Een markt van troost vraagt om de prijs van zelfbedrog.
Natuurlijk is het gebruik van Ayurveda als bedrijfsnaam geen inbreuk op het merkenrecht. Rituals, dat de term voert in haar The Ritual of Ayurveda-lijn, leek even te denken het alleenrecht op dat woord te kunnen claimen, maar trekt nu wijselijk zijn keutel in. De aanduiding heeft echter wél een ander effect: iedereen die het woord inzet als kwaliteitslabel voor een therapie of geneesmiddel, roept bij mij onmiddellijk scepsis op. Om het neutraal te formuleren: het predicaat ‘ayurvedisch’ geeft aan dat we te maken hebben met een alternatieve behandelwijze. Je bent dus gewaarschuwd.
Het folderverhaal: ‘The Ritual of Ayurveda gift set herstelt de balans en is het perfecte cadeau voor een nieuwe balans, voor een vriend of familielid, of gewoon om jezelf te trakteren. Vind innerlijke balans met deze verzachtende en aromatische producten op basis van Indiase roos en zoete amandelolie. Het origami-ontwerp is geïnspireerd op de Japanse kunst van het geven. In de Japanse cultuur kan de cadeauverpakking even belangrijk zijn als het cadeau, waarbij het cadeau wordt gezien als een vorm van communicatie tussen de gever en de ontvanger.’
Het juridische eindoordeel over de merknaam laat zich eenvoudig samenvatten: ‘Ayurveda’ blijft een generieke soortnaam voor een traditionele Indiase gezondheidsleer en kan daarom door niemand als exclusief intellectueel eigendom worden geclaimd. Dat Rituals bakzeil haalt, getuigt vermoedelijk eerder van strategisch inzicht dan van intellectuele zindelijkheid. Ze hadden deze zaak vrijwel zeker verloren, waren ze haar daadwerkelijk aangegaan. Maar één ding blijft overeind staan: het etiket is geen keurmerk van kwaliteit, maar eerder een waarschuwingssignaal; een indicatie dat overtuiging het hier heeft gewonnen van empirische toetsing.
Een aanzienlijk deel van de markt voor alternatieve geneeswijzen drijft op een geraffineerd soort emotionele chantage. Het is een parallel universum waarin anekdotisch bewijs de status van universele waarheid krijgt en klinische trials worden weggezet als complotten van de farmaceutische industrie. Men koopt geen werkzaam bestanddeel; men koopt een narratief. Een warm bad van holistische empathie waarin kritisch denken langzaam wegspoelt.
Het tragische mechanisme achter deze wildgroei is onveranderd: de parasitaire symbiose tussen de charlatan en de wanhopige. Wanneer het reguliere medische circuit de harde waarheid spreekt – dat een aandoening chronisch is, of dat de wetenschap eenvoudigweg nog geen antwoord heeft – springt de alternatieve markt in het gat. Waar de wetenschap nuance en onzekerheid biedt, biedt de kwakzalver absolute zekerheid. Het is een verdienmodel dat floreert bij de gratie van menselijke kwetsbaarheid: hoe zwakker de patiënt, hoe sneller de bankrekening wordt geplunderd voor suikerpillen, trillingstherapieën of energetisch opgeladen bronwater.
In dit ‘post-truthlandschap’, waarin sociale media functioneren als een hogedrukspuit voor desinformatie, voelt de strijd tegen de onzin steeds vaker als dweilen met de kraan open. Wie probeert de ratio te verdedigen, staat al snel te boek als een kille dogmaticus zonder hart. Ik vraag me steeds vaker af hoe de Vereniging tegen de Kwakzalverij zich in deze storm staande houdt. Even controleren dus.
Het is met de vereniging zelf, historisch bezien, opvallend stabiel gesteld; ze doet nog precies waarvoor ze in 1881 werd opgericht. De oudste sceptische organisatie ter wereld opereert nog steeds zonder subsidie, gedragen door zo’n 1800 à 2000 hardnekkige leden die weigeren te buigen voor de waan van de dag. Onder leiding van voorzitter Freek van Sluijs blijft de vereniging met vlijmscherpe pen en juridische procedures de barricaden opgaan.
Hun actieradius is onverminderd breed en de munitie nog lang niet uitgeput. Hun jaarlijkse satirische schandpaal, de Meester Kackadorisprijs, blijft een effectief wapen. Onlangs nog verschenen instituten zoals Amsterdam UMC op de longlist vanwege het faciliteren van acupunctuuronderzoek bij kinderen; een pijnlijk bewijs dat zelfs de academische wereld de poorten voor pseudowetenschap soms wagenwijd openzet onder het mom van ‘complementaire zorg’.
De vereniging schroomt bovendien niet om door te pakken waar het gevaarlijk wordt. Zo eiste zij recent strafrechtelijke vervolging van een arts die op grote schaal onbewezen behandelingen met navelstrengbloed uitvoerde bij kinderen. De ironie is dat de VtdK in het huidige tijdsgewricht feller wordt aangevallen dan ooit. De gevestigde orde sust dergelijke ontwikkelingen graag met termen als ‘integrative medicine’; een eufemisme waarmee men probeert bewezen geneeskunde te vermengen met magisch denken; alsof je een glas helder water verbetert door er een lepel rioolwater in te roeren.
De vereniging strijdt niet tegen spiritueel ingestelde mensen als individu, maar tegen de institutionalisering van volksverlakkerij. Hoewel de vereniging zelf springlevend is, ervaar ik in het publieke domein steeds vaker hoe eenzaam het rationele standpunt kan zijn. Dat lijkt mij het logische gevolg van een maatschappij die ‘gevoel’ heeft verheven tot ultieme graadmeter van de werkelijkheid. Zolang irrationaliteit zich als zorg blijft vermommen, is er sprake van een achterhoedegevecht; maar wel een noodzakelijk gevecht, uit respect voor de volksgezondheid én de intellectuele hygiëne.
De roek kan niet pronken met zijn bescheidenheid. De monnik kan dat wel en doet dat soms.
Fragment uit Terug naar de roeken in het stoppelveld
Na de vermeende zelfkastijding (zie eerder) en de schijnbare soberheid (zie eerder) blijft er nog één parallel over die zich moeilijk laat handhaven. Niet omdat zij te ver gezocht is, maar omdat zij zich bij nadere beschouwing tegen zichzelf keert. De roek leeft onopvallend zonder daarvan een deugd te maken; zijn bestaan laat weinig sporen na en vraagt geen erkenning. De monnik daarentegen streeft naar een leven dat evenmin wil opvallen, maar doet dat binnen een wereld die juist gevoelig is voor tekenen van nederigheid. Waar de roek eenvoudigweg is, wordt de monnik gezien, en precies daar begint de vergelijking te wringen. Er bestaat een soberheid die geen getuigen nodig heeft en een soberheid die haar betekenis juist aan getuigen ontleent; de roek behoort tot de eerste categorie, de monnik hoopt tot dezelfde te behoren, maar leeft in een cultuur waarin zelfs terugtrekking zichtbaar wordt. Zo ontstaat een ongemakkelijke parallel: hoe meer de monnik zijn bestaan wil onttrekken aan betekenis, hoe groter de kans dat het juist betekenis krijgt toegekend.
