Het doel heiligt de bemiddeling

Ietwat kunstmatig in leven gehouden prachtproducten.

Om gratis toegankelijk te kunnen blijven, vraagt The Guardian zijn lezers bij elk online bezoek om een bijdrage. Je neemt als gebruiker de ‘bedelpop-ups’ voor lief omdat je er een objectieve informatiebron voor terugkrijgt. De eerlijke, Engelstalige krant kan, tot nu toe, wereldwijd op voldoende steun rekenen. Dit is een voorbeeld van een orgaan dat z’n onafhankelijkheid waarborgt door z’n hand op te houden bij bewonderaars, of bij meer pragmatische betalers die behulpzaam willen zijn.

Elke keer dat The Guardian om steun vraagt, denk ik even na over wat echte onafhankelijkheid kost. Ze blijven schrijven zonder betaalmuur en dat is precies waarom ik ze iets gun. Die kleine pop-ups die vragen om steun vind ik eerder ontroerend dan opdringerig; ze herinneren me eraan dat vrijheid van informatie niet vanzelf spreekt. Ik geef The Guardian graag wat krediet; niet alleen financieel, maar moreel. Hun oproep om steun voelt niet als marketing, maar als een eerlijk bewijs van hoe kwetsbaar onafhankelijke journalistiek eigenlijk is.

DPG gaat enkele van zijn kranten gratis maken voor studenten, las ik, omdat die hun nieuws nu vaak uit minder partijdige bronnen halen, zoals de socials. Je zou het ook als een ondersteuning van onbevooroordeelde journalistiek kunnen bestempelen. De bezitter van het blad betaalt uit eigen middelen, dus is er geen sprake van valse bevordering of een verstrengeling van belangen waar een luchtje aan zou zitten. Dit is een voorbeeld van bijstand aan de integriteit van nieuwsmakers waarbij de krant z’n eigen broek ophoudt met het geld van abonnementshouders en losse kopers. 

Regeringen en de EU komen ook vaak beroepsgroepen tegemoet die lijden onder de last van oneerlijke concurrentie. Vanuit die overweging worden bijvoorbeeld boeren gesubsidieerd vanuit de staatsruif of de EU-pot. En dat terwijl zulke agrariërs vaak een ongezond geproduceerd product afleveren. De rechtvaardiging voor ondersteuning snijdt echter hout: in de landen waarmee geconcurreerd moet worden lapt men milieuregels nog veel drastischer aan de laars. Ik zou deze hulp voor westerse voedselproducenten willen bestempelen als het bevorderen van rechtvaardigheid, waaraan echter wel een luchtje blijft kleven. Maar ik gun ze die back-up, laat dat duidelijk zijn.

Waarom zette ik het bovenstaande op een rijtje? Omdat ik terug moest denken aan een vriend die ik voor het laatst had bezocht toen hij in het ziekenhuis lag om te herstellen van een longtransplantatie. Hij noemde die ingreep “uitstel van executie”. Dat wilde hij niet hardop zeggen want hij had veel respect voor de vorige eigenaar van zijn orgaan, alsook voor de dokters. Hij was verlegen met alle goedheid die hem ten deel viel en voelde zich bovendien nog steeds schuldig omdat hij altijd veel te veel had gepaft. Soms moeten mooie dingen een beetje geforceerd in leven worden gehouden, vond ik toen en nu. Voor de zuiverheid, de waarde en de betekenis van zo’n lief, ondersteunend gebaar, maakt het niet echt uit hoe lang dat goed gaat.

Lezersreactie:

Mooie slotalinea, maar ik vroeg me af in hoeverre die nog aansluit bij de drie voorbeelden erboven. De overgang naar het persoonlijke, met je vriend en de longtransplantatie, voelt bijna als een ander verhaal. Had je die verbinding bewust zo losjes gelegd?


Antwoord:
Dank voor je oplettende vraag; en ja, die overgang is bewust gekozen, juist omdat ze het onderliggende thema op een ander vlak laat resoneren.

In de eerste drie alinea’s beschrijf ik telkens een spanning tussen ondersteuning en onafhankelijkheid, tussen zuiverheid en noodzaak. The Guardian, DPG en de boeren krijgen of bieden steun die iets goeds in stand houdt, maar die tegelijk moreel of praktisch wringt: idealen worden overeind gehouden dankzij vormen van afhankelijkheid.

De laatste alinea tilt datzelfde dilemma naar een persoonlijk niveau. De vriend met de longtransplantatie leeft voort dankzij een “ondersteuning” — een orgaan, een medische ingreep — die enerzijds een teken van liefde en menselijkheid is, en anderzijds een fragiele, tijdelijke oplossing. In die paradox zit voor mij dezelfde lading als in de maatschappelijke voorbeelden erboven:

Soms moeten mooie dingen een beetje geforceerd in leven worden gehouden.

