Blog

Verhalentoneel zonder druk om te onthouden

Een momententheater dat draait om het nu.

Roos en Tim Doornenveld uit Velp ontmoetten elkaar tijdens hun opleiding tot maatschappelijk zorgverlener gespecialiseerd in psychogeriatrie; een opleiding gericht op de zorg voor mensen met dementie en andere ouderdomsgerelateerde aandoeningen. Al snel ontdekten ze hun gedeelde passie: niet alleen wilden ze professionele zorg bieden, maar ook de diepere lagen van het menselijk geheugen aanspreken, daar waar herinneringen leven.

Herinneringstheater, dwz: een voorstelling die herinneringen oproept en mensen verbindt met hun verleden. Belevingstheater, dwz: een ervaring die draait om gevoel, sfeer en interactie, los van cognitieve beperkingen. Momententheater, dwz: theater dat draait om het nu en de magie van het moment.

Naast hun werk in de ouderenzorg wijden Roos en Tim zich aan een bijzonder project: herinneringstheater. In hun voorstellingen nemen zij mensen met dementie mee terug naar de wereld van hun jeugd. Bekende televisieprogramma’s uit de jaren ’50 en ’60 vormen de basis. Zelf treden ze op als Rikkie en Slingertje, een knipoog naar het gelijknamige poppenprogramma dat ooit het kinderhart veroverde.

‘Rikkie en Slingertje’ was een eenvoudige, vrolijke poppenserie waarin twee kleine vriendjes allerlei avonturen beleefden. De herkenbare stemmen, eenvoudige decors en liefdevolle interacties maakten het programma geliefd bij een hele generatie. Naast deze klassieker brengen Roos en Tim ook verwijzingen naar andere bekende programma’s zoals Dappere DodoPipo de ClownDe Fabeltjeskrant en Swiebertje. Elk liedje, elke dialoog en elk kostuum is zorgvuldig gekozen om sluimerende herinneringen zachtjes wakker te maken.

Wat hun werk extra bijzonder maakt, is dat zij gebruikmaken van participatietheater: bewoners van verzorgingshuizen worden niet alleen toeschouwer, maar mogen ook zelf een rol aannemen; groot of klein, passend bij hun mogelijkheden. Zo wordt herinnering geen eenrichtingsverkeer, maar een gezamenlijke beleving vol glimlachen, zingen en soms zelfs improviseren.

Roos en Tim treden niet op in reguliere theaters. Hun ‘podia’ zijn woonkamers, gezamenlijke zalen en tuinen van verpleeghuizen, hospices en andere zorglocaties waar mensen met Alzheimer of andere vormen van dementie wonen. Hun doel is niet grootse kunst, maar kleine, dierbare momenten van verbinding.

Uitgeverij Cum Suis is dan ook verheugd om de opdracht te hebben gekregen van R&S Producties (zoals Roos en Tim hun initiatief noemen) om het officiële programmaboekje samen te stellen. Een boekje vol verhalen, beelden en herinneringen, zodat hun liefdevolle werk nog verder reikt en niet alleen de harten van de bewoners, maar ook die van hun familie en verzorgers mag raken.

Fragment uit: De Liefdesbrigade

Lieve Gertrud,

Ik schrijf je deze brief omdat er iets tussen ons is voorgevallen dat ik niet kan negeren, en waarvan ik denk dat het nodig is om het uit te spreken, hoe moeilijk ook.

Moodboard c.q. schetsplan voor De Liefdesbrigade.

Je stuurde me onlangs die bandopname van de redevoering van Goebbels1. Ik heb ernaar geluisterd, en ik moet zeggen: het deed me huiveren. Niet alleen vanwege de stem van de geschiedenis die daar spreekt – een stem die aanzet tot haat, tot de dood van miljoenen – maar ook omdat ik het gevoel kreeg dat jij erdoor geraakt werd op een manier die ik moeilijk kan plaatsen.

Ik wil je niet beschuldigen. Maar ik voel me verplicht om open te zijn over wat dit bij mij oproept. De woorden die Goebbels gebruikt – over de ‘Mongolensturm’, over de verdediging van Europa tegen de Bolsjewisten – zijn doordrenkt met racisme, propaganda en misleiding. Ze zijn gericht op het ophitsen van een volk dat al jarenlang onderdrukt werd door terreur.

Wat mij trof, is dat deze toespraak, waarin een oorlogsmisdadiger zijn volk oproept tot de laatste wanhopige strijd, bij jou blijkbaar een emotionele snaar raakt. Dat maakt me bezorgd. En eerlijk gezegd: verdrietig. Niet om je te veroordelen, maar omdat ik me afvraag of je je werkelijk bewust bent van de historische lading en morele implicaties.

Mag ik je daarom iets vragen, met alle voorzichtigheid en respect die ik kan opbrengen? Hoe ben jij grootgebracht? Welke beelden van de geschiedenis zijn jou meegegeven? En voel je je werkelijk thuis bij zulke retoriek, of is er iets anders aan de hand? Ik vraag dit niet om je aan te vallen, maar omdat ik in verwarring ben geraakt over wie je werkelijk bent, en wat je beweegt.

Ik weet dat de wereld complex is. Dat het huidige geopolitieke klimaat gevoelens oproept over Oost en West, over dreiging en verdediging. Maar er zijn grenzen. Grenzen die we niet zomaar mogen verleggen omdat onze eigen tijd ook moeilijk is.

Ik hoop dat je begrijpt dat ik dit niet licht schrijf. Maar ook dat ik, ondanks alles, nog steeds geloof dat eerlijkheid – hoe pijnlijk ook – beter is dan wegkijken of zwijgen.

Met een dierbare groet,
Onno
van Dorreland

1 Over de historische context van de toespraak van Joseph Goebbels en de bevrijding van Berlijn

De redevoering die Joseph Goebbels hield in de nadagen van de Tweede Wereldoorlog, waarin hij de bevolking van Berlijn opriep zich te verzetten tegen de oprukkende Sovjetlegers, vond plaats in een periode waarin Nazi-Duitsland feitelijk reeds verslagen was. Goebbels, als minister van Propaganda, trachtte in deze speech de Duitse bevolking tot een laatste wanhopige verdediging aan te zetten. Hij deed dat met een combinatie van nationalistische retoriek, racistische beeldvorming (zoals het gebruik van de term “Mongolensturm”), en het mobiliseren van angst voor het “Bolsjewistische gevaar”.

Het is essentieel om te begrijpen dat deze toespraak niet los te zien is van het bredere historische en morele kader: Nazi-Duitsland was op dat moment een misdadig regime, verantwoordelijk voor de Holocaust en een verwoestende wereldoorlog. De Sovjet-Unie, hoe complex en later zelf ook gewelddadig in haar optreden, was in deze context een geallieerde macht die mede verantwoordelijk was voor het beëindigen van deze terreur.

De Slag om Berlijn, die eindigde in mei 1945 met de inname van de stad door het Rode Leger, markeerde het definitieve einde van het Derde Rijk. Voor de meeste Europeanen, inclusief Nederlanders, betekende dit het begin van de bevrijding. Hoewel het optreden van het Rode Leger op bepaalde plaatsen met geweld en wraak gepaard ging, is het historisch onhoudbaar om in deze specifieke context de Sovjets als de morele agressor te zien. Zij maakten deel uit van de coalitie die Europa verloste van het Nazisme.

Dat sommigen vandaag de dag – in het licht van de huidige geopolitieke spanningen – teruggrijpen op anti-Russische sentimenten, is begrijpelijk binnen de actualiteit. Maar het is historisch én ethisch onjuist om die gevoelens te projecteren op de situatie van 1945, waarin de Russen onmiskenbaar de bevrijders waren. De keuze om in deze context niet aan de kant van de bevrijders te staan, maar ontroerd te raken door een toespraak van een oorlogsmisdadiger, roept dan ook ernstige vragen op over het morele besef van het heden.

Lieve Onno,

Wat ben ik dankbaar dat je de moed hebt gehad om je gevoelens en vermoedens met me te delen. Het raakt me diep dat je dacht dat ik sympathie zou voelen voor wat Goebbels vertegenwoordigde maar ik begrijp het volkomen. Zeker als je alleen afging op de opname en niet wist van de achtergrond die ik zelden tot nooit met iemand deel.

Laat me je uitleggen waarom ik je juist die toespraak stuurde, en waarom ik daardoor emotioneel werd op een manier die anders is dan je vermoed hebt.

Ik werk, zoals ik je nu pas vertel, al geruime tijd samen met een organisatie die als doel heeft beginnende neo-nazistische bewegingen op te sporen, te infiltreren en hun netwerken bloot te leggen. We doen dit werk uiterst discreet, omdat openlijke afstand nemen ons onmogelijk zou maken binnen te komen waar we nodig zijn. Daarom moet ik soms, ook persoonlijk, poses aannemen die haaks staan op wie ik werkelijk ben.

Mijn Joodse afkomst – iets wat ik niet van de daken schreeuw, omdat het juist in dit werk tegen mij gebruikt zou kunnen worden – is voor mij een voortdurende bron van motivatie om alert te zijn op herlevende vormen van fascisme, racisme en antisemitisme. Wat ik jou stuurde, was geen uiting van bewondering. Integendeel. Ik ken deze toespraak tot in detail omdat ik analyseer hóe gevaarlijk en geraffineerd de retoriek was en hoezeer deze nog steeds, onder nieuwe vlaggen, mensen weet te raken.