De roek verdwijnt spoorloos; de monnik laat, ondanks zichzelf, sporen na. De roek kent geen traditie. De monnik wordt er een. John Rogers Herbert schildert met Laborare est Orare een idyllisch tafereel van broeders die graan oogsten in een glooiend landschap. Ja, er wordt hard gewerkt, maar wie zou hier niet bij willen springen? De arbeid oogt licht, het zweten gematigd, de gemeenschap harmonieus. Niets in dit beeld schuurt, niets verstoort de rust. De soberheid is hier niet schraal, maar weldadig; geen opoffering, maar een levensvorm die zich bijna vanzelf aanbeveelt. Juist daarin openbaart zich de paradox van dit hoofdstuk: onopvallendheid wordt aantrekkelijk, arbeid verheven, stilte esthetisch. Wat ooit bedoeld was als terugtrekking uit de wereld, verschijnt hier als alternatief voor haar drukte. De monnik verdwijnt niet, hij wordt voorbeeld. En waar een voorbeeld verschijnt, ontstaat navolging, bewondering en uiteindelijk traditie.
Nogmaals gezegd: de roek leeft zonder nalatenschap. De monnik streeft ernaar, maar kan haar niet ontlopen. Waar de roek verdwijnt in zijn omgeving, wordt de monnik ertegen afgezet. Onopvallendheid blijkt bij de mens zelden een eindpunt, maar vaak een omweg. Wie zich zichtbaar onttrekt, wordt herkend; wie herkend wordt, wordt benoemd; en wat benoemd wordt, krijgt waarde toegekend. De monnik die zich terugtrekt uit de wereld ontkomt niet aan de blik van diezelfde wereld, juist omdat zijn terugtrekking afwijkt. Stilte wordt gelezen als discipline, soberheid als morele kracht, afzondering als voorbeeld. Zo kan ascese ongemerkt prestige worden, en nederigheid een stil kapitaal. Niet omdat de monnik dit nastreeft, maar omdat menselijke samenlevingen geneigd zijn betekenis te hechten aan wie zich aan hen onttrekt. De roek kent deze omkering niet. Zijn onopvallendheid roept geen bewondering op, geen navolging, geen verhaal. Zij blijft wat zij is: een wijze van bestaan, geen boodschap.
Waar deze omkering eenmaal werkzaam is, laat zij zich moeilijk begrenzen. Wat begint als individuele terugtrekking kan uitgroeien tot voorbeeld, wat voorbeeld is wordt navolgbaar, en wat navolgbaar is, wordt geïnstitutionaliseerd. De geschiedenis van het monnikenleven laat zien hoe een streven naar onopvallendheid zich langzaam heeft verdicht tot regel, orde, traditie en uiteindelijk tot zichtbare vormen van aanzien. De soberheid van de enkeling wordt opgenomen in een systeem dat haar bewaart, toont en viert. Niet zelden ontstaat zo een paradoxale pracht: geen uitbundige rijkdom, maar wel monumentale eenvoud, ritueel herhaalde armoede, zorgvuldig gecodeerde nederigheid. De roek kent deze weg niet. Zijn levenswijze laat zich niet bewaren, niet verheffen, niet doorgeven. Zij sterft met hem mee en begint telkens opnieuw, zonder geschiedenis. De roek ontsnapt aan roem door haar niet te kennen. De monnik ontkomt er niet aan, juist omdat hij haar verwerpt.
Misschien volstaat het daarom om de roek weer los te laten. Hij hoeft niets te betekenen. Hij kraait, leeft, verdwijnt. Met deze parallel eindigt niet de vergelijking, maar haar draagkracht. De volgende observaties zullen minder spiegelen en meer uiteenlopen.
5: Neque Homo Neque Deus Neque Natura, 6: Why Politics is Immanently Theological.
Slavoj jongen, wat doe je me aan. Afgaande op de analyses van je werk had Christian Atheism een bijzonder sterk boek kunnen zijn. Dankzij die externe bronnen begrijp ik tenminste welke richting je uit wilt. Maar de concepten die je ontleent aan de kwantummechanica en de evolutietheorie – onderwerpen die mij eveneens interesseren en die ik daarom goed kan beoordelen – behandel je niet met de noodzakelijke wetenschappelijke precisie. Je gebruikt ze als filosofische illustraties, soms zelfs als literaire decorstukken, maar zelden als onderbouwde argumenten die het gewicht van bewijs kunnen dragen. Wat ik wel waardeer, is dat je de lezer dwingt tot een politieke manier van lezen: je voorkomt dat het boek kan worden gereduceerd tot een vorm van therapeutische geruststelling.
We mogen sowieso niet teren op feel-good-spiritualiteit, zelfhulp-troost of het comfort van welke andere gemakzuchtige, pseudo-diepzinnige ego-balseming dan ook. Integendeel; we moeten activistischer in het leven staan. Daar vind je mij aan je zijde. Het leek mij een vruchtbare correctie op de gebruikelijke spirituele clichés die deze thema’s vaak omringen. Je creëert moeilijke zinnen maar het levert tenminste geen routineuze, narcotiserende zingevingsteksten op die de markt overspoelen. Alles wat tegen de gestolde, voorspelbare taal van de spirituele zelfhulpindustrie indruist is mij uiteindelijk welkom.
Hier volgen de uittreksels van de laatste twee hoofdstukken. Ik vind het alweer belangrijk erbij te zeggen dat ik hiervoor externe bronnen heb geraadpleegd.
Hoofdstuk 5 — “Neque Homo Neque Deus Neque Natura”
Korte kernstelling (één alinea)
De titel — noch mens, noch god, noch natuur — markeert Žižeks poging om een positie te formuleren die zich verzet tegen traditionele identiteiten en categorieën: het menselijke, het goddelijke en het natuurlijke. In hoofdstuk 5 werkt hij uit hoe die drie termen elkaar wederzijds definiëren en tegelijk bemoeilijken; hij pleit voor een materialistisch-atheïstische herlezing die niet terugvalt op menscentrisme, theïstische verlossingsfantasieën of naïef naturalisme. Het doel is een politiek-ontologisch instrumentarium dat de klassieke opposities ondermijnt en ruimte opent voor nieuwe politieke eisen en vormen van subjectiviteit.
