Ik was de opbouwwerker al tweemaal voorbijgelopen. Ze stond met een bolderwagentje op het plein voor het winkelcentrum op de Klarendalseweg. In de kar bevonden zich thermosflessen, want ze bood thee en koffie aan, met een koekje, een folder en vooral ook een praatje. Haar functie viel af te lezen van de aanduiding op haar rug, vandaar dat ik kon vermoeden wat ze daar deed: ze was een aanspreekpunt voor mensen in de wijk. Bij de derde keer wisselden we een glimlach uit, waarna zij mij naar zich toe gebaarde met een bekertje in de ene hand, dat ze zogenaamd met de andere volschonk.
Ze heette Jennifer. We raakten aan de praat over de wijk, over Rijnstad, over hoe je zichtbaar kon zijn zonder opdringerig te worden. Ze vertelde hoe de stichting, met meer dan zeshonderd vrijwilligers en honderden professionals, dagelijks werkte aan wat zij noemde: ‘een sociaal en duurzaam perspectief’. Niet door te zenden, maar door te luisteren. Door naast mensen te gaan staan in plaats van tegenover hen. Of dat nu ging om een ouder met stress rond de opvoeding, iemand met geldzorgen die vastliep in de brieven van de Belastingdienst, of een jongere die nergens naartoe wilde maar ook nergens terechtkon.
“Bij ons betekent helpen: iemand de regie teruggeven,” zei ze. “En het hoeft niet groot te zijn.” Ze gaf me tenslotte haar visitekaartje. Ik haalde mijn eigen kaartje uit m’n zak als wisselgeld. Toen ze taaljongen.nl las, vroeg ze: “Ken je Taalmaatjes?” Ik had er vaag van gehoord, maar nooit echt bij stilgestaan. Ze legde uit dat Taalmaatjes mensen aan elkaar koppelde – vaak nieuwkomers en vrijwilligers – om samen in gesprek te gaan. Niet in een leslokaal, maar op een bankje, aan een keukentafel, in de wachtruimte van de dokter, nou ja, overal elders eigenlijk dan in een schoolse omgeving.
Ik knikte. Ik dacht aan hoe ongemakkelijk ik me op dat moment bewoog in mijn taal, in deze stad waar ik nog niet woonde. Ik had haar uitgelegd wat ik deed in deze buurt: ik was zo op en neer aan het drentelen omdat ik een indruk wilde krijgen van de straat. Dankzij een urgentieverklaring had ik het voorrecht bovenaan de lijst te eindigen voor een woning, iets verderop, ter hoogte van eetcafé Sugar Hill, waar de sfeer niet alleen gezellig werd, maar ook een vleugje cachet kreeg. Ik had de sleutel nog niet en de bezichtiging moest nog volgen, maar terwijl de renovatiewerkzaamheden plaatsvonden, had ik al even mogen binnenlopen. Zo stond ik daar, met m’n luxeprobleem, terwijl zij sprak over mensen met een lagere sociaaleconomische status; mensen die, vanzelfsprekend, onze volle aandacht behoorden te krijgen.
Jennifer vertelde over de wijk waarin een kwart van de volwassenen moeite had om rond te komen; flink boven het landelijke gemiddelde. Over de eenzaamheid onder ouderen, 51 procent, zei ze, en de gezondheidsproblemen die daarmee samenhangen. Over het grote aandeel sociale huurwoningen in de oudere delen van de wijk. Over de mensen zonder werk, met een lage opleiding. Maar ook over het groen, de voorzieningen, de gezinnen die hier graag kwamen wonen, en de actieve bewoners die zich vrijwillig inzetten voor hun buurt.
Het was belangrijk, wat ze zei. En ik luisterde. Nou ja, laten we zeggen: voor zo goed en zo kwaad als mijn haperende concentratievermogen me toeliet te luisteren. Eerlijk is eerlijk: ik was er niet helemaal bij met m’n aandacht. Misschien zou dat nog komen. Op dat moment was ik vooral vol van mezelf. Ik moest een beslissing nemen over dat huis. Ik voelde me net Trump op werkbezoek in Saoedi-Arabië: vriendelijk glimlachend, af en toe knikkend, regelmatig iets doms zeggend, en ondertussen vooral denkend aan het eigen belang. Een tikje narcistisch, moet ik toegeven.
En ergens wilde ik haar ook gewoon meenemen naar de bezichtiging. Niet voor een hulpvraag of een intake, maar gewoon om te horen wat zij vond van de lichtinval in de woonkamer, het uitzicht op het parkje, de plek van het stopcontact onder het keukenraam. Iemand met een eerlijk, esthetisch oordeel. Maar ja, daar misbruik je natuurlijk geen opbouwwerker voor. Thuis raken begon niet bij een nieuw adres. Het begon bij een goed gesprek. Niet iets wat je voert met je hoofd al half bij de kleur van het tapijt en het nieuwe behang aan de wanden van je bijna woonkamer. Een goed gesprek vroeg om aanwezigheid, en ik was nog enorm onderweg.
Van oude wijsheid tot de wortels van klimaatactivisme.
The GreenXtreme – Hoofdstuk 2
Als je terugkijkt op de geschiedenis van het verzet, valt op dat het telkens draait om mensen die niet willen buigen voor onrecht. Dit onrecht heeft door de eeuwen heen vele vormen aangenomen: tirannie, sociale ongelijkheid, onderdrukking, uitbuiting, censuur. Opstandigen vormen vaak een tegenbeweging in een systeem dat ethisch onhoudbaar is geworden. Ze geven daarmee uitdrukking aan een diepgeworteld verlangen naar rechtvaardigheid, autonomie en menselijke waardigheid. Klimaatactivisme werd de jongste voortzetting van deze eeuwenoude strijd. Omdat het protest niet begon bij milieuzorg, maar wortels heeft in bredere ideeën over gerechtigheid, is het boeiend en noodzakelijk om stil te staan bij denkers die het verzet tegen onrecht door de tijd heen hebben vormgegeven.
Verzet in de oudheid: orde, rechtvaardigheid en tirannie
De wortels van onze ideeën over verzet liggen bij de oude Griekse filosofen. Plato, in zijn beroemde werk Politeia (De Staat), waarschuwde voor de chaos die kan ontstaan als elke burger doet wat hij wil:
“De tirannie is niets anders dan een uiting van de heerschappij van het laagste deel van de ziel.” — Plato, Politeia
Voor hem was verzet tegen de staat alleen legitiem als het leidde tot herstel van de orde en rechtvaardigheid. Het idee dat mensen tegen hun overheid in opstand mogen komen, zag hij met argwaan: de harmonie van de stadstaat moest behouden blijven.
Aristoteles sprak over rechtvaardigheid als het hoogste doel van de staat en vond dat het volk een recht had om onrecht te weerstaan:
“Wanneer het bestuur het recht schaadt, is verzet niet alleen gerechtvaardigd maar noodzakelijk.” — Aristoteles, Politica
Zijn genuanceerde kijk legde de basis voor latere discussies over legitimiteit van verzet.
De Romeinse filosoof Cicero was explicieter in het rechtvaardigen van opstand tegen tirannie. Hij stelde dat er een universele, natuurlijke wet is die hoger staat dan menselijk recht, en dat
“het recht om te rebelleren tegen tirannie voortkomt uit het recht op zelfbehoud en gerechtigheid.” — Cicero, De Republica
Dit idee kreeg later grote invloed in de middeleeuwen en de moderne tijd.
Al vroeg zien we dat verzet nooit louter een impulsieve reactie is, maar altijd een afweging van rechtvaardigheid en orde. Ik herken hierin het dilemma van hedendaagse klimaatactivisten: wanneer is het legitiem om regels te breken in naam van een hoger doel?
Middeleeuwen en vroegmoderne tijd: natuurlijk recht en revolutionaire ideeën
Thomas van Aquino werkte Cicero’s idee van de natuurlijke wet verder uit. Hij schreef:
“Wie het volk onderdrukt en de rechtvaardigheid negeert, berooft zichzelf van zijn gezag.” — Thomas van Aquino, Summa Theologica
Met deze woorden legde hij de basis voor een theologische opvatting waarin gezag niet absoluut is, maar afhankelijk van rechtvaardigheid. Als een heerser zijn plichten verzaakt en zich tot tirannie wendt, mag hij volgens Aquino zijn gezag verliezen. Dit bood latere denkers en politieke gezagsdragers — zij het met grote voorzichtigheid — een moreel kader om verzet tegen tirannie te overwegen. Toch bleef dit een delicate kwestie binnen de katholieke leer, die stabiliteit en gehoorzaamheid doorgaans hoger waardeerde dan revolutionaire actie.
