Verzet en protest

Van oude wijsheid tot de wortels van klimaatactivisme.

The GreenXtreme – Hoofdstuk 2

Als je terugkijkt op de geschiedenis van het verzet, valt op dat het telkens draait om mensen die niet willen buigen voor onrecht. Dit onrecht heeft door de eeuwen heen vele vormen aangenomen: tirannie, sociale ongelijkheid, onderdrukking, uitbuiting, censuur. Opstandigen vormen vaak een tegenbeweging in een systeem dat ethisch onhoudbaar is geworden. Ze geven daarmee uitdrukking aan een diepgeworteld verlangen naar rechtvaardigheid, autonomie en menselijke waardigheid. Klimaatactivisme werd de jongste voortzetting van deze eeuwenoude strijd. Omdat het protest niet begon bij milieuzorg, maar wortels heeft in bredere ideeën over gerechtigheid, is het boeiend en noodzakelijk om stil te staan bij denkers die het verzet tegen onrecht door de tijd heen hebben vormgegeven.

Verzet in de oudheid: orde, rechtvaardigheid en tirannie

De wortels van onze ideeën over verzet liggen bij de oude Griekse filosofen. Plato, in zijn beroemde werk Politeia (De Staat), waarschuwde voor de chaos die kan ontstaan als elke burger doet wat hij wil:

“De tirannie is niets anders dan een uiting van de heerschappij van het laagste deel van de ziel.”
— Plato, Politeia

Voor hem was verzet tegen de staat alleen legitiem als het leidde tot herstel van de orde en rechtvaardigheid. Het idee dat mensen tegen hun overheid in opstand mogen komen, zag hij met argwaan: de harmonie van de stadstaat moest behouden blijven.

Aristoteles sprak over rechtvaardigheid als het hoogste doel van de staat en vond dat het volk een recht had om onrecht te weerstaan:

“Wanneer het bestuur het recht schaadt, is verzet niet alleen gerechtvaardigd maar noodzakelijk.”
— Aristoteles, Politica

Zijn genuanceerde kijk legde de basis voor latere discussies over legitimiteit van verzet.

De Romeinse filosoof Cicero was explicieter in het rechtvaardigen van opstand tegen tirannie. Hij stelde dat er een universele, natuurlijke wet is die hoger staat dan menselijk recht, en dat

“het recht om te rebelleren tegen tirannie voortkomt uit het recht op zelfbehoud en gerechtigheid.”
— Cicero, De Republica

Dit idee kreeg later grote invloed in de middeleeuwen en de moderne tijd.

Al vroeg zien we dat verzet nooit louter een impulsieve reactie is, maar altijd een afweging van rechtvaardigheid en orde. Ik herken hierin het dilemma van hedendaagse klimaatactivisten: wanneer is het legitiem om regels te breken in naam van een hoger doel?

Middeleeuwen en vroegmoderne tijd: natuurlijk recht en revolutionaire ideeën

Thomas van Aquino werkte Cicero’s idee van de natuurlijke wet verder uit. Hij schreef:

“Wie het volk onderdrukt en de rechtvaardigheid negeert, berooft zichzelf van zijn gezag.”
— Thomas van Aquino, Summa Theologica

Met deze woorden legde hij de basis voor een theologische opvatting waarin gezag niet absoluut is, maar afhankelijk van rechtvaardigheid. Als een heerser zijn plichten verzaakt en zich tot tirannie wendt, mag hij volgens Aquino zijn gezag verliezen. Dit bood latere denkers en politieke gezagsdragers — zij het met grote voorzichtigheid — een moreel kader om verzet tegen tirannie te overwegen. Toch bleef dit een delicate kwestie binnen de katholieke leer, die stabiliteit en gehoorzaamheid doorgaans hoger waardeerde dan revolutionaire actie.

Niccolò Machiavelli bracht een realistischere toon in het debat. Zijn uitspraak:

“De doel heilig de middelen.” (apocrief)
— Niccolò Machiavelli, Il Principe

benadrukt dat verzet en revolutie vaak onorthodoxe middelen vereisen. Machiavelli erkende de harde realiteit van macht en liet zien dat soms geweld nodig is om rechtvaardigheid te herstellen. Dit pragmatisme sprak later revolutionairen aan.