Structuur en hoofdonderdelen (globale route)
Het hoofdstuk verloopt typischerwijs van conceptuele ontmanteling (wat betekenen ‘mens’, ‘god’, ‘natuur’ in traditionele termen?) naar reconstructie (welk praktisch-politiek materiaal blijft over als je die categorieën afbreekt?). Meestal ontrolt Žižek het argument via: (1) een kritische genealogie van de drie termen, (2) lezing van filosofische en theologische bronnen (Hegel, Heidegger, Lacan, christelijke patristiek), (3) voorbeelden uit literatuur/film/ethiek, (4) politieke consequenties en een slotpleidooi voor een ‘ateïstisch materialisme’ dat de drie categorieën tegelijk ondermijnt en benut.
Belangrijke passages / argumentatieve stappen
1) Genealogie: hoe ‘mens’, ‘god’ en ‘natuur’ elkaar conditioneren
Žižek laat zien dat de klassieke westerse traditie deze termen niet los van elkaar kan lezen: het idee van ‘de mens’ is vaak gearticuleerd in relatie tot God (beeld van God, maaksel, subject als beeld) en tegenover de natuur (mens als cultuur, natuur als gegeven). Door de theologische en metafysische wortels bloot te leggen, toont hij dat veel hedendaags denken onbewust nog op die oude infrastructuren drijft. De politieke consequentie: veel hedendaagse claims over ‘natuur’ of ‘menselijke natuur’ herbergen stilzwijgende theologische of ideologische veronderstellingen.
2) Onttovering: atheïstisch doorwerken van categorieën
De kernoperatie is ‘doorwerken’: niet louter ontkennen (God bestaat niet), maar de logica van religieuze en naturaliserende discursussen tot hun uiterste consequentie volgen zodat hun inhoud ontmaskerd wordt. Žižek wil de functionele restwaarden (ethische aanspraken, sociale instituties) terugwinnen zonder de metafysische dekmantel. Dit is geen typisch seculariseringsproject dat religie wegschuift, maar een radicale transformatie van vele van haar instrumentele betekenissen.
3) Menselijkheid herzien: niet antropocentrisme maar kwetsbaarheid
Wanneer Žižek spreekt over ‘neque homo’, bedoelt hij niet het elimineren van de menselijke ervaring, maar het ontkoppelen van ‘mens’ van het centrum van ethische en politiek-theoretische overwegingen. Hij bekritiseert zowel humanistische universalismen die een homogene menselijkheid prediken als posthumanistische routes die alle menselijke singulariteiten vernauwen. Zijn alternatief accentueert menselijke kwetsbaarheid, interdependentie en politieke verantwoordelijkheid zonder ultieme morele autoriteit.
4) God opnieuw lezen: niet als ontologische oplossing maar als conceptuele motor
‘Neque deus’ verzet zich tegen elke poging God terug te brengen als metafysische redder of als legitimatie van politieke structuren. Žižek herleest theologische motifs (ontferming, offer, leegte) als conceptuele ‘machines’ die politieke en subjectieve posities produceren. God is zo een heuristisch object: nuttig om te analyseren wat mensen doen en hoe machtige narratieven functioneren, niet als antwoord op metafysische honger.
5) Natuur ontmantelen: tegen naïef naturalisme en romantisch ecologisme
‘Neque natura’ richt zijn pijlen op naturalistische retoriek die claims legitimeert via ‘de natuur’. Žižek betoogt dat ‘natuur’ vaak ideologisch wordt ingezet (bijv. als canon voor ‘menselijke aard’ of morele regel). Hij pleit voor een materialisme dat natuurprocessen erkent maar die niet mystificeert: natuur is niet een morele autoriteit maar een analytische gegevenheid onder menselijke praktijken en politieke keuzes.
6) Synthese: athings, macht en de ruimte van politiek
Het hoofdstuk sluit meestal aan bij eerdere thema’s (athings, undead, parallax) en formuleert een politiek: het ontmantelde veld (geen mens, geen god, geen natuur) is precies de plek waar collectieve eisen geformuleerd kunnen worden — een ruimte voor herverdeling, solidariteit en nieuwe instituties zonder theologische of naturalistische dekmantels.
Centrale begrippen en theoretische bronnen die Žižek inzet
Hegeliaanse dialectiek: het idee van doorwerking en omkering: het oprekken van een concept tot het zichzelf tegenstrijdig maakt.
Lacaniaanse psychoanalyse: met nadruk op subjectivering, superego, het Real — belangrijk om te snappen hoe subjecten zich tot god/natuur verhouden.
Materialisme (niet-reductionistisch): Žižek zoekt een materialisme dat niet simpelweg naturaliseert maar politieke praktijk centraal stelt.
Theologische teksten (christelijke traditie): gebruikt instrumenteel — bijvoorbeeld beeld van offer, leegte, incarnatie — maar altijd om atheïstisch door te werken.
Contemporane kritiek op antropocentrisme: hij dialogiseert met posthumanistische en ecologische posities, maar neemt beide onder vuur waar zij mystificeren.
Politieke en ethische consequenties (concreet uitgewerkt)
Ontkoppeling van legitimiteitsbronnen: wetten, moraal en instituties mogen niet langer beroep doen op ‘natuur’ of ‘god’ als laatste woord. Legitimiteit moet politiek en democratisch worden afgedwongen en niet theologisch of naturalistisch geautoriseerd.
Nieuwe grondslagen voor solidariteit: solidariteit wordt niet gerechtvaardigd door gedeelde menselijke essentie maar door politieke praxis: wat we collectief willen garanderen.
Ecologie en materialisme: ecologische politiek moet empirisch en institutioneel zijn, niet berusten op een romantisch appel aan ‘de natuur’. Klimaatpolitiek vereist herverdelingsmechanismen en institutionele structuren, geen spirituele teruggave aan ‘het natuurlijke’.
Ethiek zonder ultieme autoriteiten: morele claims moeten overtuigen door politieke argumentatie en institutionele verankering, niet door apelen naar metafysische orde.
Sterke punten van hoofdstuk 5
Politieke relevantie: Žižek koppelt metafysische kritiek direct aan praktische politieke implicaties.
Instrumentele theologische lezing: productief gebruik van theologie als analytisch gereedschap in plaats van object van aanbidding.
Hoofdstuk 6 – “Why Politics is Immanently Theological.”