Niccolò Machiavelli bracht een realistischere toon in het debat. Zijn uitspraak:
“De doel heilig de middelen.” (apocrief) — Niccolò Machiavelli, Il Principe
benadrukt dat verzet en revolutie vaak onorthodoxe middelen vereisen. Machiavelli erkende de harde realiteit van macht en liet zien dat soms geweld nodig is om rechtvaardigheid te herstellen. Dit pragmatisme sprak later revolutionairen aan.
John Locke was een ware voorloper van modern politiek verzet. In zijn Two Treatises of Government stelt hij dat mensen van nature rechten hebben — leven, vrijheid en eigendom — en dat een overheid die deze schendt, haar legitimiteit verliest:
“Wanneer een regering het vertrouwen van het volk misbruikt, hebben de burgers het recht haar te vervangen.” — John Locke, Two Treatises of Government
Rousseau ging verder met zijn sociaal contract, waarin de soevereiniteit bij het volk ligt en verzet een recht is als de overheid dit contract verbreekt:
“Wanneer het volk zegt: ‘Wij willen niet langer gehoorzamen,’ begint de vrije mens zijn ware bestaan.” — Jean-Jacques Rousseau, Du Contrat Social
De ideeën van Locke en Rousseau zijn voor mij essentieel in het begrijpen van klimaatprotesten. Klimaatactivisten claimen niet alleen hun rechten, maar ook het recht van toekomstige generaties, wat het klassieke denken over ‘het volk’ aanzienlijk uitbreidt.
Verlichting: vrijheid, rede en publieke kritiek
De Verlichting was een tijd van opstandigheid en kritisch denken. Voltaire, de flamboyante verdediger van vrijheid, schreef:
“Ik verafschuw wat u zegt, maar ik zal mijn leven geven om uw recht het te zeggen te verdedigen.” — Voltaire (toegeschreven)
Hieruit spreekt het fundamentele principe van vrije meningsuiting als basis voor elk verzet.
Montesquieu bracht de scheiding der machten in stelling, om te voorkomen dat macht zich zou concentreren en tirannie zou ontstaan:
“Machtsconcentratie leidt tot tirannie; daarom is vrijheid alleen mogelijk bij gespreide macht.” — Montesquieu, De l’esprit des lois
Kant voegde een diepere ethische laag toe aan het idee van protest. Hij stelde dat echte vrijheid komt uit autonomie en publieke rede, en waarschuwde voor ongehoorzaamheid die het maatschappelijke vertrouwen zou ondermijnen:
“Durf te weten! Heb de moed je eigen verstand te gebruiken.” — Immanuel Kant, Beantwortung der Frage: Was ist Aufklärung?
Zijn ideeën over burgerlijke ongehoorzaamheid zetten een ethisch kader neer, waarbij protest alleen legitiem is als het de rede en de moraliteit respecteert.
Kant daagt mij uit na te denken over de ethische grenzen van klimaatactivisme. Tot hoever mag verzet gaan zonder de samenleving te ondermijnen? Tegelijkertijd geeft hij hoop door te benadrukken dat het publieke debat de motor van verandering is.
19e-eeuw: klassenstrijd en individuele burgerlijke ongehoorzaamheid
Karl Marx zag verzet als het onvermijdelijke gevolg van economische ongelijkheid. Zijn analyse was onverbiddelijk:
“De geschiedenis van alle bestaande samenlevingen is de geschiedenis van klassenstrijd.” — Karl Marx, Het Communistisch Manifest
Voor Marx is het proletariaat het ware verzet, de revolutionaire kracht die het oude regime moet omverwerpen.
Tegelijkertijd formuleerde Henry David Thoreau een radicale visie op individueel verzet, in zijn essay Civil Disobedience (1849):
“Wanneer de wet onrechtvaardig is, moet men weigeren eraan mee te werken.” — Henry David Thoreau, Civil Disobedience
Thoreau verwees naar zijn eigen weigering belasting te betalen uit protest tegen slavernij en de Mexicaans-Amerikaanse oorlog. Zijn ideeën over burgerlijke ongehoorzaamheid vormen een directe brug naar het hedendaagse milieuprotest.
Friedrich Nietzsche bracht een existentieel perspectief. Hij zag het verzet niet alleen als een politieke daad, maar als een uitdrukking van de wil tot macht en zelfverwezenlijking:
“Word wie je bent.” — Friedrich Nietzsche, Also sprach Zarathustra
Voor Nietzsche betekent verzet ook het loslaten van traditionele waarden om ruimte te scheppen voor nieuwe, individuele zingeving.
Thoreau inspireert mij het meest in het klimaatactivisme, juist vanwege zijn nadruk op persoonlijke verantwoordelijkheid en moed. Nietzsche roept me op om het innerlijke verzet te omarmen dat verder gaat dan politiek — een spirituele rebellie tegen de status quo.
20e-eeuw: totalitarisme, macht en het absurde verzet
In een eeuw van totalitaire regimes en wereldwijde conflicten analyseerde Hannah Arendt het fenomeen totalitarisme en de rol van verzet daarin. Zij stelde:
“Verzet is de daad die vrijheid schept.” — Hannah Arendt, The Origins of Totalitarianism
Voor Arendt is verzet een fundamentele menselijke daad, een manier om het eigen bestaan en dat van de gemeenschap te bevestigen.
Michel Foucault bracht macht en verzet samen als een spel dat door iedereen gespeeld wordt:
“Waar macht is, is ook verzet.” — Michel Foucault, Surveiller et Punir
Zijn visie maakt duidelijk dat verzet niet alleen gericht is tegen een specifieke macht, maar ook een constante aanwezigheid is in sociale relaties, kennis en identiteit.
Albert Camus stelde in De Mythe van Sisyphus (1942) dat het leven absurd is, maar dat juist daarom verzet een ethische plicht is:
“In het midden van de winter ontdekte ik eindelijk dat er in mij een onoverwinnelijke zomer is.” — Albert Camus, De Mythe van Sisyphus
Camus toont het verzet als een existentiële daad, die ondanks zinloosheid toch betekenis geeft.
Deze denkers maken mij bewust dat verzet niet slechts een politiek instrument is, maar een diep menselijke conditie. Klimaatactivisme heeft ook iets van die absurde strijd tegen een overweldigende werkelijkheid, maar het wordt juist daardoor krachtig.
Milieuactivisme en de eerste denkers over ecologisch verzet
Pas in de tweede helft van de 20e eeuw kreeg milieuactivisme filosofische fundamenten. Rachel Carson zette met Silent Spring (1962) de alarmbel over de destructie van ecosystemen:
“De mens is deel van de natuur, en zijn overleving hangt af van het respect daarvoor.” — Rachel Carson, Silent Spring
Aldo Leopold formuleerde een ethiek van de aarde:
“Een ding is goed als het de integriteit, stabiliteit en schoonheid van de biotische gemeenschap bevordert.” — Aldo Leopold, A Sand County Almanac
Murray Bookchin verbond ecologie met sociale rechtvaardigheid en introduceerde het concept van sociale ecologie, waarin verzet tegen onderdrukking en tegen milieuvernietiging onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn. Volgens hem kon milieuproblematiek niet los worden gezien van hiërarchie en sociale ongelijkheid:
“De overheersing van de natuur door de mens komt voort uit de zeer reële overheersing van mens door mens.” — Murray Bookchin, De ecologie van de vrijheid (1982)
Voor Bookchin was de bevrijding van mens én natuur een gedeelde strijd. Waar anderen pleitten voor technologische oplossingen of consumptiebeperking, benadrukte hij de noodzaak van radicale democratisering en het afbreken van autoritaire structuren. Alleen door sociale verhoudingen fundamenteel te veranderen, zo stelde hij, kunnen we werkelijk ecologisch samenleven.
De Franse filosoof Bruno Latour beschouwt de milieucrisis als een oproep tot een nieuw politiek denken:
“We moeten onze relatie met de aarde heruitvinden, want de oude scheiding tussen mens en natuur is dood.” — Bruno Latour, Nous n’avons jamais été modernes
Klimaatactivisme is daarmee de logische volgende stap in een lange traditie van verzet, een verzet dat niet alleen gericht is op sociale rechtvaardigheid, maar ook op het behoud van ons leefmilieu. Het vereist een nieuw bewustzijn, een diepgeworteld respect en liefde voor onze planeet.