Misschien had ik je beter moeten voorbereiden. Misschien was het naïef van mij om te denken dat jij mijn bedoelingen zou aanvoelen zonder uitleg. Dat je, uit oprechte morele verontwaardiging, mijn bedoelingen in twijfel trok, neem ik je daarom niet kwalijk. Het getuigt juist van je gezonde instincten en van je moreel kompas.

Je hebt volkomen gelijk dat de Russen in 1945 onze bevrijders waren. Tegelijkertijd hebben wij — ook historisch — te maken met het wrange besef dat vele Oost-Europeanen na de oorlog een nieuw soort onderdrukking kenden. Poolse families, Hongaren, Oost-Duitsers: ze werden niet ‘vrij’ in de zin waarin wij het beleefden. Dat is een historische tragiek, maar het verandert niets aan de rol die het Rode Leger speelde bij het verslaan van het nazisme.

Ik hoop dat deze uitleg iets van je verwarring wegneemt. En als je nog vragen hebt, of meer wilt weten over wat ik precies doe, ben je altijd welkom om het me te vragen. Voor mij is vertrouwen het hoogste goed en ik wil graag dat je weet dat je, ondanks deze pijnlijke vergissing, veilig bent bij mij.

Met hartelijke groet en respect,
Gertrud
Wiesenthal

Beste Onno,

Naar aanleiding van mijn eerdere brief voel ik, na enig beraad, de behoefte om nog een aanvullende, meer zakelijke toelichting te geven. Dit om elke mogelijke verwarring volledig op te helderen.

In mijn werk voor een organisatie die zich toelegt op de monitoring en bestrijding van opkomende neo-nazistische netwerken, is het essentieel om inzicht te hebben in historische propagandatechnieken en de manier waarop ze vandaag de dag opnieuw gebruikt kunnen worden. Onderdeel van deze taak is het analyseren van originele bronnen, waaronder toespraken van prominente figuren als Joseph Goebbels. Deze studie dient niet ter verheerlijking, maar ter preventie.

Mijn persoonlijke achtergrond (waaronder mijn Joodse afkomst) is voor deze werkzaamheden bekend bij de betreffende instanties maar wordt uit veiligheidsoverwegingen in mijn publieke leven niet benadrukt. De opname die ik je stuurde, maakte deel uit van een bredere analyse die ik op dat moment aan het afronden was. Mijn emotionele reactie was gericht op de gevaarlijke kracht van retoriek, niet op de inhoudelijke boodschap zelf.

Tenslotte: dat het Rode Leger in 1945 een bevrijdende rol speelde in Europa, staat voor mij buiten kijf. Dat de nasleep in Oost-Europa een andere vorm van onderdrukking met zich meebracht, is een historisch feit dat echter los staat van de context waarin Nazi-Duitsland destijds werd verslagen.

Ik vertrouw erop dat dit je een volledig beeld geeft van mijn positie en beweegredenen. Mocht je verdere vragen hebben, dan sta ik daar uiteraard voor open.

Met vriendelijke groet,
Gertrud
Wiesenthal

Beste Gertrud,

Hartelijk dank voor je tweede brief en de open en zorgvuldige toelichting die je daarin hebt gegeven. Ik heb grote waardering voor de helderheid en de kalmte waarmee je deze complexe situatie uiteenzet.

In alle eerlijkheid: ik besef nu des te meer hoe snel schijn kan bedriegen en hoe belangrijk het is om niet te snel te oordelen. Wat je met mij hebt gedeeld, vraagt om discretie en respect en ik wil je nadrukkelijk verzekeren dat je op mijn volledige vertrouwelijkheid kunt rekenen.

Omdat vandaag de dag is waarop wij gezamenlijk stilstaan bij de slachtoffers van oorlog en onderdrukking, wil ik je bij deze ook een gepaste en respectvolle dodenherdenking toewensen. Juist na ons gesprek van de afgelopen dagen voel ik des te meer hoe waardevol het is om te blijven herinneren en om te waken.

Nogmaals dank voor je openheid en je vertrouwen. Ik hoop dat we in deze geest verder kunnen gaan.

Met een allerhartelijkste groet,
Onno
van Dorreland

Recentie: Houd van je buren maar haal de heg niet weg.

In de roman Houd van je buren maar haal de heg niet weg worden kleine menselijke drama’s gevangen. Vanuit het perspectief van een geamuseerd maar door schade en schande wijs geworden Einzelgänger – die luistert naar de naam Victor Weemans – ontvouwt zich een verhaal over nabijheid, verleiding, trouw en de dunne grens tussen bewondering en sarcasme.

Victor, een mislukt idealist op het gebied van de liefde, kijkt met een mengeling van ironie en oprechte verbazing naar zijn buren aan de andere kant van de heg: de ogenschijnlijk harmonieuze Nadine en haar echtgenoot Diederik, een man met een licht onbeholpen intellectuele uitstraling. Terwijl Victor door zijn eigen ervaringen – stukgelopen relaties, overspel en een diepgeworteld cynisme – geen illusies meer koestert over de houdbaarheid van romantische verbondenheid, bewondert hij tegelijkertijd de serene vanzelfsprekendheid waarmee zijn buren hun huwelijk lijken te bewaren.

Nadine stuurt hem regelmatig appjes met adviezen, als een vriendelijke, maar licht anachronistische gids, in een wereld die Victor allang achter zich heeft gelaten. Zij spreekt over trouw, over het belang van een frisse blik en het voorkomen van relationele luiheid. Victor, de geboren twijfelaar, vraagt zich af hoeveel daarvan werkelijk op zuiverheid berust en hoeveel op bewuste blindheid voor elkaars misstappen. Hij twijfelt niet zozeer aan hun liefde, maar wel aan de mythes die mensen nodig hebben om zichzelf daarin staande te houden.

De hoofdfiguur wordt mild maar genadeloos geschetst: Victor is niet enkel een rancuneuze buitenstaander, maar ook iemand die zijn eigen aandeel in eerdere mislukkingen onder ogen ziet. Zonder zichzelf te sparen – hij bekent bijvoorbeeld zonder omhaal een affaire te hebben gehad met de vrouw van een vriend – probeert hij zijn rol te vinden als ‘hofnar’ in het leven van Nadine en Diederik: degene die alles mag zeggen zolang hij niet te ver gaat. Maar hij weet: narren zijn nooit echt veilig.

Het boek ontleent zijn kracht aan de licht ironische, maar nooit bittermakende toon waarin de personages tot leven komen. De onderhuidse melancholie geeft de luchtige passages extra reliëf. Het verhaal is beeldend en levendig opgebouwd, met een scherp oor voor het ritme van de gedachtegang van een man die zichzelf bij vlagen serieus neemt, maar tegelijk beseft dat zijn waarheden net zo feilbaar zijn als die van zijn buren. De roman weet de banaliteit én de schoonheid van menselijke relaties treffend uit te lichten. Grote drama’s of onwaarschijnlijke wendingen blijven uit; het drama schuilt in het kleine, het alledaagse. In het onuitgesproken weten dat achter elke heg, hoe zorgvuldig ook gesnoeid, verhalen schuilgaan die nooit volledig verteld zullen worden.

Toch is Houd van je buren maar haal de heg niet weg niet helemaal verstoken van dramatiek. Onder de ogenschijnlijke kneuterigheid sluimert spanning, die op een bepaald moment een onschuldige grens overschrijdt. Een kleine, bijna achteloze daad — een misplaatste grap, een onverwachte bekentenis — brengt de vriendschap tussen de buren aan het wankelen. Wat volgt is geen schreeuwende breuk, maar een pijnlijke verschuiving, een stille verwijdering, die des te schrijnender is omdat niemand haar hardop durft te benoemen.

Het boek laat zien dat niet alleen grootse daden, maar vooral kleine misstappen ons leven tekenen. De fragiele balans waarop menselijke verbondenheid rust wordt scherp verbeeld, alsook hoe eenvoudig het is om, zelfs zonder kwade wil, die balans voorgoed te verstoren. Juist door grote drama’s te mijden, voelt de ingehouden ontwrichting des te wranger en echter.

Houd van je buren maar haal de heg niet weg is een ode aan de menselijke halfslachtigheid, verpakt in een luchtig maar trefzeker verhaal, een stille triomf voor wie houdt van romans die evenveel begrip tonen voor de drang naar trouw als voor de onontkoombare neiging tot falen.

Boekenmeisje en Taaljongen; een ijzersterke combinatie.

Boekenmeisje en taaljongen.nl vormen een duo. Samen hopen ze het geschreven woord naar een hoger plan te tillen. Wat begon als een creatief taalbureau onder de naam taaljongen.nl, is inmiddels uitgegroeid tot een ondersteunend platform voor eenmansuitgeverij Cum Suis.

Samen sterk.

Taaljongen.nl bood in zijn beginjaren een breed scala aan taaldiensten: van redactie en correctie tot copywriting, schrijfcoaching en vertalingen. Met oog voor stijl en inhoud werkte taaljongen.nl aan het plan om particulieren, bedrijven en organisaties te ondersteunen bij hun communicatie, of het nu ging om een heldere tekst voor een website, een pakkend verhaal of een zorgvuldig geredigeerd manuscript.

