Aan de polymath in het park

Van wereldwijs en wetenswaardig naar wetmatig.

Ik verberg je voornaam achter deze kleine letter uit respect. De m staat voor massa als een extreem geconcentreerde vorm van energie; zij vormt het fundament van alles wat tastbaar is, terwijl de reflectie daarvan bepaalt wat wij uiteindelijk zien. Nadat ik onaangekondigd bij je had aangeklopt namen we plaats aan de tafel voor je huis. Steeds wanneer ons gesprek op een onderwerp uitkwam dat voortvloeide uit jouw belezenheid, bleek daar iets bij te horen; een dierbaar bezit dat je binnen bewaarde en naar buiten bracht. Zo toonde je me het horloge van wijlen je vader (of was het de Pontiac van je opa?). Je had het onlangs gekregen van je tante bij een bezoek aan Katwijk, waar een deel van je familie woont.

Ik schrijf je dit omdat onze ontmoeting, daar aan die tafel in het park, in mij bleef resoneren. Je bent voor mij de “entiteit met het grootste associërende vermogen” die ik persoonlijk ken. Ik heb je ook “een vulkaan in rommelende rust” genoemd, die, zodra de as van de dagelijkse stilte wordt weggeblazen, een magma aan kennis en anekdotes over de bezoeker uitstort. Ergens anders noemde ik je “een menselijke deeltjesversneller” bij wie de kleinste herinnering tot bijna lichtsnelheid wordt opgejaagd totdat deze botst met een nieuw inzicht. Dat is uiteraard beeldspraak, een stijlvorm die me eigenlijk niet past. Metaforen zijn meer jouw manier van naar de wereld kijken, van communiceren en de chaos ordenen.

Je sprak die middag over je “val uit de causaliteit” rond je achttiende; een breuklijn in je persoonlijke tijdsbeleving waaraan je onlangs werd herinnerd bij het zien van de film The Sound of Falling. Het was alsof je aan die rand van je volwassenheid de zwaartekracht van oorzaak en gevolg voor het eerst werkelijk voelde. Terwijl je me door je stereoscoop liet turen naar de driedimensionale diepte van Napels en Venetië – beelden waarin de ruimte tastbaar werd maar de tijd bevroor – strooide je met tijdsbegrippen die ik nog steeds probeer te ordenen. Het was precies daar, terwijl we vanuit eigen stilstand door die kijker naar statische werelden staarden, dat je met het begrip ‘interpassiviteit’ op de proppen kwam.

Ik begreep dat je hiermee aan Robert Pfaller of wellicht Slavoj Žižek refereerde; die vreemde paradox waarbij de handeling van het genieten of het ervaren wordt uitbesteed aan een object, waardoor wij zelf lethargisch kunnen blijven. Het turen door die lenzen en dia’s zou de ultieme metafoor kunnen zijn (misschien bedoelde jij dat ook zo): de kijker ‘ziet’ de diepte voor ons, wij consumeren slechts de illusie. Het is een fascinerende gedachte dat wij, in onze drang naar ervaring, steeds vaker apparaten laten dromen in onze plaats. In dit geval betrof het een heel ‘lief’ apparaat, want oud en vervaardigd met degelijke Duitse precisie.

Wat me werkelijk fascineert, zijn de Latijnse woorden die je op je huis hebt geschreven en in de bast van een boom hebt gekerfd. Aan de ene kant is er het Nunc Fluens, het stromende nu dat vluchtig wegglipt en de tijd creëert (‘nunc fluens facit tempus’). Maar jij raakt duidelijk meer in de ban van een kwaliteit die gedragen wordt door het Nunc Stans: het staande (onveranderlijke) nu. Je citeert graag het ‘nunc stans facit aeternitatem’ (het staande nu maakt de eeuwigheid). Voor Boëthius was dat de perfecte, gelijktijdige bezitting van een eindeloos leven; een moment dat niet voorbijgaat maar alle tijd omvat. Het tijdloze heden bevat tegelijkertijd alle momenten.

Zoiets internaliseer ik misschien alleen maar met wietboter op mijn paasbroodje. Thuisgekomen voelde ik de dwingende behoefte aan ordening en een nuchter, maar geenszins ontnuchterend, tegenwicht. Want hoe eloquent je ook spreekt over die spirituele eeuwigheid, mijn visie op ‘ruimtetijd’ hecht meer aan kwantitatieve wetmatigheden en analytische bewijsvoering die ik op school en door latere zelfstudie heb geleerd. Ik zoek de eeuwigheid niet in drugsgerelateerde, metafysische of serendipitaire ervaringen, maar in de onveranderlijke natuurconstanten. Dat is mijn mathematische geraamte.

