Verdwenen bedoelingen

Heiligdommetjes die hoogbejaarden moesten huisvesten?

We kunnen het helaas nog niet over de eerste bewoner van mijn huis hebben. Terwijl dat toch het leukere verhaal is. Het bleek een kerkmeester te zijn. Hij moest toezicht houden op de orde tijdens de mis. Dat vond men een serieuze taak en hij manifesteerde zich dan ook als een ernstige, om niet te zeggen strenge man. In de buurt van meneer Koetsier – want zo heette hij – moest je je koest houden. Sloeg hij koorknaapjes? Dat kan ik niet zeggen. We moeten ons eerst storten op het huis waar hij woonde; het huis dat nu mijn huis is en een aantal vragen oproept. Het spijt me dat dit stukje niet over een potentiële sadist gaat maar over een onschuldig stulpje.

Niet ieder bouwsel in Nederland vermag zich in gelijke mate te verheugen in de zegen, dan wel in de vehoogde aandacht of speciale attentie, van de Paus.

Het adres waar ik woon maakt onderdeel uit van een blokje van serievormige katholieke ‘keurslijfjes’ die in de jaren veertig in gebruik werden genomen. De Roomse kerk mocht zich eigenaar en opdrachtgever noemen, maar natuurlijk heeft er in Vaticaanstad nooit ook maar een penningmeester (laatstaande een paus) naar getaald. De Woningbouwvereniging St. Joseph was nauw betrokken bij de ontwikkeling. Ze werden gerealiseerd als onderdeel van het uitbreidingsplan voor de stad. Ze moesten voorzien in de groeiende behoefte aan een plek voor paapsgezinden: een mooie processie van aan elkaar geplakte doorsneewoningen die misschien net iets meer allure bezaten dan de zoveelste rijtjeshuizen omdat ze bedoeld waren als onderdeel van een hofje.

Als we deze woningen met de nummers 35 t/m 61 denkbeeldig op de lange zijde van een L plaatsen, dan zou er nog een bejaardentehuis worden gerealiseerd op de korte zijde van die letter, en wel het dichtst in de buurt van de St. Josephkerk. Dat is echter niet doorgegaan omdat er toen – welk een tijd – nog te weinig katholieke bejaarden waren! Het vreemde is dat ergens wordt vermeld dat aan de Beatrixstraat in 1940 twee blokken ‘bejaardenwoningen’ werden opgeleverd met de naam ‘Meihof’. De vermelding zegt: ‘Voor de realisatie hiervan had pastoor Van der Loo van de Sint Jozefkerk zich erg ingespannen. De naam en het jaartal 1940 staan op een sluitsteen boven in het verbindingspoortje tussen de twee blokken.’

Dat is waar, die sluitsteen bevindt zich daar. Maar dit zou betekenen dat het blokkencomplex met de naam ‘Meihof’, waarin ik woon, in de analen als ‘bejaardenwoningen’ werden aangeduid. Als dit waar is, waarom werd er dan ook nog over het realiseren van een bejaardenhuis gerept? Ik heb naar het antwoord gezocht. Misschien vormt dit een verklaring: in de katholieke woningbouw uit die tijd werd de term ‘bejaardenwoning’ niet gebruikt in de moderne zin van kleine seniorenwoningen. Men bedoelde vaak: woningen ‘voor ouderen of echtparen op leeftijd’ die nog zelfstandig woonden, maar een zekere rust en nabijheid tot de kerk of hun gemeenschap zochten. Met andere woorden: ‘bejaardenwoningen’ konden toen best redelijk ruime eensgezinswoningen zijn, alleen bedoeld voor een wat oudere doelgroep.

Het kan ook zijn dat het oorspronkelijke plan inderdaad in een hofje met bejaardenwoningen en eengezinswoningen voorzag, maar dat dit plan is versoberd of samengevoegd. Een bejaardenhuis (in collectieve zin, dus met voorzieningen) werd nooit gebouwd. In plaats daarvan heeft men wellicht de hele reeks huizen als gewone gezinswoningen uitgevoerd, met behoud van de naam ‘Meihof’ als herinnering aan het oorspronkelijke plan. Dat zou verklaren waarom deze wel gerealiseerde woningen ruimer zijn dan ‘bejaardenwoningen’; ze zijn technisch gewoon gezinswoningen, maar historisch ontstaan uit een parochiaal, later losgelaten, plan waarin ouderenzorg en huisvesting verweven waren.

Kijk, dat is nou het rotte van historische werkelijkheden: ze weigeren zich te schikken naar een goed verhaal over een schijnbare schoft. Je wilt iets spannends schrijven over de eerste bewoner van je huis, en belandt in een kluwen van onvolledige archieven en tegenstrijdige bronnen. Ik voel me een halve archivaris nu. Ik moet het stof uit m’n haren kloppen. Waar is de wijn, de geur van wierook, het flakkerende kaarslicht, de kerkmuziek en het hemelse gezang tegen de achtergrond waarvan ik een verhaal over een mogelijke smeerlap kan ontvouwen? Ik zit opeens vast in een moeras van onduidelijkheden, vermoedens en onvolledige bouwplannen uit 1940 en het wordt nergens spannend.

Ik denk dat ik Conclave uit de kast trek van Robert Harris en vandaag vroeg naar bed ga. Het boek schijnt nog beter te zijn dan de film. Nee wacht; maak daar Betrayal van, samengesteld door een journalistenteam van The Boston Globe (en ook al verfilmd; zie Spotlight).

Een lezer schreef: ‘Koetsier was een prima sympathieke man. Het hele gezin trouwens.’

Ik weet niets meer van Koetsier dan wat ik hierboven over hem heb opgeschreven. Dat de kerkmeester streng was en dat je als kind een beetje zenuwachtig werd als hij zich in je buurt bevond, houd ik voor waar. Die informatie komt namelijk van dezelfde lezer. Maar ik moet toegeven dat tussen strengheid en wreedheid veel verschil zit.

Het stukje dat ik aangaf liever te hebben geschreven dan wat ik hier uit de doeken doe over mijn huis, zal er nooit van komen. Ik gaf een denkbeeldige situatie weer: namelijk die van een valse kerkmeester, of erger. Ik zou het veel leuker vinden om daarover door te gaan omdat zoiets nu eenmaal een plot verschaft en het een zeker vooroordeel zou bevestigen dat ik over kerkmeesters koester (en over het katholicisme in z’n geheel).

Maar of de heer Koetsier ook daadwerkelijk een sadist was, laat ik in het midden door er het bijvoeglijk naamwoord ‘potentiële’ voor te zetten. Later ben ik even voorzichtig als ik het woord ‘smeerlap’ gebruik; daar plaats ik namelijk het woord ‘schijnbare’ voor. De lezer geeft aan dat Koetsier niets kwaads over zich had; hij kan dat absoluut beter weten dan ik.

Conny Braam sprak

Maar over één ding was zij niet te spreken.

En ik maar hopen dat Conny Braam gedurende haar prilste jeugd in mijn huis had gewoond. Mevrouw Braam, de beroemde anti-apartheids activiste die begin jaren zeventig samen met vluchtelingen van het regime van Vorster een solidariteitsbeweging oprichtte die zich ontwikkelde tot een van de belangrijkste pijlers van het ANC. Helaas lag haar jeugd niet achter mijn voordeur, maar zes deuren verder. Ik weet dit van overbuurman R.. Hij schreef mij: ‘Op nr 27 woonden ze. Het Akzo pensioenfonds heeft die woningen ontwikkeld en de medewerkers konden ze huren. Als ze van baan veranderden mochten ze blijven wonen. In de jaren 60 konden mensen het huis kopen voor 15000 tot 24000 gulden.