‘Alleen in mijn gedichten kan ik wonen, Nooit vond ik ergens anders onderdak’ (Slauerhoff)

Tegenwoordig richt taaljongen.nl zich op de ondersteuning van Cum Suis, de onafhankelijke uitgeverij van een zelfpublicist. Deze uitgeverij creëert boeken met karakter; eigenzinnig, verdiepend en met een duidelijke stem. De verbinding tussen taal en uitgeven is daarmee sterker dan ooit. Boekenmeisje is de drijvende kracht achter de promotie van deze uitgaven. Ze zorgt ervoor dat de boeken van Cum Suis hun weg vinden naar liefhebbers van mooie, onafhankelijke non-fictie en literatuur.

Maar Boekenmeisje doet inmiddels meer. Ze is ook actief als zelfstandige verkoopster van tweedehandsboeken, en biedt een divers assortiment aan via boekwinkeltjes.nl. Deze uitbreiding maakt haar tot een echte boekenfluisteraar: iemand die boeken niet alleen leest en koestert, maar ook opnieuw tot leven brengt bij een volgend lezerspubliek.

Benieuwd naar het huidige aanbod? Hieronder volgt een overzicht van de titels die Boekenmeisje momenteel aanbiedt op boekwinkeltjes.nl. Het komt, vrees ik, hier op neer: u wordt gevraagd een boekje van haar te kopen, dat kan Cum Suis verder. (https://www.boekwinkeltjes.nl/v/boekenmeisje/)

Passages uit: Der alte Mann und die kranke Schwester.

Kapitel 1 – Das erste Klingeln

Es war ein Dienstagmorgen, an dem das Leben von Herrn Feldkamp zum zweiten Mal begann. Das erste Mal hatte er es selbst nicht bemerkt – es war nach dem Schlaganfall, nach dem Krankenhaus, nach dem stillen Aufgeben. Das zweite Mal hingegen hörte man es schon von weitem: Absätze auf Asphalt, das rhythmische Tippen eines Smartphones, das Klackern eines Feuerzeugs.

Sie trat in sein Leben wie ein kleiner Sturm: Lara, 24 Jahre alt, Haare zum Pferdeschwanz gebunden, in einer Hand das Telefon, in der anderen eine halbgerauchte Zigarette, die sie mit einer schnellen Geste im Blumentopf neben der Eingangstür ausdrückte.

„Guten Morgen, Herr Feldkamp! Ich bin Lara, Ihre neue Betreuungskraft. Ich bin noch nicht ganz wach, aber das wird schon.“ Ohne eine Antwort abzuwarten, zog sie sich die Schuhe aus, betrat die Wohnung und rief: „Wo ist die Kaffeemaschine?“

Herr Feldkamp, 83 Jahre alt, Rollstuhlfahrer, ehemaliger Ingenieur und überzeugter Pessimist, sah sie zum ersten Mal – und wusste sofort: Diese Frau war entweder ein Versehen der Agentur oder ein Wink des Schicksals. Er tippte mit einem Finger an die Brille, schob sie auf die Nase zurück und murmelte: „Wenn Sie die Kaffeemaschine finden, sagen Sie es mir auch. Ich suche sie seit dem Umzug.“

Lara lachte. Es war ein ehrliches, unaufgeregtes Lachen, wie man es selten hört in der Welt der Altenpflege.

„Na, dann fangen wir doch gleich mit einer gemeinsamen Suche an. Vielleicht finden wir dabei auch gleich das Leben wieder.“

Herr Feldkamp verzog den Mund. Nicht ganz ein Lächeln – aber fast.

Kapitel 2 – Das Foto im Bücherregal

Zwei Wochen waren vergangen, seit Lara das erste Mal durch die Tür gestolpert war. Ihre Gewohnheiten hatten sich nicht geändert – sie telefonierte immer noch laut auf dem Balkon („Boah, Mama, chill mal!“), rauchte zu viel, und trug manchmal Schuhe mit Plateausohlen, die in der Wohnung hallten wie Hufgetrappel.

Aber etwas hatte sich sehr wohl geändert.

Herr Feldkamp wartete morgens auf sie. Nicht, dass er es zugegeben hätte. Aber sein Bart war plötzlich früher gestutzt, der Kaffee schon gekocht. Und wenn Lara sich verspätete, brummte er lauter als üblich.

An einem verregneten Donnerstagnachmittag, als Lara Staub wischte – sie machte das grundsätzlich nur halbherzig, aber mit viel Musik aus ihrem Handy –, fiel ihr Blick auf ein eingerahmtes Foto im Regal. Ein altes Schwarz-Weiß-Bild. Drei Männer in Uniform, einer davon lächelte verschmitzt in die Kamera. Der junge Mann rechts hatte Augen wie Feldkamp.

„Boah, Sie waren ja mal richtig hot, Herr Feldkamp!“, rief sie lachend.

Der Alte hob den Kopf. Als er das Bild sah, wurde sein Gesicht hart. „Stellen Sie das zurück.“

„Ist das Ihr Bruder?“, fragte Lara, diesmal leiser.

Stille.

Dann sagte er, mehr zu sich selbst: „Mein Bruder… ja. Oder das, was von ihm übrig blieb.“

Lara stellte das Foto zurück, aber da war etwas in seinem Blick, das sie nicht losließ – eine Mischung aus Bedauern, Wut und einer tiefen Müdigkeit.

„Ich hab auch ‘nen Bruder“, sagte sie zögerlich. „Aber der redet nicht mehr mit mir. Sagt, ich bin ein Klotz am Bein.“

Herr Feldkamp schwieg.

Lara war schon fast wieder draußen im Flur, da hörte sie seine Stimme – heiser, gebrochen, aber deutlich: „Meiner war in Ungarn. 1956. Panzer. Er kam nie zurück.“

Sie drehte sich nicht um, ließ ihm den Moment. Aber sie machte eine mentale Notiz: Da ist etwas. Da ist Geschichte. Da ist Schmerz.

Sie verstand zum ersten Mal, dass er sich nicht aus Bosheit hinter einer dicken Mauer versteckte. Sondern weil er Angst hatte, dass niemand mehr klopfen würde.

Kapitel 3 – Überraschung mit Zimt

Lara hatte eine fixe Idee. Und wer Lara kannte – was im Fall von Herrn Feldkamp niemand so recht tat – wusste: eine fixe Idee ließ sie nicht mehr los.

Am Freitagmorgen roch es in der Wohnung nach etwas, das der alte Mann seit Jahren nicht mehr gerochen hatte: Zimt.

„Was ist das?“, knurrte er, als sie mit einer Papiertüte hereinschneite.

„Zimtschnecken! Selbst gekauft! Ich hab null Plan vom Backen, aber die vom Bäcker unten sind mega. Und Sie meckern ja immer, dass ich nichts Gescheites esse – jetzt ess ich wenigstens was mit… wie heißt das Zeug nochmal… Gefühl?“

„Nährwert“, murmelte Herr Feldkamp, aber sein Ton war weicher als sonst.

Sie stellte einen Teller auf den Tisch. „Komm. Heute ist Freitag. Ich hab was organisiert.“

Er hob eine Braue. „Was genau haben Sie organisiert? Eine Zimt-Attacke?“

„Fast“, grinste Lara. „Ich hab den alten Plattenspieler aus dem Keller mitgebracht. Und eine LP. Edith Piaf.“

Herr Feldkamp sah sie an, als hätte sie gerade ein Stück seiner Vergangenheit vom Dachboden geholt.

„Sie mögen französische Musik, oder?“

Er sagte nichts. Nur ein kaum merkliches Nicken.

Sie stellte die Nadel auf die Platte. “Non, je ne regrette rien“ kratzte sich warm und leise aus den Lautsprechern, und der Raum veränderte sich. Etwas sank in die Tiefe, etwas anderes stieg auf.

Sie saßen nebeneinander. Er mit zitternden Händen, sie mit klebrigen Fingern vom Zuckerguss.

„Wissen Sie“, sagte Lara schließlich, „ich hab keinen Opa mehr. Und Sie, naja, Sie haben keine Enkelin. Vielleicht können wir uns was ausleihen.“

Er lächelte nicht. Aber er reichte ihr ein Stück Zimtschnecke, ohne ein Wort.

Und das war mehr, als sie erwartet hatte.

Kapitel 4 – Die Spuren unter der Haut

An einem grauen Mittwoch hatte Lara ihren üblichen Schwung verloren. Sie kam zu spät, roch nach kaltem Rauch, und ihre Worte hatten Kanten.

„Schlechter Morgen?“, fragte Herr Feldkamp, ohne aufzusehen.

„Könnte man sagen.“ Sie stellte die Tasche ab, nahm sich ein Glas Wasser, trank hastig.

Er merkte, dass sie die Schatten unter den Augen nicht von Müdigkeit hatte.

„Haben Sie geweint?“

Sie verzog das Gesicht. „Was glauben Sie denn?“

Er sagte nichts. Stille war seine Waffe – und manchmal auch seine Einladung.

Nach ein paar Minuten legte sie ihr Handy auf den Tisch, als hätte es sie verraten. Das Display war gesprungen.

„Ich war bei meiner Mutter.“

„Und?“

„Sie hat wieder diesen Ordner rausgeholt. Der mit den alten Briefen. Briefe von ihrem Vater. Meinem Opa.“

Er hörte auf zu atmen. Oder so schien es.

