Waar kwam opeens dat grut vandaan in zijn gewrochten?
Monument majeur de Paris
Op de warmste dag van het jaar schreef de geknakte kunstenaar vanuit zijn ‘madcave’ aan zijn muze:
‘Hoi Swaantje, de kist is aangekomen; zoals verwacht ontbreken er onderdelen, maar voorlopig kan ik voort. Het wordt een huzarenstukje. Ik ben zojuist begonnen aan de poten. Ze laten me hier maar wat begaan, dit houdt me koest; de staf vindt alles goed zolang je vadertje voor mij – voor ons! –garant wil staan. Mocht het gevaarte ooit verrijzen, dan praten we over een hoogte van 1 meter 85 exclusief de sokkel.’
Diezelfde middag ontving ze meer details. Er waren vorderingen. Ze moest maar snel gaan bijbestellen. ‘Zoek overal.’ Hij liet de bode haar ook schetsen brengen. ‘Deze moeren en bouten. Deze strippen en platen.’ Elk stukje had een nummer. Soms was het merk er ingeponst; Meccano!
Hij kreeg weer praatjes. Werd het als vanouds? Zwollen de woorden sneller aan dan wat er uit zijn bange, ijverige handen mocht ontstaan? Was het toch weer wat de dokter haar voorzichtig had geduid? “Het idioom van uw man is het eerste teken van zijn sluimerend versagen.”
De dag was niet gedaan. Hij schreef weer honderduit.
Een bouwkundig epos dat fier overeind zou staan; een staaltje superieure ingenieurskunst; een monument van mechanische persistentie; een staalconstructie van allure; zíjn kathedraal van gatenijzer; zíjn metalen magnum opus; een erecte daad van zeldzame dapperheid.
Ze las er zo graag overheen; haar man die kinderspeelgoed veel te serieus nam in pompeuze frasen. Was het niet gunstig dan, dat hij de woorden symbool en fallus vooreerst een ganse dag wist te vermijden?
Toen hij zich ’s avonds eindelijk los had gemaakt van zijn Parijse triomf, stuurde hij, vanuit het dolhuis, één bericht nog; een mededeling die misschien, heel in de verte, verband hield met genezing?
De postillon d’amour kreeg zijn grootste fooi dat jaar.
Het laatste briefje vroeg: ‘Wanneer is je eisprong? Ik kom snel thuis. Misschien wordt het nu toch tijd voor een derde.’
Het begon met een bericht dat ze in een vlaag van acute machteloosheid naar een verre vriend had gestuurd. Haar zoon leed aan een weigerachtige apathie die in Japan hikikomori wordt genoemd; het hardnekkig binnenskamers blijven, de wereld buiten de deur houden tot een hanteerbaar minimum. Alleen ging het hier niet om extreme opsluiting, maar om een moeizaam bevochten compromis; er bestond in Nederland immers leerplicht. Twee uur per dag moest hij proberen tussen andere kinderen te overleven. Twee schamele uren; een schijntje voor de onderwijsinspectie, een loodzware expeditie voor de dertienjarige.
En toen was daar die dinsdag. Een oudere jongen had gevraagd of hij kwam chillen. En of hij rookte. Een banale, alledaagse interactie, maar voor haar zoon de psychologische equivalent van een aardverschuiving. Prompt weigerde hij zijn woensdagafspraak na te komen. Er moest onderhandeld worden. Kon het niet een uurtje later, want de concentratie bleek nu weg. ‘Terwijl hij überhaupt maar TWEE UURTJES gaat!’ had ze getypt, de frustratie in kapitalen op haar scherm hamerend. ‘En ik heb er dus vrij voor moeten nemen. Terwijl er feitelijk NIETS aan de hand is!’
Uit machteloosheid op de Wiener Melange gedrukt. Misschien lag de oplossing in iets wat zij altijd voor wansmaak had versleten.
De verre vriend, die zich graag tooide met de titel van taalkundige, reageerde met de voor hem kenmerkende breedsprakigheid. Hij bezat de irritante neiging om alledaagse problemen te verheffen tot een existentieel toneelstuk, gezegend met een aplomb dat verdacht veel weg had van een zanger met sterallures die allang op z’n retour is (denk aan Herman van Veen); badend in zijn eigen metaforen en immer overtuigd van de helende werking van welgekozen, goed gearticuleerde woorden.
Hij stuurde geen troost, hij stuurde een etymologische beschouwing. Haar woede over de mislukte woensdag prevelde hij weg als een kwestie van perspectief. Haar zoon zag tegen alles op als een berg, had zij uitgelegd, maar de verre vriend sloeg die klein tot een bult. En een bult, zo dicteerde hij vanuit zijn ivoren toren, was slechts een minieme verheffing in het landschap die kon worden gladgestreken met een niet eens zo’n omslachtige aanpak. Een plan B zeg maar, waarbij de vraag overigens onbeantwoord bleef wat dat alternatief dan wel mocht inhouden.
Nu zat ze hier, in de steriele stilte van de wachtruimte. De onbeholpen beeldsprakerigheid bracht, althans wat de taal betreft, misschien toch een verbintenis teweeg. De bultmetafoor van de verre vriend en háár bergvergelijking doorbraken in elk geval een hoogteverschil in naam. Misschien kon ze haar zoon doen inzien dat hij inderdaad bergen van molshopen maakte en dat het die bult z’n eigen schuld was dat alles onoplosbaarder leek als gevolg van overdrijving; het gigantisch lijkende obstakel kon ook slinken als je het positief benaderde.
Even, uit een behoefte aan overzicht in deze beroerde situatie, verbeeldde ze zich dat het hele dilemma slechts een kwestie was van semantiek en dat ze momenteel meer had aan die verre veelprater dan aan heel het geschoolde therapeutendom dat zich nu op haar probleemkind stortte. Ze klapte het boek dicht dat ze in de wachtkamer zat te lezen, liep naar de koffiecorner en drukte voor het eerst van haar leven op ‘Wiener Melange’; een combinatie van toevoegingen en smaken die haar altijd pervers had geleken.