Kernstelling van het hoofdstuk
Žižeks hoofdclaim is dat politiek altijd al een theologische component bevat: politieke theorieën en praktijken functioneren vaak alsof ze de rol van het religieuze overnemen (oordelende ultieme normen, offerlogica, beslissingsmomenten), en iedere ‘sober’ politieke doctrine dus in feite immanent-theologisch is — of, scherper geformuleerd: politieke engagementen verworden tot theologie zodra zij een subjectieve inzet worden.
Structuur en leidende beweging in het hoofdstuk
Het hoofdstuk bouwt in grote lijnen als volgt op:
Diagnose: many political theories covertly operate like theologies; Žižek illustreert dit met historische en hedendaagse voorbeelden.
Conceptuele analyse: hij onderzoekt wát er precies theologisch is; besluitvorming, offer-schema’s, verlossingsnarratieven, eschatologische structuren.
Genealogie & bronnen: korte ontleding via Hegel, Kierkegaard, Lacan en de traditie van politieke theologie (met impliciete verwijzingen naar figuren als Carl Schmitt, maar Žižek leest dit dialectisch).
Praktische voorbeelden en polemiek: hedendaagse politieke tendensen (woke cultuur, populisme, technocratisch bestuur) worden gelezen als vormen van immanente theologie die politieke handelingsruimte beïnvloeden.
Normatieve uitweg: Žižek formuleert een eis: politiek moet de theologische structuren onderkennen en «atheïstisch doorwerken», d.w.z. de energetiek van offer, schuld, verlossing benutten, maar onttoveren en heroriënteren naar een materialistische, emancipatoire politiek.
Belangrijkste argumentatieve punten
A. Wanneer wordt politiek theologisch? Het Kierkegaard-achtige voorbeeld
Žižek citeert (en interpreteert via Kierkegaard) dat geloof vaak pas rationeel lijkt nádat iemand reeds gekozen heeft. Evenzo: zodra politieke theorieën een volledige subjectieve inzet worden, ontstaan er redenen ná de beslissing die de keuze rechtvaardigen — en dat is theologisch: geloof in een transcendente legitimatie wordt vervangen door immanente commitment-redenen. Het punt is retorisch krachtig: politieke ideologieën maken zichzelf tot ‘geloofssystemen’.
B. Offerlogica en het politieke besluit
Žižek ontleedt hoe politieke beslissingen vaak een offer-logica impliceren (wie wát moet opofferen voor «het algemeen belang»), en vergelijkt dit met religieuze offerpraktijken. Een politieke daad die voorgesteld wordt als ultiem noodzakelijk krijgt zo quasi-theologische status: er is geen hoger criterium buiten de beslissing zelf. Dat is precies waar «political theology» zich manifesteert — niet als expliciete religie, maar als structuur van legitimiteit en schuld.
C. Eschatologie in politieke utopieën
Utopische politiek, zo betoogt Žižek, heeft een eschatologische inslag: een Messiaanse toekomst die alles moet herstellen. Dat toekomstbeeld functioneert theologisch — het legitimeert middelen en radicaliseert verlangen — en kan daarom gevaarlijk worden als het niet kritisch doorgewerkt wordt. Deze diagnose koppelt hij expliciet aan zijn algemene oproep tot een atheïstische, materialistische doorwerking van religieuze formats.
D. Hedendaagse casus: woke, populisme en technocratie
Het hoofdstuk bespreekt hoe zowel progressieve, morele politiek (woke) als reactionair populisme theologische trekken aannemen: ze stellen absolute morele standaarden of ultieme nationale narratieven die iedere nuance uitsluiten; technocratische governance vervult de rol van priesterschap (experts die beslissen), terwijl het volk wordt teruggebracht tot object van ordening. Žižek waarschuwt tegen zowel moralistische heiligheid als cynische capitulatie.
Theoretische instrumenten; wie en wat Žižek inzet
Kierkegaard: de logica van keuze vóór rechtvaardiging (geloof dat retroactieve redenen produceert), gebruikt om politieke inzet te begrijpen.
Hegel: dialectische beweging, het idee dat concepten via hun tegenstellingen doorgewerkt moeten worden (Žižek’s methode van «going through»).
Lacan: psychoanalyse levert begrippen als superego, geloofsact en het structurele tekort; relevant voor hoe collectieve subjectiviteit theologische vormen aanneemt.
Politieke theologie-traditie: impliciete dialoog met Schmitt en hedendaagse politieke theologen, maar Žižek herinterpreteert en radicaliseert die traditie vanuit een marxistisch-Lacaniaanse positie.
Politieke implicaties en Žižeks normatieve eis
Bewuste secularisatie van politieke formats: erken dat veel politieke retoriek theologische structuren heeft en werk die immanente theologie atheïstisch door; benut de vorm maar ontdoe haar van metafysische pretenties.
Tegengif tegen apolitieke spiritualiteit en zakelijk technocratisch beheer: Žižek pleit voor betrokken politieke subjectiviteit die niet ontspoort in eschatologische of priesters-logica.
Heroriëntatie van solidariteit: in plaats van beroep op gedeelde natuur of goddelijke orde moet solidariteit worden opgebouwd via democratische instituties en politieke strijd; met bewuste aandacht voor de affectieve, rituele dimensie die religie historisch leverde.
Sterke punten van het hoofdstuk
Conceptuele scherpte: Žižek maakt zichtbaar wat vaak impliciet blijft; dat politieke doctrinen quasi-theologische functies vervullen. Dit is heuristisch krachtig voor kritische politiek.
Pragmatische normativiteit: het is geen louter negativisme — Žižek geeft een richting (atheïstisch doorwerken) die praktisch-politieke consequenties heeft.
Kritische bedenkingen en zwakke plekken
Gevaar van overgeneralisatie: critici wijzen erop dat Žižek soms te snel uiteenlopende fenomenen (woke, populisme, technocratie) onder één theologische noemer laat vallen, waardoor nuances verloren gaan. Recensenten vonden dat dit hoofdstuk — net als het boek als geheel — soms verdedigt wat het wil ontleden zonder voldoende empirisch specifiek te zijn.
Normatieve vage uitwerking: net zoals in andere delen van het boek is de diagnose scherp, maar de concrete institutionele of strategische uitwerking (hoe precies «atheïstisch doorwerken» in beleid of organisatie eruitziet) blijft relatief abstract.
Trek naar provocatie boven methodische precisie: Žižek’s polemische stijl kan bij sommige lezers machtiger overkomen dan zijn argumentatieve onderbouwing; dat leidt analytici ertoe te vragen om strakkere voorbeelden en bewijsvoering.
Plaats in Žižeks bredere project
Hoofdstuk 6 is eigenlijk het uitvoerende hart van het boek: het verbindt Žižeks theologische interesse met zijn politieke project. Waar eerdere hoofdstukken begrippen en metaforen aanleveren (athings, undead, parallax), laat dit hoofdstuk zien waarom die begrippen politiek relevant zijn; namelijk omdat politiek altijd al in het teken staat van ultieme legitimering, offer en verlossing. Het hoofdstuk werkt zo als brug van conceptuele ontleding naar politieke heroriëntatie.