„Er hat im Osten gedient. Wehrmacht. Später… SS. Wir haben nie drüber geredet. Aber da sind Fotos. Briefe mit Siegeln. Mein Bruder will alles wegwerfen. Ich nicht.“

„Warum nicht?“, fragte Feldkamp leise.

„Weil ich wissen will, wer ich bin. Auch wenn es schmerzt.“

Er sah sie an, als würde er sie zum ersten Mal wirklich sehen.

„Mein Vater hat Auschwitz überlebt.“

Die Worte fielen wie Steine.

Lara wurde blass. „Das wusste ich nicht.“

„Konnte ja keiner wissen. Ich rede nicht viel. Aber vielleicht… ist das der Moment.“

Sie saßen lange schweigend da. Zwei Biografien, die einander zufällig berührt hatten – und sich nun nicht mehr voneinander lösen konnten.

„Meinen Sie…“, begann Lara zögernd, „dass Schuld vererbbar ist?“

Feldkamp schüttelte den Kopf. „Aber das Schweigen ist es.“

Und genau da, in diesem einen Satz, war ihre Verbindung geboren. Eine, die tiefer ging als Pflegepläne oder Medikamentendosen.

Kapitel 5 – Das Archiv

„Sie können sich jederzeit umentscheiden“, sagte Lara und sah ihn ernst an, während sie die schwere, ledergebundene Mappe auf seinen Wohnzimmertisch legte.

Herr Feldkamp antwortete nicht sofort. Er fuhr mit dem Finger über das spröde Leder, als würde er es abtasten wie eine Narbe.

„Ich wollte immer wissen, was die anderen gedacht haben“, murmelte er schließlich. „Was sie geschrieben haben. Während wir gestorben sind.“

Lara schluckte. Sie hatte die Mappe schon unzählige Male durchgesehen – allein, mit ihrer Mutter, nie mit jemandem wie ihm. Noch nie mit einem, der auf der anderen Seite gestanden hatte. Oder besser: auf der richtigen.

Sie öffnete das Cover. Das Papier raschelte wie altes Laub.

„Das ist ein Brief von 1943. Breslau.“ Sie zeigte auf die fein geschwungene Handschrift. „‚Liebe Anneliese, ich bin gestern angekommen…‘“

Feldkamp streckte die Hand aus. „Darf ich?“

Sie reichte ihm das vergilbte Blatt.

Er las langsam. Wort für Wort. Manchmal murmelnd, als würde er sich vergewissern, dass die Worte wirklich dort standen.

„Die Judenfrage wird hier nun endlich mit der nötigen Strenge behandelt…“

Er brach ab. Legte das Blatt mit einer zitternden Bewegung zurück.

„Ich wusste, dass es grausam war“, sagte Lara leise. „Aber zu lesen, wie beiläufig er das schreibt…“

Feldkamp sah aus dem Fenster. Draußen war es hell geworden.

„Wir sind aufgewachsen mit den Schreien, die keiner hören wollte. Und ihr… mit dem Schweigen, das keiner brechen wollte.“

Lara öffnete ein zweites Fach. Fotografien, sorgfältig beschriftet: „Sommerausflug – Lemberg 1942“.

Ein Picknick. Lächelnde Männer in Uniform. Einer hebt ein Glas.

„Das ist mein Urgroßvater.“ Sie zeigte auf den Mann mit dem schmalen Schnurrbart und dem schiefen Lächeln.

„Er sieht… normal aus“, flüsterte sie.

Feldkamp nickte. „Das ist das Erschreckende.“

Eine Weile lang blätterten sie schweigend. Briefe. Postkarten. Ein Orden in einer kleinen Schachtel. Ein Foto von einer jungen Frau mit Kopftuch – rückseitig beschriftet: ‚Sofka – unsere polnische Haushilfe‘.

„Sie wurde wahrscheinlich deportiert“, sagte Lara.

„Vielleicht.“

„Was soll ich damit tun?“ fragte sie plötzlich. „Alles wegwerfen? Dem Museum geben? Vergraben?“

Feldkamp schüttelte den Kopf. „Nein. Bewahren. Und lesen. Immer wieder lesen. Sonst fängt das Schweigen wieder an.“

Sie nickte langsam. In ihren Augen spiegelte sich etwas Neues: eine Haltung, ein beginnendes Begreifen.

Und irgendwo draußen, zwischen den Fassaden des Viertels, bellte ein Hund. Das Leben ging weiter – aber im Inneren der kleinen Wohnung war etwas aufgebrochen, das nicht mehr ungesagt bleiben konnte.

Een slap aftreksel van een relevant dilemma.

The GreenXtreme – Voorwoord

De nu volgende opmerking is allesbehalve een aanbeveling om verder te lezen, maar het moet gezegd: de ondertitel van dit boek kon beter. Het bevat een vraag die niet meer actueel is. Er staat zoiets als: Wordt het geen tijd om de wet te overtreden in het belang van onze gezondheid? Of: Moeten we het huidige recht en haar verdedigers zo langzamerhand niet bevechten, nu die ons onvoldoende lijken te beschermen tegen de gevolgen van milieuvervuiling? Ik hoor de lezer denken: “Wordt het geen tijd? Zo langzamerhand? Waar heeft die man het over? Er vinden toch al heel lang acties plaats tegen onrecht door dappere mensen die de wet uitdagen in het belang van de natuur? Mensen die bestaande, onwerkbare regels negeren en de moed tonen om de bijbehorende arrestaties te trotseren. Worden er niet sinds tijden klimaatactivisten opgepakt die boetes aan hun broek krijgen of een tijdje moeten brommen voor hun idealen?”

Inderdaad, moet ik dan toegeven; voor dat hogere doel werd de wet al vaak geschonden. Deze acties hebben inmiddels een lange geschiedenis en gaan vanaf begin jaren zestig onverdroten door. Er bestaan talloze individuen en groeperingen die sindsdien het recht uitdagen om aandacht te vragen voor klimaatverandering en milieuvervuiling. Hier volgen enkele voorbeelden:

Extinction Rebellion (XR): Deze internationale beweging voert burgerlijke ongehoorzaamheidacties uit om aandacht te vragen voor de klimaatcrisis. Ze blokkeren wegen, bezetten gebouwen en verstoren openbare ruimtes om politieke en publieke aandacht te vragen voor dringende actie. Dit heeft in veel landen geleid tot massale arrestaties.

Greenpeace: Greenpeace staat bekend om directe acties, waaronder het beklimmen van boorplatforms, het blokkeren van schepen en het betreden van gesloten industriële terreinen, zoals kolencentrales, om milieuvervuiling en klimaatverandering aan te pakken. Hun acties hebben vaak geleid tot arrestaties en juridische vervolging.

De Occupy-beweging en haar sympathisanten: Veel klimaatactivisten, geïnspireerd door de Occupy-beweging, hebben wegen en pleinen bezet om economische onrechtvaardigheden en de invloed van bedrijven op klimaatverandering te bekritiseren. Deze protesten worden vaak illegaal bestempeld omdat ze openbare ruimtes zonder toestemming bezetten.

Fridays for Future jongeren en schoolstakers: Hoewel het geen geweld of zware vergrijpen betreft, overtraden duizenden jongeren wereldwijd de wet door – geïnspireerd door Greta Thunberg – tijdens schooldagen te staken en massaal de straat op te gaan om te protesteren voor klimaatbeleid. In sommige landen zijn scholieren bestraft voor deelname aan deze demonstraties.

Vechters tegen infrastructuurprojecten: Actiegroepen zoals de Standing Rock Sioux Tribe hebben wetten overtreden om te voorkomen dat pijpleidingen werden aangelegd op hun land. Dat was niet alleen een kwestie van eigendomsrecht, maar ze wilden daarmee ook de bescherming van drinkwaterbronnen en de natuur waarborgen. In Europa werden er vergelijkbare acties gevoerd tegen de aanleg van snelwegen door bossen, zoals in het Hambacher Forst in Duitsland, waar activisten zich vastketenden aan bomen en zo de aanleg van infrastructuur saboteerden.

Ontbossingsactivisten: In verschillende delen van de wereld saboteren activisten apparatuur die wordt gebruikt voor (illegale) ontbossing en mijnbouwactiviteiten. Hoewel deze acties vaak klein en verspreid zijn, overtreden ze lokale en internationale wetten om milieubescherming af te dwingen.

Al deze mensen lieten en laten met hun acties zien dat zij bereid zijn om in strijd te handelen met de wet om hun punt te verduidelijken; namelijk dat er onvoldoende wordt gedaan om de aarde leefbaar te houden. ‘Is het tijd om de wet te overtreden voor het recht op schone lucht?’ vraag ik mij op de kaft af, en nogmaals, die omschrijving voor het zogenaamde thema van mijn boek klinkt bepaald niet prikkelend. Het mist de actualiteit omdat het niet meer is dan een slap aftreksel van het echte dilemma waarmee ik worstel. De vraag kon relevanter, maar de uitgever (in mij) wilde ‘de eerste kennismaking van de lezer met het boek’ bescheiden houden.