Het apparaat produceerde een laatste mechanische rochel en vulde het bekertje met een schuimende, drielagige substantie. Ze pakte het warme plastic beet en keek naar de troebele overgang van koffie, melk en cacao. Het was een onwaarschijnlijk brouwsel; een vloeibaar amalgaam waarin de smaakwerelden die ze altijd strikt gescheiden had gehouden, nu noodgedwongen in elkaar overliepen. Ze nam een voorzichtige eerste slok. De smaak was intens, vreemd en absoluut niet te vergelijken met de voorspelbare, bittere filterkoffie die ze normaal gesproken dronk om de tijd te doden. Het was zoet en tegelijkertijd krachtig. Het zette haar zintuigen direct op scherp.
Terwijl de warmte door haar keel zakte, besefte ze dat deze mengeling haar eigenlijk helemaal niet tegenstond. Integendeel. Het was alsof die verre veelprater met zijn bultmetafoor zojuist hoogstpersoonlijk door de cacao heen roerde en haar uitdaagde. Waarom had ze eigenlijk altijd zo braaf geloofd dat alleen de bittere, zwart-wit diagnoses van de deskundigen de juiste remedie waren? Als taal rekbaar was, en als smaken konden muteren, dan waren er misschien heel andere, onorthodoxe routes om haar zoon weer op de rails te krijgen.
Breaking Bad is de ultieme parade van verborgen agenda’s.
Wanneer de fysieke uitputting van het klussen in mijn ‘nieuwe’ woning me te veel werd, bood de televisie de perfecte vluchtroute. Ik zeeg neer in mijn getrouwe binge-stoel en besloot Breaking Bad nogmaals in zijn geheel te consumeren. Vijf dagen; langer had ik niet nodig. Een prestatie die het midden houdt tussen bewonderenswaardige focus en acute schaamte over mijn gebrek aan doe-het-zelf-discipline.
Een ‘grappig’ contrast met de hoofdrolspelers is, dat de ‘Salamanca-Twins’ juist geen last hebben van een dubbelleven. Geen geheimen, geen dilemma’s: gewoon pure, onvervalste, en bloedstollende moordlustige toewijding. Hun agenda blijkt glashelder: dood en verderf zaaien. Zonder enige twijfel en met een angstaanjagende efficiëntie. Hun eendimensionale meedogenloosheid houdt welgeteld zeven afleveringen stand; daarna is het definitief gedaan met hun zwijgzame terreur. (Deze bewerkte ‘dik aangezette’ weergave van de broers door Luiz Henrique wordt afgedrukt met impliciete toestemming.)
Tijdens deze adembenemende herhaling schrok ik van mijn eerdere oppervlakkigheid. Wat had ik de eerste keer veel gemist; of was ik simpelweg vergeten hoe vernuftig deze Griekse tragedie in elkaar steekt? Het overkoepelende thema dat zich ditmaal onbarmhartig aan mij opdrong, was niet de drugshandel, maar het sinistere dubbelleven van praktisch elk hoofdpersonage. Niemand danst puur in het daglicht in deze serie.
Waarschuwing vooraf: Mocht je de afgelopen vijftien jaar onder een steen hebben geleefd en deze serie nog willen bekijken; hierna volgen monumentale spoilers. je bent gewaarschuwd.
Walter White: In de buitenwereld kennen we hem als de sullige, ietwat meelijwekkende scheikundeleraar in een beige pantalon die worstelt met een terminale diagnose. Dat is de man die meelij opwekt. Achter die façade schuilt echter Heisenberg; een rücksichtloze, narcistische drugskoning die kickt op macht, manipulatie en puur gevaar. Waar hij aanvankelijk beweert de criminaliteit in te gaan voor het financiële welzijn van zijn gezin, blijkt zijn ware drijfveer vele malen donkerder: hij vindt het heerlijk om de almachtige schurk te zijn.
Skyler White: Zij presenteert zich steevast als de bezorgde, moreel superieure huisvrouw en zwangere moeder die koste wat kost de schone schijn probeert op te houden. Haar verborgen realiteit is die van een uiterst kille, berekenende witwasser en strateeg. Zodra ze de omvang van Walts imperium doorgrondt, transformeert ze in een medeplichtige die koudbloedig adviseert over het monddood maken van getuigen; om over haar discrete buitenechtelijke escapade met haar baas nog maar te zwijgen.
Hank Schrader: Voor zijn collega’s en familie is Hank de ultieme alfaman; de luidruchtige DEA-agent die flauwe grappen maakt over criminelen en absolute onkwetsbaarheid uitstraalt. In werkelijkheid is hij een doodsbange, kwetsbare man die kampt met zware paniekaanvallen en posttraumatische stress. Hank verbergt zijn psychologische breekbaarheid achter een dikke laag machismo en stort zich obsessief op de jacht naar Heisenberg om zijn eigen interne demonen te negeren.
Marie Schrader: Marie ontmoeten we als de perfectionistische, ietwat bemoeizieke verpleegkundige die altijd klaarstaat met ongevraagd advies en een lichte obsessie voor de kleur paars. Haar schaduwzijde is die van een dwangmatige kleptomane en pathologische leugenaar. Wanneer de spanningen thuis ondragelijk worden, steelt ze dure spullen uit openhuizen en verzint ze complete alternatieve levens voor zichzelf om aan haar eigen benauwde realiteit te ontsnappen.
Gustavo Fring: De stad kent hem als een gerespecteerde, filantropische ondernemer; de eigenaar van een succesvolle fastfoodketen en een gulle steunpilaar van de lokale gemeenschap. Achter die vriendelijke glimlach schuilt een ijskoude, angstaanjagend efficiënte drugslord met een onverzadigbare drang naar wraak. Gus is een sociopaat met twee gezichten wiens gehele imperium eigenlijk slechts een instrument is om de executie van zijn voormalige partner te wreken.