Hoe de schijn van bevrijding een blijk bleek van nieuwe schijnheiligheid.
Mathias was een katholieke jongen van huis uit die het geloof nog dagelijks beleed. Maar hij deed dat op zijn eigen intellectuele manier, waardoor zijn religieuze overtuiging een logische bocht richting existentialistische en roomsgeöriënteerde filsosofen had genomen; ergens, als ik hem goed begreep, tussen Kierkegaard en Gabriel Marcel in. Misschien zat ik er naast. Het maakte helaas niet meer uit; nog voor ik in staat was mij goed en wel in zijn wijsgerige helden te verdiepen, nam hij een afslag richting esoterie, buiten het terrein van de rede.
Mat begon als oud-katholiek koorknaapje, dweepte onderweg met een stoet rooms-geïnspireerde filosofen, en eindigde, via de bekende weg van spirituele zelfontginning, goeroeverering en zacht bloeiende grootheidswaan, als zelfverklaard zenmeester met een uurtarief van 90 euro. (Ik schrijf ‘eindigde’ maar ik begrijp dat zijn prijs per uur inmiddels naar boven is bijgesteld in verband met inflatiecorrectie.)
Hij gaf mij een boekje te leen van K. von Dürckheim (Ons dagelijks leven als oefening) en ik wist dat ik te maken had met de zoveelste gelovige uit een gevestigde denominatie – een kind van de kerkelijke leertraditie en erfgenaam van een confessioneel systeem dat in het Brabant van zijn jeugd nog naar behoren had gewerkt – die een spiritueel niemandsland was binnengetreden waar de filosofie ophoudt en de mist begint. Hij sloeg zijpaden in van spiritualiteit die zich aan wetenschappelijke toetsing onttrokken.
Het was geen omslag geweest maar een geleidelijk proces; ik heb het bij veel vriendjes en vriendinnetjes uit gezinnen met een sterke geloofsachtergrond zien gebeuren. De ontkerkelijking liep bij hen synchroon met de dageraad van hun postpuberale groeistuipen. Het begon in de periode waarin het kinderbrein zich in volle vaart tot een volwassen stel hersens ontwikkelde. Ze waren hard op weg om de doctrinaire traditie achter zich te laten; daaruit mocht hun geloofsovertuiging sowieso niet meer putten.
Nadat de georganiseerde religie was verlaten, trad, al naar gelang de persoonlijke levensomstandigheden, fase twee in werking. Het creëren van een eigen gezin en de dood van hun ouders maakte het loskomingsproces compleet. Zonder triomfantelijk te willen zijn of evangelistisch op een atheïstische manier, bereidde ik me voor om hen met open armen te ontvangen: geen wortel van hun institutionele geloof leek er nog over en ik hoefde zelfs niet te helpen met doorzagen. Het idee over erfzonde was één van de eerste dogma’s die hoorbaar waren begonnen te kraken.
Hoopvolle ontwikkelingen, maar helaas; er slopen, gedurende deze periode, bij veel van die inmiddels op leeftijd gekomen jongvolwassenen, mystieke ideeën in, die zich ver van de filosofische grondslagen bewogen. Ze bleken op een innerlijk pad te zitten dat meer op gevoel dan op gedachte steunde. Vanuit een duister domein van intuïtieve zelfverheffing zonden ze uit, dat het geloof nog helemaal niet overboord was gegooid. Integendeel; het had zich nu getooid in een metafysisch jasje dat meeging met de mode van de tijd.
Iedereen bleek in een, persoonlijk opgetuigde, zweefmolen te zijn gestapt.
De lange armen van het wellness verwenningscircuit.
Ik heb nooit een ‘experience’ in het wellness-circus omdat ik mij nooit overgeef aan dat soort dure en tamelijk idiote grappen. Daarom vind ik het heerlijk om naar ‘ervaringsdeskundigen’ te luisteren die zich wel in dit circuit wagen. Gelukkig ken ik er twee die er eenzelfde cynische grondhouding op na houden als het om spirituele behandelingen gaat, MAAR die NIET – zoals ik – de verleiding kunnen weerstaan om zich toch af en toe esoterisch te laten vertroetelen. De lezer weet ook wie zij zijn: ze heten Aaf en Lies en ze ‘lossen het wel weer op’, aldus de naam van hun podcast. De oplossing die ze mij, in dit geval, bieden, is dat ze me een inkijkje verschaffen in een wereld die ik, zoals gezegd, zelf heb buitengesloten.
Lies bevond zich voor opnamen van de serie Gooise Vrouwen in Luxemburg. Natuurlijk zit je dan als actrice in een ‘fully catered’ hotel. Ze had een inspannende opnamedag achter de rug, dus ze dacht: kom, ik boek een ayurvedische massage ‘met nadruk op energetisch evenwicht’, zoals de reclame in de lounge vermeldde. Dan mag je op een aangenaam verwarmde tafel gaan liggen met een papieren broek aan en je hoofd in een donut, terwijl er op de achtergrond rustgevende muziek van dolfijngeluiden en klankschalen klinkt. Zo’n ayurvedische behandeling ‘is met hele lange lijnen’, begrijp ik nu; de handen van de masseuse strekten zich uit in uiterste richtingen. Het gaf Lies het gevoel dat ze heel erg lang was. Daar zou ik, met mijn één meter achtenzestig, vast ook baat bij hebben, bedacht ik me.
“Y a-t-il des zones où vous ne souhaitez pas être touchée? ” had de masseuse voorafgaand gevraagd. Omdat Lies ervan uitging dat haar ‘yoni’ vanzelfsprekend zou worden ontzien, gaf ze geen specifieke plekken aan, waar de uitgestrekte handen niet welkom waren. Ook weer nieuw voor mij: ayurvedische massage is niet met olieën, wel met drukpunten. De masseuse maakte regelmatig haar handen warm en legde die op zo’n speciaal ‘aandachtsplekje’ waarvan het lichaam er talloze blijkt te hebben. “Tournez vous” beval ze vriendelijk, nadat al het tastbare aan de achterkant was veraangenaamd en afgevinkt. Er werd alweer gepaste discretie in acht genomen want de handdoek ging tijdens het tourneren meteen op haar ‘heilige bron’ (zoals de letterlijke vertaling van yoni uit het Sanskriet luidt).