De kwestie is niet of de wet moet worden overtreden – dat wordt immers allang gedaan – maar welke ultieme acties gerechtvaardigd zijn in de strijd voor het klimaat. Die werkelijke vraag die ik in dit boek wil stellen, formuleer ik verderop veel onvoorwaardelijker en dwingt tot een morele afweging: ‘Is het tijd om geweld te gebruiken voor het recht op schone lucht?’ Of, nog indringender: ‘Is het tijd om voor dat doel te doden?’ Met deze formulering wordt de morele discussie pas echt aangescherpt. Natuurlijk is dit geen nieuw onderwerp; het is al uitgebreid besproken door filosofen, schrijvers, activisten, milieu-ethici, kunstenaars, en zelfs een jurist (een advocaat van de duivel met engelengeduld, zie hoofdstuk 7). Ze dagen ons uit om na te denken over de grenzen van activisme en de bereidheid tot radicale acties in het licht van de klimaatcrisis.

De dilemma’s die zij ons voorleggen worden alleen maar urgenter. Mijn eigen antwoord is uiteindelijk dat ik nooit onwettig geweld zou gebruiken. Maar ik worstel voortdurend met de kwestie hoe ver we mogen gaan in onze pogingen om de wereld te redden en merk dat ik in mijn ongeduld de grenzen van het toelaatbare verleg richting almaar hardere actie. Ik maak onderscheid tussen geweld dat onder bepaalde omstandigheden legaal is, en geweld dat illegaal is. Het zijn rekbare begrippen. Het hangt af van factoren zoals intentie, aard van de situatie, en juridische rechten van de betrokkenen. Wettig geweld wordt nu gebruikt door personen of instanties die daartoe, door ons burgers, democratisch zijn gemachtigd, zoals politie, militairen, of andere overheidsinstanties.

Omstandigheden en juridisch kader vormen een belangrijke factor. Het breken van de wet wordt natuurlijk niet altijd als een geweldsdelict beschouwd. Er zijn veel vormen van wetsovertredingen die geen geweld inhouden, maar in mijn boek is geweldtoepassing als machtsmiddel om het klimaat te redden het grote thema. Het gebruik van onwettige actie komt bijvoorbeeld ter sprake in de context van het verdedigen de werkelijkheid (of, minder gezwollen: van het verhaal over wat er werkelijk aan de hand is) tegen de desinformatie, onzin en misinformatie van klimaatwetenschapontkenners. Veel mensen houden er hun eigen waarheden op na. We vinden zulke betweters, beterweters en gevangenen in het eigen gelijk ter rechter- maar ook ter linkerzijde van het politieke spectrum.

Soms wordt er helemaal niet vanuit een bepaalde sociaal-maatschappelijke motivatie gesproken, maar lijkt het een doel op zich om populistisch haat te zaaien, spirituele- of wellnesswhappieachtige inzichten te verkondigen danwel de omgeving van het gevaar van één of ander elitecomplot te overtuigen. De laatste tijd komen de zogenaamde ‘soevereine burgers’ nogal eens in het nieuws, die de legitimiteit van de staat en haar instituties volledig verwerpen. Ze creëren hun eigen regels en wetten, gebaseerd op hun eigen interpretatie van de werkelijkheid. Deze beweging is vaak geworteld in een diep wantrouwen jegens de overheid en een verlangen naar absolute vrijheid. Ze geloven dat ze boven de wet staan en dat hun handelingen niet onderworpen zijn aan de regels die voor de rest van de samenleving gelden. Dit kan leiden tot gevaarlijke situaties, waarin individuen of groepen hun eigen gang gaan en de rechten van anderen negeren.

In dit boek onderzoek ik de verschillende vormen van activisme, van burgerlijke ongehoorzaamheid tot sabotage, en de morele afwegingen die daarbij komen kijken. Ik onderzoek de vraag of geweld, in welke vorm dan ook, ooit gerechtvaardigd kan zijn in de strijd voor een gezonder klimaat. Kortom, dit boek is een poging om de complexiteit van de klimaatcrisis en de noodzaak tot actie te onderzoeken, zonder de zedelijke dilemma’s uit de weg te gaan. Ik vraag niet alleen om een intellectuele overweging, maar om een ethische afweging van wat nodig is om de aarde te redden. Ik spreek het morele geweten van de lezer aan over de keuzes die we maken en ondertussen blijf ik gefocust op de complicatie van mijn eigen worsteling met deze kwestie.

A watered-down version of a relevant dilemma.

From: The GreenXtreme (Preface).

The following remark is far from a recommendation to keep reading, but it must be said: the subtitle of this book could have been better. It contains a question that is no longer relevant. It says something like: Isn’t it time to break the law for the sake of our health? Or: Shouldn’t we, by now, be fighting the current law and its defenders, as they no longer seem to protect us from the consequences of environmental pollution? I can hear the reader thinking: isn’t it time? By now? What is this man talking about? Haven’t there been actions for a long time, by brave people who flout the law in the name of nature? People who fought existing, unworkable rules and had the courage to face the resulting arrests. Haven’t climate activists been getting arrested for ages, fined as they were, or even spending time behind bars for their ideals?

Indeed, I must admit; the law has often been broken for that higher cause. These actions have a long history and have continued unabated since the early 1960s. Numerous individuals and groups have challenged the law since then to raise awareness about climate change and environmental pollution. Here are some examples:

Extinction Rebellion (XR): This international movement carries out acts of civil disobedience to draw attention to the climate crisis. They block roads, occupy buildings, and disrupt public spaces to demand political and public attention for urgent action. This has led to mass arrests in many countries.

Greenpeace: Greenpeace is known for direct actions, including climbing oil rigs, blocking ships, and entering restricted industrial sites like coal power plants to combat pollution and climate change. Their actions often result in arrests and legal prosecution.

The Occupy movement and its sympathizers: Many climate activists, inspired by the Occupy movement, have occupied streets and squares to criticize economic injustices and corporate influence on climate change. These protests are often deemed illegal because they occupy public spaces without permission.

Fridays for Future youth and school strikers: Although these actions don’t involve violence or serious crimes, thousands of young people worldwide—inspired by Greta Thunberg—broke the law by striking during school days and taking to the streets en masse to demand climate action. In some countries, students were penalized for participating in these demonstrations.

Fighters against infrastructure projects: Activist groups like the Standing Rock Sioux Tribe have broken laws to prevent pipelines from being built on their land. This was not only a matter of property rights but also a way to safeguard drinking water sources and protect nature. Similar actions have been taken in Europe against highway construction through forests, such as in Hambacher Forst in Germany, where activists chained themselves to trees, sabotaging the infrastructure development.

Deforestation activists: In various parts of the world, activists sabotage equipment used for (illegal) deforestation and mining activities. Although these actions are often small and dispersed, they break local and international laws to enforce environmental protection.

All these people have shown, and continue to show, through their actions that they are willing to break the law to clarify their point; namely, that not enough is being done to keep the planet habitable. “Is it time to break the law for the right to clean air?” I ask myself on the cover, and once again, that description of the so-called theme of my book hardly sounds stimulating. It lacks relevance because it’s nothing more than a watered-down version of the real dilemma I’m struggling with. The question could be more pertinent, but the publisher (within me) wanted to keep ‘the reader’s first encounter with the book’ modest.

The issue isn’t whether the law should be broken—after all, that’s already happening—but which ultimate actions are justified in the fight for the climate. The real question I want to pose in this book, which I formulate much more unconditionally later on, forces a moral consideration: “Is it time to use violence for the right to clean air?” Or, even more intensely: “Is it time to kill for that cause?” This formulation truly sharpens the moral discussion. Of course, this isn’t a new subject; it’s been extensively debated by philosophers, writers, activists, environmental ethicists, artists, and even a lawyer (a devil’s advocate with angelic patience, see chapter 7). They challenge us to think about the limits of activism and the willingness to engage in radical actions in light of the climate crisis.

The dilemmas they present to us are only becoming more urgent. My own answer is clear that I would never use unlawful violence. But I constantly struggle with the question of how far we are allowed to go in our attempts to save the world and find that, in my impatience, I push the boundaries of what’s acceptable toward increasingly harsher actions. I distinguish between violence that is legal under certain circumstances and violence that is illegal. These are flexible concepts. It depends on factors such as intent, the nature of the situation, and the legal rights of those involved. Lawful violence is currently used by individuals or institutions democratically empowered by us citizens, such as police, military, or other government agencies.

Circumstances and the legal framework play an important role. Breaking the law isn’t always considered a violent crime, of course. There are many forms of lawbreaking that do not involve violence, but in my book, the application of violence as a tool of power to save the climate is the central theme. The use of illegal action, for example, comes up in the context of defending the truth (or, less grandiosely: the story of what is actually happening) against the disinformation, nonsense, and misinformation from climate science deniers. Many people cling to their own versions of the truth. We find such know-it-alls, better-knowers, and prisoners of their own rightness on both the right and left sides of the political spectrum.

Sometimes, the motivation isn’t driven by any particular social or societal cause, but it seems like the goal is simply to spread populist hatred, promote spiritual or wellness-related insights, or convince others of the danger of some conspiracy. Recently, the so-called “sovereign citizens” have been in the news more often, rejecting the legitimacy of the state and its institutions entirely. They create their own rules and laws, based on their own interpretation of reality. This movement is often rooted in a deep distrust of the government and a desire for absolute freedom. They believe they are above the law and that their actions are not subject to the rules that apply to the rest of society. This can lead to dangerous situations where individuals or groups go their own way and ignore the rights of others.