John Locke was een ware voorloper van modern politiek verzet. In zijn Two Treatises of Government stelt hij dat mensen van nature rechten hebben — leven, vrijheid en eigendom — en dat een overheid die deze schendt, haar legitimiteit verliest:

“Wanneer een regering het vertrouwen van het volk misbruikt, hebben de burgers het recht haar te vervangen.”
— John Locke, Two Treatises of Government

Rousseau ging verder met zijn sociaal contract, waarin de soevereiniteit bij het volk ligt en verzet een recht is als de overheid dit contract verbreekt:

“Wanneer het volk zegt: ‘Wij willen niet langer gehoorzamen,’ begint de vrije mens zijn ware bestaan.”
— Jean-Jacques Rousseau, Du Contrat Social

De ideeën van Locke en Rousseau zijn voor mij essentieel in het begrijpen van klimaatprotesten. Klimaatactivisten claimen niet alleen hun rechten, maar ook het recht van toekomstige generaties, wat het klassieke denken over ‘het volk’ aanzienlijk uitbreidt.

Verlichting: vrijheid, rede en publieke kritiek

De Verlichting was een tijd van opstandigheid en kritisch denken. Voltaire, de flamboyante verdediger van vrijheid, schreef:

“Ik verafschuw wat u zegt, maar ik zal mijn leven geven om uw recht het te zeggen te verdedigen.”
— Voltaire (toegeschreven)

Hieruit spreekt het fundamentele principe van vrije meningsuiting als basis voor elk verzet.

Montesquieu bracht de scheiding der machten in stelling, om te voorkomen dat macht zich zou concentreren en tirannie zou ontstaan:

“Machtsconcentratie leidt tot tirannie; daarom is vrijheid alleen mogelijk bij gespreide macht.”
— Montesquieu, De l’esprit des lois

Kant voegde een diepere ethische laag toe aan het idee van protest. Hij stelde dat echte vrijheid komt uit autonomie en publieke rede, en waarschuwde voor ongehoorzaamheid die het maatschappelijke vertrouwen zou ondermijnen:

“Durf te weten! Heb de moed je eigen verstand te gebruiken.”
— Immanuel Kant, Beantwortung der Frage: Was ist Aufklärung?

Zijn ideeën over burgerlijke ongehoorzaamheid zetten een ethisch kader neer, waarbij protest alleen legitiem is als het de rede en de moraliteit respecteert.

Kant daagt mij uit na te denken over de ethische grenzen van klimaatactivisme. Tot hoever mag verzet gaan zonder de samenleving te ondermijnen? Tegelijkertijd geeft hij hoop door te benadrukken dat het publieke debat de motor van verandering is.

19e-eeuw: klassenstrijd en individuele burgerlijke ongehoorzaamheid

Karl Marx zag verzet als het onvermijdelijke gevolg van economische ongelijkheid. Zijn analyse was onverbiddelijk:

“De geschiedenis van alle bestaande samenlevingen is de geschiedenis van klassenstrijd.”
— Karl Marx, Het Communistisch Manifest

Voor Marx is het proletariaat het ware verzet, de revolutionaire kracht die het oude regime moet omverwerpen.

Tegelijkertijd formuleerde Henry David Thoreau een radicale visie op individueel verzet, in zijn essay Civil Disobedience (1849):

“Wanneer de wet onrechtvaardig is, moet men weigeren eraan mee te werken.”
— Henry David Thoreau, Civil Disobedience

Thoreau verwees naar zijn eigen weigering belasting te betalen uit protest tegen slavernij en de Mexicaans-Amerikaanse oorlog. Zijn ideeën over burgerlijke ongehoorzaamheid vormen een directe brug naar het hedendaagse milieuprotest.

Friedrich Nietzsche bracht een existentieel perspectief. Hij zag het verzet niet alleen als een politieke daad, maar als een uitdrukking van de wil tot macht en zelfverwezenlijking:

“Word wie je bent.”
— Friedrich Nietzsche, Also sprach Zarathustra

Voor Nietzsche betekent verzet ook het loslaten van traditionele waarden om ruimte te scheppen voor nieuwe, individuele zingeving.

Thoreau inspireert mij het meest in het klimaatactivisme, juist vanwege zijn nadruk op persoonlijke verantwoordelijkheid en moed. Nietzsche roept me op om het innerlijke verzet te omarmen dat verder gaat dan politiek — een spirituele rebellie tegen de status quo.

20e-eeuw: totalitarisme, macht en het absurde verzet

In een eeuw van totalitaire regimes en wereldwijde conflicten analyseerde Hannah Arendt het fenomeen totalitarisme en de rol van verzet daarin. Zij stelde:

“Verzet is de daad die vrijheid schept.”
— Hannah Arendt, The Origins of Totalitarianism

Voor Arendt is verzet een fundamentele menselijke daad, een manier om het eigen bestaan en dat van de gemeenschap te bevestigen.