Verzet als continuüm van hoop en verantwoordelijkheid
Verzet is een kracht die onze geschiedenis en toekomst vormt. Het is nooit simpel, altijd omgeven door ethische dilemma’s, conflicten en risico’s. Maar het is ook een uitdrukking van onze vrijheid en menselijke waardigheid. Als klimaatactivist voel ik me verbonden met deze rijke traditie van denkers en strijders. Hun woorden geven me kracht en richting in mijn eigen engagement. Zoals Camus zei, zelfs in het absurde verzet schuilt een onoverwinnelijke zomer, een hoop die nooit dooft. En die hoop, gecombineerd met liefde voor onze aarde en medemensen, zal het fundament zijn voor het verzet van morgen.
Bronnen
Plato, Politeia
Aristoteles, Politica
Cicero, De Republica
Thomas van Aquino, Summa Theologica
Niccolò Machiavelli, Il Principe
John Locke, Two Treatises of Government
Jean-Jacques Rousseau, Du Contrat Social
Voltaire (toegeschreven)
Montesquieu, De l’esprit des lois
Immanuel Kant, Beantwortung der Frage: Was ist Aufklärung?
Karl Marx & Friedrich Engels, Het Communistisch Manifest
Henry David Thoreau, Civil Disobedience
Friedrich Nietzsche, Also sprach Zarathustra
Hannah Arendt, The Origins of Totalitarianism
Michel Foucault, Surveiller et Punir
Albert Camus, De Mythe van Sisyphus
Rachel Carson, Silent Spring
Aldo Leopold, A Sand County Almanac
Murray Bookchin, The Ecology of Freedom: The Emergence and Dissolution of Hierarchy
Bruno Latour, Nous n’avons jamais été modernes
De mens in opstand
Bij één boek van Albert Camus wil ik nog even in het bijzonder stilstaan omdat het erg veel indruk op me heeft gemaakt: De mens in opstand. Het is een werk dat ik keer op keer kan openslaan en waar ik telkens weer iets nieuws uit oppik. Wat me vooral raakt, is hoe Camus de opstand niet simpelweg als een politieke daad ziet, maar als iets fundamenteel menselijks. Niet de massa’s die zich roeren, maar de enkeling die weigert te buigen voor het absurde, de onrechtvaardigheid, en de zinloosheid van het bestaan.
Camus zegt het ergens prachtig: ‘De mens is het enige schepsel dat weigert te zijn wat het is.’ Die weigering, die opstand, is geen wanhoop, maar een protest en een bevestiging tegelijk. Het is alsof hij zegt: ik accepteer de absurditeit van het leven, maar ik geef me er niet aan over. Ik kom in opstand. En dat maakt me meer mens dan ooit.
Wat me ook diep heeft doen nadenken, is zijn opmerking over de paradox van de ‘goede terrorist’. In een tijd waarin misdaad vaak met de veren van onschuld pronkt, stelt Camus dat juist de opstandige mens, de rebel, zichzelf altijd onderzoekt, zichzelf ter verantwoording roept en grenzen stelt, ook aan zichzelf. De opstand eist vrijheid, maar die vrijheid betekent nooit dat je vrij bent om de vrijheid van een ander te schenden. De ultieme vrijheid, de vrijheid om te doden, is iets dat de opstand in wezen nooit kan toestaan, want de opstand is een verzet tegen het eigen sterven, tegen de dood. Wie anderen doodt, verraadt de logica van zijn eigen opstand.
Dat is een moeilijk maar cruciaal punt: de opstand is niet de roep om totale anarchie of willekeur, het is juist een eis tot matigheid, tot respect voor het leven, tot het erkennen van een gedeelde menselijke waardigheid. Geen Nietzscheaanse Übermensch die alles mag, maar de rebel die juist de vrijheid voor iedereen opeist. Camus stelt dat die vrijheid zich verbiedt aan wie de vrijheid van de ander wil breken.
Hij wist ook dat dit hem vriendschappen zou kosten. Tegen zijn goede vriend Jean-Claude Brisville zei hij vlak voordat het boek uitkwam: “Laten we elkaar maar een hand geven. Want over een paar dagen zullen er niet veel mensen meer zijn die nog bereid zijn dat te doen.” Het is die eenzaamheid van de opstandige enkeling die me fascineert en ook soms raakt: de moed om te staan tegen zowel de massa als de tijd.
In De mens in opstand neemt Camus ons mee vanaf het begin. Hoewel hij soms het existentialisme raakt – het besef dat het bestaan voorafgaat aan de essentie, en dat we onszelf in onze daden moeten creëren – blijft hij het duidelijk anders doen dan Sartre. Waar existentialisten soms een vlucht zien in het creëren van betekenis, blijft Camus trouw aan de absurditeit en kiest hij voor de opstand als antwoord. Niet vluchten, niet berusten, maar opstaan en weigeren mee te doen aan laffe of destructieve illusies.
De opstand is geen nihilisme. Het is het eigen protest dat betekenis creëert. ‘Ik schreeuw dat alles absurd is’, zegt Camus, ‘maar ik moet in mijn schreeuw geloven.’ Zo wordt ‘ik denk, dus ik ben’ vervangen door ‘ik kom in opstand, dus ik ben.’
De historische voorbeelden die hij behandelt – van de Franse Revolutie tot het terrorisme – tonen keer op keer hoe snel een opstand kan ontsporen wanneer ze zich verliest in ideologieën die absolute waarheden claimen en daardoor anderen onderdrukken. Het gevaar is dat de opstand verandert in terreur. Maar hier introduceert Camus zijn buitenbeentje: de Russische terrorist Kaljajev, die, na het plegen van moord, zichzelf aanvaardt en zijn eigen dood omarmt als ultiem protest. Hij wordt door Camus met respect genoemd als ‘fijngevoelige moordenaar’, een paradox die laat zien dat de opstand niet per se onmenselijk hoeft te zijn, zolang hij trouw blijft aan zijn eigen grenzen en waarden.
Dat raakt me diep: de erkenning dat er in het breken van regels, in het uiterste offer, nog steeds een vorm van zuiverheid en menselijkheid kan schuilen. De vuile handen van de moordenaar worden alleen gewassen in zijn eigen dood, en die daad schept nog steeds waarden.
Tegelijkertijd laat Camus zien dat dit een uitzondering is, een zeer zeldzaam moment in de geschiedenis van de revolutie. De meeste opstanden verworden tot machtsstrijd en moord, en dan is de opstand verraden. Toch blijft zijn boodschap helder: de opstand is het moment waarop we bevestigen dat we mens zijn, dat we grenzen stellen aan geweld, en dat we onze eigen vrijheid nooit ten koste van die van anderen mogen opeisen.
Wat mij ook bijblijft, is die merkwaardige paradox uit het boek: ‘Op de dag dat de misdaad pronkt met de veren van de onschuld, wordt door een merkwaardige omkering, die kenmerkend is voor onze tijd, de onschuld gesommeerd zich te rechtvaardigen.’ Het essay wil die vreemde uitdaging aangaan: waarom worden de eerlijke, de opstandige nu verdacht? Waarom moet de rebel zich verdedigen in een wereld die vaak verdraaid en absurd is?
Dat we in onze tijd zo weinig meer lijken te geven om Camus’ pleidooi voor matigheid, bezonnenheid en respect voor het leven, doet me soms bang worden. Maar juist daarom voelt zijn werk nu misschien krachtiger dan ooit. De mens in opstand nodigt me telkens weer uit om niet mee te gaan in extremisme, niet te vluchten in ideologieën die de ander ontmenselijken, en vooral om trouw te blijven aan het diepste menselijke: het vermogen om te weigeren, te protesteren, zonder de ander te vernietigen.
Voor mij is dit boek niet alleen een filosofische tekst, maar een soort gids in de chaos van deze tijd. Het leert me dat opstand een daad van vrijheid en verantwoordelijkheid is en dat de ware opstand de opstand van het individu is die zich bewust is van zijn grenzen én die van de ander.
Ik herinner me de eerste momenten waarop ik begon te beseffen dat de wereld om me heen veranderde en niet op een manier die geruststelde. Het was geen plotseling inzicht, maar een langzaam ontwaken. Een gevoel dat er iets niet klopte, dat zich beetje bij beetje opdrong. Verhalen over onrecht, en over mensen die daartegen in verzet kwamen, trokken steeds meer mijn aandacht. In de geschiedenis kwam ik telkens weer figuren tegen die hun stem verhieven tegen onderdrukking, vaak tegen de stroom in. Of het nu ging om politieke tirannie, sociale ongelijkheid of, later, de dreiging van een ecologische ramp. Als ik terugdenk aan het begin van mijn betrokkenheid bij klimaatactivisme, kom ik uit in de jaren zeventig, al ligt de oorsprong natuurlijk verder terug.
