Van de barricaden naar de bonbons: hoe een volksvertegenwoordiger de verbinding verloor.
Misschien vergis ik me; ik mag het hopen. De man in kwestie draagt twee petten, wat zijn excuus zou kunnen zijn. Hij is raadslid voor de PvdA en uitbater van een lokale koffiesalon. Nu moeten we die dubbelrol niet overdrijven; in de Nederlandse gemeentepolitiek is het raadslidmaatschap formeel een bijbaan, een ‘nevenfunctie’ voor burgers die geacht worden midden in de samenleving te staan. Het is geen bovenmenselijke balanceeract, al bakt hij er in beide hoedanigheden – naar mijn bescheiden mening – weinig van.
Over de bittere nasmaak van neoliberaal links en het failliet van het lekenbestuur. De hier getoonde afbeelding is door AI gegenereerd om een representatieve indruk van de geschetste ontmoeting te geven en de privacy van de betrokkenen te waarborgen.
In theorie is het systeem van ons ‘lekenbestuur’ prachtig. Burgers offeren hun vrije tijd op voor het publiek belang in ruil voor een raadsvergoeding. Voor een gemeente van deze omvang praten we over zo’n zestien tot twintig uur per week; een inspanning die gecompenseerd wordt met een bedrag waarvan ik overigens moeiteloos fulltime zou kunnen leven. Tel daar de onkostenvergoedingen bij op en je hebt een positie die weliswaar ‘vrijwillig’ oogt, maar een professionele verantwoordelijkheid draagt.
Ik vermoed echter dat de man, toen ik hem belde, nog met zijn hoofd in de melkschuim zat. Zijn salon – een hybride tussen een chocolaterie en een espressobar – drijft hij samen met zijn vrouw in een monumentaal pand. Ze noemen het de “huiskamer van het dorp”. Een nobel streven, maar mijn eigen ervaringen in die huiskamer zijn minder warmbloedig.
Onze eerste ontmoeting dateert uit de tijd dat ik nog post bezorgde voor PostNL. Ik trof vrienden op zijn terras en raakte geanimeerd in gesprek. Toegegeven; in mijn oranje bedrijfskleding viel ik op en een ondernemer wil dat je óf bestelt óf doorloopt. Maar zoals vaker in het leven: het is de toon die de muziek maakt. Die toon was onaangenaam, en dat bleek een voorbode voor ons derde treffen.
Ditmaal zocht ik telefonisch contact met de raadslid-variant van de man. Ik wilde aan de ‘socialist’ in hem vragen of hij mijn relaas over de perikelen rond Park Beekhuizen op juistheid kon controleren. Geen politieke overhoring, maar een simpele feitelijke check over een dossier waarin commerciële recreatie en kwetsbare natuur lijnrecht tegenover elkaar staan.
Zijn reactie was direct defensief, bijna vijandig. Natuurlijk; dossiers worden verdeeld binnen een fractie, maar de manier waarop hij mij als burgervertegenwoordiger afkapte, voelde als een geraakte zenuw. Het was alsof ik zijn geweten aansprak. Het heeft er namelijk alle schijn van dat de lokale linkse fracties bij de definitieve beslissing over het park pijnlijk hard richting de commercie zullen neigen.
Ik liet mij niet onbetuigd en hield hem een spiegel voor. Zijn houding is exemplarisch voor de koers die de PvdA al sinds de jaren van Kok vaart: de definitieve knieval voor het neokapitalisme en de vermarkting van het publieke domein. De partij is verder komen te staan van de gewone burger en dichter bij de belangen van de gevestigde orde.
Daar zat hij dan aan de andere kant van de lijn; de koffiesalonsocialist. Een man die in zijn monumentale pand ambachtelijke bonbons verkoopt, maar de bittere nasmaak van de uitverkoop van onze publieke ruimte niet lijkt te proeven. En dat voor een voormalig vakbondsman.
Er staat een groot kantorencomplex aan de Eusebiusbuitensingel. Deze singel bevindt zich in het historisch beladen gebied rondom een brug die beroemd werd bij de Slag om Arnhem. Het primaire doel van de geallieerde bombardementen was die Rijnbrug zelf te treffen, zodat de Duitsers deze niet konden gebruiken of verdedigen. Een primair doel heeft echter vaak een secundair effect. In dit geval betekende dit dat de directe omgeving onvermijdelijk beschadigd raakte door de onnauwkeurigheid van de bombardementen.
