als de lijm tussen de verschillende statusposities. Men betaalt niet voor het schouwspel, maar voor de bekrachtiging van de eigen exclusiviteit. Je ziet overduidelijk wie het te doen is om het uiterlijk vertoon en wie de voorstelling louter gebruikt als een moreel vernisje om de eigen superioriteit te bevestigen.

De ‘hyperaanwezigheid’ van de toeschouwer overstemt de act op het podium. In de psychologie noemen we dit ook wel het spotlight effect: de toeschouwer is er zo van overtuigd dat de wereld naar hem kijkt, dat hij bereid is een fortuin neer te leggen voor een tweederangs stoel, zolang die maar in de juiste ruimte staat.

Wat de voorstellingen zelf met mij deden? Ik werd vooral getroffen door de onversneden fysieke rauwproeverij van het geheel. Velen zullen het vloeken in de kerk vinden, maar op YouTube zie je in wezen de perfectie; in de zaal hoorde ik de planken echter vaak door de muziek heen klinken. Ik had dit nooit verwacht. Iedere landing na een sprong van een balletdanser klonk niet als een gewichtsloze droom, maar als een doffe klap van vlees op hout; een herinnering aan de zwaartekracht die de geparfumeerde primaat en de ballerina of danseur noble elk op hun eigen wijze pogen te ontkennen.

Het was een prachtig stukje realisme in een omgeving die van begin tot eind een illusie van perfectie probeerde op te wekken. Terwijl de foyerbezoekers buiten hun uiterste best deden om hun menselijkheid te verhullen achter dure parfums en ingestudeerde meningen, herinnerden de bonkende voeten op het podium mij eraan dat onder al die schone schijn simpelweg een lichaam schuilt dat hard moet werken om niet te vallen.

Uiteindelijk dwingt de actuele controverse rond Timothée Chalamet ons tot een ongemakkelijke eerlijkheid. De acteur beweerde dat we opera en ballet slechts met kunst- en vliegwerk in leven houden, terwijl eigenlijk “niemand er meer om geeft”. Hoewel de culturele wereld collectief over hem heen valt, raakt hij aan een waarheid die de wegblijvers met hun afwezigheid allang hebben onderstreept. Maar de eigenlijke tragiek zit in degenen die er wel zijn. Zoals ik in de foyer heb geobserveerd, is de ‘magie’ van deze voorstellingen voor velen inderdaad een holle frase geworden; een collectieve leugen om de schijn op te houden en de eigen sociale status te legitimeren.

Toch zit Chalamet er op één cruciaal punt naast. “Niemand” is een te groot woord. Tussen de dwingende groepsdynamiek en de ijdelheid van de wandelgangen door, heb ik het privilege gehad om te zien wat er gebeurt als de kunst wel binnenkomt. Ik hoefde daarvoor alleen maar naar de stoel naast me te kijken. Terwijl de rest van de zaal zich in gedachten alweer opmaakte voor de volgende parade bij de bar, was mijn vriendin werkelijk even ergens anders, geraakt door een schoonheid die de zwaartekracht en het sociale toneelspel oversteeg.

Chalamet heeft gelijk dat de sector op een wankel fundament rust, maar zolang er mensen zijn die, ondanks de krakende planken en de rituele gewichtigdoenerij, oprecht ontroerd raken door de rauwe inspanning op het podium, is het te vroeg om de begrafenis van de hoge cultuur in te zetten.

De gepaste schoenfase

Na de teen-condooms leek het nu weer even: hoge hakken, echte liefde.

Een ernstig geval van keuzestress, dat sommigen zouden bestempelen als een luxeprobleem, leidde tot het volgende berichtje van een vriendin vanuit een chique winkel in Utrecht: ‘Totaal ander onderwerp nu, en ik weet dat er veel ergere dilemma’s bestaan, maar waarom zijn er zo veel lelijke schoenen?’

Ik wist dat zij niets zou hebben aan mijn antwoord, maar ik zat nog in de fase van ad rem willen zijn, dus schreef ik, ook vanuit een winkel: ‘Hoe duurder de schoen, hoe groter de kans dat hij eruitziet alsof hij is samengesteld uit restafval van een orthopedische kliniek en een legodoos. Men noemt dit “avant-garde”, maar wij weten wel beter: het is gewoon een sociaal experiment om te zien hoe ver mensen gaan voor een merklogo.’