Michel Foucault bracht macht en verzet samen als een spel dat door iedereen gespeeld wordt:

“Waar macht is, is ook verzet.”
— Michel Foucault, Surveiller et Punir

Zijn visie maakt duidelijk dat verzet niet alleen gericht is tegen een specifieke macht, maar ook een constante aanwezigheid is in sociale relaties, kennis en identiteit.

Albert Camus stelde in De Mythe van Sisyphus (1942) dat het leven absurd is, maar dat juist daarom verzet een ethische plicht is:

“In het midden van de winter ontdekte ik eindelijk dat er in mij een onoverwinnelijke zomer is.”
— Albert Camus, De Mythe van Sisyphus

Camus toont het verzet als een existentiële daad, die ondanks zinloosheid toch betekenis geeft.

Deze denkers maken mij bewust dat verzet niet slechts een politiek instrument is, maar een diep menselijke conditie. Klimaatactivisme heeft ook iets van die absurde strijd tegen een overweldigende werkelijkheid, maar het wordt juist daardoor krachtig.

Milieuactivisme en de eerste denkers over ecologisch verzet

Pas in de tweede helft van de 20e eeuw kreeg milieuactivisme filosofische fundamenten. Rachel Carson zette met Silent Spring (1962) de alarmbel over de destructie van ecosystemen:

“De mens is deel van de natuur, en zijn overleving hangt af van het respect daarvoor.”
— Rachel Carson, Silent Spring

Aldo Leopold formuleerde een ethiek van de aarde:

“Een ding is goed als het de integriteit, stabiliteit en schoonheid van de biotische gemeenschap bevordert.”
— Aldo Leopold, A Sand County Almanac

Murray Bookchin verbond ecologie met sociale rechtvaardigheid en introduceerde het concept van sociale ecologie, waarin verzet tegen onderdrukking en tegen milieuvernietiging onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn. Volgens hem kon milieuproblematiek niet los worden gezien van hiërarchie en sociale ongelijkheid:

“De overheersing van de natuur door de mens komt voort uit de zeer reële overheersing van mens door mens.”
Murray Bookchin, De ecologie van de vrijheid (1982)

Voor Bookchin was de bevrijding van mens én natuur een gedeelde strijd. Waar anderen pleitten voor technologische oplossingen of consumptiebeperking, benadrukte hij de noodzaak van radicale democratisering en het afbreken van autoritaire structuren. Alleen door sociale verhoudingen fundamenteel te veranderen, zo stelde hij, kunnen we werkelijk ecologisch samenleven.

De Franse filosoof Bruno Latour beschouwt de milieucrisis als een oproep tot een nieuw politiek denken:

“We moeten onze relatie met de aarde heruitvinden, want de oude scheiding tussen mens en natuur is dood.”
— Bruno Latour, Nous n’avons jamais été modernes

Klimaatactivisme is daarmee de logische volgende stap in een lange traditie van verzet, een verzet dat niet alleen gericht is op sociale rechtvaardigheid, maar ook op het behoud van ons leefmilieu. Het vereist een nieuw bewustzijn, een diepgeworteld respect en liefde voor onze planeet.

Verzet als continuüm van hoop en verantwoordelijkheid

Verzet is een kracht die onze geschiedenis en toekomst vormt. Het is nooit simpel, altijd omgeven door ethische dilemma’s, conflicten en risico’s. Maar het is ook een uitdrukking van onze vrijheid en menselijke waardigheid. Als klimaatactivist voel ik me verbonden met deze rijke traditie van denkers en strijders. Hun woorden geven me kracht en richting in mijn eigen engagement. Zoals Camus zei, zelfs in het absurde verzet schuilt een onoverwinnelijke zomer, een hoop die nooit dooft. En die hoop, gecombineerd met liefde voor onze aarde en medemensen, zal het fundament zijn voor het verzet van morgen.

Bronnen

  • Plato, Politeia
  • Aristoteles, Politica
  • Cicero, De Republica
  • Thomas van Aquino, Summa Theologica
  • Niccolò Machiavelli, Il Principe
  • John Locke, Two Treatises of Government
  • Jean-Jacques Rousseau, Du Contrat Social
  • Voltaire (toegeschreven)
  • Montesquieu, De l’esprit des lois
  • Immanuel Kant, Beantwortung der Frage: Was ist Aufklärung?
  • Karl Marx & Friedrich Engels, Het Communistisch Manifest
  • Henry David Thoreau, Civil Disobedience
  • Friedrich Nietzsche, Also sprach Zarathustra
  • Hannah Arendt, The Origins of Totalitarianism
  • Michel Foucault, Surveiller et Punir
  • Albert Camus, De Mythe van Sisyphus
  • Rachel Carson, Silent Spring
  • Aldo Leopold, A Sand County Almanac
  • Murray Bookchin, The Ecology of Freedom: The Emergence and Dissolution of Hierarchy
  • Bruno Latour, Nous n’avons jamais été modernes

De mens in opstand

Bij één boek van Albert Camus wil ik nog even in het bijzonder stilstaan omdat het erg veel indruk op me heeft gemaakt: De mens in opstand. Het is een werk dat ik keer op keer kan openslaan en waar ik telkens weer iets nieuws uit oppik. Wat me vooral raakt, is hoe Camus de opstand niet simpelweg als een politieke daad ziet, maar als iets fundamenteel menselijks. Niet de massa’s die zich roeren, maar de enkeling die weigert te buigen voor het absurde, de onrechtvaardigheid, en de zinloosheid van het bestaan.