Saul Goodman: Zijn publieke persona is dat van de flamboyante, ietwat komische ‘criminele’ advocaat die de wet buigt met glanzende reclamespots en goedkope praatjes. De man achter dit masker is een diep cynische, tragische opportunist die alle morele grenzen heeft weggedrukt. Onder de felle colberts schuilt Jimmy McGill; een man die zijn eigen trauma’s en schuldgevoelens over de dood van zijn broer overschreeuwt door volledig op te gaan in een moreel corrupt personage.
Mike Ehrmantraut: Op het eerste gezicht is hij de norse, zwijgzame opa die liefdevol op de kleinkinderen past en overdag parkeertickets controleert bij de rechtbank. Zijn geheime leven is dat van een voormalige corrupte agent en een dodelijk efficiënte huurmoordenaar. Mike leeft in een strikt gecompartimenteerde realiteit waarin hij zijn gruwelijke werkzaamheden volledig loskoppelt van zijn rol als zorgzame grootvader.
En dan is er de grote uitzondering op de regel. Waar ieder ander personage een beschaafd masker opzet om een innerlijk monster of een diep gebrek te camoufleren, bewandelt Jesse Pinkman de omgekeerde weg.
Zijn publieke gezicht is dat van een luidruchtige, opstandige ‘wanna-be gangster’ die grossiert in straattaal, goedkope drugs en een schijnbaar totaal gebrek aan fatsoen. Maar zijn schaduwzijde herbergt een diep getraumatiseerde, empathische ziel met een verrassend zuiver moreel kompas.
Jesses geheim is niet dat hij slechter is dan hij zich voordoet; zijn geheim is dat hij juist inherent goed is. Hij is een beschadigde jongen die wanhopig zoekt naar goedkeuring en liefde, maar gevangen raakt in een web van sociopaten. Zijn verborgen kant is een diepe kwetsbaarheid en een oprecht beschermend instinct voor de zwaksten in de samenleving, met name verwaarloosde kinderen. Waar Walter White transformeert van mens naar monster, blijft Jesse tegen de klippen op zijn menselijkheid bevechten. Dat maakt hem niet alleen het meest tragische personage van de serie, maar ook het eigenlijke morele anker.
Het mechanisme achter al deze dubbellevens is overigens fascinerend. In de psychologie spreekt men van cognitieve dissonantie wanneer iemands daden niet stroken met zijn zelfbeeld. Om die spanning te overleven, splitsen deze personages hun persoonlijkheid op. Het is een wetenschappelijk verklaarbaar overlevingsmechanisme; al is de uitwerking in dit geval destructief.
Al met al een geruststellende gedachte terwijl ik na mijn binge-sessies naar mijn eigen onaffe muren stond te kijken: mijn huis mocht dan een puinhoop zijn, ik heb tenminste geen miljoenen aan drugsgeld in de kruipruimte liggen. Althans; dat houd ik mijn buren voorlopig voor.
Het zou mij tegenvallen als het Trump-regime mij niet als staatsgevaarlijk zou bestempelen.
Er is opnieuw felle kritiek vanuit de VS op Europa. Naast de bekende stokpaardjes van radicaal rechts – dat Europa een broedplaats voor terreurdreigingen zou zijn vanwege massamigratie, zwakke grenzen en narco-terroristen – trekt het Trump-regime nu ook van leer tegen “extremistisch links”. Maar wat zijn eigenlijk de criteria waarmee de Nationale Veiligheidsraad van het Witte Huis bepaalt dat bewegingen als ‘antifa’ een “grote bedreiging” vormen?
De would-be dictator Trump wordt hier in één beeld gevangen met George Wahington, de eerste president van de VS. Washington was een republikein in de klassieke zin (voorstander van een republiek), geen democraat in de hedendaagse Amerikaanse partijbetekenis. Hij stond boven de partijen en waarschuwde juist tegen de polarisatie die we vandaag de dag zien. Hij was meer een ‘staatsman’ dan een partijdige politicus. In zijn beroemde Farewell Address (1796) waarschuwde hij expliciet tegen het gevaar van politieke partijen (“the spirit of party”). Hij vreesde dat ze de eenheid van het land zouden ondermijnen en zelfs tot despotisme zouden leiden. In het geval van Trump heeft hij gelijk gekregen. (Foto van EPA wordt hier geplaatst met gesupposeerde toestemming.)
In de nieuwe Amerikaanse antiterreurstrategie voor 2026 wordt ‘antifa’ niet zozeer behandeld als een formele organisatie, maar eerder als een ideologisch netwerk of een politieke parapluterm. Daarmee ontstaat een rekbare definitie van extremisme, die veel verder gaat dan het bestrijden van concreet geweld. Laat me raden waar de kritiek uiteindelijk op neerkomt. De Trump-regering kijkt vermoedelijk allang niet meer uitsluitend naar vormen van terrorisme. Groepen kunnen al verdacht worden zodra zij:
anti-statelijke of revolutionaire retoriek bezigen;
internationale netwerken onderhouden;
maatschappelijke mobilisatie organiseren;
culturele of ideologische alternatieven tegenover ‘Amerikaanse waarden’ plaatsen;
invloed uitoefenen binnen universiteiten, media, NGO’s, de ambtenarij of technologiebedrijven.
Kortom: de definitie van ‘extremistisch links’ verschuift van ‘geweldstoepassing’ naar ‘verwerping van traditionele normen en nationale instituties.’ Dat is een fundamentele verschuiving.
In de VS is het in principe legaal om radicaal-linkse, anarchistische of antikapitalistische ideeën te hebben zolang men geen concrete geweldsdaden plant of pleegt. Maar uit de retoriek van het Trump-regime blijkt dat begrippen als “anti-Amerikaans”, “radicaal pro-transgender” en “anarchistisch” moeiteloos door elkaar heen lopen. Dat wijst erop dat de criteria niet louter veiligheidsgericht zijn. De selectie van doelwitten vindt plaats op basis van een doctrinair kader. Men volgt het programma van een sektarische, revanchistische partij.