Conny Braam: “Ben je al eens in de Beatrixstraat geweest? Mijn vader huurde daar een huis van de AKU. Het was piepklein. Ik krijg het nu nog benauwd als ik eraan denk. Ons huishouden, mijn ouders, twee broers en ik, was ook totaal naar binnen gekeerd. Niet opvallen, dat was het credo.”

Hoewel de huizen in mijn straat erg op elkaar lijken, is het rijtje waarin ik woon (35 t/m 61) van de Rooms-Katholieke kerk geweest, en dus ook in opdracht van die heilige moederparochie gebouwd. Dat vind ik een prettig gegeven: dat een atheïst en antimonarchist in een huis komt te wonen waar het bisdom de scepter zwaaide (via haar woningbouwvereniging St. Joseph). Alsof het lot mij een vorm van hypocrisie opdringt waarover ik moet nadenken. En het wordt nog interessanter. Dezelfde overbuurman wist mij te melden dat in mijn huis de familie Koetsier heeft gewoond, waarvan de vader kerkmeester was die onder andere toezicht moest houden tijdens de mis in de Sint Janskerk. Dat gebouw, met de proporties van een kathedraal, prijkt boven alles uit aan de noordoostkant van mijn straat.

Voordat ik over de functie van kerkmeester uitweid, en vooral over hoe Koetsier hier invulling aan gaf, eerst even terug naar Conny Braam. Als je weet dat onze doorgewinterde vrijheidsfanate zich in haar herinneringen uiterst negeatief uitlaat over haar vroege jaren in de Beatrixstraat, is het misschien gek dat ik het jammer vind dat ze niet bij mij heeft gewoond. Behalve strijdmadame ontwikkelde Conny zich ook tot een voortreffelijke schrijfster, die in haar memoires nauwelijks een vriendelijk woord reserveert voor haar tijd in Arnhem. Ik ben vastbesloten om al haar werk te lezen waarin die onwelgevallige jaren in volle glorie voorbij trekken. Een klein tipje van die sluier kreeg ik al voorgeschoteld in een interview dat Conny gaf aan een journalist van De Gelderlander.

Dit interessante stukje werd door R. mijn kant op gedirigeerd. Ik ben mijn straatgenoot alweer erkentelijk. (Ik werd trouwens ook heel aangenaam verrast door de naam van de interviewer van het krantenartikel; hij heet Hans Gülpen en ik beschouw hem als een vriend. In zijn artikelen laat hij de puntjes boven de U weg dus hij denkt dat hij de krant, in de meer dan dertig jaar dat hij daarvoor heeft gewerkt – als vaste kracht en freelancer – ‘een royale badkuip aan drukinkt’ heeft bespaard. Over Hans later meer.) Een ander aspect uit de mij toegestuurde informatie betreft de huisnummers 11 t/m 15. Die bestaan niet. Misschien was het de bedoeling bij het blok 5,7,9 boven- en benedenwoningen te bouwen. Op het kantoor van het Pensioenfonds wist men in ieder geval één ding heel zeker: er zou nooit een huis met nummer 13 mogen komen.

Niets menselijks was de stervelingen in mijn straat vreemd. Dat ze naar een prinses werd genoemd had natuurlijk te maken met loyaliteit en verbondenheid met het Huis van Oranje. Ook dat is een vorm emotionele projectie, oftewel een vertrouwen zonder bewijs. Nee, niet religieus, maar een gevoel van toewijding aan een instituut dat men niet rationeel hoefde te verklaren; de monarchie als symbool van morele standvastigheid, wat een bijna religieuze verering opriep. Oranjeloyaliteit is een soort van burgerlijk bijgeloof: een seculiere vorm van devotie, waarin koninklijke symbolen en rituelen de plaats innemen van traditionele religieuze vormen. Het koningshuis als iets heiligs, iets bovenmenselijks dat het land bijeenhoudt; dat lijkt sterk op religieus symbolisme: de vorst als moreel kompas, als symbool van continuïteit en nationale identiteit.

Wat ik maar zeggen wil: geloof, haat en bijgeloof tierden welig in mijn straatje. Jammer dat Conny Braam niet in mijn huis is opgegroeid; anders had ik kunnen beweren dat haar opstandige geest nu al bezit van me heeft genomen. Ach nee, laat maar; ik besef meteen dat zo’n gedachte ook weer iets van een geloof verraadt.

De mannen in het zwart

Een typisch geval van overalertheid.

Het verhaal is rond. Het raadsel was banaal. De man in het zwart heeft ook bij mij aangebeld, zoals bij andere huurhuizen in mijn straat. Hij kwam slechts op asbest controleren. Hij werkte voor de woningcorporatie. Dat hij ook nu weer geheel in het zwart was gekleed – net als toen ik hem voor de boeman aanzag die hij niet bleek te zijn – maakte het verhaal van zo’n twee weken daarvoor iets aannemelijker. Hoewel nog steeds onvergeeflijk. Want het berustte op een misverstand.

Mijn vergissing ontstond nadat ik als nieuwe bewoner was toegevoegd aan de straatapp. Daar verscheen een waarschuwing: ‘Ter info: er is een oplichter actief in de Irenestraat en Beatrixstraat. Hij belt aan in zwarte werkkleding, beweert dat hij Theunissen heet en dakreparaties uitvoert. Hij zegt schade te hebben gezien, vraagt om een aanbetaling voor materiaal bij de Praxis en verdwijnt vervolgens. Zijn gegevens kloppen niet: G. Teunissen Klusbedrijf Kvk 09160841: niet bestaand. Telefoonnummer 06-16862856: onjuist.’

Het toeval wilde dat ik, toen ik nog volop aan het verhuizen was, door een man werd aangesproken op straat. Ik kan mij niets van zijn uiterlijk herinneren, alleen maar dat hij niet in het zwart was gekleed. Toch vond ik dat ik mijn nieuwe whatsapp-vrienden op de hoogte moest stellen van wat ik wel wist: ‘Die man sprak ook mij aan over een losliggende loodflap. Maar wat ik niet begrijp: toen hij die aanwees, meende ik die echt los te zien liggen. Had hij dat dan zelf gedaan, toen hij bijvoorbeeld voor iets anders op het dak was? Saboteert hij de boel? (Ik heb overigens geen gebruik gemaakt van zijn diensten.)’

Buurman R. antwoordde: ‘Dat doet hij dus inderdaad.’ En ik: ‘Wat? Rukt hij dat gewoon los? Maar dat moet gebeurd zijn toen ik hier nog niet woonde. Dan ligt dat ding daar los en móet ik dus wel iemand laten komen! Da’s gewoon vernieling.’ Een andere buur nuanceerde het: ‘Hij gaat eerst met een dakpan het dak op, maakt dan een loodflap los en vraagt daarna om geld. In jouw geval vermoed ik dat het lood al wat oud is en misschien al wat los of scheef zat. Dat maakt het makkelijker voor hem, dan hoeft hij niet eerst het dak op.’

Ik wilde graag kwijt dat ik, in mijn ogen, best verstandig had gereageerd. Ik had tegen de ‘losliggende-loodflap-man’ gezegd: “Oh, daar moet ik de woningbouwvereniging dan even naar laten kijken.” Dat leek me voor een oplichter niet interessant meer. Ik dacht er verder niet bij na, behalve dat het me geruststelde dat ik als huurder gewoon melding kon doen bij Volkshuisvesting. Die sturen wel iemand, dacht ik. Men had trouwens ook de wijkagenten ingeschakeld. Die schreven dat ze op de hoogte waren van deze man, en dat het goed was dat we alert bleven.