In this book, I examine the various forms of activism, from civil disobedience to sabotage, and the moral considerations involved. I explore the question of whether violence, in any form, can ever be justified in the fight for a healthier climate. In short, this book is an attempt to explore the complexity of the climate crisis and the necessity for action, without shying away from moral dilemmas. I am not just asking for an intellectual consideration, but for an ethical reflection on what is needed to save the Earth. I appeal to the reader’s moral conscience regarding the choices we make, while I remain focused on the dilemma of my own struggle with this issue.

Speaking of Melting.

From: The Meltdown of Monarchies

I am invited for a visit with the king. It takes place at his home, a palace that doesn’t flaunt its splendor, and precisely because of that, it feels majestic to me. I convince myself that this environment reflects the character of my host and wonder if he understands that someone like me, the son of a working-class family, is impressed by such surroundings. “We’re a fairly normal family,” he will say later. By that time, I will have also met his wife and one of his daughters. Over time, I can indeed see the normalcy, but when I first meet him in person, I’m stiff with nerves.

I already feel uncomfortable around VIPs, let alone with a monarch. I fear that -much to my dismay- I am susceptible to fame. That’s ridiculous and completely against my principles, so I can be thankful that this king puts me at ease; every time he appears, I feel a mixture of awe and compassion. He’s tall, his stature fills the room, but he has nothing grandiose about him. You could say he lacks grace, but that is certainly not a shortcoming. He is the least imposing monarch I know. That reassures me and inspires sympathy.

He is a king of class, but the better version of that concept. He distinguishes himself by mastering the art of staying grounded. Is that the result of a healthy sense of perspective, or is there something else at play? Many royals appear more stately than he does. They seem to embody a long family history. Distinction suits them, it is their driving force. They embrace their inherited role much more easily and are less concerned with the misdeeds of their ancestors. This man represents a country with critical citizens and a history that humbles. If he doesn’t present himself with humility, his people would devour him. But it’s also within him. I believe that, from a young age, he’s had his reservations about the state system and the historical accident that chose him.

That I, as the tenant of a two-room apartment, am impressed by the environment in which I am received is perhaps logical, but I can’t forgive myself for this fascination. My views on capitalism and old money urge me towards indifference, yet I cannot deny that the opulence, which comes with monarchy, exerts a strong pull on me. Perhaps, for my host, the palace is also the only allure of kingship. For him and his family, who get to live there, that’s nice. I’m a fleeting visitor and want to leave my weakness behind by unburdening myself. While the king shows me his most amiable side, I feel the urge to share libertarian thoughts with him. I want to let him know why I believe in a republic. I suspect that he also wants me to speak up about this. After all, he didn’t invite me here for nothing. Of course, he’s read my book.

“I greatly appreciate this meeting, Your Majesty,” I begin sincerely. “I want you to understand that my position in favor of a state without hereditary succession by a head of state doesn’t stem from hatred or distrust towards you and your family. On the contrary, it arises from my deep disdain for the conspiracy theories circulating in far-right circles and other extremist groups. I’m the last person to believe that the royal family is involved in dark conspiracies, or that they are puppets of a hidden world order pulling the real strings behind the scenes. But how do we banish such absurd fabrications? The genie seems to be out of the bottle, Your Majesty. People are driving each other crazy on social media. So much is claimed, and so little is proven. Honestly, I believe there’s only one way left to rid ourselves of these annoying rumors.”

“By giving the slanderers no further reason,” the king adds. His kind eyes seem to have absorbed my words and have grown a bit more serious. He limits his response to that single sentence, so I continue my argument freely: “That’s exactly what I mean, Your Majesty. Apart from that, I believe in a system where power and privilege are not based on birth, but on merit. That seems fairer and more inclusive. A system where everyone has equal opportunities, where the strength of society comes from its diversity and the possibilities it offers to all, regardless of their background.” This moment of revealing my colors is accompanied by a vision of the future that I keep to myself.

Over smelten gesproken

Uit: The Meltdown of Monarchies

Ik word uitgenodigd voor een bezoek aan de koning. Dat speelt zich af bij hem thuis, een paleis dat niet wil pronken met z’n pracht en juist daardoor majesteitelijk op mij overkomt. Ik maak mij wijs dat deze omgeving het karakter uitstraalt van mijn gastheer en vraag me af of hij begrijpt dat een arbeiderszoon als ik onder de indruk raakt van dit soort ambiances? ‘We zijn een vrij normaal gezin’, zal hij later zeggen. Tegen die tijd heb ik ook zijn vrouw en één van zijn dochters leren kennen. Dat normale zie ik er gaandeweg wel aan af, maar als ik hem voor het eerst in het echt ontmoet, sta ik stijf van de zenuwen.

Bij VIPs voel ik me al ongemakkelijk, laatstaande bij een vorst. Ik vrees dat ik, geheel tegen mijn wil in, bevattelijk ben voor beroemdheid. Dat is belachelijk en volstrekt in strijd met mijn principes en dus mag ik blij zijn dat deze koning het me gemakkelijk maakt; steeds wanneer hij in beeld verschijnt, voel ik een mengeling van ontzag en mededogen. Hij is groot, zijn postuur vult de ruimte, maar hij heeft niets verhevens. Gebrek aan gratie, zou je kunnen zeggen, maar een tekortkoming is dat zeker niet. Hij is de minst voorname vorst die ik ken. Dat stelt gerust en wekt sympathie.

Hij is een koning van klasse, maar dan de betere versie van dat begrip. Hij onderscheidt zich omdat hij de kunst verstaat van het gewoon blijven. Is dat het gevolg van een gezond relativeringsvermogen of zit er nog iets anders achter? Veel royals komen statiger over dan hij. Ze lijken de belichaming van een lange familiegeschiedenis. Distinctie doet hen goed, het is hun drijfveer. Ze laten zich hun overerfde functie veel meer aanleunen en bekommeren zich minder om de wandaden van hun voorvaderen. Deze man vertegenwoordigt een vaderland met kritische onderdanen en een verleden dat nederig stemt. Als hij zich niet bescheiden opstelt, lust zijn volk hem rauw. Maar het zit ook in hemzelf. Ik geloof dat hij van kindsbeen af bedenkingen heeft bij het staatsbestel en het historische toeval dat hem heeft uitverkoren.

Dat ik, als huurder van een tweekamerappartementje, onder de indruk raak van de omgeving waarin ik word ontvangen, is misschien wel logisch, maar ik kan mezelf die fascinatie niet vergeven. Mijn opvattingen over kapitalisme en oud geld manen me tot onverschilligheid, en toch kan ik niet ontkennen dat de weelde, die komt met het vorstendom, een sterke aantrekkingskracht op me uitoefent. Misschien is zo’n paleis ook voor mijn gastheer de enige bekoring van het koningschap. Voor hem en zijn familie, die er in mogen wonen, is dat fijn. Ik ben een kortstondige bezoeker en wil mijn zwakte achter me laten door m’n hart te luchten. Terwijl de koning mij zijn vriendelijkste kant toont, voel ik de drang om libertijnse gedachten met hem te delen. Ik wil hem laten weten waarom ik geloof in een republiek. Ik vermoed dat hij ook wil dat ik me daarover uitspreek. Hij heeft me hier toch niet voor niets naartoe laten komen. Natuurlijk heeft hij mijn boek gelezen.

‘Ik waardeer deze ontmoeting zeer, Uwe Majesteit’, begin ik gemeend. ‘Ik wil dat u begrijpt dat mijn standpunt voor een staat zonder erfopvolging door een staatshoofd niet voortkomt uit haat of wantrouwen jegens u en uw naasten. Integendeel, het vloeit juist voort uit mijn diepe afkeer van de complottheorieën die circuleren in ultra-rechtse kringen en andere extremistische groeperingen. Ik ben de laatste persoon die denkt dat de koninklijke familie betrokken is bij duistere samenzweringen, of dat ze marionetten zijn van een verborgen wereldorde die achter de schermen de echte macht vormen. Maar hoe ban je zulke idiote verzinsels nog uit? De geest lijkt uit de fles, Majesteit. Mensen maken elkaar gek op de ‘socials’. Er wordt zoveel beweerd en zo weinig bewezen. Eerlijk gezegd geloof ik dat er nog maar één manier is om van deze irritante geruchtmakingen af te komen.’

‘Door de lasteraars geen aanleiding meer te geven’, vult de koning aan. Zijn vriendelijke ogen lijken mijn woorden te hebben geabsorbeerd en zijn iets ernstiger geworden. Hij houdt het bij die ene reactie, dus vervolg ik vrijmoedig mijn betoog: ‘Dat is precies wat ik bedoel, Majesteit. Los daarvan geloof ik in een systeem waarin macht en privileges niet gebaseerd zijn op geboorte, maar op verdienste. Dat lijkt me rechtvaardiger en inclusiever. Een systeem waarin iedereen gelijke kansen heeft, waarin de kracht van de samenleving voortkomt uit haar diversiteit en de mogelijkheden die het biedt aan allen, ongeacht hun achtergrond.’ Dit moment van kleurbekennen gaat gepaard met een toekomstvisie die ik voor me houd.

The key points of my visit with the king.

From: The Meltdown of Monarchies

Could it be that my message resonates and plants a seed of understanding? As I stand there, speaking about my deeply held beliefs, I hope that my words reflect not only my personal perspective but also his. In fact, I hope that the king secretly harbors the same thoughts as I do about the future of the monarchy. Perhaps, I think, he quietly shares my desire for a system that abolishes the arbitrary hierarchy that has made him a monarch. I imagine him lying awake at night, surrounded by the opulence of his palace, contemplating the role of this ‘form of government’ in a rapidly changing world. Does he engage in inspiring conversations with progressive thinkers, philosophers, and activists more often, sharing their vision of a more inclusive society? Perhaps he dreams of a realm where his subjects transform into ordinary fellow citizens, not divided by lineage, but united by shared values of equality and justice.