Voor mij begon het verzet met een gevoel van onbehagen, een knagend besef dat er iets goed fout zat. Het zat niet in grote gebaren, maar in kleine momenten van tegenspraak: situaties waarin ik leerde om vanzelfsprekendheden in twijfel te trekken. Ik denk aan mijn jeugd, in een Brabants dorpje aan de rand van het bos. Dat bos moest langzaam wijken voor een nieuwbouwwijk. Het bracht nieuwe speelkameraadjes, maar ook een groeiend besef van hoe kwetsbaar de natuur is. Verhalen over de vernietiging van het regenwoud of de vervuiling van rivieren raakten me diep. Het was de soort onmacht die je als kind kunt voelen, vermengd met een eerste glimp van woede.
Het boek Walden van Henry David Thoreau uit 1854 is in vele prachtig vormgegeven edities verschenen. Het vormt een filosofisch verslag van Thoreau’s teruggetrokken leven in de natuur, waarin hij reflecteert op eenvoud, zelfvoorziening en de essentie van het bestaan. Dit meditatieve relaas over een leven in eenvoud en harmonie met de natuur is Thoreau’s poging om de wereld te begrijpen door haar deels achter zich te laten. Hij werd daarmee een pionier van de alternatieve levenshouding en het onafhankelijke denken.
Deze vroege kiemen van verzet, dit intuïtieve gevoel dat er iets moest veranderen, vond ik later terug in de verhalen van mensen die hun leven radicaal anders inrichtten, voorlopers die zich bewust losmaakten van de heersende opvattingen en nieuwe morele richtingen verkenden. Ik las over denkers als Henry David Thoreau, die met zijn boek Walden (1854) een pleidooi hield voor een simpeler, zelfvoorzienender leven in harmonie met de natuur. Hoewel zijn verzet primair filosofisch en individueel van aard was, inspireerde zijn idee van burgerlijke ongehoorzaamheid latere generaties van activisten. Voor mij was Thoreau een bevestiging dat het mogelijk was om een alternatieve weg te kiezen, los van de dominante cultuur.
Het collectieve klimaatactivisme zoals we dat nu kennen, ontstond natuurlijk pas later. Maar de wortels ervan reiken dieper; tot in de geschiedenis van milieubewustzijn en maatschappelijke strijd. Voor mij markeerde de overgang van een algemeen verzet tegen onrecht naar specifiek klimaatactivisme een verdieping van dat oorspronkelijke onbehagen. Het besef dat we niet alleen elkaar, maar ook de planeet schade toebrengen, kwam als een schok; ook voor mij.
Ook het boek Silent Spring van Rachel Carson, oorspronkelijk verschenen in 1962, kent inmiddels vele uitgaven, vaak voorzien van een nieuw voorwoord of nawoord. Silent Spring gaf de natuur een stem op het moment dat haar stilte dreigde in te treden. Het geldt als een baanbrekend werk dat milieubewustzijn op de kaart zette, met een indringende aanklacht tegen het gebruik van pesticiden en de schade die dit aanricht aan ecosystemen.
Een cruciale figuur in deze ontwikkeling, die mij diep heeft beïnvloed, is Rachel Carson met haar baanbrekende boek Silent Spring uit 1962, het jaar waarin ik werd geboren. Het stond bij ons thuis in de kast maar het duurde even voordat ik het voor het eerst las. Toen het zover was, bleek het een openbaring. Carson toonde op wetenschappelijke en tegelijk poëtische wijze de desastreuze gevolgen van het onbeperkte gebruik van pesticiden zoals DDT. Haar werk was geen oproep tot radicale actie zoals straatprotesten, maar een verzet van de meest fundamentele soort: het blootleggen van de waarheid, het doorbreken van de stilte. Silent Spring veroorzaakte een schokgolf en wordt algemeen gezien als het startschot van de moderne milieubeweging. Voor mij was het een wake-up call, een bevestiging dat mijn diffuse angst een concrete grondslag had.
Na Carson zag ik een geleidelijke verschuiving. De focus verlegde zich van lokale milieuproblemen naar een breder, mondiaal perspectief. In de jaren ’70 verschenen de eerste wetenschappelijke rapporten over de opwarming van de aarde. Er werden voorzichtige kleine stappen richting klimaatactivisme gedaan. Het proces verliep moeizaam: de boodschap was complex en de gevolgen leken nog abstract en ver weg. Ik denk aan de eerste Earth Day in 1970, georganiseerd door onder anderen Gaylord Nelson en Denis Hayes; het werd een belangrijke mijlpaal in het mobiliseren van publieke aandacht voor milieukwesties. Nog geen klimaatactivisme in de strikte zin van het woord, maar wél een moment waarop het collectieve besef groeide dat zorg voor de planeet een gedeelde verantwoordelijkheid vormt.
In de jaren ’80, met de opkomst van het concept van duurzame ontwikkeling (gepopulariseerd door het Brundtland Rapport uit 1987, ook bekend als Our Common Future), begon het besef te groeien dat economische groei en milieubescherming met elkaar verzoend moesten worden. Dit was een belangrijke stap, want het bracht de discussie over milieu verder dan alleen het beschermen van natuurgebieden; het betrof nu de kern van ons economische systeem. Ik zag hoe de eerste klimaatconferenties, zoals de inmiddels legendarische UNFCCC-top in Rio de Janeiro in 1992, voorzichtig probeerden internationale samenwerking te smeden. Hoewel de resultaten vaak teleurstellend waren, vormden dit belangrijke vroege stappen in het formuleren van een wereldwijde respons.
Pas in de jaren ’90 en vroege jaren 2000’s begon het klimaatactivisme echt vorm te krijgen. Organisaties als Greenpeace en Friends of the Earth richtten hun aandacht steeds nadrukkelijker op klimaatverandering. Ik raakte voor het eerst betrokken bij een lokale klimaatgroep; een klein, wat onbeholpen begin, maar toch een duidelijke uiting van collectieve weerstand tegen de inertie en het ontkennen van de ernst van de situatie. De namen van mensen als Bill McKibben, met zijn vroege waarschuwingen in The End of Nature (1989), en later Al Gore, met zijn film An Inconvenient Truth (2006), galmden door de publieke ruimte. Zij gaven een stem aan de wetenschappelijke consensus en probeerden die te vertalen naar een breder publiek, een inspanning die de basis legde voor verdere mobilisatie.
Voor mij is de reis van het vroege verzet naar het hedendaagse klimaatactivisme een persoonlijke reis van groei en betrokkenheid geweest. Het begon met een onbestemd onbehagen, gevoed door verhalen en figuren die me inspireerden, en is uitgegroeid tot een diepgeworteld geloof in de noodzaak van actie. Het is de realisatie dat verzet, in al zijn vormen, van stille contemplatie tot luide protesten, essentieel is om de wereld, en onszelf, te beschermen. De strijd is nog lang niet gestreden, maar de zaadjes van verzet, geplant door de visionairs van weleer, zijn inmiddels uitgegroeid tot een wereldwijde beweging.
Wat ik helaas ook bij mezelf ontdekte, was dat actievoeren niet echt in mijn bloed zit. Niet dat ik ongevoelig ben voor wat er gebeurt. Integendeel, soms brand ik vanbinnen. Maar dat vuur is traag, bijna bedaard, als smeulend hout dat niet wil opvlammen, alleen maar rook verspreidt die in je ogen bijt. Ik vraag me nu af waarom ik juist deze metafoor van vuur en rook kies, terwijl ik juist fel tegen houtstook ben. Misschien zegt het iets over mijn karakter: innerlijk vol tegenstrijdigheden, mild hypocriet, maar altijd met de beste bedoelingen.
Ik bewonder hen die direct in actie komen. Die spandoeken maken en zich vastlijmen aan asfalt. Ik zie ze staan, daar op het Malieveld of in de kou voor een bestuursgebouw, en voel een soort heimwee naar iets wat ik nooit gehad heb: die vanzelfsprekende overgave, die innerlijke roep die geen tegenspraak duldt. Mijn engagement werkt anders. Ik twijfel veel. Ik schrijf liever dan dat ik schreeuw. Ik observeer, analyseer, ontleed; soms tot in het absurde. Waar een ander opstaat en loopt, blijf ik nog zitten, in gesprek met m’n geweten, m’n angst, m’n verlangen naar nuance.