Daarna werd het stil. Totdat ik, twee weken later, een man in het zwart bij mijn buurvrouw zag aanbellen. In de straatapp schreef ik: ‘Zou iemand mij even willen dm’en of bellen over de man in het zwart waarover hier een discussie was losgebarsten? Ik wil geen valse beschuldiging uiten, maar iets verifiëren. Het gaat om het bezoek van een asbestcontroleur. Niet bij mij, maar bij iemand die niet op deze app zit en dus niet op de hoogte is. Ik hoop dat ik spoken zie, maar toch…’ (P.S. Ik heb het nummer van de wijkagent gebeld, maar krijg geen gehoor. Ik wil niet iemand zijn die moord en brand schreeuwt zonder reële aanleiding. Maar die is er wel naar mijn gevoel.)

De les voor mij: ik had beter moeten doorvragen. Mijn oude buurvrouw is bepaald niet gek. Alertheid is mooi, maar bemoeizucht niet. Ik moest het schaamrood op mijn kaken er even uitwandelen. Ik belde mijn zus. “Het is echt niet zo raar dat je dit verkeerd hebt ingeschat, gezien wat er tegenwoordig allemaal gebeurt,” troostte zij mij. Ik pakte dit gretig op: “Ja, de wereld zit vol oplichters, en Arnhem heeft wat dat betreft best een reputatie. Maar in plaats van de straat op te rennen, had ik iets langer met de buurvrouw moeten praten.”

Ik had bij haar aangebeld, maar liep direct door om de nummerplaat van de man te noteren. Toen ze opendeed, riep ik van een afstand: “Is hij op het dak geweest?” Waarop ze antwoordde: “Nee, hij is de asbestcontroleur.” Ik dacht toen: ook niet in orde, en sprak andere buren aan. Pas later vertelde ze mij dat hij gewoon van de woningcorporatie was.

Ik had mij het hoofd op hol laten brengen door overalertheid en een te snelle aanname.

Het ontzielde voertuig

Eenmaal boven water liet ik Beke’s amfibieboot snel weer varen.

Er zijn van die momenten die je doen beseffen hoe schimmig tijd en herinnering soms samenwerken. Neem een berichtje op de ‘Bea-app’, de online stoep van onze straat, cq ons digitale buurthuis, waar prangende vragen worden gesteld. Plotseling dook daar een naam op: een hoofdpersonage uit iemands jeugd, dat ik óók kende. Dat wil zeggen: ik kende de hoofdpersoon, maar zo vaag, dat ik die nooit als vergeten zou hebben bestempeld.

De hulpvraag op de straatapp van de één en het antwoord van de ander greep de pastoor aan om te illustreren hoe menselijke goedheid altijd boven komt drijven. Hij sprak van het voertuig van de ziel waarmee soms ook onze verbeelding zich verplaatst. Terwijl ik alleen een amfibievoertuig wilde zien waarover werd gesproken. Pastoors weten dat zodra het mysterie wordt ontrafeld en het prozaïsch blijkt te zijn, de magie wegebt. Van dergelijke ontnuchteringen raakt het geloof in verval.

Het ging de zoeker trouwens om meer dan alleen maar een naam van een detective. Er hoorde ook een vervoermiddel bij. Hij formuleerde zijn zoekvraag zo:

Ik meen me te herinneren dat ik in mijn jeugd (eind jaren zestig moet dat zijn geweest), een detectiveserie heb gelezen die zich afspeelde aan de Veluwezoom. En als ik mij goed herinner, had de hoofdpersoon een amfibievoertuig. Doet dit misschien bij iemand een belletje rinkelen? Ik ben op internet aan het zoeken geweest, maar het resultaat daar is precies nul.

Een andere straatgenoot vond het antwoord. Zij noemde De schrik van de Imbosch van Carel Beke. Hierin speelt Pim Pandoer de hoofdrol. Voor mij was het verhaal net begonnen – namelijk met de zoektocht van de één – en nog lang niet geëindigd met de hulpvaardigheid van de ander, die een afbeelding van de voorkant van het boek deelde. Ik wilde die kaft meteen omslaan en beginnen met lezen. Dat amfibievoertuig moest ik zien. Ik wist op dat moment zeker dat ik niet verder kon voordat ik dat voertuig onder ogen had gekregen.

Tegelijkertijd begon er in mijn hoofd een stem te preken. Dat gebeurt wel vaker, maakt u zich geen zorgen. Het was pastoor Pim Pandoer. Hij sprak vanuit het buurthuis, dat opeens in een kerkje was veranderd.

“Wat hier gebeurde,” zei hij, “was iets heel bijzonders. Het gaat mij niet om het boek zelf, hoewel dat natuurlijk een schat aan jeugdsentiment herbergt: een detectiveverhaal dat zich afspeelt tussen de bossen en heuvels van de Veluwezoom, een amfibievoertuig dat door de modder ploegt alsof het een tijdmachine is. Het gaat mij om de hulpvaardigheid; de simpele, onvoorwaardelijke bereidheid van een medemens om te helpen.”

Dat kan wel zijn, wilde ik antwoorden, maar ik ben nu op een spoor gezet dat voor mij veel concreter is. Een twee-elementenvoertuig om een beetje filosofisch te doen, een terra-aqua-wagen om mij wat Latijnser uit te drukken, een land-en-waterkar om het luchtig te houden. Het mocht niet baten. De pastoor had het woord genomen en wilde het niet meer afgeven. Zijn kerkje was een heuse kathedraal op een heuvel geworden. Hij sprak alsof hij op de kansel stond en had, voor zijn gevoel, een geweldig thema te pakken:

Denk ook aan het contrast. De zoeker heeft gezocht, misschien met veel te veel trefwoorden op internet, hopeloos verdwijnend in de zee van digitale data. En ineens, zonder enige beloning behalve de voldoening van een goed geheugen en een groot hart, komt er iemand langs die zegt: “Oh, dat is dit boek.” Klaar. Eenvoudig. Rechtstreeks. Een beetje zoals een oude speurneus die een verdwenen aanwijzing vindt die niemand anders zag.

En er zit iets ontroerends in dit soort momenten. Want wie had ooit gedacht dat de Veluwezoom en een amfibievoertuig uit de late jaren zestig, zo’n naïeve jeugdverwondering, op een digitale app in 2025 weer tot leven zouden komen? Ergens tussen emoji’s en korte zinnetjes, gebeurt iets dat je doet glimlachen. Het herinnert je eraan dat menselijke connectie geen leeftijd kent, dat herinnering collectief kan worden gedeeld, dat het plezier van een gevonden antwoord even warm kan zijn als het plezier van het originele verhaal zelf.

Jeugdsentimenten zijn een apart soort magie. Ze zijn verstopt in geuren, in geluiden, in boeken die je als kind verslond. En soms, heel soms, komen ze terug via een ander, via een onbekende helper, en voel je je even weer die tienjarige die met ingehouden adem de pagina’s omsloeg van een detective waarvan hij elk detail koesterde. Het mooie van dit alles is dat het niet gaat om snelheid of efficiëntie. Het gaat om aandacht. Om het besef: iemand leest, iemand herinnert, iemand deelt. Dat is hulpvaardigheid in haar puurste vorm. Het soort hulpvaardigheid dat niet opschept, dat niet iets terugvraagt, maar simpelweg de wereld een beetje completer maakt.

Misschien is dat wel de moraal van het verhaal: dat de wereld, zelfs in digitale vorm, soms net zo magisch kan zijn als de amfibievoertuigen van Pim Pandoer. Dat kleine gebaren, een naam, een hint, een herinnering, een correctie, een suggestie, de wereld een beetje rijker maken; en dat ze de tijd overbruggen, van de jaren zestig tot nu, van jeugd tot volwassenheid, van een vergeten avontuur tot een gevonden glimlach. En wie weet: misschien was dat boek zelf nooit zo belangrijk geweest, als het niet had geleid tot dit moment van onverwachte, eenvoudige vriendelijkheid.