The thought of such a king makes me less pushy and activist. It would already give the monarchy the necessary perspective: a sovereign with a progressive spirit who uses his power to bring about positive change and ultimately chooses, as the final essential step, to abdicate. Perhaps he longs, like I do, for a time when the kingdom and its inherited hierarchy no longer have to symbolize a tradition (tradition: a stubborn habit often mistakenly attributed to social stability). So that he dares to say, “I want it to end with me. The title of head of state should no longer be hereditary. I want to be the last monarch in this country.” Although he knows that in a constitutional monarchy he cannot decide that himself, he can at least work on expressing that desire.

That would then be his last public task; an ultimate form of honesty with significant consequences for himself and his family. Through the luxury and splendor of his domestic surroundings, my thoughts wander off again for a moment. I have said what I wanted to say. Now I seem to expect that my ideas are agreeable to him. Perhaps, I dare to believe in my overconfidence, this meeting represents a turning point; the beginning of a new chapter, in which the monarchy redefines itself and evolves into a republic that truly serves the interests of all citizens, regardless of their background, and thus favors no one. I look into his eyes, searching for understanding. Am I fooling myself into thinking that his gaze is now slightly amused?

We continue our discussion for a while and then engage in a polite conversation. We even exchange some small talk about our lives. Then he reaches for a bell on a tea table, much like Queen Elizabeth had; at least, if I can trust the loose sketch of her life in the Netflix series The Crown. The bell was sometimes pressed prematurely, for example, when a prime minister had been so arrogant in his cabinet decisions as to disregard his obligation to inform the sovereign, who had been stripped of her administrative responsibilities. But most often, Elizabeth pressed the button at a calmer moment, when the conversation had naturally come to an end and it was time to say goodbye. I think this is also the case here. The king thanks me for my visions, says a warm farewell, and stops just short of making a follow-up appointment. A chamberlain enters, gesturing towards the side doors. My exit can no longer be delayed.

De belangrijkste punten van mijn bezoek met de koning.

uit: The Meltdown of Monarchies

Kan het zijn dat mijn boodschap resoneert en een zaadje van begrip plant? Terwijl ik daar sta, sprekend over mijn diepgewortelde overtuigingen, hoop ik dat mijn woorden niet alleen mijn persoonlijke standpunt weerspiegelen, maar ook dat van hem. In feite hoop ik dat de koning in het geheim dezelfde gedachten koestert als ik over hoe het verder moet met de monarchie. Misschien, zo denk ik, deelt hij stilletjes mijn verlangen naar een systeem waarin de toevallige pikorde, die van hem een monarch heeft gemaakt, wordt afgeschaft. Ik stel me voor hoe hij ’s nachts wakker ligt, omringd door de weelde van zijn paleis, terwijl hij nadenkt over de rol van deze ‘regeringsvorm’ in een snel veranderende wereld. Voert hij vaker inspirerende gesprekken met progressieve denkers, filosofen en activisten, en deelt hij hun visie op een meer inclusieve samenleving? Wellicht koestert hij dromen van een rijk waarin zijn onderdanen in gewone landgenoten veranderen, dus niet verdeeld worden door afkomst, maar verenigd door gedeelde waarden van gelijkheid en rechtvaardigheid.

De gedachte aan zo’n koning maakt me minder drammerig en activistisch. Het zou de monarchie nu al het nodige perpectief geven: een vorst met een vooruitstrevende geest die zijn macht gebruikt om positieve veranderingen teweeg te brengen, en er uiteindelijk voor kiest om, als laatste essentiële stap, te abdiceren. Misschien verlangt hij, net als ik, naar een tijd waarin het koninkrijk en zijn overgeleverde hiërarchie, niet meer symbool hoeven te staan voor een traditie (traditie: een hardnekkige gewoonte waaraan vaak ten onrechte maatschappelijke stabiliteit wordt toegeschreven). Dat hij dus durft te zeggen: ‘Ik wil dat het klaar is na mij. De titel van staatshoofd mag niet langer erfelijk zijn. Ik wil dat ik de laatste vorst ben in dit land.’ Hoewel hij natuurlijk weet dat hij daar, in een constitutionele monarchie, niet zelf over mag beslissen, kan hij althans werk maken van het uiten van dat verlangen.

Dat wordt dan zijn laatste publieke taak; een uiterste vorm van eerlijkheid met grote consequenties voor hemzelf en zijn gezin. Door de luxe en pracht van zijn huiselijke omgeving dwalen mijn gedachten weer even af. Ik heb gezegd wat ik wilde zeggen. Nu schijn ik te verwachten dat mijn denkbeelden hem welgezind zijn. Misschien, zo durf ik zelfoverschattend te geloven, vormt deze ontmoeting een keerpunt; het begin van een nieuw hoofdstuk, waarin de monarchie zichzelf herdefinieert en evolueert naar een republiek die werkelijk de belangen van alle burgers dient, ongeacht hun afkomst, en die dus niemand voortrekt. Ik kijk in zijn ogen, op zoek naar begrip. Maak ik mezelf wijs dat zijn blik nu lichtelijk geamuseerd is?

We blijven nog even in discussie en voeren daarna een beleefdheidsgesprek. We wisselen zelfs wat ditjes en datjes uit over onze levens. Dan reikt zijn vinger naar een belletje op een theetafeltje, zoals koningin Elizabeth ook had; tenminste, als ik de losse schets van haar leven in Netflix-serie The Crown mag geloven. Het belletje werd soms voortijdig ingedrukt. Bij een prime minister bijvoorbeeld, die in zijn kabinetsbeslissingen zo arrogant was geweest om voorbij te gaan aan zijn informatieplicht richting de, van haar bestuurlijke verantwoordelijkheden beroofde, soeverein. Maar meestal drukte Elizabeth op het knopje op een kalmer moment, namelijk omdat het gesprek een natuurlijk einde had bereikt en het tijd was om afscheid te nemen. Ik denk dat daarvan ook in dit geval sprake is. De koning dankt mij voor mijn visies, zegt allerhartelijks gedag en maakt nog net geen vervolgafspraak. Er treedt een kamerbode binnen die gebaart naar de zijdeuren. Mijn afgang kan niet langer uitblijven.

I don’t tweet anymore, I just retweet.

From: The Silent Retweeter

I don’t tweet anymore; I just retweet. That way, you make far fewer enemies. It requires less courage. Passive use of Twitter—I’d recommend it to anyone. You view the news that matters to you, more or less like reading the newspaper. You follow your favorites, just like in the paper. The small difference is that you highlight what you like by sharing the post in the usual Twitter fashion. A small tribute to your kindred spirits.

What bothered me about the platform was all the angry ranting by far-right fools. I’m glad to be done with that. You could say I let others pull the chestnuts out of the fire for me—like Sander Schimmelpenninck or Esther Ouwehand, for instance. They get a ton of crap thrown at them after just about every tweet. Unfair, because they’re the ones sticking their necks out, while I merely ‘redistribute’ what was already circulating online.

Ouwehand advocates for a better society with a unique party platform, one that outlines the only measures that truly align with what science deems necessary for the environment. Schimmelpenninck fights like a kind of Saint George battling the dragon—at least if we think of Saint George as a just and intelligent guy and the dragon as the embodiment of ‘populist proles.’

I can name countless Twitter users who have the best intentions for their fellow humans—the platform is certainly not lacking in ethical allies—but still get slammed every time they post something. Pretty much anyone who’s against economic growth, or at least believes that too little is being done to combat climate change, can expect ‘dirt,’ especially from those quarters that have plenty of it to dish out.

Speaking of which, you better not criticize the farmers. As we know, things have been rather hectic in our country thanks to the ‘tractor terrorists.’ Mechanical horsepower compensates for what the farming brain lacks in intelligence. Farmers Defence Force, for example, loves to spread nonsense on social media like the foul slurry they spray over their fields.

If only it stopped there—but of course, it never does. From time to time, they escalate, as everyone has witnessed, forcing their way to The Hague to shove their alternative truths down the throats of politicians through threats. Some of them even had to file police reports for intimidation or worse. Others (now) dance to the tune of these agricultural criminals.

Meanwhile, it remains a scientific fact that the agricultural sector in the Netherlands is responsible for around 60% of nitrogen emissions. You can shout all you want, spreading the manure of your own self-righteousness until the stench of stupidity becomes unbearable and chokes us as fellow citizens, but you can’t just plow the reality under the ground.

And yet, the farmers won’t back down. I’d like to say to them: leave the thinking and tweeting to the thinkers, and use your tractor and computer for what they’re made for. But anyway, I don’t engage in the fight. I carefully highlight existing posts. For the umpteenth time, and probably against better judgment, because really, does it help? But just retweeting is certainly safer.