De consequentie laat zich raden: politieke inzet van veiligheidsdiensten tegen ideologische tegenstanders, intensievere surveillance van activisten, criminalisering van protest en verdere aantasting van burgerrechten.
Je bent al snel verdacht in het Amerika van nu. Ondersteun je autonome vrijplaatsen? Onderhoud je internationale contacten? Doe je weleens mee aan een bezetting? Organiseer je maatschappelijke onrust, al is het maar in de breedste, meest politieke betekenis van het woord? Wees dan Trumps motto indachtig:
“Wij zullen je vinden en doden als je ons kwaad wil doen.”
Misschien is het daarom verstandig om alvast wat helderheid te verschaffen. Bij gebrek aan officiële criteria geef ik zelf graag aan waarom ik aan gene zijde van de Atlantische Oceaan mogelijk als staatsvijand moet worden aangemerkt. Dit zijn mijn ‘zeven vinkjes’:
In 2017 noemde ik Trump in een interview met de Volkskrant een “potsierlijke geilneef.” Achteraf bezien hield ik mij nog in. Ik wou dat ik toen de tegenwoordigheid van geest had gehad om de president te typeren zoals Ben Meiselas vaak doet (zie verder).
Mijn boek The GreenXtreme vraagt op de cover openlijk: “Is it Time to Break the Law for the Right to Breathe?” Daarboven staan bovendien de woorden: “No Law But Justice.” Niemand hoeft nu nog te weten dat ik in het belangrijkste, derde deel, van dat boek, het gebruik van geweld stelselmatig afwijs.
Ik beschouw mezelf als een milieuactivist die zich (tot nu toe) weet in te houden.
Ik onderhoud contacten met buitenlandse activistische netwerken.
Ik weiger de autocratische impulsen van het huidige Trump-regime te normaliseren als legitiem democratisch gezag. Want laten we eerlijk zijn; het functioneert slechts onder de dekmantel van een representatieve (dus volkssoevereine) autoriteit, maar kan absoluut niet worden gezien als een reguliere uiting van constitutioneel bestuur.
Ik stem op de Partij voor de Dieren.
Ik ben radicaal pro-transgender.
Ik verzoek de Nationale Veiligheidsraad van de VS om mij preventief op hun zwarte lijst te plaatsen. Het zou vervelend zijn als daar later administratieve onduidelijkheid over ontstaat. Ik beschouw het als een eer om door een schurkenregime als persona non grata (of erger) te worden verklaard.
Op zijn veelbekeken kanaal, het MeidasTouch Network (MTN), spaart Ben Meiselas de huidige president niet. Zijn vocabulaire is doorspekt met juridische ernst vermengd met een flinke dosis retorische verontwaardiging. Wanneer Meiselas van leer trekt, gebruikt hij vaak de volgende termen en typeringen:
Convicted Felon: Sinds de uitspraak in de zwijggeldzaak in New York is dit zijn absolute favoriet. Hij herhaalt dit bijna als een mantra om de juridische status van Trump te benadrukken.
Adjudicated Rapist: Verwijzend naar de civiele rechtszaak van E. Jean Carroll. Meiselas hecht veel waarde aan het gebruik van de exacte juridische terminologie die door de rechter is bevestigd.
Fraudster: Meestal in de context van de civiele fraudezaak in New York waarbij de zakelijke praktijken van de Trump Organization onder de loep werden genomen.
Authoritarian / Wannabe Dictator: Hij waarschuwt regelmatig voor de antidemocratische retoriek en de plannen die Trump heeft voor een eventuele derde termijn.
Incompetent / Chaotic: Meiselas zet Trump vaak neer als iemand die intellectueel niet in staat is om de complexiteit van het landsbestuur of zelfs zijn eigen juridische verdediging te begrijpen.
The Leader of the MAGA Cult: Hij positioneert Trump niet als een traditionele politicus, maar als een sekteleider die zijn volgers misleidt.
Cognitive Decline: Meiselas deelt vaak clips waarin Trump woorden vergeet of verward overkomt, om te betogen dat hij mentaal ongeschikt is voor het ambt.
Low Energy / Weak: In schril contrast met de “strongman”-persona die Trump probeert uit te stralen, schildert Meiselas hem vaak af als een kwetsbare, paniekerige man die doodsbang is voor de gevangenis (waar hij thuishoort).
Lezersreactie: Interessante analyse. Wat u hier beschrijft bij het Trump-regime, lijkt overigens verdacht veel op de klassieke theorie van de ‘Dual State’ van Ernst Fraenkel. Hij stelde vast dat in autoritaire systemen een normatieve staat (die de schijn van de wet ophoudt voor de ‘brave’ burger) zij aan zij bestaat met een prerogatieve staat; een machtsapparaat dat volledig willekeurig en naar eigen goeddunken afrekent met iedereen die als ‘vijand’ is gelabeld. Het is een bittere ironie dat een regime dat de mond vol heeft van de rule of law, in de praktijk vooral de regels van de prerogatieve staat hanteert om critici monddood te maken. Het zou verfrissend zijn als men in de VS deze wetenschappelijke realiteit eens onder ogen kwam, in plaats van te blijven geloven in de fabel van een ongeschonden democratie.
De selectieve verontwaardiging van de Grote Leider en zijn volgelingen.
Als de schoft genaamd Trump en zijn schurkenbende door niets en niemand werden tegengehouden, zouden ze waarschijnlijk achter de volgende journalisten aangaan (de lijst is uiteraard niet compleet, maar dit zijn de commentatoren die ik volg):
Ben Meiselas; MeidasTouch Network.
David Pakman; The David Pakman Show.
Tim Miller; The Bulwark.
Jessiah; Pondering Politics.
Amy Goodman en Juan González; Democracy Now!.
Brian Tyler Cohen; No Lie.
Luke Beasley; The Luke Beasley Show.
Krystal Ball; Breaking Points (dikwijls gepresenteerd met Saagar Enjeti).