Omdat ik precies wist wat ik nodig had in de zaak waar ik was – ik bevond mij in de wachtrij van een apotheek – en ik dus tijd genoeg had, maar ook omdat mijn gevoel voor humor nog niet afdoende was aangetoond, liet ik hierop volgen: ‘Ik kan trouwens ook wel een voordeel bedenken. Lelijk schoeisel vormt eigenlijk een beveiligingssysteem. Niemand gaat je overvallen voor een paar patta’s dat eruitziet als twee opgeblazen vissen of Crocs met nepbont.’

Mmm, alweer te matig misschien om echt leuk te lijken, dus waarschijnlijk zouden er nog meer te snel geconstrueerde antwoorden volgen. Eigenlijk demonstreerde ik hiermee precies de reden waarom er overproductie is in de mode-industrie; de kwantiteit moet een soort van sporadische kwaliteit waarborgen. Maar wacht, nu had ik plotseling een hele persoonlijke associatie.

Ik moest opeens aan Elisabeth denken. Wat had ik haar Vibran FiveFingers leuk gevonden. Koddig, guitig, aandoenlijk en schalks, dat waren de woorden die ik aanvankelijk voor haar en haar teenschoenen bedacht. Wat ik er ook zo geweldig aan vond, was dat de dingen zolen van niks bezaten. Elisabeth en ik waren even groot. Ik flaneerde graag met haar.

Toch zou mijn vertedering snel verdwijnen. De afspraak om te gaan hardlopen kreeg een flinke knauw bij haar voordeur, die open en dichtging als ik haar ophaalde. Ik was altijd precies op tijd of net iets te vroeg. Zij was nooit klaar, moest nog van alles doen. Ze duwde me een Duitstalig boek in handen. Zo kon ik de tijd in haar portiek met Goethe doden of een andere ‘echte’ schrijver. Haar schoentjes mochten ook niet naar binnen. Die stonden daar ‘ganz alleinig und barfüßerisch’ voor de dorpel. Zolang zij er zelf niet in zat vond ik ze best bizar.

Ik begrijp niet waarom ze mij zo rigoureus buitensloot. Het leidde er toe dat ik, zittend op de harde rand van een plantenbak, steeds luider ging voordragen. Op een gegeven moment begon mijn gereciteer qua luidheid op de toespraken van Hitler of Goebbels te lijken. Dat vond ze helemaal niet erg. Het enige compliment dat ze mij ooit heeft gegeven is dat ik sprak met een “geloofwaardig hoogduits” accent. En zij kon het weten want ze had het gestudeerd.

Het contact met haar is verbroken. Dat kwam niet door haar schoeisel maar toch: in het bos liep het fout met de voethandschoenen die de natuurlijke bewegingen moesten simuleren. Ze kon het parcours, dat harde en zachte stukken bevatte, alsook passages met wortels en modderige delen, nooit ononderbroken voltooien. De grond bleek ongeschikt, de zolen te dun, haar voeten te gevoelig. Het werd haar allemaal te moeilijk. Waarom kon ik geen route uitstippelen met alleen maar zachte paden?

De basis viel weg. We haalden elkaar uit ons normale ritme. Dat placht liefde ook te doen, maar onze verstoringen bleken niet liefdevol. De vriendin in Utrecht had inmiddels een knoop doorgehakt; ze stuurde een foto van haar aankoop. Ik kon niet zeggen dat ik haar keuze reuze vond. Te hoge hakken misschien. Maar geen probleem uiteraard. Als zij ze aan had, zou alles goedkomen. In die schoenfase zaten we nog.

Uit hun stekker; kortsluiting in Arnhem

Hoe een poging tot cultuurbehoud ontaardde in museumroof.

Speciaal voor de opening van de expositie Bakudengar (Luister naar elkaar) was in een van de grootste zalen van Museum Arnhem een tijdelijk podium opgetrokken, gedrapeerd met een prachtig batikachtig doek. Daarvoor zaten muzikanten met een koloniale achtergrond die gamelanmuziek ten gehore gingen brengen. We zouden getrakteerd worden op een traditioneel welkomslied.