Ik tweet niet meer, ik retweet.

uit: The silent retweeter

Ik tweet niet meer, ik retweet. Op die manier maak je veel minder vijanden. Er is minder moed voor nodig. Passief gebruik maken van Twitter, ik kan het iedereen aanraden. Je bekijkt het nieuws dat er voor jou toe doet. Dus min of meer zoals je de krant leest. Je volgt je favorieten zoals je in de krant doet. Het kleine verschil is, dat je, wat je goed vindt, extra onder de aandacht brengt door het bericht te delen op de voor Twitter gebruikelijke manier. Een kleine eerbetuiging aan je geestverwanten.

Wat mij tegenstond aan het medium was al dat boze ‘gereaguur’ door rechtsradicale minkukels. Daar ben ik mooi van af. Je zou kunnen zeggen dat ik anderen de kastanjes uit het vuur laat halen. Sander Schimmelpenninck of Esther Ouwehand bijvoorbeeld. Die krijgen een hoop bagger over zich heen na zowat elke tweet. Onrechtvaardig, want zij steken juist hun nek uit. Terwijl ik alleen maar ‘herdistribueer’ wat toch al rondging op het internet.

Ouwehand pleit voor een betere samenleving vanuit een uniek partijprogramma. Het beschrijft de enige maatregelen die echt aansluiten bij wat de wetenschap noodzakelijk acht voor het milieu. Schimmelpenninck vecht als een soort van Joris met de draak, tenminste als we Joris voor een rechtvaardige en intelligente jongen houden en ons de draak voorstellen als de vertegenwoordiger van het ‘proletenpopulisme’.

Ik kan trouwens talloze twitteraars noemen die het beste met hun medemens voor hebben – zo arm van ethische zielsverwanten is het medium echt niet – maar toch de wind van voren krijgen als zij een bericht de wereld insturen. Zowat iedereen die tegen economische groei is, of in ieder geval vindt dat er te weinig wordt gedaan om klimaatverandering tegen te gaan, kan ‘stront’ verwachten, vooral uit de hoek die over hopen van dat spul beschikt.

Daarover gesproken: kom vooral niet aan de boeren. Zoals wij weten gaat het er in ons land nogal hectisch aan toe als gevolg van ‘trekkerterroristen’. Mechanische paardenkrachten compenseren wat het boerenbrein aan intelligentie moet ontberen. Farmers Defence Force bijvoorbeeld verspreidt graag onzinberichten via sociale media als de onwelriekende gier over hun akkers.

Bleef het daar maar mij, maar dat doet het natuurlijk nooit. Nu en dan gaan zij over op fellere middelen – zoals iedereen kon ervaren – en forceren zich een weg naar Den Haag waar zij hun alternatieve waarheden onder bedreiging door de strot wringen van bestuurders. Sommigen van hen zagen zich genoodzaakt aangifte te doen bij de politie wegens intimidatie of erger. Anderen dansen (inmiddels) naar de pijpen van deze landbouwcriminelen.

Ondertussen blijft het een wetenschappelijk feit dat de agrarische sector in Nederland verantwoordelijk is voor zo’n 60% van de stikstofuitstoot. Je kunt een grote bek opzetten en met boerenverbolgenheid de drek van je eigen gelijk rondstrooien tot de stank van de domheid ondraaglijk wordt en ons als medeburgers naar de keel grijpt, maar de werkelijkheid ploeg je niet zomaar onder de zoden.

En toch binden de boertjes niet in. Ik zou tegen hen willen zeggen: laat het denken en twitteren aan denkers over en gebruik je tractor en je computer waarvoor die gemaakt zijn. Maar goed, ik meng mij niet in de strijd, ik breng behoedzaam bestaande berichten onder de aandacht. Voor een zoveelste keer en eigenlijk tegen beter weten, want ja, of het helpt? Maar dat louter retweeten is dus wel zo veilig.

Het gedicht ‘verdronken land’.

Uit: Het Eenmansimperium

‘Dichten of dijkverzwaren, dat is de kwestie’. Zo heette het gedicht dat ik in 2016 instuurde voor Turings Nationale Gedichtenwedstrijd. De onafhankelijke jury vond het goed maar ik won er geen prijs mee. Geen probleem. Op de lof die mij werd toegezwaaid kon ik maandenlang teren. De jury schreef:

Vooral op het gebied van muzikaliteit en ritme een ijzersterk gedicht. Die hele eerste strofe met enkel eenlettergrepige woorden werkt echt fantastisch. Tijdens het lezen kun je het gedicht ook meteen horen. Woordspel kan al snel te veel aandacht vragen binnen een gedicht en daardoor geforceerd aandoen, maar het waterwoordspel in dit gedicht met spoelen, drijven, wassen, lekken etcetera, blijft mooi in balans. Het is aanwezig, maar het wordt nooit teveel.
Naast een fantastisch ritme, bevat het gedicht ook nog eens een aantal geweldige regels zoals ‘Je kunt de vindingrijkheid van water nauwelijks overdrijven’ en de slotzin ‘Hij moet nog zoveel kwijt van zijn gemoedstoestand’.

Commentaar van de jury van De Nationale Gedichtenwedstrijd 2016.
Felipe IV a Caballo (1635-36), Diego Velázquez. (Museo del Prado / WWF). Het Prado Museum en het WWF plaatsten een nieuwe voorstelling van een klassiek schilderij naast het oude om ons op een originele manier op de ernst van klimaatopwarming (en dus van zeespiegelstijging) te wijzen. Over elkaar heen geprojecteerd is het effect zo mogelijk nog dramatischer, vind ik. (Met permissie) Ik zou kunst die esthetisch blijft maar ook begaan is met maatschappelijke vraagstukken, als de hoogste vorm van artistieke expressie willen bestempelen.

Later kreeg ik twijfels over het gedicht. Had het misschien aan de titel gelegen dat mijn inzending, ondanks die geweldige beoordeling, zelfs niet in de wedstrijdbundel belandde met de 100 beste gedichten? Was de verwijzing naar Shakespeare toch een beetje te flauw geweest?

Je zou er bijna van gaan drinken!

Om antwoord op die vraag te krijgen stuurde ik het gedicht het volgende jaar opnieuw in, maar nu genaamd ‘Verdronken Land’. De inhoud liet ik ongemoeid. Ook nu mocht mijn bijdrage op een goede beoordeling rekenen. Ik viel echter alweer niet in de prijzen. De misgelopen cheque vormde het probleem niet, maar hoe zat het met mijn eeuwige roem?

Ik moest er in berusten een ‘ijzersterke’ dichter te blijven voor een zeer beperkte kring van fijnproevers. Gelukkig had de jury weer enorm genoten. Men schreef:

Het geweldige aan dit gedicht is dat het heel erg grappig is terwijl het zichzelf doodserieus neemt. Ondertussen toon je hier een sterk taalgevoel en slaag je erin om die taal heel beheerst en vindingrijk te spinnen rond de centrale thematiek van het waarom van het schrijven. Sterk gedicht, waarvoor dank!’

Commentaar van de jury van De Nationale Gedichtenwedstrijd 2017.

Ik ben niet onopgemerkt gebleven. Men gunt mij mijn klaagzang. Nu ik kiezen moet tussen een bestaan als miskend poëet of ‘niet zijn’, blijkt de keuze snel gemaakt. To be or not to be? Niet te pathetisch graag. Er is geen sprake van een vraag, laat staan van een dilemma; zolang het water mij niet aan de lippen staat, valt er goed te leven in dit land.

Een semi-geëngageerd schrijver in een neoliberale rechtstaat kan opstandig van de daken schreeuwen hoe erg hij het vindt dat de wereld wegkwijnt door klimaatopwarming. (Het is nog erger dan buiten de prijzen vallen op een schrijfwedstrijd.) Er zelf tegen strijden komt in mijn geval neer op: erover schrijven. Ik maakte onze slappe houding t.a.v. de milieuproblematiek tot thema van dit gedicht en neem ook mezelf de maat.

Voordat het optrekkend vocht mij het land uit jaagt, laat ik hopelijk nog wat gedichten na.

Voor dit doel lijkt dichten misschien niet het aangewezen middel, maar dat is nu eenmaal wat ik doe. Voordat het optrekkend vocht mij het land uit jaagt, laat ik hopelijk nog wat gedichten na die de juiste toon bevatten om de humor ervan te waarderen.

Verdronken Land

Hoor hoe de dichter dicht dat vocht maar kracht onder
een kurk is, zee wat macht achter de duinen. Maar
lees de krant; één ramp spoelt alles aan de kant.

Je kunt de vindingrijkheid van water nauwelijks overdrijven.
Noch die van zuipers. Dus wij gebruiken ons verstand. Wie
voelt zich niet ontmand door de wassende waarheid?

Een hooggebergte vlijt zich lekkend neer in onze boezem,
terwijl de kust – die vervaarlijk oprukkende rand – haar
zilte lippen aan ‘t fronsend voorhoofd brandt.

‘Vaarwel mijn strand’. Shakespeare schijnt ons te verlaten.
Maar voordat groente brak smaakt en rivieren in zijn
verzen schijten, verhogen wij de scheidingswand.

Waar het ons tegenzat was hij wel vaker dissonant.
Als ‘de vis aardt naar de zee’, dan de dronkaard naar zijn
drank. Leg hem niet uit hoe hij aan lager wal belandt.

‘Onder water worden tranen onzichtbaar.’ O ja, hij laat vast
iets pathetisch na. Maar dood door verdrinking ligt niet voor
de hand. Hij moet nog zoveel kwijt van zijn gemoedstoestand.

Schrijver: Ronald van Noorden ©Cum Suis 2015