Kyle Kulinski; Secular Talk.
Cenk Uygur en Ana Kasparian; The Young Turks (Rebel HQ).
Natalie Wynn; ContraPoints.
Sam Seder; The Majority Report with Sam Seder.
Chris Hedges; The Chris Hedges Report (of gelieerd aan The Real News Network).
Kara Swisher; On With Kara Swisher.
Hasan Piker; HasanAbi.
Thom Hartmann; The Thom Hartmann Program.
Scott Galloway en Kara Swisher; Pivot.
Chip Franklin, Corinne Straight en Justin Horowitz; Really American.
Adam Mockler; The Adam Mockler Show.
Jeffrey Sachs, John J. Mearsheimer, Stephen Walt, Rohit „Ro” Khanna; geen eigen platform maar regelmatig optredend als gasten in andermans show vanwege hun expertise.
Noam Chomsky: “If you’re in favor of freedom of speech, then you’re in favor of freedom of speech precisely for views you despise. Otherwise, you’re not in favor of freedom of speech.” (De cartoon van Matt Wuerker wordt hier geplaatst met impliciete toestemming.)
Vrijheid van meningsuiting, het is een prachtig concept. Een soort heilig huisje in het Amerikaanse landschap, vooral luidkeels bejubeld door Donald Trump en diens discipelen. Tenminste, zolang de boodschap in hun straatje past. Zodra de wind uit een andere hoek waait, verandert datzelfde principe in een ongemakkelijke hindernis.
Neem het recente theater rond Jimmy Kimmel. De presentator durfde het aan om een grap te maken over het leeftijdsverschil tussen Trump en zijn echtgenote Melania (“Mrs. Trump, you have a glow like an expectant widow”). Een mop zo oud als de weg naar Kralingen; absoluut geen hoogvlieger op het gebied van originaliteit. Cruciaal detail: deze uitspraak werd gedaan vóórdat een verward individu probeerde binnen te dringen bij een evenement in Washington. Er was dus precies nul komma nul causaal verband. Toch schreeuwde het Trumpkamp moord en brand; het zou gaan om “aanzetten tot geweld”.
Trump eiste zelfs dat de zender ABC Kimmel de laan uit zou sturen (dit wordt daar nu zowaar overwogen). Dat is een regelrechte poging om een kritisch medium de mond te snoeren. Censuur in de praktijk, verpakt als morele verontwaardiging.
De hypocrisie druipt er vanaf wanneer we kijken naar het eigen gedrag van de gewelddadige narcist. Nog geen twee dagen later maakte hij tijdens een officieel moment met de Britse koning zelf een flauwe opmerking over zijn huwelijk en Melania. Gênant? Zeker. Maar riep iemand op om hem van het podium te plukken? Nee hoor. Dat valt dan weer onder de noemer ‘vrijheid van meningsuiting’ en ‘je moet ertegen kunnen’.
Het probleem is niet de grap; het probleem is de persoon die hem vertelt. Wanneer Trump of zijn handlangers beledigingen uiten, is het humor. Wanneer een komiek precies hetzelfde doet over de leider zelf, is het plotseling gevaarlijk en moet het stoppen. Dit is geen principiële houding; het is opportunisme van de bovenste plank. Het mechanisme is inmiddels zo voorspelbaar als een klok:
Men rukt een willekeurige opmerking uit zijn context en plakt er de stempel ‘bedreiging’ op.
Vervolgens wordt dit gekoppeld aan een echt incident zonder enig bewijs (een klassieke drogreden).
Morele paniek is het resultaat, want woorden zouden immers geweld veroorzaken.
Satire is al eeuwenlang een onmisbaar instrument om de macht te controleren. In de Verenigde Staten wordt dit zelfs expliciet beschermd door het Eerste Amendement. En nee, dat recht is er niet alleen voor serieuze journalisten; ook humoristen hebben er recht op.
Het gevaar voor het vrije woord komt niet van een late-night host met een flauwe opmerking. Het schuilt in politici die zelf bepalen wie er wel of niet mag spreken en die mediabedrijven onder druk zetten. Zelfs als Kimmel zijn baan behoudt, is de dreiging reëel. Het creëert een angstcultuur waarin mensen uit voorzorg zwijgen uit angst voor represailles. En dat is precies hoe een vrije maatschappij langzaam afglijdt naar conformiteit.
Vrijheid van meningsuiting betekent niet dat je alles fantastisch moet vinden. Het betekent dat ook meningen die je de strot uitkomen, beschermd zijn. Je hoeft niet te lachen om Kimmel, je mag diens grappen gerust smakeloos vinden. Maar eisen dat een kritisch geluid van de buis verdwijnt, is iets heel anders.
Vrij naar Chomsky: Wie vrijheid van meningsuiting alleen verdedigt wanneer het hem uitkomt, verdedigt haar in feite helemaal niet.
Waarom je lichaam eigenlijk een lekke tuinslang is.
We zien onszelf graag als rationele wezens. We filosoferen over de zin van het bestaan, lossen complexe problemen op en creëren dingen die ons overleven. Maar als we de biologische motorkap opendoen, blijft er van die verheven status weinig over. Fysiologisch gezien zijn we namelijk niets meer dan een wandelende, poreuze zak met vocht die de hele dag vloeistoffen filtreert, rondpompt en uitstoot. Gestructureerde gedachten hierover begonnen bij mij met een simpele bloedneus. Is dat een uitscheiding? Een ‘excrement’? De wetenschap zegt onverbiddelijk: nee. Hoeveel manieren zijn er eigenlijk om vloeibaar te zijn? Om niet te verdrinken in onze eigen sappen, heb ik de boel gecategoriseerd. De biologie hanteert namelijk een strikte hiërarchie voor alles wat onze openingen verlaat:
Niet alles wat je verlaat is een uitscheiding. Soms is het simpelweg een diefstal uit je eigen voorraadkast: bloed dat ontsnapt uit een gesprongen vat is een kostbare lichaamsvloeistof die haar weg naar buiten heeft gevonden door een defect, niet door een proces. Wat je hier ziet is het gevolg van een bloedneus nadat ik, na een fikse verkoudheid, een hard stukje in m’n neus had verwijderd. Geen ramp dus.