Terwijl de pastoor deze woorden sprak – op de voor hem zo gezalfde wijze – had de oorspronkelijke vrager niet stilgezeten. Hij was meteen gaan zoeken op de aangereikte trefwoorden Carel Beke, De schrik van de Imbosch, Pim Pandoer en amfibievoertuig. Hij vond op Wikipedia alles wat er te weten viel. Het werd eindelijk stil in mijn hoofd. De pastoor had zijn punt gemaakt: de zegen van onderlinge hulpvaardigheid was weer eens aangetoond.

Ik las over de schrijver en zijn antagonist. Ik kreeg de voorkanten van zijn boeken te zien. Er dook een gefragmenteerd beeld op van het amfibievoertuig. In korte tijd werd alles veel prozaïscher dan ik hoopte. Zolang iets in nevelen gehuld blijft, is de aantrekkingskracht groot, de interesse gewekt, de zoektocht in volle gang. Maar wanneer de ontsluiering komt en het geheim alledaags blijkt, vervliegt de betovering. Ik was weer snel over mijn hoogtepunt heen.

De pastoor vertrouwde veel meer dan ik op de mensheid.

Drie kanaries in een kolenmijn

Waarom Meidas Touch onmisbaar is voor de Amerikaanse (en onze) democratie.

Als Nederlander met een – naar mijn mening – goede passieve beheersing van de Engelse taal, begrijp ik de Amerikaanse politiek beter dan ik kan verwoorden; voor dat laatste ben ik niet welsprekend genoeg. Ik kan alle nuances van politieke debatten moeiteloos volgen, maar als ik zelf het woord moest voeren, zou ik minder scherp en woordrijk overkomen dan ik wilde. Alleen al daarom ben ik onmachig om het lot van Amerika ook maar een jota te beïnvloeden. Ik onderga wat daar gebeurt met de radeloosheid van een waarnemer die slechts door een glazen wand mag toekijken, bewust van de impact van de huidige gebeurtenissen, maar gevangen in een afstand die onoverkomelijk lijkt.

Vanuit Europa zie ik het MeidasTouch Network als het scherpste wapen in de strijd om het discours over de democratie te heroveren.

Die taalbarrière doet niets af aan mijn zorgen over de staat van de democratie in de Verenigde Staten, die ik wel nog steeds als de hoeksteen van de westerse wereld beschouw. Vanuit mijn Europese perspectief is het cruciaal dat er krachten vrijkomen die zich actief verzetten tegen de erosie van democratische normen. En dat is precies waarom ik Meidas Touch Network zo ontzettend belangrijk vind. Voor mij is Meidas Touch veel meer dan alleen een progressief mediakanaal. Het is een digitale verdedigingslinie. Het netwerk, opgericht door de drie broers Ben, Brett en Jordy Meiselas, is ontstaan uit pure noodzaak en frustratie over de politieke chaos. Ze waren geen doorgewinterde politieke operatoren, maar een burgerrechtenadvocaat, een video-editor en een marketingexecutive die vonden dat ze moesten handelen.

De kracht van MTN ligt in hun compromisloze aanpak om het narratief terug te veroveren van de rechtse media. In een tijdperk waarin desinformatie zich met duizelingwekkende snelheid verspreidt, gebruiken zij de moderne mediatools – korte, virale video’s en podcasts – om op heldere en directe wijze te communiceren over de feiten en de gevaren. Ze stellen zichzelf niet op als partijpolitieke influencers, maar als verdedigers van de democratie. En eerlijk gezegd is dat voor mij in deze context hetzelfde. Ze doen wat traditionele media soms te langzaam doen of te voorzichtig: ze benoemen leugens als leugens. Hun content is scherp, gevat en vaak humoristisch, maar altijd met een serieuze, feitelijke ondertoon. Ze ontmaskeren de gaslighting van de MAGA-beweging en degenen die de verkiezingsuitslagen in twijfel trekken.

Als toeschouwer die de Amerikaanse democratie als een essentieel bolwerk beschouwt, zie ik Meidas Touch als een van de meest effectieve checks and balances in het informatietijdperk. Ze mobiliseren een publiek dat snakt naar eerlijke en duidelijke berichtgeving, en ze bieden een digitaal thuis voor mensen die de democratische principes willen verdedigen. Zonder zulke onverschrokken stemmen, die niet bang zijn om hun ongenoegen over de extremen aan de rechterflank luid en duidelijk te uiten, zou het publieke debat in de VS nog verder scheefgroeien. Daarom ben ik ervan overtuigd dat de broertjes Meiselas met hun netwerk een noodzakelijke en onmisbare rol spelen bij het bewaken van de Amerikaanse democratie. Ze geven de gewone burger een duidelijke stem en een krachtige tool in de strijd voor de waarheid. En dat is van onschatbare waarde.

Laten we proberen hun videokanaal naar 6 miljoen abonnees te brengen (op dit moment is dat 5,51M).

P.S.: We zien hoe politieke figuren die kritiek hebben op Trump steeds vaker doelwit worden van zijn retoriek en acties. Het is beangstigend om te bedenken wat er met het cruciale tegengeluid van de gebroeders Meiselas kan gebeuren. Als er iets gebeurt waardoor hun stem verstomd raakt, vrees ik dat dit het definitieve einde van de democratische waarden in de VS inluidt, waarmee de weg naar autocratie onder Trump definitief zou worden geplaveid. Hun veiligheid is, in zekere zin, de veiligheid van de Amerikaanse democratie zelf.

De schaduw van het mededogen

“Hoor wie het zegt,” zegt hij die iets zei, nu zelf.

De schaakwereld is in rouw. Het plotselinge verlies van Daniel Naroditsky hakt erin. Te midden van deze shock laat Magnus Carlsen zich van zijn beste kant zien. Zijn woorden over Danya’s dood zijn geen standaard eerbetoon. Ze klinken oprecht en dwingen ons om te erkennen hoe wantrouwen en vijandigheid de online schaakgemeenschap hebben doordrenkt.

De affaire rond Hans Niemann speelde zich af in 2022. Carlsen suggereerde na een onwaarschijnlijke nederlaag dat Niemann vals speelde. Hij trok zich terug uit het toernooi. Het grote verschil met Kramnik richting Daniel Naroditsky, is dat Carlsen niet bleef drammen met zijn beschuldigingen. De zaak leidde niettemin tot veel ophef. Er werd nooit overtuigend bewijs tegen Niemann gevonden. Door voortschrijdend inzicht durft Magnus zijn spijt en zijn schaamte inmiddels te omarmen. Dat blijkt ook in zijn rouwbetoon aan Danya.

“Wat ze met Danya deden, was vreselijk,” zegt Carlsen. Hij doelt op de eindeloze, ongefundeerde beschuldigingen van valsspelen, vooral gevoed door oud-wereldkampioen Vladimir Kramnik. Carlsen spreekt de woorden die velen willen horen: “Niemand geloofde echt dat Danya vals speelde.” Het is een late verdediging, maar een die aankomt. Danya, een grootmeester met een gouden hart en een commentator die schaakliefde deelde met duizenden, werd vermorzeld door een digitale heksenjacht. Het wantrouwen dreef hem in een hoek.

Wat Carlsen’s woorden geloofwaardig maakt, is zijn blijk van oprechte spijt. “Ik wou dat ik meer voor hem had gedaan,” zegt hij. Hij voelde al langer dat het niet goed zat, maar zweeg. Die stilte, geeft hij toe, was een fout. En dat komt hard binnen, juist omdat het van hem komt, de man die zelf een speler beschuldigde van valsspelen en daarvan de chaos meemaakte. Hij kende de pijn van zo’n publieke vernedering; niet als slachtoffer, maar als iemand die de verwoesting van dichtbij zag. Met de wijsheid van de terugblik toont hij berouw over wat hij toen onbedoeld teweeg heeft gebracht, maar ook om wat hij richting Danya heeft nagelaten.

