Waterzucht en wetenschap

Van mijn kortstondige glazen koninkrijk naar de puinhopen van een Afrikaans paradijs.

Tijdens mijn puberjaren vormde mijn slaapkamer een zompig ecosysteem rondom een helverlicht aquarium. De bewoners van dit onderwaterrijk volgden de neerwaartse spiraal van mijn ambitie; ik begon met zebravisjes, maanvissen, kardinaaltetra’s, zwaarddragers, een modderkruiper (pantsermeerval) en een algeneter (borstelneus). Toen deze uitgebalanceerde biologie van tropische allure mijn macht te boven ging, koos ik voor de weg van de minste weerstand: guppy’s. Deze onkruidverdelgers waren niet kapot te krijgen. In de laatste fase van mijn aquaristische carrière capituleerde ik volledig voor het gemak door over te stappen op driedoornige stekelbaarsjes. Die kon je toen nog eigenhandig uit een sloot vissen; ze lieten zich niet uit het veld slaan door een defect verwarmingselement en bovendien had Maarten ’t Hart er een boekje over geschreven.

Overdrijf ik het als ik spreek van een literaire evolutie in vogelvlucht? Mijn gestrande aquarium-ambities kregen jaren later een grootschalig en tragisch spiegelbeeld in Tijs Goldschmidts relaas over de ondergang van het Victoriameer. De onschuldige fascinatie van een beginnend aquarist versus de bittere wetenschap van Darwin’s hofvijver.

Waar ik me nooit aan durfde te wagen, waren de cichliden. Zij vormden de eredivisie; een veeleisend volkje dat met een destructief temperament je hele onderwaterlandschap verbouwt en in een te krappe bak een bloedbad aanricht. Het onderhouden van hun specifieke waterwaarden gold als een hogere kunstvorm die slechts was weggelegd voor de ware aquarist met een onuitputtelijk geduld. Over precies deze vissen schreef de Nederlandse gedragsbioloog Tijs Goldschmidt zijn debuut Darwin’s hofvijver. Het boek werd zo’n succes dat hij z’n wetenschappelijke loopbaan verruilde voor een bestaan als fulltime schrijver en essayist.

In Darwin’s hofvijver neemt Goldschmidt de lezer mee naar de oevers van het Victoriameer, een watermassa zo immens dat mijn visbak een regendruppel leek. Terwijl ik me als jongetje zorgen maakte over de overlevingskansen van een enkele gup, stuitte Goldschmidt op een evolutionair spektakel van ongekende proporties. Hij beschrijft de zogeheten adaptieve radiatie: het biologische wonder waarbij één stamvader zich uitsplitst in honderden soorten cichliden, elk met een eigen specialisatie, kleurpatroon en paringsdans. Het meer was, zoals de titel al suggereert, een levend laboratorium voor de evolutietheorie.

De idylle van dit ‘wetenschappelijke paradijs’ bleek echter van korte duur. Goldschmidt kwam om de pracht van de soortvorming te bewonderen, maar werd onbedoeld de chroniqueur van een catastrofe. De introductie van de Nijlbaars – een vraatzuchtige reus die door menselijk ingrijpen in het meer was uitgezet – verstoorde definitief de ecologische balans. De hofvijver veranderde voor de ogen van de onderzoeker in een massagraf, waarbij de ene na de andere unieke cichlidesoort in de maag van de indringer verdween.

Wat Darwin’s hofvijver zo dwingend maakt, is de manier waarop Goldschmidt de frictie tussen abstracte data en tastbaar verlies hanteert. Als gedragsbioloog is hij opgeleid om patronen te herkennen, niet om te rouwen; toch sijpelt er in zijn relaas een onvermijdelijke melancholie door wanneer de ene na de andere ‘soort’ uit zijn vangnetten verdwijnt. Wetenschappelijk gezien is de teloorgang van de cichliden een fascinerende casestudy in de destructieve kracht van invasieve exoten, maar Goldschmidt verheft het tot een essayistisch drama over menselijke overmoed. De Nijlbaars werd immers niet per ongeluk in het meer gedumpt; het was een weloverwogen economische ingreep die volledig voorbijging aan de fijnzinnige biologische architectuur van het ecosysteem. Het is die nuchtere, bijna cynische observatie van hoe snel miljoenen jaren aan evolutie kunnen worden weggevaagd door een kortzichtig verlangen naar meer visvlees, die het boek zijn gewicht geeft. Voor de lezer die, net als ik, ooit worstelde om een handvol vissen in een glazen bak in leven te houden, is de schaal van deze vernietiging bijna niet te bevatten.

Uiteindelijk is Darwin’s hofvijver meer dan een verslag van een ecologische ramp; het is een proeve van bekwaamheid in de literatuur van de verstilling. Goldschmidt dwingt de lezer oog te hebben voor de fijnzinnige schoonheid van een wereld die er niet meer is, zonder ooit te vervallen in zweverige nostalgie. Hij beschrijft de cichliden met een eerbied die ik als puber onbewust al voelde wanneer ik de aquariumzaak binnenstapte: het besef dat sommige vormen van leven een discipline en toewijding eisen die het alledaagse overstijgen. Waar ik destijds koos voor het gemak van de stekelbaars en de gup, laat Goldschmidt zien wat de prijs is wanneer we diezelfde weg van de minste weerstand op mondiale schaal bewandelen. Zijn besluit om de microscoop in te ruilen voor de pen is dan ook een geschenk voor de lezer; hij heeft de tragiek van het Victoriameer niet alleen gedocumenteerd, maar voorgoed verankerd in ons collectieve geheugen. In de biologie mag de Nijlbaars de strijd hebben gewonnen, in de literatuur zijn het de cichliden van Goldschmidt die het eeuwige leven hebben gekregen.