De luisteraar kon intussen gerust zijn: de therapie – want dat was het – leek keurig begrensd. We bevonden ons tenslotte in een decor van gepolijste luxe. Je kent ze wel, die zelfstandige ondernemers in de wellnessbranche die zich als freelance specialisten in een hotel hebben ingekocht, en hun diensten, tot wederzijds voordeel, aan het imago van het etablissement verbinden. Een slimme wisselwerking: het hotel breidt zijn service uit zonder personeel aan te hoeven nemen, en de masseuse lift mee op het aura van comfort. Ze voegt persoonlijke service op maat toe aan het bestaande aanbod van egoverwennerijen. Dat mag wat kosten, maar het zal de gast aan niets ontbreken. Het is te zeggen: tot op zekere hoogte. Want zo’n hotel was ditniet. Voor verlangens die het tactiele overstegen, moest men zich wenden tot de geneugten van de stad.
Lies was allang blij. En wij als podcastluisteraars ook. Het werd ons weer eens duidelijk dat zij een begenadigd vertelster is, die het een en ander begrijpt van de opbouw van een goed verhaal. Ze besefte net iets te laat dat het misschien toch verstandig was geweest om grenzen te stellen aan haar aanraakbaarheid. De warme handen met hun enorme bereik gingen haar iets te vaak naar ‘het bovengedeelte van de romp’, inclusief ‘de tepelzone’. Dat had ze nog nooit meegemaakt. Lag ze daar in haar papieren broekje. Je zou het best ayurvedisch kunnen uitleggen, maar niettemin ontstond er een ‘awkward’ situatie. “Want ja, het lichaam reageert toch.” Er kwam een stukje erotiek om de hoek kijken waarmee ze geen rekening had gehouden. Het was een hele inspannende opnamedag geweest. “Je begrijpt dat als zo’n masseuse dan hele lange lijnen gaat maken…”
Wie deze navertelling niet leuk genoeg vindt – ik heb daar begrip voor – adviseer ik naar de podcastaflevering zelf te luisteren. Die speciale aandacht van ons, hebben de dames echt verdiend.
Voedt de Wellnessbeweging het extreemrechtse gedachtengoed? (deel 2)
Ik las het verhaal van een vriendelijke vrouw. Ze was lid van een meditatiegroep. De groep kwam al tientallen jaren gelukkig bijeen, verenigd door een gedeelde interesse in onderwerpen als milieukwesties, spirituele zaken en alternatieve gezondheid. Er zaten mensen in de groep die ze beschouwde als vrienden. Ze ging ervan uit dat zij en haar groepsgenoten op dezelfde golflengte zaten.
Acht verhalen uit sektarische bewegingen.
Toen kwam de Coronacrisis. Ongelukkigerwijs kreeg ze zelf Covid en werd ze opgenomen in het ziekenhuis. In die periode ging ze beseffen dat er iets belangrijks was veranderd. Een vriend uit de groep zocht haar op tijdens het bezoekuur. Deze vertelde haar dat ze geen Covid had. Hij liet zich heel stellig uit. De vrouw vroeg: ‘Maar waarom denk je dan dat ik hier lig?’ De vriend gaf toe dat ze ziek was, maar bleef erbij dat het iets anders moest zijn dan Covid-19, omdat Covid niet echt was.
Deze roman volgt Jane, een jonge PR-professional die verstrikt raakt in een exclusieve wellnessretreat geleid door de charismatische Cass. Het boek biedt een satirische blik op de wellnessindustrie en hoe deze inspeelt op onzekerheden en het verlangen naar zelfverbetering.
Later ontdekte ze dat de meditatiegroep, in haar afwezigheid, steeds meer naar extreemrechtse opvattingen was verschoven. De standpunten grensden nu aan racisme en zeer pro-Russische opvattingen met betrekking tot de oorlog in Oekraïne. Het begon vooral met gezondheidskwesties, met ‘Covid bestaat niet’, anti-lockdown felheden, anti-mondkapjes agressie. Het werd anti-alles: ‘De NOS liegt, luister niet naar hen; volg wat je op internet ziet.’
Gebaseerd op persoonlijke ervaringen, vertelt deze roman het verhaal van Michelle Thomson, die tijdens een periode van werkloosheid een spiritueel seminar bijwoont en geleidelijk wordt meegesleurd in een cultachtige groep. Het boek biedt inzicht in de psychologische mechanismen van cultvorming.
De situatie escaleerde toen op een dag, voorafgaand aan een meditatiesessie – een activiteit die goedbeschouwd bedoeld zou moeten zijn om de geest en de ziel te ontspannen en alle wereldse zorgen opzij te zetten – de groep een samenzweerderige video afspeelde waarin werd beweerd dat 15-minutensteden* en gebieden met weinig verkeer onderdeel waren van een wereldwijd complot. Uiteindelijk gaf ze het op.
* Felle kritiek op het concept van de 15-minuten steden komt regelrecht van de QAnon-beweging in Amerika. Het begrip 15-minute-cities verwijst naar een stadsplanningsconcept waarbij alles wat een persoon nodig heeft, zoals werk, winkels, scholen, recreatie en diensten, binnen een straal van 15 minuten lopen of fietsen van hun woning ligt. Dit concept is gericht op het verminderen van afhankelijkheid van auto’s, het bevorderen van duurzaamheid en het creëren van leefbare en gezonde stedelijke omgevingen. Mensen binnen de QAnon-beweging beweren dat 15-minute cities een onderdeel vormen van een groter wereldwijd complot. Deze claim wordt waarschijnlijk gebruikt om wantrouwen en angst te zaaien over stedelijke planning en beleidsmaatregelen die gericht zijn op duurzaamheid en kwaliteit van leven. Dergelijke beweringen worden vaak zonder enig bewijs gedaan en maken deel uit van idiote samenzweringstheorieën.
Je zou denken dat deze radicalisering van een aardige, middenklasse, hippie-achtige groep een incident is, maar de realiteit blijkt anders. De ‘wellness-naar-waanzin-verschuiving’ (of zelfs de ‘wellness-naar-fascisme-transitie’) baart zorgen bij mensen die samenzweringstheorieën bestuderen. En de ellende houdt niet op bij een paar gedeelde video’s onder vrienden. Sta mij toe dat ik inzoom op twee voorbeelden van individuen die aanvankelijk ideeën leken te verspreiden die vrij onschuldig leken; namelijk een veganistische voedselgoeroe en een naar oude ‘natuurwijsheden’ terugverlangende sjamaan.