Aan de achterkant van het ‘sfeervolle’ gebouw bevindt zich een ‘expeditiehof’ met één deur waarachter ik ook al niet moest zijn. De schimmige bureaucratie van de ambtenarij bezit een kantoorlogica die de brandstof lijkt te vormen voor het soort van misverstanden waar je vaak tegen aanloopt bij deze instanties.
Bekijk het kantorencomplex en je ziet causale verbanden. Het gevolg van de bijwerkingen en uitwerkingen van goedbedoelde aanvallen was een zwaargetroffen terrein dat na de oorlog werd platgebulldozerd. Dit braakliggende perceel vroeg om bebouwing. Die bouwdrang leidde tot een architectonisch gedrocht. In dat gedrocht werken nu gemeente-ambtenaren met een sick-building-sydrome. Het is handig om dit in je op te slaan als je als postbode een pakketje bij de balie gaat afgeven dat niet door de brievenbussen 49, 51 of 53 buiten past.
Op het pakketje staat trouwens een huisnummer dat niet correspondeert met één van die buitengleuven. Dat is ook de reden dat de dame aan de balie het weigert aan te nemen. Ik heb het gebouw dan al drie keer omcirkeld. Er is nergens een brievenbus voor nummer 15. Dat wil niet zeggen dat de geadresseerde, genaamd De Connectie, een verzonnen onderneming is. Integendeel; de dame aan de balie kan bevestigen dat De Connectie zich in het gebouw bevindt waarvan zij de baliemedewerkster is. Ze kan echter geen pakketje aannemen met een nummer dat niet bestaat.
Waar ik dan wel moet zijn? Dat krijgt ze niet goed uitgelegd. Ik besluit het gebouw nog eenmaal te omcirkelen. Aan de achterkant zie ik duidelijk De Connectie als logo op een gevel staan. Toevallig houden een paar medewerkers buiten pauze. Ik betrek ze bij mijn zoektocht. Ze reageren alleraardigst en kijken met mij mee. Ze komen er voor het eerst in hun carrière achter dat hun organisatie geen brievenbus bevat. Ergens voorbij een slagboom, op een binnenruimte die niet bestemd is voor onbevoegden, bevindt zich wel een deur waarboven expeditie staat.
Om hier iemand te spreken te krijgen, moet je een huisnummer invoeren en op een belsymbooltje drukken. 15 geeft geen soelaas. Dan maar een nummer van één van de brievenbussen die ik ken. Ik probeer 51 en krijg zowaar de vrouw van de balie te spreken. Ze herhaalt dat ik verkeerd zit maar er gaat wel een deur open. Binnen zie ik iets dat lijkt op een expeditieruimte. Een medewerker zegt dat ik post voor nummer 15 op de nummers 53 of 51 kan bezorgen. Ik zeg dat ik dat absoluut gedaan zou hebben als het buspakketje door de gleuf had gepast. In zo’n geval, adviseert hij, moet ik het maar bij de balie aldaar afgeven.
We zijn rond. Ik was nooit een fan van consumentenprogramma’s waarin je zag hoe mensen van het kastje naar de muur werden gestuurd. De triviale kleinzieligheid van bijvoorbeeld ‘Ook dat nog’ leek mij schadelijker voor kijkers dan het onrecht dat kopers was aangedaan. Die mensen hadden gewoon de oorlog niet meegemaakt. Ik wil niet beweren dat het verstandig is om dingen in verband te brengen met de oorlog, maar het kan handig zijn, voor het laten afvloeien van opwinding, om de oorzaak van een misverstand in een ver, en ingrijpend (dus minder pietluttig) verleden te plaatsen. Ik overweeg om terug te keren naar de balie en het pakje als een oefengranaat, over het hoofd van de dame, de werkruimte in te smijten.
Maar nee; ik plak een stickertje op het pakje met een kruisje bij zowel ‘geen brievenbus’ als bij ‘geweigerd’. Wij postbodes hebben altijd een rolletje met dat soort van plakkertjes in ons noodpakket. Eigenlijk weet ik al wat er gaat gebeuren: de collega die morgen deze wijk heeft, zal voor precies hetzelfde dilemma staan. Twee kruisjes op één stickertje, dat kan niet. Er mag altijd maar één reden worden opgegeven. Het pakketje gaat dus gewoon terug in het systeem. Vergeet niet dat PostNL nog met één been in de regeltjesjungle van de ambtenarij staat. Muggenzifterij is een ware kunstvorm geworden. En bovendien: is kleingeestigheid uiteindelijk niet wat iedereen bestaansrecht geeft?
Vandaag gedroeg ik mij postbode-onwaardig.