1. De vuilnisman (Excreties) Dit is pure noodzaak. Je lichaam verbrandt brandstof en produceert metabolisch afval. Als je dit niet loost (denk aan urine of zweet), vergiftig je jezelf. Ook de bekende ‘excrementen’ (feces) behoren tot deze categorie: de onverteerbare restjes waar je cellen klaar mee zijn.
2. De productieafdeling (Secreties) Dit zijn stoffen met een missie. Je lichaam investeert kostbare energie in het maken van deze ‘onderhoudsvloeistoffen’. Denk aan speeksel voor je droge cracker, talg voor je huid, tranen voor je hoornvlies, of die hoogst complexe cocktail van spermatozoa. Zelfs moedermelk is een doelgerichte secretie; een vloeibaar geschenk van de immunologie.
3. De lekkages (Lichaamsvloeistoffen & Transudaat) Hier gaat het mis, of wordt het ingewikkeld. Bloed hoort in de vaten, punt. Een bloedneus is geen ‘reiniging’, het is een mechanisch defect; een kapotte leiding in het systeem. Soms is een vloeistof echter een hybride: het vocht bij seksuele opwinding is functioneel een secretie, maar mechanisch een ‘transudaat’. Er wordt geen kraan opengezet; de bloeddruk wordt simpelweg zo hoog dat het vocht door de vaatwanden naar buiten sijpelt. Hydraulica op z’n best.
De buitenbeentjes Natuurlijk laat de natuur zich niet altijd in een hokje duwen. Neem pus. Vaak verafschuwd, maar eigenlijk is het een ereveld. Het is een verzameling gesneuvelde witte bloedcellen die hun leven gaven om een bacterie uit te schakelen. Het is geen ‘afval’ (excretie), maar een uit de vaten getreden lichaamsvloeistof die getuigt van een lokaal slagveld. En braaksel? Dat is technisch gezien geen uitscheiding, maar een brute lozing van de maaginhoud.
Als we de balans opmaken, dwingt dat nederigheid af. We besteden fortuinen aan parfum om te verhullen dat we constant aan het verdampen en filteren zijn. De gemiddelde volwassene bestaat voor 60% uit water. Dat we overeind blijven zonder als een plumpudding in elkaar te zakken, is een wetenschappelijk mirakel.
Volgende keer dat je iemand een traan ziet wegpinken, onthoud dan: dat is geen emotie, dat is gewoon een lacrimale secretie met een uitstekende timing. Slaap zacht, vloeibare medemens.
Noot voor de fijnproever: In dit overzicht hanteer ik een strikt onderscheid tussen excretie (afval), secretie (productie) en lichaamsvloeistoffen (de interne voorraad). Pathologische vloeistoffen zoals pus of wondvocht zijn formeel geen uitscheidingen, maar ‘ontsnapte’ vloeistoffen die normaal gesproken binnen de muren van het vatenstelsel blijven.
P.S. Een ode aan de binnenblijvers Hoewel we focussen op wat de uitgang vindt, drijven onze hersenen in een badje van hersenvocht (liquor) en worden onze gewrichten gesmeerd door synovia (gewrichtssmeer). Dit zijn de ultieme kluizenaars. Waar een excretie moet vertrekken en een secretie graag naar buiten gaat voor een missie, is de interne vloeistof het enige dat voorkomt dat je hersenen tegen je schedelwand klotsen. Wees er zuinig op.
Lezersreactie: Je laat je, voor jouw doen, opvallend bescheiden uit over ‘opwindingsvocht’. Ik had verwacht dat je hier enorm over uit zou wijden. Ben je ziek?
Lezersreactie: Mijn calvinistisch verleden leerde mij : Stof zijt gij en tot stof zul gij wederkeren. Jouw verhaal ziet er heel wat sappiger en vloeibaarder uit!
Over grenzen, controle en een universum dat weigert chaotisch te zijn.
Voorafgaand aan de expositie van Tobias Tebbe in Kunstruimte NUN te Arnhem werd mij meegedeeld dat de kunstenaar autistisch is, en dat mijn recent opgevatte plan om voortaan als onderzoeksjournalist door het leven te gaan, moeilijk slechter getimed had kunnen zijn; althans, als ik van plan was de maker ter plekke vragen te stellen over zijn werk. Wat ik echter ook vernam, was dat ‘Tebbe de jonge’ steevast door zijn vader wordt begeleid. Deze Leon Tebbe is zelf een bekende Arnhemse kunstenaar en graficus. Het leek mij dan ook aannemelijk dat ik mijn vragen desnoods tot hem kon richten.
Tobias Tebbe, met links het werk Dutch Democratic Republic. Een universum waarin Arnhem een grenspost is en niets aan het toeval wordt overgelaten.
Tobias ‘annexeert’ zijn familieleden geregeld in zijn werk en kent hun rollen toe binnen een gefantaseerde staatsstructuur. Neem alleen al het werk dat de uitnodiging voor de expositie siert: Dutch Democratic Republic. Onderaan prijkt, in een versierd medaillon, de naam ‘Leon Tebbelsévier’. Vader Leon lijkt hier niet slechts begeleider, maar eerder een functionaris – zo niet een patriarch – binnen dit regime.
Wat ik a priori over dit werk kon achterhalen, was het resultaat van een kort maar doelgericht vooronderzoek; de moderne term voor een kwartier geconcentreerd surfen. Dat leverde een fascinerend beeld op van wat zich laat omschrijven als een cartografische koortsdroom.