Een van de leiders van de Duitse tak van de QAnon-beweging verspreidt een samenzweringstheorie gebaseerd op het geloof dat Donald Trump strijd voert tegen een kliek van satanische pedofielen. Deze groep zou geleid worden door onder andere Hillary Clinton en George Soros. Attila Hildman stond aanvankelijk vooral bekend als auteur van veganistische kookboeken. In 2021 hielp hij bij het leiden van een gewelddadige protestactie, waarbij demonstranten de trappen van het Duitse parlement bestormden. Zijn radicalisme in QAnon en online extreemrechtse kringen was zo groot dat hij onderwerp werd van politieonderzoek in verband met meerdere vermeende misdaden. Hij vluchtte naar Turkije voordat hij kon worden gearresteerd.
In deze roman verhuist Anita, een jonge vrouw, naar Los Angeles en raakt betrokken bij een exclusieve fitnessgroep genaamd “The Goddess Effect”. Het verhaal onderzoekt hoe de wellnessindustrie transformatie belooft, maar vaak leidt tot een cultachtige gemeenschap.
Op dezelfde manier lijkt Jacob Chansley aanvankelijk slechts een beoefenaar van ‘sjamanistische kunsten’ en pleitbezorger van onschuldig ogende wellnessideeën zoals het eten van natuurlijk en biologisch voedsel. Hij radicaliseerde tot iemand die kon worden omschreven als ‘ecofascist’ en ‘QAnon-sjamaan’, maar kwam pas echt naar voren als een gevaarlijke extreem-rechtse radicaal toen hij – uitgedost met gezichtsverf en gehoornd hoofddeksel – één van de meest zichtbare gezichten werd van de aanval op het Amerikaanse Capitool op 6 januari 2021.
Misschien moeten we voortaan al op onze hoede zijn als mensen zich, in al hun ogenschijnlijk onschuld, afficheren (of laten afficheren) als goeroe of sjamaan.
Deze dystopische roman volgt een muzikale prodigé die gaat werken bij een high-end med spa. Het boek onderzoekt thema’s van wellness, schoonheid en identiteit, en stelt kritische vragen over de invloed van de wellnessindustrie op persoonlijke waarden.
Voedt de wellnessbeweging het extreemrechtse gedachtegoed? (deel 1)
Binnen de westerse ‘wellnesscommunity’ staat de eigen vitaliteit nogal hinderlijk centraal. Het is volgens mij een misvatting om deze gemeenschap te zien als louter gericht op het bewandelen van het vredelievende pad van samenhorigheid en altruïsme. De meerderheid van de beoefende vormen van spiritualiteit, yoga en meditatie voldoet aan strikt persoonlijke behoeften in een samenleving waar stress een groeiend probleem vormt. Deze praktijken sluiten eerder aan bij puur individualistische denkwijzen dan bij de tradities van het oude oosten.
Geraadpleegde literatuur
De huidige westerse bevolking geniet van aanzienlijk meer vrijheden dan vorige generaties, maar staat tegelijkertijd bloot aan verhoogde competitie. Traditionele gemeenschappen bieden niet langer de steun die ze vroeger boden. Hierdoor is er een sterke vraag naar methoden om stress te verminderen en even te ontsnappen aan de competitieve druk.
Vijftig jaar geleden brachten vertegenwoordigers van de ‘tegencultuur’ oosterse praktijken zoals spiritualiteit, yoga en meditatie naar het Westen. Het waren voornamelijk hippies die de lotushouding omarmden en spiritueel geinspireerde comtemplatie begonnen te beoefenen. Deze toenmalige advocaten van ‘love, peace and understanding’ vormen een scherp contrast met de moderne Wellnesszoekers. De eerstgenoemden zouden voor regelrechte sarcasten zijn uitgemaakt als zij zich zo egocentrisch hadden opgesteld als de huidige generatie in haar zoektocht naar welzijn.
Vandaag de dag worden in Nederland vele vormen van spiritualiteit, yoga en meditatie onderwezen. Zowel zen als tai chi hebben hier bijvoorbeeld een aanzienlijke aanwezigheid. Hoewel de ‘oosterse’ bewegings- en bewustzijnstechnieken niet over één kam te scheren zijn, is de ik-gerichtheid in al het geestbevrijdende zoeken opmerkelijk. Ik wil niet generaliseren maar ik heb de huidige Wellnessbeweging nou niet bepaald kunnen betrappen op progressiviteit en een streven naar verbondenheid. De recente pandemie heeft zelfs aangetoond dat deze groep ook radicaal rechtse opvattingen kan omarmen.
Door middel van boeddhistische meditatietechnieken zouden mensen moeten leren dat het concept van het ‘zelf’ een illusie is en dat ze enkel bestaan in relatie tot andere levende wezens. In mijn omgang met westerse wellnessbeoefenaren loop ik echter steeds weer tegen dezelfde tegenstrijdigheid aan: zij die zich aangetrokken voelen tot technieken die bedoeld zijn om los te komen van het ‘zelf’, zijn juist enorm sterk op zichzelf gericht, en vinden, in vaak peperdure cursussen, manieren om nog meer aandacht aan zichzelf te besteden.
De tegenstelling is duidelijk: westerse mensen die zich verdiepen in ‘oude oosterse’ praktijken van verbondenheid en bewustwording, kunnen juist egoïstischer worden van meditatie of andere wellness-bezigheden. Dit is deels te verklaren doordat veel van deze praktijken helemaal niet zo oud en oosters zijn als ze lijken. Sommige zijn meer verbonden met de moderne westerse nadruk op individuele gezondheid en welzijn dan met de tradities van het oude India.
Het boeddhisme nam in verschillende cultuurgebieden verschillende vormen aan. Boeddhistische leraren die in de 19e en 20e eeuw naar Europa en de VS kwamen, merkten dat moderne westerlingen behoefte hadden aan contemplatieve oefeningen en ademhalingstechnieken. Meditatie was geen kernaspect van het Aziatische boeddhisme, maar werd wel prominent binnen het ‘nieuwe boeddhisme’. De afgelopen decennia zijn er talloze varianten ontstaan, gericht op stressvermindering. Het is onbetwistbaar dat mindfulness en andere therapeutische toepassingen aanslaan bij mensen die lijden onder de druk van individualistische en competitieve maatschappijen.
Wat echter gebruikt wordt voor stressvermindering kan ook worden ingezet om nog beter om te gaan met stress in pogingen om beter te worden dan anderen. Meditatie wordt steeds vaker gezien als een soort mentale training op weg naar de top, een investering in de eigen kracht om concurrenten de loef af te steken. Het resultaat is meer mentale focus, competitievermogen en weerbaarheid. Intensieve meditatietrainingen zijn populair onder diegenen met veeleisende banen en lange werkweken.
In het geval van yoga is het idee van ‘investeren in jezelf’ nog prominenter aanwezig. Dit is niet toevallig, aangezien veel van de lichaamsculturen die in de vroege 20e eeuw in Europa opkwamen, vergelijkbaar waren. De yoga zoals die door veel westerlingen wordt beoefend, heeft minstens evenveel te maken met 20e-eeuwse Scandinavische gymnastiek als met de oude Indiase tradities.