Camus zegt het ergens prachtig: ‘De mens is het enige schepsel dat weigert te zijn wat het is.’ Die weigering, die opstand, is geen wanhoop, maar een protest en een bevestiging tegelijk. Het is alsof hij zegt: ik accepteer de absurditeit van het leven, maar ik geef me er niet aan over. Ik kom in opstand. En dat maakt me meer mens dan ooit.

Wat me ook diep heeft doen nadenken, is zijn opmerking over de paradox van de ‘goede terrorist’. In een tijd waarin misdaad vaak met de veren van onschuld pronkt, stelt Camus dat juist de opstandige mens, de rebel, zichzelf altijd onderzoekt, zichzelf ter verantwoording roept en grenzen stelt, ook aan zichzelf. De opstand eist vrijheid, maar die vrijheid betekent nooit dat je vrij bent om de vrijheid van een ander te schenden. De ultieme vrijheid, de vrijheid om te doden, is iets dat de opstand in wezen nooit kan toestaan, want de opstand is een verzet tegen het eigen sterven, tegen de dood. Wie anderen doodt, verraadt de logica van zijn eigen opstand.

Dat is een moeilijk maar cruciaal punt: de opstand is niet de roep om totale anarchie of willekeur, het is juist een eis tot matigheid, tot respect voor het leven, tot het erkennen van een gedeelde menselijke waardigheid. Geen Nietzscheaanse Übermensch die alles mag, maar de rebel die juist de vrijheid voor iedereen opeist. Camus stelt dat die vrijheid zich verbiedt aan wie de vrijheid van de ander wil breken.

Hij wist ook dat dit hem vriendschappen zou kosten. Tegen zijn goede vriend Jean-Claude Brisville zei hij vlak voordat het boek uitkwam: “Laten we elkaar maar een hand geven. Want over een paar dagen zullen er niet veel mensen meer zijn die nog bereid zijn dat te doen.” Het is die eenzaamheid van de opstandige enkeling die me fascineert en ook soms raakt: de moed om te staan tegen zowel de massa als de tijd.

In De mens in opstand neemt Camus ons mee vanaf het begin. Hoewel hij soms het existentialisme raakt – het besef dat het bestaan voorafgaat aan de essentie, en dat we onszelf in onze daden moeten creëren – blijft hij het duidelijk anders doen dan Sartre. Waar existentialisten soms een vlucht zien in het creëren van betekenis, blijft Camus trouw aan de absurditeit en kiest hij voor de opstand als antwoord. Niet vluchten, niet berusten, maar opstaan en weigeren mee te doen aan laffe of destructieve illusies.

De opstand is geen nihilisme. Het is het eigen protest dat betekenis creëert. ‘Ik schreeuw dat alles absurd is’, zegt Camus, ‘maar ik moet in mijn schreeuw geloven.’ Zo wordt ‘ik denk, dus ik ben’ vervangen door ‘ik kom in opstand, dus ik ben.’

De historische voorbeelden die hij behandelt – van de Franse Revolutie tot het terrorisme – tonen keer op keer hoe snel een opstand kan ontsporen wanneer ze zich verliest in ideologieën die absolute waarheden claimen en daardoor anderen onderdrukken. Het gevaar is dat de opstand verandert in terreur. Maar hier introduceert Camus zijn buitenbeentje: de Russische terrorist Kaljajev, die, na het plegen van moord, zichzelf aanvaardt en zijn eigen dood omarmt als ultiem protest. Hij wordt door Camus met respect genoemd als ‘fijngevoelige moordenaar’, een paradox die laat zien dat de opstand niet per se onmenselijk hoeft te zijn, zolang hij trouw blijft aan zijn eigen grenzen en waarden.

Dat raakt me diep: de erkenning dat er in het breken van regels, in het uiterste offer, nog steeds een vorm van zuiverheid en menselijkheid kan schuilen. De vuile handen van de moordenaar worden alleen gewassen in zijn eigen dood, en die daad schept nog steeds waarden.