Als je meer dan één reden opgeeft, wordt je klacht niet erkend en zal het pakketje gewoon weer terug in het systeem gaan, ook al was de afwezigheid van een bus en een weigering precies wat er gebeurde.
Postscriptum Een collega zei: “Ik zou je oplossing oncollegiaal vinden, als je me niet persoonlijk had ingelicht. Ik zal mij morgen bij die balie van mijn liefste kant laten zien. Het is de toon die de muziek maakt, Ronald.”
Dankzij één van uw laatste columns weet ik dat de scout van een piepklein voetbalteam in Zweden onopvallende spelers aandraagt waardoor de club Goliaths als IFK Göteborg en AIK Fotboll verslaat. Ondertussen gaat hij als postbode door met postbezorgen want dat moet natuurlijk ook gebeuren.
Na het lezen van uw stukje dacht ik: wie beter dan meneer Wagendorp om mijn postbodeverhalen te waarderen, zodat hij ze eventueel aan de redactie kan doorgeven. U schrijft over een postbode met scoutkwaliteiten; ik hoop een postbode te zijn met schrijfkwaliteiten.
Ik zag opeens de gelijkenis. U zou een schrijver kunnen zijn die zich even als talentontdekker opwerpt. Mijn verhalen gaan niet over sport. Niemand kan u op dat terrein naar de kroon steken. U moet vooral doorgaan met uw prachtige columns over dat veelbewogen thema.
Ik mag minder ervaren zijn dan u, maar ik schrijf deze brief met voldoende zelfvertrouwen om mij aan u te durven presenteren. Ik begrijp dat ik mij alleen maar in de kijker kan spelen door goed te schrijven; dat blijft het eerste en het laatste criterium voor succes.
Wilt u zo vriendelijk zijn om een blik te werpen op de bijgevoegde columns? Ook een postbode met scoringsdrang heeft een scout nodig. In één van mijn toekomstige postbodeverhalen zou sprake kunnen zijn van een voetbalcolumnist die mijn talent zag. Dat stukje zou ik graag een keer schrijven.
Waar bezorg ik geadresseerde reclame voor een naamloze ontvanger zonder huis?
Ik schat in dat zeker tachtig procent van de geadresseerde post die niet op naam staat, reclame is; papier dat zich voordoet als belangrijk maar vaak onnodige aandacht trekt. Ontvangers zitten er meestal niet op te wachten. Op de enveloppen staat ‘aan de bewoners van’. Ongerichte post mag letterlijk geen naam hebben.
Dit verrassingsoffensief is vergelijkbaar met ongevraagde boodschappen die tegenwoordig van alle kanten op ons af komen. De mensen zijn murw geslagen door deze commerciële opdringerigheid. Een postbode komt er mee weg zoals ook een bushokje met reclameposters van schuld gevrijwaard blijft. Iedereen begrijpt dat zij slechts de boodschappers zijn (of zo je wilt: de dragers).
In opdracht van BPD werkte architectenbureau Zecc samen met Orange Architects en Studio Spacious aan het ontwerp voor 287 nieuwbouwwoningen op het terrein van de voormalige Cobercofabriek. Daar kun je nu al 287 reclame-enveloppen naar toe sturen, maar die kunnen met geen mogelijkheid worden bezorgd.
Wat ook helpt? Waarschijnlijk profiteert een PostNL-bezorger nog van een oudvertrouwde reputatie als PTT-er. Ooit waren de posterijen een publieke dienst. De ‘bestellers’ droegen uniformen met koperen knopen. Naast het bezorgen van louter belangrijke informatie, had de beambte een sociale functie. Hij bezat een vaste wijk, lette een beetje op in zijn omgeving en maakte hier en daar een praatje.
Mijn baas verwees onlangs naar deze mooie maatschappelijke taak. Er stond een oproep in het bedrijfsblaadje en er werd een flyer uitgedeeld. Het probeerde bezorgers op het hart te drukken dat we nog steeds zo’n functie hebben. We blijven een soort van ogen en oren van de buurt; wijkwachthonden die niet lopen te kwispelen voor een aai of kwijlen van een koekje maar die alarm kunnen slaan als er iets niet pluis is. Ik vind dat best.
Het kost me geen enkele moeite om een oogje in het zeil te houden, maar er is, vrees ik, wel iets wezenlijks veranderd. De postbode heeft het te slikken – dag in dag uit – dat hij een commerciële bijvracht moet meezeulen. Het is een plicht waarvoor hij niet heeft gekozen. Ik weet niet waarom ik mij altijd zo licht en bevrijd voel als mijn taak als postbezorger er op zit. Is het omdat het best belastend voelt om tot een tussenpersoon in de verleidingseconomie te zijn verworden?