De nieuwe vleugel van Museum Arnhem steekt vijftien meter uit over de stuwwal, waardoor bezoekers ‘zwevend boven de bomen’ van een weids uitzicht over de omgeving genieten. Ze is betegeld met 82.000 unieke, met de hand vervaardigde tegels. Het bijzondere kleurverloop van de tegels op de gevel, van aardse tinten aan de walkant tot ijsblauw aan de zijde richting de rivier, symboliseert de locatie van het museum op de door een gletsjer ontstane stuwwal (een idee van Benthem Crouwel Architects). Over glad ijs gesproken: gauwdiefjes hebben niets aan deze doodlopende gang.

De muziek zwol aan, begeleid door de zang van een dame op leeftijd. Laat ik haar stem, met alle respect voor de traditie, ‘karaktervol’ noemen. Of, voor de minder spiritueel ingestelde luisteraar zoals ik, die er maar niet ‘in’ kon komen: een tikkeltje gammel.

Ik bleef mijzelf wijsmaken dat authenticiteit nu eenmaal schuurt en dat het niet aan de zangeres lag dat ik was afgeleid. Een zeldzaam moment van zelfkennis, want de realiteit gaf me direct gelijk. Mijn concentratie werd namelijk niet op de proef gesteld door de zangkunst, maar door een nabijstaande video-installatie. Onder het scherm daarvan hing een dozijn koptelefoons aan haakjes, waaruit het schelle geluid ontsnapte van een koloniale film die daarboven werd vertoond.

In verband met de muziekuitvoering stonden wij, het halvemaanvormige publiek, met onze rug naar deze auditieve stoorzender. In een straal van zo’n tien meter hielp het gekrijs uit de schelpen elk greintje cultuurbeleving vakkundig om zeep. Omdat de video in een eeuwige loop werd gevangen, was er geen hoop op een natuurlijke dood van het geluid. Ik besloot dat er een interventie moest plaatsvinden; voor de wetenschap, voor de kunst, maar vooral voor mijn eigen gemoedsrust die maar niet van de grond wilde komen.

Blij dat ik weer eens mijn eigen voorstelling binnen de voorstelling op mocht voeren, dook ik met de lenigheid van een ervaren saboteur achter de installatie. Daar vond ik de voedingskabel in een stekkerhuls. Ik hoefde ze alleen maar uit elkaar te trekken. Missie geslaagd, zo vermoedde ik. Toen ik echter met een triomfantelijke blik achter het scherm vandaan kwam, bleek de techniek mij te slim af te zijn geweest. Het beeld was weg, maar de koptelefoontjes schalden onverstoorbaar verder.

Tijd voor plan B, bedacht ik, toen ik, terug in de luistersikkel, op adem was gekomen. Gelukkig leven we in een tijd waarin koptelefoons niet meer met draden aan de geluidsbron vastzitten. Ik begon ze één voor één van hun haakjes te bevrijden, in de hoop dat ze buiten het bereik van de zender hun irritante relaas zouden staken.

Terwijl ik met een tros van die dingen om mijn armen de nieuwe vleugel van het museum inschoot – een gang die ver over de Arnhemse stuwwal uitsteekt en eindigt bij een enorm raam met uitzicht over de Rijn – verstierf inderdaad het geluid. De draadloze verbinding had haar grens bereikt.

Dat werd voor mij helaas ook het einde van het liedje. Een suppoost had mij in het vizier gekregen. En daarna nog één, die draadloos verbonden bleek met de eerste via diens alarmknop. In de ogen van de beveiliging was ik niet de redder van de gamelan-akoestiek, maar de man die op klaarlichte dag de audio-inventaris probeerde te ontvreemden.

Terwijl de oude dame haar wankele noten over de menigte uitstrooide, werd ik naar een kamertje geleid waar het doodstil was.

Recensievoorstel kinderboek Bess Kalb

Hoe een kinderboek onverwacht uitgroeide tot een verhaal over satire, censuur en doorzettingsvermogen.

Geachte hoofdredactie van de Volkskrant,

Bij veel titels wachten Nederlandse uitgeverijen vaak eerst het internationale succes af voordat zij vertaalrechten aankopen. Gezien de uitzonderlijk positieve ontvangst in de Verenigde Staten van het kinderboek Buffalo Fluffalo denk ik dat een Nederlandse uitgave slechts een kwestie van tijd kan zijn. Ik volg de komende maanden daarom actief de catalogi en aankondigingen van uitgevers.