Is dat laf? Misschien. Maar ik geloof ook dat er meer vormen van verzet zijn dan de zichtbare. Activisme, zo dacht ik lang, moest luid zijn, moet storen, moet breken. Maar er is ook een soort verzet dat langzaam werkt. Dat de taal inzet als middel. Dat zoekt naar beelden die beklijven, naar verhalen die niet schreeuwen, maar wél blijven hangen.
Soms verwijt ik mezelf dat ik niet radicaler ben. Niet fysieker. Alsof mijn lichaam weigert mee te doen aan de strijd waarin mijn geest al jaren verwikkeld is. Alsof ik een soldaat ben die voortdurend zijn geweer vergeet. Toch probeer ik deel te zijn van de beweging. Op mijn manier. Ik voer gesprekken. Ik stel vragen, ook aan mezelf. Ik probeer te luisteren naar die onderstroom die de wereld in stilte verandert; de langzaamste revolutie die er is: die van inzicht, van verandering van binnenuit.
Misschien ben ik geen activist, maar een activerende schrijver. Iemand die niet de barricade opklimt, maar een ladder naar begrip bouwt. En ik hoop, al is het maar een beetje, dat ook dat telt. Dat ook traag vuur kan branden (maar dan liefst zonder fijnstof).
Nog even dit:
Silent Spring ademt een soort van ingehouden verzet, en dat maakt het boek des te krachtiger. Rachel Carson schreef het niet als een pamflet, maar als een wetenschappelijk onderbouwde, haast literaire aanklacht. Ze was biologe en marien ecoloog, geen activist in de traditionele zin. Toch schuilt er in haar rustige, zorgvuldige toon een diep moreel appel. Ze zet geen grote woorden in, maar juist in haar beheersing voel je de urgentie.
Carson verzette zich — bijna stilletjes maar uiterst doeltreffend — tegen het dominante geloof in technologische vooruitgang zonder ethische begrenzing. Ze stelde de chemische industrie verantwoordelijk voor ecologische schade, en bracht tegelijk het overheidsfalen aan het licht. Haar verzet lag in het openbaren van wat anderen liever verborgen hielden. Haar boek werd een kalme, maar onverzettelijke aanklacht tegen de vernieling van de natuur, geschreven met de precisie van een wetenschapper en de overtuigingskracht van iemand die wist dat haar woorden het verschil konden maken.
Voor mij bood Silent Spring een vorm van erkenning: dat betrokkenheid ook intellectueel en stil kan zijn. Het boek liet zien dat verzet zich niet altijd uit in spandoeken en leuzen, maar net zo goed in het geduldig verzamelen van feiten, het helder formuleren van een ongemakkelijke waarheid, het schrijven dat de lezer aan het denken zet. Carson liep niet voorop in demonstraties, maar wat zij deed — grondig onderzoek vertalen naar toegankelijke taal — was minstens zo ontwrichtend voor het heersende narratief.
In zekere zin voelde het als een rechtvaardiging van mijn eigen neiging tot een stiller engagement: ik hoefde niet per se op de barricade te staan om toch iets van verzet te voelen of uit te dragen.
There will be an efficiency of machines over humans in the vast, unforgiving expanse of space.
The ‘Fading Horizons’ trilogy by Noald “Varn” O’Donner is summed up by the captain’s statement in part 3: “Space doesn’t take prisoners, it takes everything.” Throughout the mission, he and his crew not only leave planets behind, but after each discovery, also parts of themselves. Varn O’Donner summarizes it like this: “We search for life among the stars, but it’s the losses that follow us home.” Varn is a nickname the author earned during his time at ISRO (Indian Space Research Organisation) in Bangalore.
O’Donner was born in 1959 in Wicklow, Ireland as the son of a local physician and a secondary school literature teacher.
RvN: Varn, welcome, and thank you for agreeing to this short interview. Let me start by asking: What brought you to Bangalore and ISRO? It seems quite a leap from your earlier work.
Varn O’Donner: Thank you, Ronald, it’s a pleasure to be here. Yes, it does seem like quite a leap. Before ISRO, I worked in a sanatorium in the US as a Social Worker and Occupational Therapist. My background is in medicine and psychology, and I specialized in stress management, particularly for high-intensity environments. When the opportunity came up at ISRO, they needed someone in a role like that; a specialist to help manage the psychological and physical stress the workers faced in such a demanding institution. Space research is thrilling but can be immensely taxing on the mind and body.
RvN: That’s fascinating. So it was your expertise in handling stress that brought you there. But during your time in India, something else sparked—your love for science fiction. Can you tell us how that came about?
VO: Yes, it was an unexpected discovery. Sci-Fi had always intrigued me, but it was in India, surrounded by cutting-edge space research and the unique cultural atmosphere, that I found the real inspiration. There’s something deeply resonant about the intersection of ancient philosophy and modern science that you encounter there. The vastness of space felt almost spiritual, and I started seeing Sci-Fi not just as a genre but as a way of exploring the human condition. It was also during this time that I earned the nickname ‘Varn,’ which has roots in Sanskrit and represents the diversity of human characteristics. It felt like the perfect fit, especially with how the experiences at ISRO shaped my writing.
RvN: That’s an insightful connection you make between science fiction and the human condition. Now, as someone who has written extensively about space exploration, I’m curious—do you think manned space travel will continue to be the future of exploration?
Is it O’Donner’s reflective nature? His thoughts seem to drift between his current life and the fictional worlds he has created. There is a pause, as O’Donner glances out of the window.
VO: Well, here’s the thing—I actually don’t believe in manned space travel, at least not in the way we imagine it today. The reality of the future, in my view, is that exploration will be done entirely by the machines we create. Flesh-and-blood humans? Too fragile, too resource-intensive for the distances and timescales involved. We’ve barely scratched the surface of what robotics and AI can do, and I think they’ll be the true explorers of space. We might watch their journey, we might even feel connected to it, but physically? I don’t think we’ll be out there.
RvN: That’s quite a bold statement, especially for someone who has built a career on writing about human experiences in space. Does that affect how you approach your writing now?
VO: It does, actually. And that ties into something else I’ve been thinking about for a while now. To be honest, I don’t have much faith in the future of science fiction literature either. The visual culture we’re in today is simply too overwhelming. Films, series, documentaries—they dominate how we consume stories about the future. In many ways, literature has become more of a stepping stone—a precursor to a screenplay, or a concept that might eventually turn into a film or visual project. And the pace of technological change? It’s relentless. You write about one thing, and by the time it’s published, it’s already outdated.
RvN: That’s a sobering view. Do you think Sci-Fi writers, like yourself, should adjust to that new reality?
VO: I think we already are. It’s not so much about resisting the change as it is about embracing it. Many of us are moving towards more visual mediums, collaborating with filmmakers, or even writing with the screen in mind. The traditional sci-fi novel might still have a place, but it’s increasingly becoming part of a broader ecosystem. To stay relevant, we have to adapt—just like the worlds we create.
The mood in the room subtly shifts as O’Donner’s words challenge traditional notions of space travel and literature. His voice carries a certain detachment, a realism that borders on cynicism, but his passion for the subject remains evident.
RvN: Varn, before we wrap up, I have to ask—what led you to publish with me at Cum Suis? You’ve had opportunities with bigger publishers, yet here you are with a smaller, independent press. What drew you to me?
VO: That’s an interesting question. Honestly, I’ve always felt that creativity thrives better outside the pressure of large, commercial systems. There’s a certain freedom you get with an indie publisher like Cum Suis, a space where you can take risks and push boundaries without worrying about fitting into a specific market trend. For me, it’s not just about getting the work out there; it’s about having a true dialogue with someone who believes in the work, from the editor to the readers. I found that with you. The personal connection, the shared vision—that’s rare in publishing today. I appreciate that you allow the work to breathe, to be what it needs to be, rather than squeezing it into a formula.
RvN: I’m incredibly honored to have you in my portfolio, Varn. Your work challenges the boundaries of science fiction and literature itself, and it’s a privilege to be part of that journey. I ‘m excited to see where your stories take us next.
VO: Thank you, Ronald. The feeling is mutual. It’s been a rewarding partnership, and I look forward to continuing to explore new horizons together.