Handige bedrijven hopen onschuldige bewoners te treffen waar ze het meest ontvankelijk zijn: in de leefruimte tussen hun eigen muren. ‘Eigen haard is goud waard’ (ook al zo’n reclameleus) en juist daarom dringen zij zich door deuren, naar de warmste plek in huis, met glimlachend drukwerk dat bewoners wijsmaakt dat geluk te koop is.
De brievenbus is de open wond die wij zelf in onze gevel hebben gekerfd: een gapende gleuf naar de straat toe, waarlangs de buitenwereld naar binnen sijpelt, compleet met alles waar een luchtje aan kan zitten. De postbode onderhoudt die wond; hij laat haar etteren maar verzorgt haar ook, met af en toe iets noodzakelijks, een brief of een pakje waarop de klant echt zat te wachten.
Dat voor wat betreft de bevredigende kant van het werk. Maar goed, dan blijft er dus nog altijd een last aan je kleven van geadresseerde post die een niet geadresseerde stadgenoot met een berg papier opzadelt. Vervelend voor hen, voor mij, en – dit moet gezegd – belastend ook voor het milieu.
En dan heb ik het nog niet eens gehad over een andere vorm van geadresseerde, op niemands naam gestelde, post; te weten reclame die ergens dient te worden afgeleverd, maar in werkelijkheid helemaal niet kan worden afgeleverd omdat er in de zogenaamde straat op het zogenaamde nummer, nog helemaal geen gebouw staat.
Het bedrijf dat de nieuwe bewoner wilde informeren over haar onmisbare product, was in dit geval te vroeg begonnen met haar verleidingstactieken. We zien een braakliggend terrein. Zelfs dat wat ze de bouwrijpfase noemen, is er nog niet van start gegaan. Het enige dat er tot nu toe werd opgericht, is het informatiebord met de plandatum van de bouw en de namen van projectontwikkelaar en architect.
In mijn bezorgwijk in Arnhem heet die leegte het Cobercokwartier; het terrein van de oude Melkfabriek waar werkelijk nog geen steen van een straat of een huis is gelegd, maar waar de straatnamen wel bekend zijn gemaakt en de commercie zich (dus) ook al laat zien. Zodoende sta ik daar met stapels identieke enveloppen voor het Vermicohof en het Camizhof.
Niemand is tot nu toe boos geworden dat ik dingen bij ze naar binnen smijt die rechtstreeks de papierbak in kunnen. Misschien word ik daar toch een keer op aangesproken. Of erger. Je moet je frustratie toch ergens kwijt als getreiterde brievenbusbezitter.
Soms moet ik denken aan het verweer van die jongeman in de rechtbank die vol liefdesverdriet zat en dagelijks geconfronteerd werd met posters van zijn ex (ze was onverhoeds model geworden). De dader begreep dat de bushokjes, waar zij voor iedereen te zien was, er niets mee te maken had.
Maar hij moest z’n agressie toch ergens kwijt?
Een oproep van het Bijzondere Momenten Fonds aan de postbezorger. Dit lijkt me een lofwaardig streven en daar is dus helemaal niets mis mee. Natuurlijk zal ik in actie komen bij een ‘niet-pluisgevoel’, zoals het hier nog ‘geite-wollen-sokkig’ wordt genoemd.
Een lezer schreef: ‘Wat een mooi inkijkje in het leven van een postbode. Alleen al het woord bode is natuurlijk al ouderwets. Vroeger had je ook ijlbodes voor mondelinge snelle post. Ik woonde in Amsterdam in de ‘Koperen knopen buurt’ waar allemaal ambtenen hadden gewoond die in dienst waren voor de gemeente.’
Mijn antwoord: ‘Alweer bedankt voor jouw reactie. Het woord ‘ijlbode’ vind ik prachtig. Ik heb het in https://ronaldvannoorden.com/2025/06/07/neerlandsch-postbestel-herboren/ over postbodes die in de oorlog zogenaamde ‘witte post’ bezorgden. Zij werden soms ‘stille lopers’ of ‘witte rijders’ genoemd. Dat laatste was een knipoog naar ‘de Zwarte Ruiter’, symbool van het verzet. Interessant wat je vertelt over de ‘Koperen knopen buurt’. Dus jij bent een jongen uit de Staatsliedenbuurt? Ik heb het even opgezocht en lees: ‘in de beginperiode van de 20e eeuw [woonden daar] relatief veel lagere ambtenaren – zoals tramconducteurs, politieagenten, brandweerlieden, spoorwegpersoneel – die uniformen droegen met koperkleurige knopen. Dat leidde ertoe dat de buurt in de volksmond werd aangeduid als ‘Koperen-Knopenbuurt’ of varianten daarvan.’ Fijn dat je me op zulke sporen zet. Blijf lezen, blijf reageren.’