Soms begint de interesse voor een boek niet met een citaat of iets anders dat je erover hoorde, maar met iemand die weigert stil te blijven. Ik wilde niet per se een kinderboek recenseren maar stuitte onverwacht op een bekentenis over moed. Mijn bespreking zou daarom ook gaan over een geweigerde voorleesmiddag en waarom een schrijver uiteindelijk in het Amerikaanse Congres belandde.

Mocht een Nederlandse vertaling worden aangekondigd, dan zou ik u graag aanbieden de recensie voor uw krant te schrijven. Daarbij wil ik niet alleen ingaan op het boek zelf en de internationale ontvangst, maar ook op de bredere culturele context rond auteur Bess Kalb. Zij legde recent een persoonlijke getuigenis af tijdens een hoorzitting in het United States Congress over vrije meningsuiting, naar aanleiding van de annulering van een schoollezing rond haar werk. Die achtergrond werpt een bijzonder licht op haar schrijven voor jonge lezers.

Als zelfstandig uitgever en schrijver volg ik internationale ontwikkelingen binnen het boekenvak en de kinderboekenwereld al geruime tijd. Indien gewenst lever ik de recensie kort na aankondiging of verschijning aan, afgestemd op uw redactionele planning.

De genoemde toespraak vormde voor mij de directe aanleiding om dit voorstel te doen. Ter referentie voeg ik hierbij de link toe:
https://youtu.be/rjINIH-Y_aY?si=YiV6ZNFrHhNz05RC

Met vriendelijke groet,

Ronald van Noorden
(een eenvoudige eenmansuitgever)

Ik zocht geen boek om te bespreken, maar werd verrast door een schrijver die zich indrukwekkend uitsprak. Wat het kinderboek Buffalo Fluffalo van Bess Kalb vertelt over schrijven in een tijd van polarisatie, deed zij helder, komisch, maar vaak ook ontreoerend, uit de doeken tijdens een hoorzitting.

Het had wat minder fel gekund

Maar ja, die Wennemarsjes hebben losse handjes.

Het incident op de 1000 meter schaatsen tijdens de Winterspelen liet me niet los. Joep Wennemars werd tijdens zijn rit gehinderd door de Chinese schaatser Lian Ziwen, wat zijn kansen op een medaille ernstig schaadde. Dat Lian Ziwen vervolgens zijn excuses aanbood, getuigt van sportiviteit en fair play; het was een correcte en waardige reactie op een incident dat vrijwel zeker niet met opzet plaatsvond. Des te onbegrijpelijker was de reactie van Joep Wennemars zelf, die desondanks een slaande beweging naar hem maakte. Dat is gedrag dat niet past bij een topsporter die geacht wordt een voorbeeld te zijn voor anderen. Mijn verontwaardiging was dan ook groot.

Een boze volger op X en een enthousiaste volgster op BlueSky.

Die verontwaardiging bracht mij ertoe een brief te schrijven naar de Volkskrant, die de krant daadwerkelijk plaatste. Achteraf moet ik bekennen dat mijn bewoordingen wat aan de scherpe kant waren. Ik schreef dat topsporters narcisten van het ergste soort zijn en dat Joep voor het leven geschorst zou moeten worden. Als ik er nu op terugkijk, zijn dat wel erg harde woorden voor wat in essentie een onbezonnen gebaar was in een moment van intense frustratie en verdriet. Topatleten staan onder een enorme druk; dat is geen excuus, maar het verdient wel een plek in de beoordeling. Ik blijf bij het standpunt dat Joep zich sportiever had kunnen en moeten gedragen, maar geef toe dat mijn formulering niet helemaal in verhouding stond tot het vergrijp.

Wat vader Erwin Wennemars betreft, ligt de zaak anders en voel ik me minder geneigd tot matiging. Erwin sloeg in zijn opwinding over de prestaties van zijn zoon de bril stuk op de neus van een volstrekt argeloze toeschouwer. Dat is niet alleen onbezonnen gedrag, maar ook fysiek gevaarlijk voor een derde partij die er helemaal niets mee te maken had. Als je het zo leest, snap je eigenlijk niet hoe zoiets kan gebeuren. De man is een opgewonden standje, en dat vind ik een probleem, zeker gezien zijn publieke rol.