Het werk blijkt geen op zichzelf staand tafereel, maar een fragment uit een omvangrijk geopolitiek project. In Tebbes parallelle universum zijn de grenzen van West-Europa niet slechts verschoven, maar doelbewust geannexeerd en samengesmolten tot een hybride staat die het midden houdt tussen de polder en de voormalige DDR. Met opmerkelijke precisie herschrijft hij de kaart. We zien fenomenen als ‘West-Arnhem’ en de creatie van ‘East-Dutchia’. Het waarschuwingsbord in het centrum van de compositie – “Achtung! Sie verlassen jetzt West-Arnhem” – fungeert als een venijnige parodie op de teksten bij Checkpoint Charlie. Arnhem verschijnt hier als een laatste bastion, vlak voor het onbekende begint.
De compositie vertoont een gezonde vorm van horror vacui: geen millimeter blijft onbenut. Berekeningen – zoals de raadselachtige vermelding 19 times 105 – suggereren dat deze wereld rust op een fundament van strikte, haast wiskundige wetmatigheden, ver verwijderd van enige spirituele zweverigheid. Mocht dat inderdaad het geval zijn, dan heb ik er een geestverwant bij op dat zeldzame droge eiland in de woeste stroom van hedendaagse esoterie.
De kunstenaar speelt bovendien een geraffineerd spel met de begrippen ‘Dutch’ en ‘Deutsch’. Vlaggen versmelten, namen vervormen; het resultaat is een visuele identiteitscrisis waar zelfs de meest doorgewinterde douanier het spoor bijster van zou raken. Het geheel oogt als een poging om de chaos van de werkelijkheid te bezweren door haar te vangen in een rigide, bijna bureaucratisch systeem.
De vraag was of ik die middag toestemming zou krijgen om deze wereld te betreden, of al bij het eerste Allied Checkpoint zou worden teruggestuurd wegens een gebrek aan de juiste papieren. Vooralsnog leek het mij verstandiger om eerst in stilte te observeren.
Dat bleek geen probleem. Tobias noch zijn vader voelde de behoefte hun werk met een verkooppraatje te begeleiden. De vernissage trok bovendien voldoende publiek om eventuele toenaderingspogingen van mijn kant overbodig te maken. Opvallend was hoezeer de aanwezigen met elkaar bezig waren, en hoe weinig met het werk zelf, maar voor een opening schijnt dat gebruikelijk te zijn. Eén bezoeker probeerde het sociale gebeuren zo fanatiek vast te leggen dat zij, al achteruitlopend, een schilderij van de muur stootte.
Ik ontkwam overigens niet aan zelfkritiek. Tot mijn eigen ergernis stond ik al snel met een biertje in mijn hand; en daarna met een glas wijn. Alsof alcohol noodzakelijk was om Tebbes universum te doorgronden. Dat bleek allerminst het geval. De reeks waarin Nederland en Duitsland samensmelten tot een denkbeeldige staat is eerder een heldere, ironische geste dan een uiting van wat men gemakshalve een ‘spectrum’ noemt.
Tebbe hanteert een eigen, consequent doorgevoerde mythologie, zichtbaar in terugkerende symbolen en patronen. Van enig metafysisch gedweep is geen sprake; integendeel, het werk ademt een zekere nuchterheid. Driehoeken met een oog of cirkel, repetitieve structuren; ze geven het geheel een controlerende uitstraling die naadloos aansluit bij thema’s als grensbewaking en toezicht.
Het werk is doordrenkt van een fascinatie voor grenzen, paspoorten en identiteit. Dat valt gemakkelijk als obsessief te bestempelen. Hoewel Tebbe vaak onder Art Brut wordt geschaard, lijkt zijn oeuvre mij eerder een doordachte en complexe constructie van een parallel universum. De neiging tot volledige opvulling – het eerder genoemde horror vacui – is onmiskenbaar aanwezig, maar laat zich ook lezen als een vorm van systematiseren: een cognitieve strategie om de wereld te ordenen via schema’s, regels en structuren.
Moet dit per se worden weggezet als Art Brut? Mag het, afgezet tegen de waan van de tijd en de oppervlakkigheid van tijdgenoten, niet eenvoudigweg worden erkend als een indrukwekkende prestatie: het bouwen van een coherente, alternatieve werkelijkheid?
Wat er vervolgens gebeurde, leek mijn vermoeden te bevestigen dat het autisme-aspect wellicht wordt overbelicht. Terwijl ik daar stond te mijmeren, verscheen Tobias plotseling naast mij; opmerkelijk toegankelijk en bereid tot gesprek.
De vragen die ik had voorbereid, bleven echter steken in hun eigen lichtvoetigheid. Ik had hem willen vragen: “Meneer Tebbe, hoe streng is de visumcontrole tussen West-Arnhem en East-Dutchia?” Of, met betrekking tot de interne hiërarchie: “Welke functie bekleedt Leon Tebbelsévier binnen dit bestuur?” En ook: “Zijn uw grenzen gebaseerd op historische gegevens, of hanteert u een eigen cartografische logica?”
Het waren vragen met een speels karakter; misschien te speels voor het moment. Belangrijker was wat in de openingsrede al ter sprake was gekomen. Tobias vertelde met zichtbaar enthousiasme over de meridianen en breedtegraadcirkels die het dichtst langs zijn woonadres lopen, en over de opmerkelijke toevalligheden die zich langs die lijnen voordoen.
Iedereen bevindt zich immers binnen een raster van dergelijke lijnen. Wie ze volgt – op de kaart, welteverstaan – kan ontdekken hoe zij langs onverwachte plaatsen, gebeurtenissen en verbanden voeren. Die toevalligheden worden door Tebbe niet verheven tot mystiek of wereldwonder, maar nuchter geregistreerd en verwerkt in zijn werk.
Misschien is juist dat het meest intrigerende aspect van zijn universum: dat het, ondanks alles, weigert om zweverig te worden.
Over de weigering om je eigen houdbaarheidsdatum te synchroniseren met de feiten.