Naschok voor de postbezorger (en een hard gelag voor de SP).
Ik heb vanochtend de moeite genomen om precies te begrijpen hoe het complexe systeem van restzetelverdeling werkt. Daarom ben ik nu bijna aan het eind van m’n Latijn. Eigenlijk zou ik terug naar bed moeten, maar ik zie het niet zitten om pas in de middag post te gaan bezorgen. Niet dat dit niet mag; een postbode heeft tot zeven uur ’s avonds de tijd om – plastisch uitgedrukt – ‘zijn zakken leeg te lopen’. Hoe dat werkt hoef ik niemand uit te leggen; je begint met volle fietstassen en eindigt met niets. Als alles is afgeleverd ga je moe maar opgeruimd naar huis.
Een postbode heeft een heerlijk overzichtelijk beroep. Maar het wordt wel laag betaald. Voor het afdwingen van betere arbeidsvoorwaarden was er altijd de SP. Laten we nooit vergeten dat de SP de arbeider echt gesteund heeft met raad en daad waar andere partijen aarzelden tussen idealen en belangen. Waar andere partijen hun beloftes vergaten, stond de SP nog schouder aan schouder met de werkvloer. Waar andere partijen afstand namen, bleef de SP dichtbij, met hart voor de gewone man. Waar andere partijen zich richtten naar Den Haag, bleef de SP luisteren naar de stemmen uit de straat. Waar andere partijen zwegen, sprak de SP met lef, met warmte, en met overtuiging.
Sommige mensen zitten echt op hun post te wachten. Ik vermoed dat het de meeste geadresseerden geen donder uitmaakt hoe laat er iets in hun bus valt, maar er zijn van die dagen, in het leven van iedere postontvanger, die een prompte bezorging vereisen. Daarom is het goed dat de postbode een vaste bezorgtijd aanhoudt en ook niet te laat van huis gaat. Ik kan meevoelen met mensen die van stiptheid op bezorggebied houden als ik denk aan de verdeling van restzetels. Ik word gek van het moeten wachten op de definitieve toekenning daarvan.
En dat terwijl er in het woord ‘restzetel’ toch een hele duidelijke indicatie zit dat we geduld moeten hebben omdat er alleen maar achteraf kan worden gekeken wie er recht op heeft. Nu ik dit schrijf valt mij plotseling in dat de ethymologische achtergrond van het woord ‘post’ ook iets in zich lijkt te hebben van ‘na’ of ‘achteraf’. Dat zou leuk zijn voor dit stukje want dan lijkt het rond (zoals er in mijn werkdag als postbezorger ook een aangename afronding zit). ‘Post’ in de zin van ‘na’ berust bij woorden als ‘postbode’ echter op een misverstand. Jammer dat ik op de valreep moeilijk moet gaan doen.
‘Post’ als voorzetsel of bijwoord in het Latijn betekent inderdaad ‘na’ of ‘achter’ (in tijd of ruimte). Dit is de wortel van Nederlandse en internationale woorden zoals postscriptum (na-schrift), postnataal (na de geboorte) en postdoctoraal (na het doctoraat). ‘Post’ in de zin van ‘brieven’ is echter niet het Latijnse ‘post’ in de zin van ‘na’. We hebben hier te maken met een klassiek voorbeeld van homonymie (woorden met dezelfde klank of spelling, maar een verschillende oorsprong en betekenis), waarbij de twee woorden toevallig beide teruggaan op het Latijn.
De etymologische achtergrond van het woord ‘post’ (in de zin van briefwisseling of postbezorging) gaat ook terug op het Latijn, maar posta is een afleiding van het Latijnse werkwoord pōnere, wat ‘plaatsen’ of ‘stellen’ betekent (met het voltooid deelwoord positum). De oorspronkelijke betekenis van posta of het Latijnse posita (of mansio posita / mutatio posita) was de plaats of het vastepunt waar postpaarden werden gewisseld, of waar koeriers gestationeerd waren langs een route. Dit waren dus de wisselstations of rustplaatsen voor de bodes en hun paarden.