As the interview draws to a close, there’s a sense of quiet camaraderie between us. The room feels lighter, filled with the warmth of mutual respect.
Noald “Varn” O’Donner’s perspective on space exploration reflects a growing trend in modern science fiction that emphasizes the practicality and efficiency of machines over humans in the vast, unforgiving expanse of space. His belief that robots, rather than humans, will be the key to interstellar discovery is grounded in several practical arguments.
Firstly, the limitations of the human body in space are well-documented. Human biology struggles to adapt to the extreme conditions of space travel, including exposure to radiation, bone density loss in low gravity, and the psychological toll of isolation. Robots, on the other hand, are not subject to these vulnerabilities. They can operate in harsh environments, withstand radiation, and perform tasks without the need for food, air, or rest.
Secondly, robots are more cost-effective. Sending humans into space requires vast amounts of resources—life support systems, safety measures, and fuel. Robots can be built to be more efficient, potentially enabling long-term missions without the need to return to Earth. They can also perform tasks autonomously or semi-autonomously, reducing the need for human intervention and making deep space missions more feasible.
From a storytelling perspective, Varn O’Donner might argue that robots represent a future where exploration is driven purely by logic, efficiency, and scientific discovery, unburdened by the emotional and ethical dilemmas humans face. His stance likely critiques the romanticized vision of human explorers bravely venturing into space, proposing instead a future where AI and robotics take the lead, allowing humanity to discover new frontiers from a distance, without risking lives.
In his view, humans in space might appear outdated because, as technology evolves, we could delegate our curiosity to machines that are far better suited for the task—allowing humans to stay on Earth or inhabit controlled environments, while robotic explorers pave the way.
Er zijn momenten waarop de werkelijkheid zich in alle helderheid aandient. Een alarmerend klimaatrapport, een verdwijnende gletsjer, de onafwendbare opwarming van de aarde. En toch lijkt die werkelijkheid steeds minder vat te krijgen op het publieke bewustzijn. Hoe valt het te verklaren dat feiten, hoe goed onderbouwd ook, niet langer vanzelfsprekend gezag hebben? Wat zegt dat over onze verhouding tot kennis, tot waarheid, tot elkaar? In dit hoofdstuk probeer ik te begrijpen waarom de moderne mens — ondanks een overvloed aan informatie — steeds moeilijker tot inzicht komt.
Onlangs las ik de samenvatting van een rapport van het IPCC. De boodschap was helder, ondubbelzinnig en niet nieuw: de zeespiegel stijgt sneller dan eerder gedacht, gletsjers smelten in rap tempo, en het risico op overstromingen neemt toe. In IJsland werd in 2019 al afscheid genomen van de eerste verdwenen gletsjer, en in de Zwitserse Alpen hield men een symbolische begrafenis voor de Pizol-gletsjer. De wetenschappelijke conclusie laat aan duidelijkheid niets te wensen over: als overheden niet snel en gecoördineerd handelen, zal de schade aan ecosystemen en menselijke leefgebieden onomkeerbaar zijn.
Maar wat mij telkens weer verbaast, is dat zulke glasheldere waarschuwingen zo weinig weerklank vinden buiten de kringen van degenen die toch al overtuigd zijn. Waarom raken deze feiten niet verankerd in het publieke bewustzijn? Ik vraag me af: wat is er aan de hand met onze verhouding tot kennis en waarheid? Waarom laten zoveel mensen zich niet leiden door wat de wetenschap aantoont, maar juist door wat hen bevalt; door geruchten, gevoelens, vermoedens of de opinie van een vage bekende op sociale media?
Ik hoor steeds vaker zeggen dat de NOS onbetrouwbaar is. Dat ‘de wetenschap ook maar een mening’ is. Dat klimaatverandering een hoax zou zijn. En deze uitspraken komen zelden als uitnodiging tot een gesprek. Integendeel: ze worden uitgesproken met een agressieve zekerheid die weinig ruimte laat voor twijfel of nuance.
De opmars van klimaatwetenschapsontkenning. Boze boeren met hun trekkers naar Den Haag, worden door sympathisanten toegejuicht als bevrijders. In een tijdperk van informatieovervloed laat sympathie zich zelden sturen door cijfers. Het toont aan hoe moeilijk het is om feiten nog vaste grond te geven in een omgeving waar gevoel, groepsdenken en wantrouwen vaak meer gewicht hebben dan bewijs. Terwijl rapporten wijzen op de noodzaak van ingrijpende veranderingen in de landbouw, klinkt op de viaducten het applaus voor wie zich hiertegen verzet. Wat gebeurt er als emotie en identiteit zwaarder gaan wegen dan kennis en analyse? Het spanningsveld tussen noodzakelijke beleidsmaatregelen en publieke beleving komt steeds vaker tot uiting op straat.
Zouden deze mensen een organisatie als het IPCC überhaupt nog als gezaghebbend beschouwen? Want dat gezag is voor mij wél van belang. Ik zie het IPCC als een van de weinige instituten waar het zoeken naar waarheid nog onderworpen is aan een collectieve, transparante en internationale toetsing. Het is geen los collectief van klimaatactivisten, maar een samenwerkingsverband van honderden wetenschappers van over de hele wereld. Zij doen zelf geen nieuw onderzoek, maar bundelen de resultaten van talloze studies die door vakgenoten zijn beoordeeld. In een zorgvuldig proces van commentaar, revisie en toetsing wordt geprobeerd tot een zo objectief mogelijk overzicht te komen van wat we weten en wat nog niet.
Toch wordt ook dit werk gewantrouwd, genegeerd of belachelijk gemaakt. En dat brengt me bij de bredere vraag die ik me al langer stel: waarom slagen moderne democratieën er niet in een onderwijssysteem te ontwikkelen dat bijdraagt aan een breed gedeeld werkelijkheidsbesef; een systeem dat mensen leert hoe ze objectieve waarheid kunnen herkennen, meningen en manipulatie kunnen onderscheiden, en er moreel en intellectueel verantwoord naar kunnen handelen?
Misschien is het probleem dat democratieën weliswaar uitgaan van een vrij en kritisch individu, maar tegelijkertijd worstelen met de paradox dat onderwijs niet enkel kennisoverdracht is, maar ook een morele en epistemologische vorming vereist. In plaats van leerlingen te leren hoe te denken, krijgen ze vaak alleen te horen wat ze moeten weten, los van context, twijfel of zelfreflectie.
Bovendien functioneren democratische samenlevingen binnen een medialandschap en een markteconomie die eerder gebaat zijn bij opinie dan bij waarheid, bij indrukken dan bij inzicht. Het onderwijs weerspiegelt dat spanningsveld. Waar het idealiter zou moeten dienen als tegenkracht tegen desinformatie en groepsdenken, is het vaak zelf onderhevig aan politieke en economische belangen die waarheidsvorming ondermijnen.
Het tragische gevolg is dat in een tijdperk van overvloedige informatie juist het vermogen ontbreekt om de betrouwbaarheid van die informatie te beoordelen. Democratieën hebben vrijheid van meningsuiting hoog in het vaandel, maar lijken vergeten dat vrijheid zonder vorming mensen eerder vatbaarder maakt voor illusies dan voor waarheid.
Speelt in dit falen van het onderwijs ook niet mee dat een groeiende groep mensen – die de ouders zijn van schoolgaande kinderen – tegenwoordig diep wantrouwen koestert tegenover alles wat zelfs maar zinspeelt op intellectualisme, expertise of de wetenschappelijke methode? Hoe valt dit anti-intellectualisme te verklaren binnen een samenleving die zegt waarde te hechten aan kennis en waarheid?
Wantrouwen speelt een steeds grotere rol en het is symptomatisch voor een bredere crisis van vertrouwen in instituties, elites en kennisstructuren. Wat ooit gold als gezaghebbend — de universiteit, de wetenschappelijke consensus, de vakexpert — wordt steeds vaker gezien als onderdeel van een ondoorzichtige, afstandelijke of zelfs vijandige bovenlaag.
Dit anti-intellectualisme komt niet uit het niets. Het is deels een reactie op de manier waarop kennisinstellingen zich gepresenteerd hebben: vaak als afstandelijk, betweterig of wereldvreemd, niet ingebed in de belevingswereld van gewone mensen. Voeg daarbij decennia van economische ongelijkheid, culturele vervreemding en digitale desinformatie, en je krijgt een voedingsbodem waarop wantrouwen welig tiert.