Of het nu gaat om onafhankelijke journalistiek, eerlijke landbouw of het menselijk lichaam zelf — zuiverheid en voortbestaan zijn nooit helemaal vanzelfsprekend. Toch schuilt de waarde juist in dat kwetsbare evenwicht.

Een bozig oogje dichtdoen

Zelfs de onverkwikkelijke veranderingsdrang van projectonwikkelaars werd mij hier een zorg.

Ik ben hier onlangs neergestreken en meet mijn omgeving in vierkante meters. Daarnaast zoek ik ‘dingetjes’ uit over mijn nieuwe habitat. Zo ontdekte ik (zie eerder) dat er op wikipedia over Angerenstein als wijk met geen woord wordt gerept en dat het gemeentebestuur voor mijn woongebied de benaming buurt hanteert. Mocht het ze al interesseren, dan houden buurtbewoners het woordje wijk in ere. Niet verwonderlijk, zo concludeerde ik, want mythe en verbeeldingskracht, fantasie en legende, vormen de basis waarop localisme is gestoeld. Net als bij nationalisme en populisme zijn feiten immers ook maar meningen.

Tussen sloop en nieuwbouw kon de oude Libanonceder even op adem komen. Dat wil zeggen: als hij toen al niet was murw geslagen.

Het ons kent ons gevoel lijkt hier zo groot dat je heel goed met alleen maar de suggestie van iets waarachtigs kunt leven. Ter bevestiging van het feit dat we het over meer dan alleen maar een buurtpark hebben met wat straatjes eromheen, is er bovendien de Stichting WIJKbelangen Angerenstein, die in haar WIJKkrant met tribaal bevestigende artikelen, het ‘gesundenes Volksempfinden’ levend houdt. Lees dat orgaan en je weet wat men wil dat je waarneemt, en wat er ogenschijnlijk speelt in dit buurtje.

Bij één van die – de sociale cohesie aanwakkerende – artikelen wil ik hier even stilstaan, omdat ik vreesde dat men bij de beschrijving van zo’n verbindend wijkinitiatief het zicht op de werkelijkheid wel erg uit het oog was verloren. Er wordt over dit zogenaamde SOSA-project gerept alsof het een architectonische meesteroplossing is, maar je ziet meteen dat men ten koste van oude esthetiek, elf huiseigenaren heeft bevoordeeld die toch al de middelen hadden om waar dan ook iets exclusiefs te vinden; met de nadruk op exclusie.

Aangespoord door het lovende stukje, liep ik er hoopvol heen, om tot mijn spijt te ontdekken dat de toegankelijkheid tot de omliggende natuur, die een schooltje, een plein, een vijver en een ceder ooit boden, volledig om zeep is geholpen. We hebben nu meer te maken met een ‘gated community’. Ik ken dat van mijn wandelingen door Thailand. Je hoefde maar met een teen in de richting van de toegangspoort te wijzen of een omhooggevallen privébewaker begon z’n machtswellust op jou, armetierig rugzaktouristje, bot te vieren.

Terug naar dat artikel. Men had veel moeite gedaan, zo las ik, om de monumentale ceder te behouden. Helaas: door het hek en zijn achtergrond lijkt de boom een gearresteerde die zijn vonnis met een enkelband in de eigen omgeving mag afwachten. De vijver is wel mooi maar ook hier roept de omheining uitsluiting en straf op. Als je er een blik in werpt voelt het alsof je in iemands privépoel staat te vissen. Wijkbelangen hebben hier duidelijk plaatsgemaakt voor woonbelangen van huizenbezitters met clanachtige privileges en sentimenten.

Ze ondervinden ongetwijfeld veel plezier bij hun jaarlijkse barbecue, maar een vorkje meeprikken is er voor vreemdelingen niet bij. Deze manier van bouwen drukt pottenkijkers weg en ik kan mij als wandelliefhebber en bouwstijlbewonderaar alleen maar verbazen. Je voelt je op deze plek een misleide, een verdwaalde of een opdringerige. Natuurlijk verstomt de kritiek na verloop van tijd. Dat is de tendens bij alle gemutuleerde missers in de woningbouw. Er is heel wat soesa geweest over dit project, naar ik heb begrepen, dus ik loop als nakomertje duidelijk achter de feiten aan.

Je zou ook kunnen zeggen dat ik met een onbedorven, want verse blik naar een oude kwestie kijk. En toch bleek mijn gebrom voorbarig. Bij dat verse observeren van mij had ik één ding nagelaten. Ik was er nog niet aan toegekomen om te kijken hoe het er hier vroeger uitzag. Tja, wat zal ik daarvan zeggen? Ik vrees dat ik mijn eerdere kritiek moet herformuleren. Het wijkblad was niet zozeer het zicht op de werkelijkheid verloren, maar sloot gewoon niet aan bij mijn verwachtingen. Die leken gebaseerd op een prachtig gewaande omgeving die door de veranderingsdrang van vastgoedjongens en metselbazen onder de sloophamer was gekomen.