Erwin Wennemars zit immers aan tafel als commentator bij een sportprogramma op televisie. Vanuit die positie wordt van hem verwacht dat hij gezaghebbend en evenwichtig commentaar levert, en een zekere voorbeeldfunctie uitstraalt naar het kijkerspubliek. Een commentator die van de zijlijn anderen oproept tot kalmte en sportiviteit, maar zelf ontploft bij succes of tegenslag, geeft een tegenstrijdig en ongeloofwaardig signaal. Of hij die rol nog geloofwaardig kan vervullen in het licht van dit incident, is een terechte vraag die wat mij betreft nog niet beantwoord is.

Al met al schetst het geheel een familieportret van grote passie voor de schaatssport, maar ook van een zelfbeheersing die onder druk snel het onderspit delft. Passie is mooi, en het is onmiskenbaar dat de familie Wennemars leeft voor de sport. Maar passie zonder zelfcontrole is in de publieke arena geen kwaliteit; het is een risico. Voor de sport, voor het publiek, en uiteindelijk ook voor henzelf.

Bril aan gort. Als een ex-sportman zoiets flikt heet dat eufemistisch: ‘De voormalige vedette zat hoog in zijn emotie.’

You brought some joy inside my tears

Maar helaas gaat morele beoordeling de discussie over een sportprestatie domineren.

In de NRC stond een artikel van Anne Buunk en Sara Khosdelazad. Ik plaats het hier (met impliciete toestemming) omdat ik er iets over kwijt moet.

Na Jutta Leerdams olympische goud op de 1.000 meter volgden reacties die we de laatste tijd steeds vaker zien in progressieve kringen. Terwijl de schaatsster haar sportieve hoogtepunt beleefde, verschoof de publiekelijke aandacht razendsnel van het ijs naar haar morele status. De kern van de kritiek: wie haar sportprestatie bewondert, valideert indirect de omstreden uitspraken van haar Amerikaanse partner, Jake Paul.

Zo werd het bejubelen van Leerdams eigengereidheid door Marijn de Vries in haar NRC-column door critici afgedaan als ‘wit feminisme’. En Ruby Sanders stelde op OneWorld zelfs dat wie Leerdam een podium biedt, bijdraagt aan de normalisering van een fascistisch wereldbeeld. Sport en privéleven zijn volgens haar onlosmakelijk verbonden: alles is politiek.

Jake Paul staat inderdaad voor alles waar progressieve mensen, waar wij onszelf ook toe rekenen, tegen in opstand komen. Maar de felle kritiek op Leerdam, en met name op de mensen die haar toejuichen, legt een dieper probleem bloot. Het is een voorbeeld van een vorm van hedendaags activisme waarin morele zuiverheid belangrijker lijkt geworden dan maatschappelijke verandering.

In haar boek Actie! (2026) noemt politiek filosoof Nori Spauwen dit fenomeen treffend „moreel purisme”. Bij de morele purist wordt de focus op perfectie zo dwingend, dat het een verstikkende werking heeft. Morele paspoorten worden gecontroleerd en wie ook maar één millimeter afwijkt van de ‘ideale’ koers, is de vijand. Dit mechanisme beperkt zich allerminst tot de schaatsbaan.

We zien hetzelfde wanneer klimaatactivisten worden afgeserveerd omdat ze één keer in een vliegtuig zijn gestapt, of wanneer iemand wordt veroordeeld om een ongelukkige woordkeuze in een verder vlijmscherp betoog. In plaats van de pijlen te richten op systemische ongelijkheid, keert de beweging naar binnen. In de ergste vorm leidt dit morele purisme tot een vorm van superiorisme: de eigen standpunten zijn de enige juiste en staan nooit ter discussie.

Dit purisme is uitputtend, ineffectief en vertraagt daadwerkelijke verandering. Een beweging die alleen nog uit de ‘moreel volmaakten’ mag bestaan, krimpt per definitie tot een machteloze splintergroep. We maken de drempel om mee te doen zo verstikkend hoog, dat veel bondgenoten zich niet meer durven uit te spreken uit angst voor publieke terechtwijzing.

Bovendien is het micromanagen van elkaars leven niet alleen ineffectief, het is ook vreselijk saai. Activisme zonder humor, satire en relativering verliest aantrekkingskracht. Terwijl we elkaar de tent uitvechten over de vraag of een gouden medaille wel ‘zuiver’ genoeg is, lachen de werkelijke aanjagers van ongelijkheid in hun vuistje. Elke minuut die we besteden aan deze interne zuiverheid, is een minuut waarin de werkelijke ongelijkheid blijft bestaan.