In de oorspronkelijke hindoeïstische yogatraditie hadden de befaamde yogahoudingen (asana’s) een marginale rol. Deze houdingen werden herontdekt in India toen westerse bodybuilding aan populariteit won in de vroege 20e eeuw. Veel staande yogahoudingen, die niet voorkomen in traditionele hatha-yoga, zijn afkomstig van de Deense gymnastiek van Niels Bukh.
Dit individualistische en competitieve universum staat lijnrecht tegenover het ideaal van liefde en collectiviteit dat de hippiebeweging vijftig jaar geleden omarmde. Toch kan betoogd worden dat zelfgerichtheid en hedonisme ook destijds aanwezig waren in deze tegenbeweging. Velen verlieten traditionele structuren om hun eigen weg te gaan en afstand te nemen van autoriteit.
Opmerkelijk genoeg zien we een vergelijkbare tendens in de huidige tijd, zij het in een andere politieke context. Wat eens een linkse tegenbeweging was, wordt nu vaak als rechts beschouwd. Echter, als we de traditionele politieke tweedeling vervangen door een breder anti-establishmentdenken en een idee van hedonistische vrijheid, worden de verschillen minder absoluut.
Het is opvallend dat veel mensen, bij wijze van ‘zelfinvestering’, juist meer op zichzelf gericht raken. Ze ontwikkelen ‘geheime wapens’ waarmee ze anderen kunnen overtreffen in vitaliteit, weerstand kunnen bieden aan tegenstanders en nog harder kunnen meedraaien in de competitie.
Tijdens de pandemie is de ware aard van de westerse yoga- en mindfulnessgemeenschap aan het licht gekomen. Mijn eerdere negatieve, misschien wat generaliserende, uitspraken dateren van lang daarvoor, toen alles wat er over die gemeenschap werd gezegd bijna te mooi leek om waar te zijn. Mijn scepsis blijkt niet geheel onterecht te zijn geweest, hoewel ik moet erkennen dat nuances en complexiteit mijn eenzijdige perspectief geen kwaad doen.
Er bestaan talloze mensen die werkelijk profijt halen uit praktijken als yoga, meditatie en verwante activiteiten. Velen van hen worden er juist minder zelfzuchtig van, ontwikkelen een verhoogd bewustzijn van anderen en hun omgeving, en krijgen een dieper begrip van het grotere geheel. Ze zien door hun verhoogde bewustzijn de valkuilen in van competitie.
De vraag wanneer spiritualiteit oprecht is en wanneer deze als volkomen oppervlakkig moet worden aangemerkt, blijft mij wel bezighouden. De impact van meditatie op de menselijke hersenen is een onderwerp dat misschien aan experts moet worden overgelaten. Ik kan slechts stellen dat de effecten sterk kunnen variëren van persoon tot persoon.
Het is van groot belang dat de deugdzamen niet lijden onder de daden van de minder oprechten. Thich Nhat Hanh, de Vietnamese zenmonnik, benadrukt de onderlinge verbondenheid van alle dingen en legt uit dat niets geïsoleerd bestaat zonder enige relatie tot iets anders, en dat egoïsme nergens toe leidt. Zijn verzameling werk transformeert onmiskenbaar technieken uit de zenmeditatie in oefeningen van altruïsme.
Sta me niettemin toe om – tot slot – mijn aandacht te richten op de volgende verontrustende gevallen:
Tijdens de pandemie vertoonden organisaties zoals Stichting Moederhart en Vrouwen voor Vrijheid affiniteit met Forum voor Democratie. Verscheidene individuen die zichzelf als spiritueel bewust beschouwden, werden gezien in verband met Willem Engel en verklaarden openlijk hun steun voor Baudet. Degenen die vrijheid en verbondenheid met Moeder Aarde predikten, bevonden zich plotseling verstrengeld met klimaatontkenners van de uiterst rechtse beweging. Personen geworteld in welzijn onthulden onverwacht affiliaties met rechtse nationalisten en ultraconservatieven, waarbij ze een voorkeur toonden voor eigenrichting. Ze werden aangetrokken tot de Alt-right beweging, liepen in optochten mee met aso’s, hufters en andere boze witte mannen, lieten zich interviewen door Ongehoord Nederland en andere radicaal-rechtse mediaplatforms, en dit alles omdat de lockdown hen belette om deel te nemen aan yogalessen, pilates-workouts en sauna’s.
Dat stukje recente geschiedenis is iets wat ik voor altijd zal blijven onthouden.
Eigen welzijn eerst – Roxane van Iperen Essay over hoe de middenklasse haar liberale waarden verloor. Een kritische blik op individualisme, neoliberalisme en de afbrokkeling van solidariteit.
Why Wellness Sells – Colleen Derkatch Derkatch analyseert hoe de wellness-industrie collectieve sociale problemen presenteert als individuele verantwoordelijkheden. Ze bespreekt hoe deze benadering mensen afleidt van structurele oorzaken van gezondheidsproblemen en hoe dit kan leiden tot het negeren van maatschappelijke solidariteit.
The Wellness Syndrome – Carl Cederström & André Spicer Een filosofisch-sociologische kritiek op de obsessie met gezondheid, positiviteit en zelfoptimalisatie — ten koste van autonomie en kritisch denken.
Strange Rites – Tara Isabella Burton Een beschrijving van hoe nieuwe vormen van spiritualiteit en wellness het traditionele geloof vervangen — vaak zonder kritisch denken.
The Wellness Trap – Christy Harrison Harrison onderzoekt hoe de wellness-industrie, onder het mom van gezondheid en zelfzorg, vaak desinformatie verspreidt en mensen vatbaar maakt voor complottheorieën. Ze legt uit hoe deze industrie inspeelt op angsten en onzekerheden, wat kan leiden tot het afwijzen van reguliere medische zorg en het omarmen van pseudowetenschappelijke ideeën.
Standvastig – Svend Brinkmann Brinkmann bekritiseert de zelfhulpcultuur die voortdurend aandringt op zelfverbetering en persoonlijke groei. Hij betoogt dat deze focus op het individu kan leiden tot narcisme en het negeren van maatschappelijke verantwoordelijkheden.
McMindfulness – Ronald Purser Een scherpe kritiek op hoe mindfulness is gekaapt door neoliberale en commerciële belangen, los van de oorspronkelijke boeddhistische context.
Complotdenkers – Maarten Reijnders Behandelt ook het spirituele complotdenken (bijv. QAnon met new-age trekjes) en hoe dit samenhangt met wellnesscircuits.