Toen de rel rond Hans Niemann uitbrak, stond Carlsen zelf in het oog van de storm. Ook toen speelde twijfel een rol, maar met een andere lading, een andere context, en andere motieven. Magnus maakte geen heksenjacht van zijn vermoedens van valsspel. Toch liet het gevolg van zijn woorden en daden zien hoe dun de grens is tussen zorg om de zuiverheid van de sport en het risico iemand zonder opzet te beschadigen. Daarom begrijpt hij nu, met Danya’s lot nog vers in het geheugen, pas echt hoeveel gewicht een verdenking uit zijn mond kan hebben.

De suggestie wekken was genoeg. Magnus hield het indertijd bescheiden. Hij wilde geen hetze veroorzaken. Hij is er de man niet naar om dingen op te blazen. Maar een vedette hoeft maar iets te zeggen en de wereld pakt het op. De nummer één in de sport kon zelf de gevolgen niet reguleren van zijn zo voorzichtig mogelijk geuitte wantrouwen. Tijdens een partij aan het bord meende Magnus iets verdachts te constateren bij zijn tegenstander, wat hij later publiekelijk ter sprake bracht. Verdere insinuaties door anderen deden hun werk. De sensatiepers zag zijn kans schoon om er gewetenloos op los te gaan. Hans Niemann kreeg de volle lading.

Danya’s dood is niet los te zien van deze schaduw. Magnus hoeft zich de gevolgen van zijn gedeelde verdenkingen richting Hans Niemann maar voor de geest te halen of hij begrijpt de hypocrisie in zijn beschuldiging aan het adres van de huidige kwaadsprekers. Hij en de rest van de schaakwereld staan voor een pijnlijke vraag: hebben wij dit niet zelf laten gebeuren? Als een onschuldige speler maandenlang wordt neergesabeld door geruchten, aangewakkerd door grote namen, is dat niet zomaar een rel, dat is een menselijke tragedie. Danya noemde Kramniks aanvallen “erger dan vuil”. Die woorden echoën nu harder dan ooit.

Danya was meer dan een schaker. Hij maakte schaak toegankelijk. Met zijn lach en zijn briljante geest bracht hij de top en de amateurs dichter bij elkaar. Zijn verlies is een schreeuw om verandering. De schaakwereld moet stoppen met wantrouwen, of althans: eerst het bewijs leveren voordat zich geruchten gaan verspreiden. Er staat veel op het spel in deze ernstige sport. Het is belangrijk dat men elkaar als mens blijft behandelen. Laat Carlsen’s spijt een wake-upcall zijn. Het is tijd voor een schaakwereld die niet alleen slim is, maar ook warm en eerlijk.

Daniel Naroditsky (Danya) was niet alleen een briljante grootmeester met een piek Elo-rating van 2647 en winnaar van het US Blitz Championship in 2025, maar vooral een ongelooflijk toegankelijke en inspirerende leraar. Zijn kracht lag in het uitleggen van complexe schaakdenkprocessen op een manier die beginners én gevorderden raakten; helder, geduldig en met humor.
Daar zat ‘m dus de kneep van Kramniks’ venijn.

Het doel heiligt de bemiddeling

Ietwat kunstmatig in leven gehouden prachtproducten.

Om gratis toegankelijk te kunnen blijven, vraagt The Guardian zijn lezers bij elk online bezoek om een bijdrage. Je neemt als gebruiker de ‘bedelpop-ups’ voor lief omdat je er een objectieve informatiebron voor terugkrijgt. De eerlijke, Engelstalige krant kan, tot nu toe, wereldwijd op voldoende steun rekenen. Dit is een voorbeeld van een orgaan dat z’n onafhankelijkheid waarborgt door z’n hand op te houden bij bewonderaars, of bij meer pragmatische betalers die behulpzaam willen zijn.

Elke keer dat The Guardian om steun vraagt, denk ik even na over wat echte onafhankelijkheid kost. Ze blijven schrijven zonder betaalmuur en dat is precies waarom ik ze iets gun. Die kleine pop-ups die vragen om steun vind ik eerder ontroerend dan opdringerig; ze herinneren me eraan dat vrijheid van informatie niet vanzelf spreekt. Ik geef The Guardian graag wat krediet; niet alleen financieel, maar moreel. Hun oproep om steun voelt niet als marketing, maar als een eerlijk bewijs van hoe kwetsbaar onafhankelijke journalistiek eigenlijk is.

DPG gaat enkele van zijn kranten gratis maken voor studenten, las ik, omdat die hun nieuws nu vaak uit minder partijdige bronnen halen, zoals de socials. Je zou het ook als een ondersteuning van onbevooroordeelde journalistiek kunnen bestempelen. De bezitter van het blad betaalt uit eigen middelen, dus is er geen sprake van valse bevordering of een verstrengeling van belangen waar een luchtje aan zou zitten. Dit is een voorbeeld van bijstand aan de integriteit van nieuwsmakers waarbij de krant z’n eigen broek ophoudt met het geld van abonnementshouders en losse kopers. 

Regeringen en de EU komen ook vaak beroepsgroepen tegemoet die lijden onder de last van oneerlijke concurrentie. Vanuit die overweging worden bijvoorbeeld boeren gesubsidieerd vanuit de staatsruif of de EU-pot. En dat terwijl zulke agrariërs vaak een ongezond geproduceerd product afleveren. De rechtvaardiging voor ondersteuning snijdt echter hout: in de landen waarmee geconcurreerd moet worden lapt men milieuregels nog veel drastischer aan de laars. Ik zou deze hulp voor westerse voedselproducenten willen bestempelen als het bevorderen van rechtvaardigheid, waaraan echter wel een luchtje blijft kleven. Maar ik gun ze die back-up, laat dat duidelijk zijn.

Waarom zette ik het bovenstaande op een rijtje? Omdat ik terug moest denken aan een vriend die ik voor het laatst had bezocht toen hij in het ziekenhuis lag om te herstellen van een longtransplantatie. Hij noemde die ingreep “uitstel van executie”. Dat wilde hij niet hardop zeggen want hij had veel respect voor de vorige eigenaar van zijn orgaan, alsook voor de dokters. Hij was verlegen met alle goedheid die hem ten deel viel en voelde zich bovendien nog steeds schuldig omdat hij altijd veel te veel had gepaft. Soms moeten mooie dingen een beetje geforceerd in leven worden gehouden, vond ik toen en nu. Voor de zuiverheid, de waarde en de betekenis van zo’n lief, ondersteunend gebaar, maakt het niet echt uit hoe lang dat goed gaat.

Lezersreactie:

Mooie slotalinea, maar ik vroeg me af in hoeverre die nog aansluit bij de drie voorbeelden erboven. De overgang naar het persoonlijke, met je vriend en de longtransplantatie, voelt bijna als een ander verhaal. Had je die verbinding bewust zo losjes gelegd?


Antwoord:
Dank voor je oplettende vraag; en ja, die overgang is bewust gekozen, juist omdat ze het onderliggende thema op een ander vlak laat resoneren.

In de eerste drie alinea’s beschrijf ik telkens een spanning tussen ondersteuning en onafhankelijkheid, tussen zuiverheid en noodzaak. The Guardian, DPG en de boeren krijgen of bieden steun die iets goeds in stand houdt, maar die tegelijk moreel of praktisch wringt: idealen worden overeind gehouden dankzij vormen van afhankelijkheid.