Van deze betekenis van een vastgestelde plaats langs de route, ontwikkelde het woord zich later tot de koeriersdienst of het systeem van de ruiters die op vaste intervallen waren ‘geplaatst’, daarna tot het vervoer van de brieven en berichten zelf, en uiteindelijk tot de briefwisseling en de organisatie (posterijen) zoals we die nu kennen. Het woord is dus nauw verbonden met het idee van iets wat op een vaste plaats is gesteld langs een route, bedoeld voor het snelle vervoer van berichten. Nu bent u als lezer misschien aan het eind van uw Latijn.
Ik wil nog even wijzen op een speling van het lot die dingen, zoals hierboven beschreven, eerder verwarrender maken dan dat ze mooi op hun plaats vallen. Het kan heel goed zijn dat er straks een zetel wordt afgesnoept van de SP die dan naar D’66 gaat. Deze ene zetel zou een coalitie van D’66, VVD, CDA en Ja21 mogelijk kunnen maken (nu hangt die nog op 75 zetels). Een linkse partij zou in dat geval, geheel conform de democratische regels van restzeteltoekenning, een zetel hebben afgestaan aan een kabinet dat, naar de aard van rechtse coalities, de democratische waarden eerder in termen van orde en bestuur dan van gelijkheid en participatie zal interpreteren.
Dat is een hard gelag voor de SP waar deze ‘blogpost’ helaas niets aan kan veranderen.
De vlieg op haar muur leek een vreemde vermomming van steeds iemand anders. Door de sleutelgaten gluurden ook nooit dezelfden. Het aflosschema van de wisselende wachten viel niet te achterhalen. Alleen de postbode buiten veranderde alleen maar van pet. Hij had vier varianten. De man liep aangenaam snel. Hij ‘deed’ haar hele straat in minder dan acht minuten. Hij was zo weer verdwenen.
Wijkbewoners vonden dat ze iemand bij haar langs moesten sturen. De beheerder van de buurtapp belde het Meldpunt Zorgwekkend Gedrag van de GGD. Ook Veilig Thuis werd ingeschakeld en iemand bezocht het Wmo-loket van de gemeente. Er waren meer ogen op haar gericht dan ze al vermoedde. “Verraders”, riep ze. De façade van haar kluizenaarswoning liet voor het eerst wat geluid door.
Ze deed niet open. Eén keer probeerde een hulpverleenster met haar te praten door de brievenbus. Dat vond toevallig plaats toen ook de postbode er gebruik van wilde maken. Ze hoorde hem “neem me niet kwalijk” zeggen. Er viel een onbelangrijke brief op de mat. Ze had zijn stem gehoord, dat vond ze spannend. Hij droeg die dag een nieuwe pet. Ze noteerde ‘beetje schor’ in haar logboek. En: ‘Nieuwe flat cap. Flessengroen’.
Meer wilde ze niet van hem weten. Van haar hoefde niemand iets te begrijpen, ook hij niet, en vooral niet dat zij deed aan contraspionage. De doucheruimte boven haar voordeur was de enige veilige plek in huis. Die had ze hermetisch afgeplakt. Zelfs de douche kon ze niet meer gebruiken. Ze bekeek de buitenwereld door een kiertje: een tochtstreepje in haar tuimelraam. Zodoende kende ze de bezorgtijd van de postbode. Hij was behoorlijk stipt.
Op een dag week hij af van zijn routine. Hij had een brief bij haar in de bus gedaan maar weifelde. Hij wilde doorlopen maar keerde terug op zijn schreden. Hij belde bij haar aan. Zij herkende zijn verwarring. Daarom hield niets haar ditmaal tegen. Ze deed vrij onbevangen open. “Sorry” zei hij “ik geloof dat ik een verkeerde brief in uw bus heb gegooid. Voor 20, niet voor 18.” Hij had gelijk. Hij had zijn fout snel ingezien, maar was toch te laat geweest met corrigeren.
“Kan gebeuren” zei zij, en daarna: “vergissen is menselijk.” Toen, alsof ze helemaal los ging, kwam er zowaar nog een derde opmerking uit haar mond: “En ik maar denken dat u een robot was.” Hij keek verbaasd, maar moest wel lachen. Nog bijkomend van haar schrik, om haar vrijpostigheid, vond ze zichzelf best grappig. Na twee clichés en maanden van stilte, had ze iets leuks gezegd. Ze gaf hem de brief terug en duwde de deur heel langzaam in het slot.