“Wollt ihr die totale Wahrheit?” Dat dacht ik niet. Of liever: nog niet. Het is daarom dat ik hier de term ‘leeftijdsblokkade’ wil lanceren. Dat is de fase waarin men stopt met het aannemen van biologische bewijslast of al te waarheidsgetrouwe opmerkingen; de individuele noodrem op de genadeloze tijdlijn. In deze pauze creëer je een persoonlijke echoput waarin de signalen van de buitenwereld – die venijnige hints over een trager tempo of de neerbuigende vraag of het lettertype wellicht te klein is – stuiten op een muur van doelbewuste ignorantie. De ‘leeftijdsdiscrimi-nazi’ in jezelf voert een schrikbewind over de eigen waarneming; elke spiegel die de feiten presenteert wordt verbannen; elke observatie over je bouwjaar wordt gecensureerd als ware het vijandige propaganda.
In deze staat van ‘leeftijdsblokkade’ fungeert de waarheid als een directe bedreiging voor het fragiele ego. De omgeving constateert simpelweg verval; jij classificeert die objectieve waarneming onmiddellijk als een frontale aanval. Het is een vorm van interne apartheid waarbij je de superieure, ervaren versie van jezelf hermetisch afsluit van de fysiek verouderende versie. Je negeert de knarsende gewrichten met dezelfde fanatieke overtuiging waarmee je een nieuwe rimpel wegredeneert; een ideologische loopgravenoorlog tegen je eigen biologie.
Psychologisch gezien duiden we dit aan als een extreme vorm van cognitieve herwaardering; je hersenen filteren simpelweg de data die niet harmoniëren met het gewenste zelfbeeld. Er is echter geen enkel wetenschappelijk bewijs dat deze interne censuur de telomeerverkorting in je cellen ook maar een seconde stopt. Je kunt de boodschapper – je bezorgde omgeving – wel executeren; de biometrische klok tikt onverstoorbaar door; entropie trekt zich nu eenmaal weinig aan van je persoonlijke dictatuur.
De ‘leeftijdsdiscrimi-nazi’ in de spiegel tolereert geen enkele tegenspraak. Het is de weigering om de oogst te accepteren, louter omdat je nog steeds wilt doen alsof het zaaitijd is. Je klampt je vast aan een status quo die allang door de realiteit is ingehaald; een statische waan die je moet beschermen tegen de onvermijdelijke schemering.
De kleffe verhouding van de kunstkenner tot zijn onderwerp.
Natuurlijk kan Arthur De Graaf op forse kritiek rekenen; hij slingert immers een onbestaand citaat de wereld in met behulp van AI. Hij bijt in het zand en geeft zijn omissie ruiterlijk toe. Maar dat juist de heren van de kunstredactie over hem heen vallen, stoort De Graaf mateloos. Hij kent deze hofnarren van de status quo te goed. Terwijl zij hun zinnen polijsten met dure adjectieven en esoterische beeldspraak, zorgen ze er vooral voor dat hun werk geen rimpeling veroorzaakt in de vijver van de publieke opinie.
Juist de kampioenen van de risicoloosheid toonden zich het meest onvermurwbaar ten aanzien van een misstap van een collega die alleen voorkwam waar wél iets op het spel stond. Hadden zij ooit meer gedaan dan de theaterrol van journalist spelen? Ze bleven veilig achter de linies van het culturele leven; een terrein waar ze net genoeg van afwisten (mits je de filosofie niet meerekende).
De kunstjournalistiek verkiest blijkbaar een volmaakt gestileerde leegte boven een schurende zoektocht naar de waarheid. Bij Arthur staat er tenminste iets op het spel; bij hen is de inzet louter decoratief. Het is een wrange paradox: de sector kijkt liever naar een risicoloos ballet van woorden dan naar een scherpschutter die een doelwit durft te kiezen. De kans op een misser is bij die laatste vele malen groter, maar hij raakt tenminste de werkelijkheid aan.
In plaats van stelling te nemen, geven deze critici de voorkeur aan de kleffe intimiteit van de vernissage. Ze laten zich compromitteren bij premières van volstrekt inwisselbare voorstellingen. Ze worden gewillig rondgeleid langs hapjes en drankjes; ze dragen de badge en incasseren het salaris, maar ze verzuimen op het meest fundamentele niveau: het blootleggen van wat er werkelijk toe doet. Waarom wordt hun fundamentele luiheid nooit bestraft, terwijl een actieve fout direct tot een publieke executie leidt?
Misschien is het antwoord voor De Graaf simpeler dan hij denkt. Zijn beroepsgroep straft hem zo hardvochtig omdat hij bewijst dat hij er nog toe doet, al is het maar door te falen. Zijn critici daarentegen begaan de enige zonde die in de huidige journalistiek onbestraft blijft: ze zijn volkomen irrelevant. Ze overleven omdat ze, in al hun taalkundige precisie, simpelweg niets te zeggen hebben.
Mona Keijzer was niet op zoek naar een reddingsvlot; daarvoor is haar Luctor et Emergo-reflex te goed ontwikkeld. Kapitein Mona confisceerde een ietwat verouderde ‘Lifeboat’ die alleen maar opgepimpt hoefde te worden om haar naam te mogen dragen.
De bijbehorende zeebenen heeft zij nog niet ontwikkeld. Toch is haar monsterboekje allerminst onbeschreven. Ze heeft best al zout over haar boeg gekregen, maar tot nu toe was zij een beetje een ‘mooiweerzeilster’. Zodra de barometer daalde, zocht zij een veilige haven op.
Je zou kunnen zeggen dat zij de kunst van het laveren goed onder de knie heeft, maar zich aan boord snel loopt te vervelen. Ze is een kapitein die wel aan het roer wil staan, maar geen zeekaarten inziet. Haar scheepje heeft de neiging om als ‘Flying Dutchman’ zonder kompas door een mist te varen.
Als ze al een bestemming weet uit te stippelen, is die buitenland-onvriendelijk en blijkt zij op ramkoers met de werkelijkheid te liggen. Hoezo geen mensen aan boord met een migratie-achtergrond Mona? Ooit van bootvluchtelingen gehoord?