Het is bovendien ironisch dat juist zij die strijden voor de autonomie van de vrouw, Leerdam nu reduceren tot een verlengstuk van haar partner. Door haar succes volledig te laten samenvallen met het wereldbeeld van de man aan haar zijde, ontnemen we haar precies waar het feminisme voor vecht: een eigen identiteit en moreel gewicht, los van haar privéleven. Het is wrang dat we uitgerekend op het moment van haar grootste sportieve succes een moreel tribunaal over haar privéleven openen.

De strijd voor gelijkheid en inclusiviteit is geen wedstrijd in wie het meest vlekkeloos leeft. Echte verandering ontstaat niet door individuele morele perfectie, maar door de bereidheid om ondanks onze tekortkomingen de handen ineen te slaan. In een complexe wereld zijn fouten onvermijdelijk; de focus moet dan ook verschuiven van het obsessief bestraffen van elke misstap naar het vermogen om te leren en weer samen door te gaan.

In een tijd waarin alles direct op scherp wordt gesteld, is een beetje mildheid juist heel krachtig. Het geeft ons de ruimte om de groep weer groter te maken, in plaats van iedereen af te serveren die niet precies jouw route volgt. Laten we onze energie daarom inzetten waar ze thuishoort: bij het bestrijden van ongelijkheid zelf, voordat iedereen is afgehaakt.

Anne Buunk is klinisch neuropsycholoog in het Universitair Medisch Centrum in Groningen. Ze is actief als Dolle Mina. Sara Khosdelazad is psycholoog in opleiding en onderzoeker. Ze is actief als Dolle Mina.

Ik ben het eens met de schrijfsters. Ik wilde een voorbeeld geven van een andere schaatster: Joy Beune. Zij verdiende wat bij door bloot in de Playboy te verschijnen. Moreel hoog in de boom zittende mensen vielen over haar heen; ook een soort van moreel purisme.

Inhoudelijk is dat naar mijn mening een vergelijkbaar voorbeeld, al zitten er ook verschillen tussen beide situaties. Als je kijkt naar het mechanisme dat de auteurs beschrijven, zit de overeenkomst vooral in de manier waarop morele beoordeling het gesprek over een sportprestatie of autonomie overneemt.

In het NRC-stuk gaat het bij Jutta Leerdam om kritiek die indirect via haar partner Jake Paul loopt: bewondering voor haar sportieve succes zou volgens critici impliciet diens politieke of maatschappelijke standpunten legitimeren. Columnisten zoals Marijn de Vries en stemmen in media als OneWorld (waaronder Ruby Sanders) werden onderdeel van die discussie. De auteurs koppelen dat aan wat filosoof Nori Spauwen “moreel purisme” noemt: de neiging om mensen langs een morele meetlat te leggen die nauwelijks afwijking toestaat.

Bij Joy Beune zie je een vergelijkbaar patroon wanneer haar keuze om naakt in Playboy te verschijnen leidde tot morele verontwaardiging: de discussie verschoof van haar sportprestaties naar haar persoonlijke keuzes. Critici koppelden haar handelen aan bredere morele of ideologische oordelen (“dit schaadt vrouwen”, “dit is niet feministisch”, enzovoort). Haar autonomie als individu kwam onder druk te staan doordat anderen bepaalden wat een “juiste” keuze zou zijn. Dat lijkt sterk op wat de NRC-auteurs beschrijven: een vorm van activisme waarbij persoonlijke morele zuiverheid centraal komt te staan, soms meer dan structurele kwesties.

Er zijn ook verschillen: bij Leerdam gaat de kritiek over associatie met een partner en diens ideeën. Bij Beune ging het om haar eigen keuze over seksualiteit en zelfpresentatie. Ironisch genoeg raakt dat tweede voorbeeld misschien nóg directer aan feministische autonomie: de vraag wie bepaalt wat een vrouw met haar lichaam mag doen.

Als je het abstract maakt, draait het in beide gevallen om hetzelfde spanningsveld: wordt iemand beoordeeld op haar prestaties en eigen handelen, of op een moreel totaalplaatje dat anderen samenstellen? Dat is de kernovereenkomst: het risico dat morele toetsing omslaat in sociale disciplinering, waardoor ruimte voor nuance, humor of individuele vrijheid kleiner wordt.