De laatste alinea tilt datzelfde dilemma naar een persoonlijk niveau. De vriend met de longtransplantatie leeft voort dankzij een “ondersteuning” — een orgaan, een medische ingreep — die enerzijds een teken van liefde en menselijkheid is, en anderzijds een fragiele, tijdelijke oplossing. In die paradox zit voor mij dezelfde lading als in de maatschappelijke voorbeelden erboven:

Soms moeten mooie dingen een beetje geforceerd in leven worden gehouden.

Of het nu gaat om onafhankelijke journalistiek, eerlijke landbouw of het menselijk lichaam zelf — zuiverheid en voortbestaan zijn nooit helemaal vanzelfsprekend. Toch schuilt de waarde juist in dat kwetsbare evenwicht.

Hoe staat Sam Harris hierin?

Een kompas dat werkte in alle streken.

Er heeft een tijd bestaan waarin Sam Harris mijn intellectuele kompas was. Zijn stem, kalm maar scherp, sneed als een scalpel door de mist van religieuze dogma’s en morele verwarring. Hij gaf mij – atheïst van huis uit – niet alleen argumenten, maar een taal om mijn ongeloof te funderen, een baken van rede in een wereld die vaak zwicht voor irrationaliteit. Toch is mijn bewondering gaan wankelen. Zijn standpunten over Israël en Gaza voelen te eenzijdig, te toeschietelijk voor een regering wiens acties ik steeds vijandiger vind. Ben ik te hard? Of heeft mijn graadmeter een kras opgelopen? In dit stukje onderzoek ik mijn teleurstelling, maar ook waarom Harris nog steeds een stem is die ik niet zomaar loslaat.

Sam Harris’ standpunt over Israël is niet de eerste keer dat ik mijn wenkbrauwen frons. In Waking Up omarmt hij mindfulness met een verrassende, overtuigende helderheid. Terwijl ik dat voor het lezen van dat boek als zweverige onzin afdeed. Of erger. Ik noemde het ooit ‘hippe onzin voor yogasnuivers’, niet wetend dat ik dat zei tegen de dochter van een mindfulness-instructrice. Oeps. Net als Harris’ vrouw, trouwens.

Mijn ongemak begon na 7 oktober 2023, toen Hamas’ gruwelijke aanval op Israël de wereld schokte. Harris’ reactie, voornamelijk via zijn podcast Making Sense en Substack, was helder: Israël, als bastion van liberale democratie, vecht een existentiële strijd tegen de barbarij van Hamas. Hij noemde de oorlog een “duidelijke lijn tussen goed en kwaad” en steunde Israël’s recht om Hamas te vernietigen, inclusief Hezbollah, met minimale aarzeling. “De oorlog kan morgen eindigen als Hamas de gijzelaars vrijlaat,” schreef hij in november 2023, de verantwoordelijkheid voor Gaza’s lijden vrijwel volledig bij de terroristen leggend.

Waar was de nuance die ik van hem kende? De Israëlische bombardementen, die tienduizenden burgers doodden, en de blokkade die Gaza in een humanitaire nachtmerrie stortte, kregen amper kritiek. In een blogpost uit januari 2024 ontkrachtte hij de “mythe van genocide” en noemde Israël’s optreden “ongelooflijk terughoudend” vergeleken met wat Hamas zou doen. Dit voelde als een excuus, een bagatellisering van disproportioneel geweld. Zelfs in 2025, toen hij in een Substack-post de “tragedie van Gaza” betreurde, bleef hij hameren op Hamas’ menselijke schilden en een “deluge van antisemitisme” als context voor zijn pro-Israëlische standpunt. Kritiek op Netanyahu’s regering of de bezetting bleef grotendeels uit.

Ik snap zijn focus: Harris ziet de wereld door de bril van jihadisme versus beschaving, een thema dat zijn werk sinds The End of Faith doordrenkt. Maar deze binaire visie – Israël als goed, Hamas als kwaad – negeert de complexiteit van een decennialang conflict. Het maakt hem, in mijn ogen, te toeschietelijk voor een regering wiens acties steeds moeilijker te verdedigen zijn. Misschien vergis ik me, maar mijn graadmeter sputtert hier. Harris’ focus op religieus extremisme is logisch, maar voelt te kort door de bocht als het de humanitaire tol van onschuldige gelovigen marginaliseert.

Toch kan ik Harris niet reduceren tot deze ene kras. Voor mij, en miljoenen anderen, is hij een intellectuele rots in de branding geweest. Als kind van seculiere ouders worstelde ik soms met het uitleggen van mijn atheïsme aan gelovige vrienden of familie. Harris gaf me de wapens; niet om te vechten, maar om te verhelderen. Zijn Letter to a Christian Nation (2006) is een meesterwerk van beknopte eloquentie: “Atheïsme is niets meer dan de geluiden die redelijke mensen maken in de aanwezigheid van ongerechtvaardigde religieuze overtuigingen.” Die zin was een openbaring: mijn ongeloof was geen afwijzing, maar een viering van rede.

Zijn wijsheid schittert in debatten, zoals met William Lane Craig in 2011, waar hij goddelijke moraliteit ontmantelde. “Als God moreel is, waarom beveelt Hij dan genocide in de Bijbel?” vroeg hij, om vervolgens te stellen dat een echt morele god geen wreedheid zou rechtvaardigen. Het was geen aanval, maar een uitnodiging tot beter denken, geworteld in neurowetenschap en filosofie. In The End of Faith (2004) schreef hij: “De poorten van het paradijs staan wijd open voor martelaren, maar voor de rest van ons is er alleen dit leven, dat we met rede en empathie moeten vullen.” Die poëtische urgentie maakte atheïsme niet kil, maar warm en menselijk. Harris leerde me dat ongeloof geen leegte is, maar een canvas voor ethiek, een geschenk dat ik nooit zal vergeten.

Als er één punt is waar Harris mijn maatstaf blijft, is het zijn afschuw voor Donald Trump. Zijn kritiek is niet zomaar schelden; het is een dissectie van een man die hij ziet als een existentiële dreiging voor democratie en waarheid. In een podcast uit maart 2025 met Jonah Goldberg waarschuwde hij voor “Trump 2.0” en diens geflirt met tech-rechtse figuren als Curtis Yarvin, die de liberale orde ondermijnen. “Trump leeft in een parallelle realiteit van leugens,” zei hij in augustus 2025, verwijzend naar Trumps aanvallen op rechters. Hij vergelijkt Trumps leugens met Hannah Arendts totalitarisme: een erosie van gedeelde waarheid.

Zelfs in bredere zin blijft hij consistent. Al in 2018 noemde hij Trump een “symptoom van moreel verval”; in 2025, met David French, noemde hij hem “de echte kanker” vergeleken met Bidens zwaktes. Dit is Harris op zijn best: analytisch, principieel, en onverbiddelijk. Het is een zeldzaam punt waar ik hem nog blind volg, een baken in een gepolariseerd landschap.

Dus waarom laat ik Harris niet los, ondanks mijn teleurstelling? Een idool is meer dan een verzameling standpunten; het is een stem die je heeft gevormd, een gids in donkere tijden. Zijn boeken en podcasts zijn deel van mijn intellectuele DNA; van zijn pleidooi voor mindfulness (ook een ‘dingetje van hem dat mij doet fronsen) tot zijn waarschuwingen voor dogmatisme. Zelfs zijn Israël-standpunt, hoe eenzijdig ook, dwingt me tot eigen denken; ironisch genoeg precies wat hij predikt in Waking Up.

Loyaliteit aan een idool is selectief, en dat lijkt me gezond. Ik omarm zijn atheïstische vuur en Trump-kritiek, maar bevraag zijn geopolitieke ‘blind spots’. Dit spanningsveld is groeipijn: het herinnert me eraan dat geen enkel kompas perfect is. Harris zelf zou dat toejuichen; hij waarschuwt immers voor echo-kamers, links én rechts. En dan is er de emotionele band: zijn stem, die mix van kalmte en urgentie, voelt als een prettig, vertrouwd geluid van een oude vriend.