Ik moet bekennen dat ik het kwadrateren tot precies de tweede macht in E=mc² lang niet goed begreep. Ik dacht dat die ‘2‘ een soort kunstmatige ingreep was om de vergelijking in balans te houden. Maar ik ontdekte – ook zo rond mijn achtiende – dat het geen menselijke afspraak is, zoals de 100 graden waarbij water kookt. Die ‘2‘ vloeit voort uit de diepe symmetrie van ons universum. De lichtsnelheid c is niet zomaar een snelheid, maar de koppeling tussen afstand en tijd. Zodra we het ruimtetijd-interval berekenen (s² = (ct)² – x² – y² – z²), volgt de noodzaak om c te kwadrateren; alleen zo rijmt de tijdseenheid met de afstand.

Dit kwadraat fungeert als een geometrische hoeksteen en definieert het vlak binnen de vierdimensionale ruimtetijd, vergelijkbaar met hoe de oppervlakte van een vierkant steevast ‘zijde kwadraat’ dicteert. Hier schuilt geen esoterisch gedoe achter, maar een pure wiskundige blauwdruk. Mocht dat kwadraat ook maar een fractie afwijken – zeg naar 2,00001 – dan zouden sterren weigeren te branden en de chemie die ons leven mogelijk maakt simpelweg niet bestaan. In de deeltjesversnellers van het CERN levert men dagelijks het bewijs voor deze onverbiddelijke precisie, tot ver achter de komma. Die ‘magie’ van de natuurwetenschap gaf mij een euforie die misschien wel lijkt op wat jij voelt bij je Nunc Stans.

Voor mij is de symmetrie in tijd (behoud van energie) en ruimte (behoud van impuls) de werkelijke ‘eeuwigheid’. Het universum is een uiterst efficiënte boekhouder; elke gram die verdwijnt, verschijnt elders als energie, precies volgens de regels van de calculus. Fysici als Erik Verlinde suggereren zelfs dat tijd een emergent verschijnsel is; een illusie die opborrelt uit een tijdloos heelal. Zij gebruiken een metafoor die jou moet aanspreken: het heelal als een roman. In een dichtgeslagen boek staan alle gebeurtenissen – onze jeugd en onze gesprekken aan de tafel – er al. Tegelijkertijd. Tussen de kaften is de tijd statisch.

Dat lijkt mijn wetenschappelijke vertaling van jouw ‘staande nu’ vriendschappelijk in jouw richting te bewegen. Ik schrijf je dit niet om je Latijnse begrippen of je liefde voor Tao of Jung onderuit te halen, maar om mijn observatie met je te delen dat de kil overkomende natuurkunde wellicht uitkomt bij iets dat verdacht veel weg heeft van jouw visie. We zijn blijkbaar allemaal onderdeel van het gedeelde geheugen van een informatieverwerkend universum. De tijd stroomt misschien wel, maar alleen omdat wij weigeren het boek dicht te slaan. En zolang het boek openligt, geniet ik van de voetnoten die jij eraan toevoegt.

Met een vriendschappelijke groet, Ronald

Leeftijdsdiscrimi-nazi

Over de weigering om je eigen houdbaarheidsdatum te synchroniseren met de feiten.

“Wollt ihr die totale Wahrheit?” Dat dacht ik niet. Of liever: nog niet. Het is daarom dat ik hier de term ‘leeftijdsblokkade’ wil lanceren. Dat is de fase waarin men stopt met het aannemen van biologische bewijslast of al te waarheidsgetrouwe opmerkingen; de individuele noodrem op de genadeloze tijdlijn. In deze pauze creëer je een persoonlijke echoput waarin de signalen van de buitenwereld – die venijnige hints over een trager tempo of de neerbuigende vraag of het lettertype wellicht te klein is – stuiten op een muur van doelbewuste ignorantie. De ‘leeftijdsdiscrimi-nazi’ in jezelf voert een schrikbewind over de eigen waarneming; elke spiegel die de feiten presenteert wordt verbannen; elke observatie over je bouwjaar wordt gecensureerd als ware het vijandige propaganda.