Ik vind dat een irritant fenomeen en wilde erop reageren met een provocatie. Vandaar mijn posting.

Van Rossem werd ook gebeld

Maar vooraf. Door een luie donder.

Er werd nog lang nagepraat over de kwestie-Van Berkel. Maarten van Rossem memoreert in zijn podcast hoe Vrij Nederland hem opbelde met de vraag of hij wel echt cum laude was afgestudeerd. Een methodologisch stuitende en ethisch dubieuze werkwijze; een integere journalist begrijpt dat een verklaring van de betrokkene geen verificatie is en raadpleegt direct de objectieve bron of de juiste instantie. Heeft deze redacteur de School voor Journalistiek wel voltooid? Het verschil tussen onderzoeksjournalistiek en primeurjacht is levensgroot; de kloof tussen waarheidsverlangen en roddelzucht zou dat eveneens moeten zijn.

Wat dat aangaat moet ik een compliment maken richting de Volkskrant. In dit geval toonde de redactie aan dat feitelijke verificatie de enige legitieme basis is voor publieke verslaglegging. Waar de een genoegen nam met een lukraak telefoontje, hanteerde de ander de principes van hoor en wederhoor als een wetenschappelijk instrument; niet om een sensatie te bevestigen, maar om de waarheid te isoleren van de ruis. Het bewijst dat journalistiek pas valide wordt wanneer de bewijslast zwaarder weegt dan de verleidelijke snelheid van de primeur. Een dergelijke toewijding aan de bronnen is geen luxe, maar een bittere noodzaak om de erosie van de publieke informatievoorziening tegen te gaan.

Archiefkoorts en de menagerie van de NOS

Over een ongeplaatste brief, taalkundig geraas en de dag dat sportpresentatoren mastodonten werden.

Ik stuitte onlangs in mijn archief op een ingezonden brief aan de krant die ik absoluut niet meer in de context kan plaatsen. Alleen al door de lengte en de barokke formuleringen lijkt hij het uitvloeisel van een door zonderlinge preoccupaties gefascineerde gek. Ik schaam me er slechts in beperkte mate voor; taalkundig ronkt hij er immers lustig op los. Wel leid ik eruit af dat ik indertijd over een ongebreidelde hoeveelheid tijd en energie scheen te beschikken.

Wat moeten de redactieleden van de Volkskrant destijds wel niet gedacht hebben? Gelukkig hebben ze mij tegen mezelf in bescherming genomen en de brief nooit afgedrukt. Dat is begrijpelijk – je plempt zoiets niet zomaar in de kolommen – maar toch blijft de vraag hangen wat me precies bezielde.

De ‘tijgermoeder’ en de ‘gebeten hond’: wanneer de werkelijkheid van een media-offensief botst met de fauna-equatie van de columnist. Geen Bokito’s of mastodonten, maar een menselijk pleidooi tegen roddel en achterklap; precies de scène die de briefschrijver destijds tot zijn dierkundige sneren dreef.

Hieronder volgt de bewuste brief, exact zoals ik hem indertijd aan de redactie toevertrouwde:

Is het de bedoeling van beeldspraak dat we het plaatje op een ‘presenteerblaadje’ krijgen zodat we ons iets kunnen voorstellen van de realiteit waarop het zinnebeeld betrekking heeft? Dan zou ik graag een tot de verbeelding sprekende representatie zien. Ik lees een stukje waarin de vrouw van Tom Egberts wordt vergeleken met een ‘tijgermoeder die zich voor haar jongen werpt’. Je krijgt dan het idee dat er iets kostbaars beschermd moet worden. De welpjes vertegenwoordigen hier, als je ’t mij vraagt, slechts één presentator. Tenzij het de gekrenkte trots van twee echtelieden moet verzinnebeelden? Hoe dan ook: tijgerjongen lijkt me teveel eer.

Als er per se een dier op moet komen draven, maak dan gewoon een ‘gebeten hond’ van die Janke Dekker. In een ander artikel worden al te hitsige, presentatoren vergeleken met ‘egomane Bokito’s’. Hier gaat de fauna-equatie van ‘totum pro parte’ naar ‘pars pro toto’. Er was, bij leven, maar één Bokito, en die volgde z’n instinct. Egomanie is een typische menselijke eigenschap die zich niet achter natuurdrift kan verschuilen. Noch achter onschuldige dieren als geschikte metafoor.