Tegelijkertijd laat Camus zien dat dit een uitzondering is, een zeer zeldzaam moment in de geschiedenis van de revolutie. De meeste opstanden verworden tot machtsstrijd en moord, en dan is de opstand verraden. Toch blijft zijn boodschap helder: de opstand is het moment waarop we bevestigen dat we mens zijn, dat we grenzen stellen aan geweld, en dat we onze eigen vrijheid nooit ten koste van die van anderen mogen opeisen.

Wat mij ook bijblijft, is die merkwaardige paradox uit het boek: ‘Op de dag dat de misdaad pronkt met de veren van de onschuld, wordt door een merkwaardige omkering, die kenmerkend is voor onze tijd, de onschuld gesommeerd zich te rechtvaardigen.’ Het essay wil die vreemde uitdaging aangaan: waarom worden de eerlijke, de opstandige nu verdacht? Waarom moet de rebel zich verdedigen in een wereld die vaak verdraaid en absurd is?

Dat we in onze tijd zo weinig meer lijken te geven om Camus’ pleidooi voor matigheid, bezonnenheid en respect voor het leven, doet me soms bang worden. Maar juist daarom voelt zijn werk nu misschien krachtiger dan ooit. De mens in opstand nodigt me telkens weer uit om niet mee te gaan in extremisme, niet te vluchten in ideologieën die de ander ontmenselijken, en vooral om trouw te blijven aan het diepste menselijke: het vermogen om te weigeren, te protesteren, zonder de ander te vernietigen.

Voor mij is dit boek niet alleen een filosofische tekst, maar een soort gids in de chaos van deze tijd. Het leert me dat opstand een daad van vrijheid en verantwoordelijkheid is en dat de ware opstand de opstand van het individu is die zich bewust is van zijn grenzen én die van de ander.

Passages uit: Der alte Mann und die kranke Schwester

Kapitel 1 – Das erste Klingeln

Es war ein Dienstagmorgen, an dem das Leben von Herrn Feldkamp zum zweiten Mal begann. Das erste Mal hatte er es selbst nicht bemerkt – es war nach dem Schlaganfall, nach dem Krankenhaus, nach dem stillen Aufgeben. Das zweite Mal hingegen hörte man es schon von weitem: Absätze auf Asphalt, das rhythmische Tippen eines Smartphones, das Klackern eines Feuerzeugs.

Sie trat in sein Leben wie ein kleiner Sturm: Lara, 24 Jahre alt, Haare zum Pferdeschwanz gebunden, in einer Hand das Telefon, in der anderen eine halbgerauchte Zigarette, die sie mit einer schnellen Geste im Blumentopf neben der Eingangstür ausdrückte.

„Guten Morgen, Herr Feldkamp! Ich bin Lara, Ihre neue Betreuungskraft. Ich bin noch nicht ganz wach, aber das wird schon.“ Ohne eine Antwort abzuwarten, zog sie sich die Schuhe aus, betrat die Wohnung und rief: „Wo ist die Kaffeemaschine?“

Herr Feldkamp, 83 Jahre alt, Rollstuhlfahrer, ehemaliger Ingenieur und überzeugter Pessimist, sah sie zum ersten Mal – und wusste sofort: Diese Frau war entweder ein Versehen der Agentur oder ein Wink des Schicksals. Er tippte mit einem Finger an die Brille, schob sie auf die Nase zurück und murmelte: „Wenn Sie die Kaffeemaschine finden, sagen Sie es mir auch. Ich suche sie seit dem Umzug.“

Lara lachte. Es war ein ehrliches, unaufgeregtes Lachen, wie man es selten hört in der Welt der Altenpflege.

„Na, dann fangen wir doch gleich mit einer gemeinsamen Suche an. Vielleicht finden wir dabei auch gleich das Leben wieder.“

Herr Feldkamp verzog den Mund. Nicht ganz ein Lächeln – aber fast.

Kapitel 2 – Das Foto im Bücherregal

Zwei Wochen waren vergangen, seit Lara das erste Mal durch die Tür gestolpert war. Ihre Gewohnheiten hatten sich nicht geändert – sie telefonierte immer noch laut auf dem Balkon („Boah, Mama, chill mal!“), rauchte zu viel, und trug manchmal Schuhe mit Plateausohlen, die in der Wohnung hallten wie Hufgetrappel.

Aber etwas hatte sich sehr wohl geändert.

Herr Feldkamp wartete morgens auf sie. Nicht, dass er es zugegeben hätte. Aber sein Bart war plötzlich früher gestutzt, der Kaffee schon gekocht. Und wenn Lara sich verspätete, brummte er lauter als üblich.