In deze staat van ‘leeftijdsblokkade’ fungeert de waarheid als een directe bedreiging voor het fragiele ego. De omgeving constateert simpelweg verval; jij classificeert die objectieve waarneming onmiddellijk als een frontale aanval. Het is een vorm van interne apartheid waarbij je de superieure, ervaren versie van jezelf hermetisch afsluit van de fysiek verouderende versie. Je negeert de knarsende gewrichten met dezelfde fanatieke overtuiging waarmee je een nieuwe rimpel wegredeneert; een ideologische loopgravenoorlog tegen je eigen biologie.

Psychologisch gezien duiden we dit aan als een extreme vorm van cognitieve herwaardering; je hersenen filteren simpelweg de data die niet harmoniëren met het gewenste zelfbeeld. Er is echter geen enkel wetenschappelijk bewijs dat deze interne censuur de telomeerverkorting in je cellen ook maar een seconde stopt. Je kunt de boodschapper – je bezorgde omgeving – wel executeren; de biometrische klok tikt onverstoorbaar door; entropie trekt zich nu eenmaal weinig aan van je persoonlijke dictatuur.

De ‘leeftijdsdiscrimi-nazi’ in de spiegel tolereert geen enkele tegenspraak. Het is de weigering om de oogst te accepteren, louter omdat je nog steeds wilt doen alsof het zaaitijd is. Je klampt je vast aan een status quo die allang door de realiteit is ingehaald; een statische waan die je moet beschermen tegen de onvermijdelijke schemering.

Wolkers over zijn biograaf

Tussen hommage en imitatie; een technisch eerbetoon of een digitale grensoverschrijding?

Met een mengeling van fascinatie en schroom heb ik geprobeerd de coverfoto van de biografie Het litteken van de dood tot leven te wekken. We zien het portret van Jan Wolkers, maar de stem die u hoort is de mijne. In een poging zijn unieke klank en cadans te vangen, heb ik hem woorden in de mond gelegd over zijn biograaf, Onno Blom; een tekst geschreven in de geest van de grootmeester zelf.

Ik ben mij ervan bewust dat dit experiment vragen oproept en ik ben dan ook zeer benieuwd naar uw reactie. Enerzijds technisch en artistiek: in hoeverre vindt u dat ik erin geslaagd ben om die typerende, gelaagde stem van Wolkers te benaderen? Anderzijds is er de ethische kant waar ik zelf ook over peins: geeft het eigenlijk wel pas om eigen woorden toe te schrijven aan een overleden auteur en deze via AI-techniek ‘echt’ te laten lijken? Is dit een wondere wereld van nieuwe mogelijkheden, of overschrijden we hier een grens? Uw ongezouten mening hoor ik graag.

Ik moet zeggen dat ik er na deze twee experimenten, verdeeld over twee blogberichten (zie eerder het bericht met Griet Titulaer) wel weer klaar mee ben. Tot slot volgt hier een AI-bewerking waarbij de ‘gedoodverfde’ Jan Wolkers nog expressiever is in zijn bewegingen maar minder goed lijkt op de echte schrijver. AI heeft er een hedendaags ventje van gemaakt. Daar staat tegenover dat hij nu wel ‘Triton’ zegt in plaats van ‘Trition’ en een beetje trager praat, hoewel minder gelijkend qua timbre en diepte.

Ik heb de opname voortijdig afgekapt. Me dunkt ‘het litteken van de dood’. De echte Wolkers bleek (gelukkig) niet te evenaren.

Chriet Titulaer is terug!

Chriet heb ik altijd graag geïmiteerd. Op 1 april 2026 laat ik ‘m even terugkomen om over iets monumentaals te praten. Na decennia van voorbereiding is het zover: de lancering van Artemis II. Dit is niet zomaar een wetenschappelijk project; het is de eerste keer sinds 1972 (Apollo 17) dat er weer mensen richting de maan vertrekken. De missie heet: Artemis II. In tegenstelling tot de onbemande Artemis I-testvlucht van een paar jaar geleden, zijn er nu vier astronauten aan boord van de Orion-capsule. Ze worden gelanceerd bovenop de Space Launch System (SLS), de krachtigste raket die NASA ooit heeft gebouwd.

Als mensen dit leuk vinden wordt mijn volgende imitatie: Jan Wolkers.