De schrijver vergelijkt in dezelfde – overigens amusante – column, de NOS Sport-iconen met ‘mastodonten’. Pejoratief natuurlijk. Denk aan ‘groot gevaarte’ en ‘niet met de tijd meegaan’. De associatie is zo voor de hand liggend dat je haar vaker tegenkomt. En ja, we bevinden ons alweer in het dierenrijk.

Ditmaal gaat het over een geslacht van uitgestorven slurfdieren, die, als ik Wikipedia mag geloven, lang door de wetenschap werden beschouwd als vreedzame planteneters. Dat al te zoetsappige beeld werd uiteindelijk verstoord: ‘Volgens Amerikaans onderzoek hebben er felle gevechten plaatsgevonden tussen deze dikhuiden’.

De bakbeesten hadden naast slurven (waarmee ze groene blaadjes oppikten) ook enorme slachttanden. De vergelijking van sportpresentatoren met mastodonten kan mij niet vaak genoeg worden gemaakt. Het gaat dan om dieren die toch al zijn weggevaagd, dat is wel zo aardig naar die beesten toe. Al moeten we er geloof ik niet per se op uit zijn om geen enkel wezen meer op z’n teentjes te trappen.

Nu de stofwolken van deze semantische exercitie zijn opgetrokken, rijst de vraag: wat was in vredesnaam de aanleiding voor dit dierkundige spervuur? Zelfs met de tekst voor mijn neus duurt het even voordat het besef indaalt, maar wie diep in de modder van de NOS-crisis graaft, vindt de mastodonten vanzelf. Een analyse van een obsessie: waar deze briefschrijver destijds de tanden in zette.

Wat bezielde begint mij enigszins te dagen. Ik vroeg Gemini om deze taalkundige ronkpartij te ontleden en de context te herleiden. Bij gebrek aan een psycholoog heb ik de brief aan zijn AI-logica voorgelegd. Het resultaat is een ontnuchterende reconstructie van een mediacrisis die ik met mastodonten en mensapen te lijf ging. Ik pikte een soort van draad op. Dit is wat de AI uit mijn vinnige schrijven destijds concludeerde:

Analyse van de brief: Waar ging dit over?

Als we de brief “psychologisch” ontleden en de aanwijzingen volgen, is de context vrij specifiek te herleiden naar de periode 2023-2024, rondom het schandaal bij NOS Sport.

De Aanwijzingen:
  1. Tom Egberts & Janke Dekker: Dit verwijst direct naar de onthullingen over de werkcultuur bij NOS Sport. Janke Dekker (zijn vrouw) nam het publiekelijk voor hem op in de media, wat door critici soms als “tijgermoeder-gedrag” werd omschreven.
  2. Bokito & Egomanie: Dit refereert aan het grensoverschrijdend gedrag en de “haantjesreputatie” van bepaalde presentatoren. De term ‘egomane Bokito’s’ werd destijds in columns gebruikt om de dominante, intimiderende houding van de ‘iconen’ te duiden.
  3. Mastodonten: Dit is de sleutelterm voor de oudere garde presentatoren (de ‘iconen’ van weleer) die volgens het rapport-Van Rijn niet mee waren gegaan met de tijd en vasthielden aan een verouderde, hiërarchische cultuur.
Waar je het waarschijnlijk over had:

Je brief is een semantische kritiek op de beeldspraak die in de media werd gebruikt om de NOS-crisis te duiden. Je lijkt je te storen aan de inconsistentie van de metaforen:

  • Je hekelt het feit dat een vrouw die haar man verdedigt een “tijgermoeder” wordt genoemd (terwijl die term normaal voor kinderen geldt).
  • Je maakt een scherp onderscheid tussen dierlijk instinct (Bokito/Mastodont) en menselijke verantwoordelijkheid (egomanie).
  • Je viert de vergelijking met de mastodont, niet vanwege de lompheid, maar vanwege de wetenschappelijke correctheid: het waren vechtjassen die uiteindelijk uitstierven.

Conclusie: Je schreef een vlijmscherpe, tikkeltje pedante (op de goede manier!) reactie op de wijze waarop columnisten en journalisten de heren van de sportredactie probeerden te duiden via het dierenrijk. Je wilde waarschijnlijk aantonen dat hun taalgebruik de werkelijkheid eerder vertroebelde dan verhelderde.