An einem verregneten Donnerstagnachmittag, als Lara Staub wischte – sie machte das grundsätzlich nur halbherzig, aber mit viel Musik aus ihrem Handy –, fiel ihr Blick auf ein eingerahmtes Foto im Regal. Ein altes Schwarz-Weiß-Bild. Drei Männer in Uniform, einer davon lächelte verschmitzt in die Kamera. Der junge Mann rechts hatte Augen wie Feldkamp.

„Boah, Sie waren ja mal richtig hot, Herr Feldkamp!“, rief sie lachend.

Der Alte hob den Kopf. Als er das Bild sah, wurde sein Gesicht hart. „Stellen Sie das zurück.“

„Ist das Ihr Bruder?“, fragte Lara, diesmal leiser.

Stille.

Dann sagte er, mehr zu sich selbst: „Mein Bruder… ja. Oder das, was von ihm übrig blieb.“

Lara stellte das Foto zurück, aber da war etwas in seinem Blick, das sie nicht losließ – eine Mischung aus Bedauern, Wut und einer tiefen Müdigkeit.

„Ich hab auch ‘nen Bruder“, sagte sie zögerlich. „Aber der redet nicht mehr mit mir. Sagt, ich bin ein Klotz am Bein.“

Herr Feldkamp schwieg.

Lara war schon fast wieder draußen im Flur, da hörte sie seine Stimme – heiser, gebrochen, aber deutlich: „Meiner war in Ungarn. 1956. Panzer. Er kam nie zurück.“

Sie drehte sich nicht um, ließ ihm den Moment. Aber sie machte eine mentale Notiz: Da ist etwas. Da ist Geschichte. Da ist Schmerz.

Sie verstand zum ersten Mal, dass er sich nicht aus Bosheit hinter einer dicken Mauer versteckte. Sondern weil er Angst hatte, dass niemand mehr klopfen würde.

Kapitel 3 – Überraschung mit Zimt

Lara hatte eine fixe Idee. Und wer Lara kannte – was im Fall von Herrn Feldkamp niemand so recht tat – wusste: eine fixe Idee ließ sie nicht mehr los.

Am Freitagmorgen roch es in der Wohnung nach etwas, das der alte Mann seit Jahren nicht mehr gerochen hatte: Zimt.

„Was ist das?“, knurrte er, als sie mit einer Papiertüte hereinschneite.

„Zimtschnecken! Selbst gekauft! Ich hab null Plan vom Backen, aber die vom Bäcker unten sind mega. Und Sie meckern ja immer, dass ich nichts Gescheites esse – jetzt ess ich wenigstens was mit… wie heißt das Zeug nochmal… Gefühl?“

„Nährwert“, murmelte Herr Feldkamp, aber sein Ton war weicher als sonst.

Sie stellte einen Teller auf den Tisch. „Komm. Heute ist Freitag. Ich hab was organisiert.“

Er hob eine Braue. „Was genau haben Sie organisiert? Eine Zimt-Attacke?“

„Fast“, grinste Lara. „Ich hab den alten Plattenspieler aus dem Keller mitgebracht. Und eine LP. Edith Piaf.“

Herr Feldkamp sah sie an, als hätte sie gerade ein Stück seiner Vergangenheit vom Dachboden geholt.

„Sie mögen französische Musik, oder?“

Er sagte nichts. Nur ein kaum merkliches Nicken.

Sie stellte die Nadel auf die Platte. “Non, je ne regrette rien“ kratzte sich warm und leise aus den Lautsprechern, und der Raum veränderte sich. Etwas sank in die Tiefe, etwas anderes stieg auf.

Sie saßen nebeneinander. Er mit zitternden Händen, sie mit klebrigen Fingern vom Zuckerguss.

„Wissen Sie“, sagte Lara schließlich, „ich hab keinen Opa mehr. Und Sie, naja, Sie haben keine Enkelin. Vielleicht können wir uns was ausleihen.“

Er lächelte nicht. Aber er reichte ihr ein Stück Zimtschnecke, ohne ein Wort.

Und das war mehr, als sie erwartet hatte.

Kapitel 4 – Die Spuren unter der Haut

An einem grauen Mittwoch hatte Lara ihren üblichen Schwung verloren. Sie kam zu spät, roch nach kaltem Rauch, und ihre Worte hatten Kanten.

„Schlechter Morgen?“, fragte Herr Feldkamp, ohne aufzusehen.

„Könnte man sagen.“ Sie stellte die Tasche ab, nahm sich ein Glas Wasser, trank hastig.

Er merkte, dass sie die Schatten unter den Augen nicht von Müdigkeit hatte.