Het onderwijs, in plaats van een brug te slaan tussen kennis en samenleving, lijkt vaak te falen in het ontwikkelen van echte intellectuele veerkracht: het vermogen om kritisch te denken én je open te stellen voor wat je (nog) niet weet. Dat maakt mensen vatbaarder voor simplificaties, complottheorieën en sentimenten waarin kennis wordt vervangen door gevoel, en waarheid door overtuiging.
In zekere zin zijn we terechtgekomen in een democratische paradox: vrijheid van denken zonder de vorming die nodig is om die vrijheid zinvol te gebruiken, leidt niet tot verlichting, maar tot verwarring. En in die verwarring wordt de boodschapper — de wetenschapper, de leraar, de intellectueel — steeds vaker gewantrouwd of zelfs veracht.
Tot nu toe heb ik het nog nauwelijks gehad over wat misschien wel de grootste structurele verandering is geweest in onze verhouding tot kennis: de opkomst van het internet. Waar het ooit hoopvol werd onthaald als een digitale bibliotheek voor iedereen, heeft het zich inmiddels ontwikkeld tot iets veel dubbelzinnigers. Ik denk vaak: op het moment dat toegang tot informatie universeel werd, werd de waarheid juist fragieler. Het internet heeft ons niet alleen ongefilterde toegang tot kennis gegeven, maar ook tot misleiding, verdachtmaking en een constante stroom van prikkels. Het resultaat is een nieuw soort verwarring, een verwarring die ik dagelijks zie, hoor en voel.
Ik merk het steeds vaker: het internet is voor velen niet langer een plek van kennisverwerving, maar van wereldbevestiging. Wat begon als een revolutionair democratisch medium waarin iedereen toegang kreeg tot informatie, is gaandeweg verworden tot een labyrint van meningen, algoritmen en zelfversterkende waarheden. De suggestie dat je online ‘zelf op onderzoek kunt gaan’ wordt vaak gepresenteerd als een daad van intellectuele onafhankelijkheid, maar leidt in de praktijk zelden tot werkelijk inzicht. Het is eerder een oefening in bevestigingsdrang.
Ik zie hoe mensen niet zoeken naar wat waar is, maar naar wat hen past. En het internet biedt precies dat: een eindeloze voorraad aan halve waarheden, suggestieve video’s en alternatieve verklaringen; vaak verpakt in een toon van urgentie of ontmaskering, alsof de officiële kanalen iets achterhouden. Het idee dat er achter elke wetenschappelijke consensus een verborgen agenda schuilt, is inmiddels mainstream geworden. In die context wordt het IPCC niet gezien als het resultaat van decennialang gecoördineerd onderzoek, maar als een instrument van macht. En dat doet pijn, niet alleen intellectueel, maar ook moreel.
Wat mij het meest verontrust, is hoe makkelijk iedereen inmiddels zijn eigen ‘werkelijkheid’ kan construeren. Dankzij algoritmen en sociale media worden mensen voortdurend gevoed met informatie die aansluit bij hun bestaande overtuigingen. De bubbel versterkt het zelfgevoel, het idee dat je ‘wakker’ bent of ‘ziet wat anderen niet zien’. Het gevolg is een vorm van cognitieve isolatie: wie twijfelt aan de groepswaarheid, wordt verbannen of veracht. Wie vragen stelt, is al snel een ‘slaapkop’ of ‘deugmens’. Ik ervaar dat als beangstigend; niet omdat mensen kritisch zijn, maar omdat het begrip ‘kritisch’ gereduceerd is tot wantrouwen jegens alles wat buiten het eigen denkraam valt.
Wat me raakt, is dat deze dynamiek het gesprek ondergraaft. Waar je vroeger kon twisten over interpretaties, is nu zelfs de werkelijkheid zelf inzet van strijd. We delen geen feiten meer, alleen frames. En wie vasthoudt aan de waarde van wetenschappelijke toetsing of empirisch bewijs, wordt snel weggezet als elitair of naïef. Ik voel me daardoor soms ontheemd in een samenleving die vrijheid van meningsuiting verwart met vrijheid van verzinsels, en waarin het ‘weten’ het dreigt af te leggen tegen het ‘vinden’.
Feiten verdwijnen zelden met veel vertoon. Ze lossen op in de ruis, ongemerkt, verdrongen door meningen die aantrekkelijker klinken of emotioneler aanvoelen. Toch geloof ik niet dat we het op moeten geven. De waarheid heeft geen marketing nodig, maar wel moedige mensen die haar blijven verdedigen; in het onderwijs, in de wetenschap, in het dagelijks gesprek. Als er iets is dat we onze tijd mogen toewensen, dan is het niet méér kennis, maar méér bereidheid om haar onder ogen te zien. Dat begint niet bij de ander, maar bij onszelf.
Voedt de Wellnessbeweging het extreemrechtse gedachtengoed? (deel 2)
Ik las het verhaal van een vriendelijke vrouw. Ze was lid van een meditatiegroep. De groep kwam al tientallen jaren gelukkig bijeen, verenigd door een gedeelde interesse in onderwerpen als milieukwesties, spirituele zaken en alternatieve gezondheid. Er zaten mensen in de groep die ze beschouwde als vrienden. Ze ging ervan uit dat zij en haar groepsgenoten op dezelfde golflengte zaten.
Acht verhalen uit sektarische bewegingen.
Toen kwam de Coronacrisis. Ongelukkigerwijs kreeg ze zelf Covid en werd ze opgenomen in het ziekenhuis. In die periode ging ze beseffen dat er iets belangrijks was veranderd. Een vriend uit de groep zocht haar op tijdens het bezoekuur. Deze vertelde haar dat ze geen Covid had. Hij liet zich heel stellig uit. De vrouw vroeg: ‘Maar waarom denk je dan dat ik hier lig?’ De vriend gaf toe dat ze ziek was, maar bleef erbij dat het iets anders moest zijn dan Covid-19, omdat Covid niet echt was.
Deze roman volgt Jane, een jonge PR-professional die verstrikt raakt in een exclusieve wellnessretreat geleid door de charismatische Cass. Het boek biedt een satirische blik op de wellnessindustrie en hoe deze inspeelt op onzekerheden en het verlangen naar zelfverbetering.
Later ontdekte ze dat de meditatiegroep, in haar afwezigheid, steeds meer naar extreemrechtse opvattingen was verschoven. De standpunten grensden nu aan racisme en zeer pro-Russische opvattingen met betrekking tot de oorlog in Oekraïne. Het begon vooral met gezondheidskwesties, met ‘Covid bestaat niet’, anti-lockdown felheden, anti-mondkapjes agressie. Het werd anti-alles: ‘De NOS liegt, luister niet naar hen; volg wat je op internet ziet.’
Gebaseerd op persoonlijke ervaringen, vertelt deze roman het verhaal van Michelle Thomson, die tijdens een periode van werkloosheid een spiritueel seminar bijwoont en geleidelijk wordt meegesleurd in een cultachtige groep. Het boek biedt inzicht in de psychologische mechanismen van cultvorming.
De situatie escaleerde toen op een dag, voorafgaand aan een meditatiesessie – een activiteit die goedbeschouwd bedoeld zou moeten zijn om de geest en de ziel te ontspannen en alle wereldse zorgen opzij te zetten – de groep een samenzweerderige video afspeelde waarin werd beweerd dat 15-minutensteden* en gebieden met weinig verkeer onderdeel waren van een wereldwijd complot. Uiteindelijk gaf ze het op.
* Felle kritiek op het concept van de 15-minuten steden komt regelrecht van de QAnon-beweging in Amerika. Het begrip 15-minute-cities verwijst naar een stadsplanningsconcept waarbij alles wat een persoon nodig heeft, zoals werk, winkels, scholen, recreatie en diensten, binnen een straal van 15 minuten lopen of fietsen van hun woning ligt. Dit concept is gericht op het verminderen van afhankelijkheid van auto’s, het bevorderen van duurzaamheid en het creëren van leefbare en gezonde stedelijke omgevingen. Mensen binnen de QAnon-beweging beweren dat 15-minute cities een onderdeel vormen van een groter wereldwijd complot. Deze claim wordt waarschijnlijk gebruikt om wantrouwen en angst te zaaien over stedelijke planning en beleidsmaatregelen die gericht zijn op duurzaamheid en kwaliteit van leven. Dergelijke beweringen worden vaak zonder enig bewijs gedaan en maken deel uit van idiote samenzweringstheorieën.