Dus nee, ik laat Sam Harris niet vallen. Ik kras en sputter maar hij blijft mijn leidraad. Hij wijst nog steeds in de richting van rede in een donkere wereld. Misschien is dat het echte geschenk van een idool: hij biedt geen onfeilbaarheid maar de moed om te blijven zoeken naar waarheid, zelfs als je het oneens bent.

Sam Harris mag dan op dit moment een iets minder vanzelfsprekende graatmeter voor mij zijn, veel van zijn oude uitspraken staan voor mij als een huis.

De verboden parade die niet viel te stoppen

Hoe Boedapest opstond tegen Orbáns dreiging, met steun uit Europa.

Budapest Pride lijkt vandaag zonder geweld te zijn verlopen. Dat is op zichzelf al een overwinning, want de mars vond plaats ondanks een officieel verbod van de Hongaarse regering, dat deelname strafbaar stelt met een boete van 500 euro en mogelijk zelfs gevangenisstraffen voor de organisatoren. Er werd gedreigd met het gebruik van technologie voor gezichtsherkenning, waardoor deelnemers later alsnog in conflict kunnen raken met het bewind. Toch stroomden duizenden mensen de straten op; niet alleen queer Hongaren, maar ook bondgenoten, gezinnen, mensen met een beperking, en opvallend veel buitenlandse afgevaardigden.

Dat de Pride uiteindelijk zonder ingrijpen kon doorgaan, had volgens mij niets met tolerantie te maken, maar met berekening. Orbán weet dat harde repressie tegen de aanwezige Europarlementariërs, ambassadeurs en buitenlandse delegaties tot internationale ophef en diplomatieke schade zou leiden. Tegelijk ziet hij zijn machtsbasis afbrokkelen: in de peilingen verliest hij terrein aan Péter Magyar, en hij kan zich geen nieuw conflict veroorloven dat de Europese subsidiepotten in gevaar brengt. Angst voor gezichtsverlies en verlies van macht hield hem dit keer tegen.

Dat laatste zal vermoedelijk een doorslaggevende factor zijn geweest. Tientallen Europarlementariërs, diplomaten, en ook de Amsterdamse burgemeester Femke Halsema waren zichtbaar aanwezig. Hun aanwezigheid maakte het voor de regering Orbán uiterst onaantrekkelijk om met harde hand in te grijpen: geweld tegen demonstranten zou niet alleen het Hongaarse imago internationaal verder beschadigen, maar ook diplomatieke incidenten kunnen veroorzaken. Zo werd een poging tot onderdrukking, ironisch genoeg, door internationale solidariteit geneutraliseerd.

De Pride begon ooit als een protest, niet als een feestje. In 1969 weigerden trans vrouwen, lesbiennes, en andere queer personen in New York zich nog langer te onderwerpen aan politiegeweld en discriminatie. De Stonewall-rellen markeerden het begin van de moderne lhbtq+-beweging, een strijd om gelijke rechten die nog steeds niet ten einde is. In Boedapest anno 2025 is het datzelfde vuur van verzet dat de Pride levend houdt.

Maar de context is grimmiger dan ooit. Premier Viktor Orbán regeert al vijftien jaar met ijzeren hand. Zijn regime is doordrenkt van nationalistisch conservatisme en een cynisch gebruik van culturele vijandbeelden. Lhbtq+-rechten zijn daarin een dankbaar doelwit geworden. De beruchte ‘kinderbeschermingswet’ verbiedt alle uitingen van queer-identiteit voor minderjarigen en stelt het gelijk aan schadelijke propaganda; een echo van het donkerste verleden van Europa. De wet biedt geen bescherming, maar een legitimatie voor onderdrukking.

Dat een meerderheid van de Nederlandse Tweede Kamer in mei opriep tot een kabinetsdelegatie bij de Pride, getuigt van de juiste reflex. Het was een signaal: mensenrechten zijn grensoverschrijdend. Maar niet iedereen ging hierin mee; de PVV stemde tegen. Partijleider Geert Wilders, die warme banden onderhoudt met Orbán, weigerde zich uit te spreken tegen een wet die de vrijheid van meningsuiting en vereniging ondermijnt en queer Hongaren tot tweederangsburgers maakt. Dat is geen conservatisme, dat is collaboratie met een repressief systeem en geeft aan waar hij zelf heen zou willen.

Het contrast met burgemeester Femke Halsema kon vandaag niet groter zijn. Door naar Boedapest af te reizen, ondanks een dreigend reisadvies, betoonde ze niet alleen solidariteit met de lokale queer gemeenschap, maar ook met de burgemeester van Boedapest, Gergely Karácsony. Hij noemde de Pride een “gemeenschappelijk feest van vrijheid” en onttrok het evenement aan het demonstratierecht door het als gemeentelijk programma te labelen. In zijn woorden wonen er in Boedapest “geen eerste- en tweederangsburgers”.

Dat Halsema, net als haar voorgangster Simone Kukenheim in Istanbul, het lef toont om fysieke aanwezigheid in te zetten als bescherming, is een daad van stille diplomatie en groot moreel gewicht. Niet met een schreeuw, maar door schouder-aan-schouder te staan.

Orbán lijkt de controle te verliezen. Zijn angstcampagne heeft averechts gewerkt. De Pride is uitgegroeid tot een nationaal symbool van verzet tegen autoritair bestuur. Zelfs niet-queer Hongaren sluiten zich aan, niet omdat ze zelf onder de wet vallen, maar omdat ze voelen dat dit hen allemaal raakt. Orbán is steeds kleinzieliger en machtshongeriger geworden; een leider die burgers verdeelt, angsten exploiteert, en de Europese waarden waarop hij ooit aanspraak maakte, met voeten treedt.

Vandaag heeft de Pride hem overtroffen. Niet in volume, maar in morele helderheid. De regenboog, die ooit begon als symbool van hoop in stormachtige tijden, is in Boedapest opnieuw gaan schijnen; als teken van moed, solidariteit en een langzaam opkomend nieuw Hongarije.

Lukrake sterren in een lukraak verband

Maar probeer dat niet aan ‘hun’ verstand te brengen.

Zeggen dat horoscopen fabels zijn, is volgens Tessa Sparreboom* een saaie en suffe bewering. Het zou niet mogelijk mogen zijn om zo gruwelijk voorspelbaar te reageren. De mededelingen die we horen over verbanden tussen menselijke eigenschappen en de stand van de planeten mogen volgens haar nooit een excuus zijn om je doodsaai aan de ratio vast te klampen en een arrogant showtje mansplaning ten toon te spreiden vol cynisch commentaar over een tijdverdrijf waartoe vrouwen zich, volgens haar, vooral wenden om mannen op de kast te jagen. Dat gestrekte been moeten we die vrouwen gewoon even gunnen. Het is nu eenmaal fantastisch om rationalisten tot gekte te drijven.

Let wel, IK maak dat onderscheid niet tussen mannen en vrouwen als het om de vraag gaat wie zich het meest voelt aangetrokken tot astrologie. Kan er daarbij werkelijk een onderscheid worden gemaakt tussen de seksen? Is sterrenwichelarij echt vooral populair onder jonge, hoogopgeleide dames, of zijn we daar ook al in het domein beland van het doen van beweringen zonder met bewijzen te komen? Het maakt mij niet veel uit. Mevrouw Sparrenboom schreef een vermakelijk stukje en ik vermoed dat zij ‘advocaat van de duivel’ speelde met hetzelfde soort van satanisch genoegen dat zij de horoscoopadepten toeschrijft.