„Haben Sie geweint?“

Sie verzog das Gesicht. „Was glauben Sie denn?“

Er sagte nichts. Stille war seine Waffe – und manchmal auch seine Einladung.

Nach ein paar Minuten legte sie ihr Handy auf den Tisch, als hätte es sie verraten. Das Display war gesprungen.

„Ich war bei meiner Mutter.“

„Und?“

„Sie hat wieder diesen Ordner rausgeholt. Der mit den alten Briefen. Briefe von ihrem Vater. Meinem Opa.“

Er hörte auf zu atmen. Oder so schien es.

„Er hat im Osten gedient. Wehrmacht. Später… SS. Wir haben nie drüber geredet. Aber da sind Fotos. Briefe mit Siegeln. Mein Bruder will alles wegwerfen. Ich nicht.“

„Warum nicht?“, fragte Feldkamp leise.

„Weil ich wissen will, wer ich bin. Auch wenn es schmerzt.“

Er sah sie an, als würde er sie zum ersten Mal wirklich sehen.

„Mein Vater hat Auschwitz überlebt.“

Die Worte fielen wie Steine.

Lara wurde blass. „Das wusste ich nicht.“

„Konnte ja keiner wissen. Ich rede nicht viel. Aber vielleicht… ist das der Moment.“

Sie saßen lange schweigend da. Zwei Biografien, die einander zufällig berührt hatten – und sich nun nicht mehr voneinander lösen konnten.

„Meinen Sie…“, begann Lara zögernd, „dass Schuld vererbbar ist?“

Feldkamp schüttelte den Kopf. „Aber das Schweigen ist es.“

Und genau da, in diesem einen Satz, war ihre Verbindung geboren. Eine, die tiefer ging als Pflegepläne oder Medikamentendosen.

Kapitel 5 – Das Archiv

„Sie können sich jederzeit umentscheiden“, sagte Lara und sah ihn ernst an, während sie die schwere, ledergebundene Mappe auf seinen Wohnzimmertisch legte.

Herr Feldkamp antwortete nicht sofort. Er fuhr mit dem Finger über das spröde Leder, als würde er es abtasten wie eine Narbe.

„Ich wollte immer wissen, was die anderen gedacht haben“, murmelte er schließlich. „Was sie geschrieben haben. Während wir gestorben sind.“

Lara schluckte. Sie hatte die Mappe schon unzählige Male durchgesehen – allein, mit ihrer Mutter, nie mit jemandem wie ihm. Noch nie mit einem, der auf der anderen Seite gestanden hatte. Oder besser: auf der richtigen.

Sie öffnete das Cover. Das Papier raschelte wie altes Laub.

„Das ist ein Brief von 1943. Breslau.“ Sie zeigte auf die fein geschwungene Handschrift. „‚Liebe Anneliese, ich bin gestern angekommen…‘“

Feldkamp streckte die Hand aus. „Darf ich?“

Sie reichte ihm das vergilbte Blatt.

Er las langsam. Wort für Wort. Manchmal murmelnd, als würde er sich vergewissern, dass die Worte wirklich dort standen.

„Die Judenfrage wird hier nun endlich mit der nötigen Strenge behandelt…“

Er brach ab. Legte das Blatt mit einer zitternden Bewegung zurück.

„Ich wusste, dass es grausam war“, sagte Lara leise. „Aber zu lesen, wie beiläufig er das schreibt…“

Feldkamp sah aus dem Fenster. Draußen war es hell geworden.

„Wir sind aufgewachsen mit den Schreien, die keiner hören wollte. Und ihr… mit dem Schweigen, das keiner brechen wollte.“

Lara öffnete ein zweites Fach. Fotografien, sorgfältig beschriftet: „Sommerausflug – Lemberg 1942“.

Ein Picknick. Lächelnde Männer in Uniform. Einer hebt ein Glas.

„Das ist mein Urgroßvater.“ Sie zeigte auf den Mann mit dem schmalen Schnurrbart und dem schiefen Lächeln.

„Er sieht… normal aus“, flüsterte sie.

Feldkamp nickte. „Das ist das Erschreckende.“

Eine Weile lang blätterten sie schweigend. Briefe. Postkarten. Ein Orden in einer kleinen Schachtel. Ein Foto von einer jungen Frau mit Kopftuch – rückseitig beschriftet: ‚Sofka – unsere polnische Haushilfe‘.

„Sie wurde wahrscheinlich deportiert“, sagte Lara.

„Vielleicht.“

„Was soll ich damit tun?“ fragte sie plötzlich. „Alles wegwerfen? Dem Museum geben? Vergraben?“

Feldkamp schüttelte den Kopf. „Nein. Bewahren. Und lesen. Immer wieder lesen. Sonst fängt das Schweigen wieder an.“

Sie nickte langsam. In ihren Augen spiegelte sich etwas Neues: eine Haltung, ein beginnendes Begreifen.