De ‘reglementenfeeks’ droeg een fleece met letters op haar rug. Ze was een BEGELEIDER. Ik beschouwde haar als de ‘opperzeurkous’ aan de andere kant van de klapdeur. Ik weet dat bakfietsrijders daar niets te zoeken hebben. Het gebouw kent een eenvoudige indeling. Een muur deelt het enorme depot door de helft. De ene kant is gereserveerd voor de chauffeurs; hier halen zij hun postpakketten op. Vrachtwagens ‘docken’ aan een laadperron elders. De bestelbusbestuurders krijgen hun postpakketten op rolcontainers aangeleverd. Die rijden ze zelf in hun laadruimten. Doorgaans loopt alles op rolletjes. Het kan er daar ’s morgens ontzettend druk aan toe gaan.
Bij de chauffeurs gaat het er in de vroege ochtend hectischer aan toe dan in het ‘fietsenhok’ waar ik rond tienen mijn vervoermiddel kom inladen en ophalen.
Wij postbestellers aan de andere kant hebben het gemakkelijker wat laden betreft. Onze elektrische middelen staan in slagorde klaar. Als je zo rond tien uur ‘s ochtends op het depot komt, is het meeste voorwerk al gedaan. Dat betekent dat pallets met brievenbuspost vanaf de chauffeurskant door een heftruck zijn aangeleverd. ‘Depotmanagers’ hebben de post, rond die tijd, meestal al verder verdeeld. Het enige dat je zelf nog moet doen, is de zakken met handpost en brievenbuspakjes overzetten naar de fiets of de bakfiets die bestemd is voor de wijk waar je die dag moet bezorgen.
Elektrische aandrijving is een revelatie. In het dorp waar ik bezorgde, moest ik m’n eigen spierkracht en m’n eigen brik gebruiken. Nu rijd ik op die rammelkast alleen nog tussen m’n woning en het depot op en neer. Voor een postbode begint de zwaardere klus bij het bezorgen. Zeker wanneer je een nieuwe wijk loopt. In de eerste week stemde de hoeveelheid werk niet overeen met mijn contracturen. Ik kreeg meer op mijn bordje dan mij zinde. Met het inwerken alleen al was ik meer tijd kwijt. Dat had men niet goed ingeschat. Zonder een collega die je begeleidt – wat bij nieuwelingen eigenlijk altijd plaatsvindt – loop je in zo’n nieuwe wijk enorm te zieltogen. Bij mij waren ze er vanuit gegaan dat ik me wel zou redden. Ik had tenslotte elders al ervaring opgedaan.
Een extra moeilijkheidsfactor van die eerste dagen in Arnhem, was dat mij ‘impopulaire’ buurten waren toegewezen. Zo gaat dat nu eenmaal; langer in dienst zijnde collega’s verruilen wijken die ze onprettig vinden voor bezorglocaties die hun voorkeur hebben. Dat mag, daar stemmen teamleiders in toe, maar het is een langzaam proces; je moet wachten tot degenen die daar standaard bezorgen, plaats voor je maken. Verhuizing, ziekte-uitval, sabbatical, pensioen, baanwisseling, sterfte of ontslag, het zijn geen gebeurtenissen die zich dagelijks voordoen. Uiteindelijk val je op je plaats en wordt alles aangenamer. Ik nam de mij toegewezen bezorgwijk voor lief – ik kan goed leven met de heersende mores – maar naast de gebruikelijke inwerkvertraging, liep ik ook tegen wat specifiekere problemen aan.
Het Broek is een wijk die wordt gekenmerkt door een bijzondere mix van bewoners, achtergronden en verhalen. De hoge mate van diversiteit geeft de buurt kleur, maar brengt ook uitdagingen met zich mee. Veel mensen leven er in huurwoningen en hebben te maken met krappe financiële omstandigheden, wat soms leidt tot stress en een gevoel van beperkte perspectieven. Het Broek is een wijk waar warmte en rauwheid hand in hand gaan. Je kunt er een prettig gesprek hebben met iemand die voor haar woning zit met een kop koffie, en daarna worden onderbroken door een man die je toebijt dat je niet moet praten met “dat kankerwijf” (dat overkwam mij in die eerste week). Zulke momenten laten zien hoe dun de scheidslijn hier soms is tussen gemoedelijkheid en agressie. Voor iemand die dagelijks door de wijk beweegt, wordt dat contrast steeds zichtbaarder: de vriendelijke glimlach van de een, tegenover de vijandige uitval van de ander.