Heeft ze mij op de kast weten te jagen? Nee, daarvoor schrijft ze te leuk en te goed. Maar ik werd wel aan een tijd herinnerd waarin ik me kennelijk gedroeg als het soort van man – een maagd nota bene – dat horoscopen als sprookjes uit de oertijd bestempelde en dat standpunt graag onder iemands neus wilde wrijven. Ik heb het over een periode waarin ik er zo fel in zat dat mijn relatie er zelfs door op de klippen is gelopen. Sta mij toe dat ik hierover uitwijd. Misschien zijn we nu in de rubriek ‘De liefde van toen’ beland maar ik geloof dat deze casus exemplarisch is en misschien iets kan ‘uitlichten’.

Op het eerste verjaardagsfeestje van mijn verse geliefde gedroeg ik mij voorbeeldig. Er waren twee redenen. Eén: ik raakte geïntimideerd door de vele onbekenden, waarover ik veel goeds had gehoord. En Twee: ik wilde een fantastische indruk achterlaten. Op het volgende partijtje was ik minder voorkomend. Ons extra jaar samen had mij geleerd dat al die intimi van haar inderdaad heel innemend waren, maar dat velen van hen, net als zij, in astrologie geloofden. Zo ontving ze bijvoorbeeld drie cadeaus die verband hielden met haar bestaan als steenbok.

Verder was er een familielid dat met een amulet aankwam dat speciaal voor haar was ingestraald. Van een vriendin uit haar studententijd kreeg ze een tegoedbon voor een sessie bij een handlezeres. Al met al bevond ik mij in een gezelschap van goedgelovigen, om het eufemistisch te zeggen. Net als in het voorgaande jaar werd er meer beweerd dan bewezen. Ditmaal voelde ik een lichte weerstand.

Deze nam de vorm aan van regelrechte irritatie toen men informeerde naar mijn sterrenbeeld en ascendant. Ik had graag geclaimd dat ik dat niet wist, maar dat zou een leugen zijn. Een mens komt in zijn leven veel amateur-astrologen tegen (het pleonasme bedoel ik ironisch) die aan de hand van je sterrenbeeld bewijzen wie je bent. Omdat je niet altijd een spelbreker wilt zijn, noem je je geboortedatum en het uur van baring en hop, daar schuift de la vol platitudes voor je open.

Soms onderga ik lariekoek gelaten en is het me genoeg dat de aandacht in ieder geval naar mij uitgaat. Eén goed en één belachelijk onderwerp, wat maakt het uit, je streept ze als het ware tegen elkaar weg en neemt nog een wijntje. Ditmaal werd er echter beweerd – door iemand met een heel bijzonder plekje in het hart van mijn vriendin – dat een steenbok en een maagd niet samengaan. Andere aanwezigen bevestigden dat zo’n relatie een enorme uitdaging is. Eén iemand gooide de astrologische handdoek voor mij helemaal in de ring. Welke relatie met welk ander sterrenbeeld dan ook scheen gedoemd te mislukken. Maagden konden eigenlijk alleen maar met zichzelf leven. Helaas was er geen virgo voorradig om mijn positie te verdedigen.

Ik vond het toen tijd worden om voor mezelf te pleiten en een kleine maar astronomische uitleg te verstrekken omtrent de astrologie. Zonder degelijke voorbereiding, eerder gebruikte argumenten, getuigen à charge of bewijsstukken stond mij eigenlijk alleen een net met walnoten ter beschikking, dat in de fruitschaal voor me lag. Je wilt toehoorders die aantoonbaar ongevoelig zijn voor logisch redeneren iets tastbaars geven, laten we zeggen: iets waarover ze – ‘no pun intended’ – hun hersens kunnen kraken.

Met de walnoten trachtte ik een sterrenhemel tot leven te wekken. Of, om precies te zijn – want het heelal is onmetelijk – zo ongeveer dat gedeelte van het universum dat de sterren omvat waaruit het teken virgo is opgebouwd. Uit hoeveel sterren bestaat dit teken van de dierenriem? Dat wist ik niet en niemand kon het me vertellen, maar laten we zeggen, zo begon ik mijn betoog, dat dit er negen zijn.

Ik legde de eerste walnoot voor mij op de grond. De tweede virgozon gaf ik in handen van degene die het verst van mij vandaan zat. De derde ging naar een denkbeeldig iemand die buiten aan de overkant van het westerdok stond (ik bevond mij in Amsterdam met mijn gezicht naar het westen), de vierde naar een plek in Halfweg, de vijfde behoorde Haarlem toe en de volgende noten nog veel verdere oorden. Eén zon – in mijn tot aardse proporties teruggebrachte overzicht – liet zijn vuren vanuit Engeland vlammen.

Het ging er niet om dat de sterren zich in werkelijkheid op exact die afstanden bevonden, wel dat ze ver van elkaar waren verwijderd en dat alleen wij aardbewoners ze in die speciale constellatie bij elkaar zagen, omdat we er vanaf een specifiek punt in de ruimte naar keken. Mijn conclusie: hoe kunnen sterren die duizenden lichtjaren van elkaar vandaan staan samen een geheel vormen en invloed uitoefenen op onze karakters? Een ruimtereiziger die vanaf een hele andere kant in het heelal naar die lichten keek, zou in de verste verte geen verband ontwaren. Geloven dat er een connectie bestond had eerder iets doms dan diepzinnigs. Het was het gevolg van een eenzijdige en benepen manier van kijken. Laten we zeggen een kokervisie, maar helaas niet door de reflector van een krachtige telescoop.

Ik meende dat ik dit zeer inzichtelijk had uitgelegd. De betweter in mij kan soms verdwijnen in een monoloog totdat ik de bittere conclusie van mijn exegese heb bereikt. Toen ik ontwaakte uit de geldigheid van mijn gelijk was het doodstil geworden. Alsof ik mij had losgemaakt van het ruimteschip aarde en ergens in de onmetelijke ruimte zweefde.

*Citaat uit de column ‘De dametjes en hun horoscoopjes’ door Tessa Sparreboom

Was dat even een vreemde gewaarwording, afgelopen woensdag: vier mannen die het op nationale radio over hun sterrenbeeld hadden. „Ik ben een ram”, zei presentator Carl-Johan de Zwart smalend. „Ik een stier”, vulde zijn gast David Cocheret aan. Slecht nieuws: zulke koppige tekens zijn nooit te overtuigen, dus ook niet van de waarde van de astrologie.

De andere twee mannen in de uitzending: verslaggever Thomas Schuurman en astronoom Rob van Gent. Inderdaad: in een radio-item over astrologie komt geen astroloog aan het woord, maar alleen een sterrenkundige die vertelt dat hij ‘wetenschappelijk’ natuurlijk niet in horoscopen gelooft. Lekker boeiend. Vertel maar eens in welk huis Mercurius bij jou staat, Rob, dan praten we verder.

Astrologie schijnt vooral populair te zijn onder jonge, hoogopgeleide vrouwen. Een vriendin van mij met verstand van zaken vertelde me laatst dat ze er in gesprekken niet meer over begint, omdat de meeste mensen – vooral mannen – er net als bovenstaande exemplaren zo gruwelijk voorspelbaar op reageren. Een vriend van haar raakt geïrriteerd zodra ze iets over zijn sterrenbeeld beweert. „Hij is een maagd. Maagden geloven zelden in astrologie, dus dat klopt wel.”

Het drijft mannen tot gekte: mogen de dames eindelijk in de collegezalen plaatsnemen, niet eens meer achter een gordijntje, kiezen ze er alsnog voor om in zoiets onwetenschappelijks als astrologie te geloven. Waarom toch?

https://www.nrc.nl/nieuws/2025/06/14/de-dametjes-en-hun-horoscoopjes-a4896860