Dat blijkt niet het geval. Wat hier sinds 1976 stond was een oerlelijk schooltje waar men christelijke kleuterleidsters ‘kweekte’. De latere opleidingsinstituten die zich hier vestigden, alsook de kunstenaars, die er als laatsten gebruik van maakten, hebben de executie van deze onbeduidende doos alleen maar vertraagd. Ik moet eerlijk zijn: lelijkheid is gewoon door lelijkheid vervangen. Louter afgaand op architectonische waarden, hebben we het hier over een budgetneutrale operatie. Er lijkt op dat gebied niets gewonnen of verloren. Alleen is het grootste deel van het omringende groen nu in ‘bezit’ van de bewoners.

De libanonceder werd in 1875 geplant in het prachtige park van Huis Klarenbeek. Zoals dat bomen betaamd heeft hij de veranderzucht in zijn nabijheid lijdzaam moeten ondergaan. Hij werd zorgvuldig ingepast in latere nieuwbouwplannen. Iedere baksteen in de buurt van zijn stam was er één teveel, maar men begon zijn omgeving al vroeg te veranderen. Waar zou je je, na verloop van tijd, nog druk om maken? Ook hij zal zijn zinloze verzet zo langzaamaan wel zat zijn.

Over de bouwsels op de plaats van het voormalige Hof van Klarenbeek kunnen we sinds de tweede helft van de jaren 70 zeggen: het is niets maar het was ook niets. Deze foto van het oude S.O.S.A.-gebouw zegt wat dat betreft genoeg. De afbeelding staat op bladzijde 147 van het boek Angerenstein, van landgoed tot woonwijk uit 2008 van de Stichting Wijkbelangen Angerenstein. De foto is gemaakt door Kees van Koppenhagen.


Sociaal geïsoleerd

Lees maar er staat niet wat er staat.

Ik fietste vandaag vanuit park Angerenstein het laatste stuk van de Julianalaan in, vol goede moed dat de werkzaamheden aan de Velperweg inmiddels voorbij zouden zijn. Helaas bleek de herinrichting nog in volle gang. Nu wist ik natuurlijk dat ze daar bezig waren, maar omdat ik nergens een hek met een omleidingsbord had gezien, trapte ik vrolijk verder. Te vroeg gejuicht. Ik kon weer omkeren.

De verdwijntruc van het omleidingsbord. Waar is dat verdomde hek gebleven? Helaas; geen hek, geen bord, en een illusie armer.

Terug dus naar het beginpunt. Waar was dat onmisbare hek gebleven? Een blik achterom gaf het antwoord: in de Kathuizerstraat stond een groep mensen bijeen, en dáár had men omleidingsmiddelen neergezet. Ze leken verdacht veel op het hek en de bebording die zo cruciaal waren voor de Julianalaan.

De grote hekverplaatsing. Omleiding der misverstanden. De improvisatiekunst van gemeente-ambtenaren?

Voordat ik schuldigen aanwees, besloot ik een site te raadplegen waarop wegwerkzaamheden en verstoringen in de infrastructuur worden gepubliceerd. En jawel hoor: specifiek vandaag, 27 september, wordt in de Kathuizerstraat aan de weg getimmerd. Officieel heet dat: ‘Overig klusdag.’ Kijk zelf maar. Het klussen duurt tot één minuut voor middernacht.

Afgesloten, misleid of louter omgeleid? Er is een site (https://www.melvin.ndw.nu/public) waarop wegwerkzaamheden en verstoringen in de infrastructuur in heel Nederland worden gepubliceerd. MELVIN staat voor: MELden van Verstoringen in de Infrastructuur in Nederland.

Ik probeer me voor te stellen dat het zo is gegaan: door een nijpend tekort aan verkeershekken, heeft ‘men’ – ik zou hier dolgraag ‘ambtenaren’ of ‘de gemeente’ schrijven – dit ene beschikbare hek simpelweg verplaatst. Jammer dat ik daardoor in een doodlopende laan belandde.

De lezer vraagt zich nu af waarom ik zo uitpak over een niemendalletje? Heel eerlijk: ik reed verkeerd en ergerde me groen en geel. Ik voelde me misleid, fietste knorrig terug en zag hoe het hek inmiddels een andere functie diende. In eerste instantie dacht ik dat buurtbewoners een straatfeest hadden en pottenkijkers wilden weren. In mijn hoofd schreef ik al een brief:

Geachte feestvierders,
Ik weet dat straatfeesten vaak ontstaan uit sociaalvriendelijke overwegingen, maar geef toe: jullie hebben de weg versperd met gestolen gemeentegoederen…

Gelukkig bleek de werkelijkheid anders.