Und irgendwo draußen, zwischen den Fassaden des Viertels, bellte ein Hund. Das Leben ging weiter – aber im Inneren der kleinen Wohnung war etwas aufgebrochen, das nicht mehr ungesagt bleiben konnte.

Inleiding op het gedicht ‘schijtnesten’ (memento park).

Uit: Schrammenbloed

Ik ben er voor hoor: het van top tot teen bekladden van ‘monumentale’ mannen die fout zaten in onze koloniale geschiedenis en dus beslist geen voetstuk verdienen. Dat verkeerde verleden vormt voor mij niet eens het hoofdprobleem. Het zou slechts een aanleiding zijn om er eens lekker over heen te gaan met verfpotten in verschillende kleuren. En om teksten op de sokkel te schrijven als ‘Wangedrocht’, ‘Misbaksel’ of ‘Lelijk uitgietsel’.

Heftiger mag ook natuurlijk (Dief, Racist, Fascist, Fuck You), maar zelf voel ik geen boosheid, slechts completeerwoede. Ik heb deze sculpturen als kunstwerk altijd te onaf gevonden, juist omdat ze zo af waren. Er ontbrak iets aan, een destructieve ‘touch’. Dat hyperrealistische heeft iets onbehaaglijks. Dat een reactie mijnerzijds uitbleef had te maken met luiheid en goed fatsoen. En met angst voor de gevolgen.

Misbaksels verdienen geen voetstuk. Leve de verfspuiters met een inclusiever beeld van het verleden. (Wat ik dan weer jammer vind, is dat besloten wordt de beelden, juist in dit stadium van vervolmaking door verf en verminking, uit de openbare ruimte weg te halen.)

Houd je van één of meer van de volgende dingen: druipsteenkaarsen, stalagmieten, veel stroop op je pannenkoek, filmpjes van tsunami’s of aardverschuivingen, lawines, bouwvallen, schroothopen, sloopplaatsen, Jackson Pollock en ander abstract expressionisme? Dan zal deze nieuwste ‘rage’ je aanspreken, denk ik.

Vogelkak op bronzen koppen heb ik ook altijd prachtig gevonden. Van die witgele meeuwenflatsen met nog iets onverteerbaars erin. Als vrije vogel zou ik deze heren graag in de haren zitten. Ik zou keihard krijsen en mijn grote boodschap doen vol onverwerkte klonters. Jammer hoor dat er altijd een ambtenaar opduikt met een hogedrukspuit die het ‘verhaal’ dat daar ontstaat – de kunstzinnige interactie zeg maar – onbewogen uitwist.

Nu maken mensen met kennis van zaken en veel gevoel voor rechtvaardigheid mikpunten van deze voorbije helden. Ik vind het resultaat van hun acties veel beter dan een bordje erbij met een genuanceerde uitleg over de historische figuur in kwestie. Boze mensen schrijven betere teksten. Woorden die ik niet uit m’n spuitbus zou krijgen. Esthetischer ook vanwege de rijkgeschakeerde kronkels en het bonte kleurgebruik.

Verwijdering van ledematen komt het resultaat ook ten goede, vind ik. Wat ik dan weer jammer vind, is dat besloten wordt de beelden, juist in dit stadium van vervolmaking door verf en verminking, uit de openbare ruimte weg te halen. Niet doen overheden. De wisselwerking in het spanningsveld tussen heden en verleden geeft deze struikelblokken de esthetische status die openbare kunst zo vaak moet ontberen.

Nou goed, een overtuigende tekst richting bestuurders is niet aan mij besteed. Ik heb weleens een gedichtje geschreven over dit fenomeen, dat ik hierbij afdruk. Ondertussen zeg ik: succes woedende massa, maak iets moois van jullie pispalen. (P.S.: met het ‘crapuul’ in onderstaand rijm doel ik niet op jullie hoor.)

Schijtnesten (Memento Park)

Ze leken bij hun leven reeds verouderd,
toch staan ze hier nog even breedgeschouderd
op hun sokkels aan de grond:
de boven elke smart verheven beelden
van hoogbevoorrechten en ruimbedeelden
hun hoofden zwaar van stront.

Het onkwetsbaar brons van de gewezen helden
moest het in ieders plaats ontgelden
maar na de stenen en de kogels
waaraan ’t crapuul zich heeft bezeerd
is de rust onder hun blikken weergekeerd;
standvastig nog als pleisterplaats van vogels.

(Uit de bundel Schrammenbloed, ©Cum Suis, 2012)