Dat wat betreft die wijk, waarvan een groot deel, na renovatiewerkzaamheden, trouwens prachtig in de verf staat. Dan is er nog Remisestraat 2, dat ook tot mijn bezorgdistrict behoort en z’n eigen zorgen kent. Iriszorg, dat zich daar bevindt, is een instelling die opvang en ondersteuning biedt aan mensen die worstelen met verslaving, vaak in combinatie met psychische of sociale problemen. Het is een plek waar bewoners structuur, zorg en een vorm van stabiliteit proberen te vinden, met steun van begeleiders die hen stap voor stap bijstaan. Voor mij roept zo’n instelling gemengde gevoelens op: ik weet dat er kwetsbare mensen verblijven, maar de nabijheid van verslavingsproblematiek maakt de omgeving ook onvoorspelbaar.
Eigenlijk deed zich daar een heel lief incident voor, dat precies die dubbelheid samenvat. Terwijl ik de post afleverde, bood een bewoner spontaan aan om het stapeltje post van me over te nemen en binnen af te geven bij de begeleiders. Dat was oprecht bedoeld, en ik geloofde hem ook. Toch voelde ik de spanning: ik droeg een verantwoordelijkheid, en het idee om een hele bundel post zomaar aan hem mee te geven, zat me niet lekker. Bovendien was ik zelf nog op zoek naar de juiste houding. De wijk was nieuw voor me. Ik had net hectiek meegemaakt in Het Broek. Als dorpsbezorger te Dieren werd het me snel te veel. Ik zei dat ik de post wel wilde overhandigen, maar dan graag samen naar binnen wilde lopen om de begeleiders persoonlijk te leren kennen en de post rechtstreeks bij hen af te geven. Zo vond ik een middenweg: zijn goede bedoelingen erkennen, maar ook mijn eigen verantwoordelijkheid waarmaken.
Er speelde nog meer mee. Kort daarvoor had ik in de Gelderlander gelezen dat er in datzelfde pand sprake was van open tbc. Dat gegeven knaagde ergens in mijn achterhoofd. Onwennigheid, voorzichtigheid en een vleug van wantrouwen mengden zich met de wens om het goed te doen. Ik was me er bewust van dat ik gespannen overkwam. De ervaring ging niet in mijn koude kleren zitten, maar liet me ook zien hoe complex de werkelijkheid is in een wijk als deze: achter de gevels spelen verhalen vol moeite en strijd, maar ook onverwachte momenten van menselijkheid en goedheid.
Na deze belevingen reed ik met mijn leegbezorgde bakfiets terug naar het depot. Daar wachtte me, alsof de dag nog niet genoeg verrassingen had gebracht, een laatste uitdaging. Ik bezat nog geen pasje om via de gebruikelijke ingang naar binnen te kunnen. De teamleider had me daarom gewezen op een omweg die ik, bij wijze van uitzondering, mocht gebruiken: aan de chauffeurskant kon ik naar binnen om via de eerder genoemde dubbele deur alsnog in de fietsgarage te belanden. Wat de teamleider er niet bij had verteld – waarschijnlijk omdat hij het zo vanzelfsprekend vond – was dat ik die route lopend moest afleggen.
De bedoeling was dat ik mijn bakfiets bij de normale ingang zou achterlaten, vervolgens zelf de omweg zou nemen, om de fiets daarna van binnenuit op te halen. Ik begreep dat anders, en nam de omweg met bakfiets. Aan toevallig aanwezige chauffeurs vroeg ik, of ik kon doorrijden. Zij staken hun duim wat plichtmatig omhoog; ze konden me eigenlijk geen uitsluitsel geven. Uiteindelijk liep ik tegen de eerder genoemde begeleidster aan die wel verantwoordelijk was en dat nadrukkelijk liet blijken. Ze maakte me op strenge toon duidelijk dat wat ik deed absoluut niet was toegestaan.
De spanning van alles wat ik die dag had meegemaakt zat nog diep in mijn lijf toen ik oog in oog kwam te staan met de strenge begeleidster. Haar toon en houding – onbuigzaam en scherp – voelden op dat moment verstikkend; ik had geen ruimte meer om met dergelijke serieusheid om te kunnen gaan. Voor even werd het me te veel; alle protocollen, regels en waarschuwingen drukten op me alsof ik ze niet meer kon bevatten. In mijn frustratie, die ik achteraf als ongepast en ondoordacht beschouw, ontglipte mij een reeks geïmproviseerde, spottende benamingen; stuk voor stuk woorden die in de hitte van het moment mijn oplopende stress probeerden te verwoorden.
Achteraf voel ik spijt over mijn uitbarsting. Deze collega deed gewoon haar werk en handhaafde regels die essentieel zijn voor de veiligheid en het ordentelijk functioneren van het depot. Mijn reactie was onterecht en toonde onvoldoende begrip voor haar positie en de verantwoordelijkheden die zij draagt.