Je zou denken dat deze radicalisering van een aardige, middenklasse, hippie-achtige groep een incident is, maar de realiteit blijkt anders. De ‘wellness-naar-waanzin-verschuiving’ (of zelfs de ‘wellness-naar-fascisme-transitie’) baart zorgen bij mensen die samenzweringstheorieën bestuderen. En de ellende houdt niet op bij een paar gedeelde video’s onder vrienden. Sta mij toe dat ik inzoom op twee voorbeelden van individuen die aanvankelijk ideeën leken te verspreiden die vrij onschuldig leken; namelijk een veganistische voedselgoeroe en een naar oude ‘natuurwijsheden’ terugverlangende sjamaan.
Een van de leiders van de Duitse tak van de QAnon-beweging verspreidt een samenzweringstheorie gebaseerd op het geloof dat Donald Trump strijd voert tegen een kliek van satanische pedofielen. Deze groep zou geleid worden door onder andere Hillary Clinton en George Soros. Attila Hildman stond aanvankelijk vooral bekend als auteur van veganistische kookboeken. In 2021 hielp hij bij het leiden van een gewelddadige protestactie, waarbij demonstranten de trappen van het Duitse parlement bestormden. Zijn radicalisme in QAnon en online extreemrechtse kringen was zo groot dat hij onderwerp werd van politieonderzoek in verband met meerdere vermeende misdaden. Hij vluchtte naar Turkije voordat hij kon worden gearresteerd.
In deze roman verhuist Anita, een jonge vrouw, naar Los Angeles en raakt betrokken bij een exclusieve fitnessgroep genaamd “The Goddess Effect”. Het verhaal onderzoekt hoe de wellnessindustrie transformatie belooft, maar vaak leidt tot een cultachtige gemeenschap.
Op dezelfde manier lijkt Jacob Chansley aanvankelijk slechts een beoefenaar van ‘sjamanistische kunsten’ en pleitbezorger van onschuldig ogende wellnessideeën zoals het eten van natuurlijk en biologisch voedsel. Hij radicaliseerde tot iemand die kon worden omschreven als ‘ecofascist’ en ‘QAnon-sjamaan’, maar kwam pas echt naar voren als een gevaarlijke extreem-rechtse radicaal toen hij – uitgedost met gezichtsverf en gehoornd hoofddeksel – één van de meest zichtbare gezichten werd van de aanval op het Amerikaanse Capitool op 6 januari 2021.
Misschien moeten we voortaan al op onze hoede zijn als mensen zich, in al hun ogenschijnlijk onschuld, afficheren (of laten afficheren) als goeroe of sjamaan.
Deze dystopische roman volgt een muzikale prodigé die gaat werken bij een high-end med spa. Het boek onderzoekt thema’s van wellness, schoonheid en identiteit, en stelt kritische vragen over de invloed van de wellnessindustrie op persoonlijke waarden.
Voedt de wellnessbeweging het extreemrechtse gedachtegoed? (deel 1)
Binnen de westerse ‘wellnesscommunity’ staat de eigen vitaliteit nogal hinderlijk centraal. Het is volgens mij een misvatting om deze gemeenschap te zien als louter gericht op het bewandelen van het vredelievende pad van samenhorigheid en altruïsme. De meerderheid van de beoefende vormen van spiritualiteit, yoga en meditatie voldoet aan strikt persoonlijke behoeften in een samenleving waar stress een groeiend probleem vormt. Deze praktijken sluiten eerder aan bij puur individualistische denkwijzen dan bij de tradities van het oude oosten.
Geraadpleegde literatuur
De huidige westerse bevolking geniet van aanzienlijk meer vrijheden dan vorige generaties, maar staat tegelijkertijd bloot aan verhoogde competitie. Traditionele gemeenschappen bieden niet langer de steun die ze vroeger boden. Hierdoor is er een sterke vraag naar methoden om stress te verminderen en even te ontsnappen aan de competitieve druk.
Vijftig jaar geleden brachten vertegenwoordigers van de ‘tegencultuur’ oosterse praktijken zoals spiritualiteit, yoga en meditatie naar het Westen. Het waren voornamelijk hippies die de lotushouding omarmden en spiritueel geinspireerde comtemplatie begonnen te beoefenen. Deze toenmalige advocaten van ‘love, peace and understanding’ vormen een scherp contrast met de moderne Wellnesszoekers. De eerstgenoemden zouden voor regelrechte sarcasten zijn uitgemaakt als zij zich zo egocentrisch hadden opgesteld als de huidige generatie in haar zoektocht naar welzijn.
Vandaag de dag worden in Nederland vele vormen van spiritualiteit, yoga en meditatie onderwezen. Zowel zen als tai chi hebben hier bijvoorbeeld een aanzienlijke aanwezigheid. Hoewel de ‘oosterse’ bewegings- en bewustzijnstechnieken niet over één kam te scheren zijn, is de ik-gerichtheid in al het geestbevrijdende zoeken opmerkelijk. Ik wil niet generaliseren maar ik heb de huidige Wellnessbeweging nou niet bepaald kunnen betrappen op progressiviteit en een streven naar verbondenheid. De recente pandemie heeft zelfs aangetoond dat deze groep ook radicaal rechtse opvattingen kan omarmen.
Door middel van boeddhistische meditatietechnieken zouden mensen moeten leren dat het concept van het ‘zelf’ een illusie is en dat ze enkel bestaan in relatie tot andere levende wezens. In mijn omgang met westerse wellnessbeoefenaren loop ik echter steeds weer tegen dezelfde tegenstrijdigheid aan: zij die zich aangetrokken voelen tot technieken die bedoeld zijn om los te komen van het ‘zelf’, zijn juist enorm sterk op zichzelf gericht, en vinden, in vaak peperdure cursussen, manieren om nog meer aandacht aan zichzelf te besteden.
De tegenstelling is duidelijk: westerse mensen die zich verdiepen in ‘oude oosterse’ praktijken van verbondenheid en bewustwording, kunnen juist egoïstischer worden van meditatie of andere wellness-bezigheden. Dit is deels te verklaren doordat veel van deze praktijken helemaal niet zo oud en oosters zijn als ze lijken. Sommige zijn meer verbonden met de moderne westerse nadruk op individuele gezondheid en welzijn dan met de tradities van het oude India.
Het boeddhisme nam in verschillende cultuurgebieden verschillende vormen aan. Boeddhistische leraren die in de 19e en 20e eeuw naar Europa en de VS kwamen, merkten dat moderne westerlingen behoefte hadden aan contemplatieve oefeningen en ademhalingstechnieken. Meditatie was geen kernaspect van het Aziatische boeddhisme, maar werd wel prominent binnen het ‘nieuwe boeddhisme’. De afgelopen decennia zijn er talloze varianten ontstaan, gericht op stressvermindering. Het is onbetwistbaar dat mindfulness en andere therapeutische toepassingen aanslaan bij mensen die lijden onder de druk van individualistische en competitieve maatschappijen.
Wat echter gebruikt wordt voor stressvermindering kan ook worden ingezet om nog beter om te gaan met stress in pogingen om beter te worden dan anderen. Meditatie wordt steeds vaker gezien als een soort mentale training op weg naar de top, een investering in de eigen kracht om concurrenten de loef af te steken. Het resultaat is meer mentale focus, competitievermogen en weerbaarheid. Intensieve meditatietrainingen zijn populair onder diegenen met veeleisende banen en lange werkweken.
In het geval van yoga is het idee van ‘investeren in jezelf’ nog prominenter aanwezig. Dit is niet toevallig, aangezien veel van de lichaamsculturen die in de vroege 20e eeuw in Europa opkwamen, vergelijkbaar waren. De yoga zoals die door veel westerlingen wordt beoefend, heeft minstens evenveel te maken met 20e-eeuwse Scandinavische gymnastiek als met de oude Indiase tradities.
In de oorspronkelijke hindoeïstische yogatraditie hadden de befaamde yogahoudingen (asana’s) een marginale rol. Deze houdingen werden herontdekt in India toen westerse bodybuilding aan populariteit won in de vroege 20e eeuw. Veel staande yogahoudingen, die niet voorkomen in traditionele hatha-yoga, zijn afkomstig van de Deense gymnastiek van Niels Bukh.
Dit individualistische en competitieve universum staat lijnrecht tegenover het ideaal van liefde en collectiviteit dat de hippiebeweging vijftig jaar geleden omarmde. Toch kan betoogd worden dat zelfgerichtheid en hedonisme ook destijds aanwezig waren in deze tegenbeweging. Velen verlieten traditionele structuren om hun eigen weg te gaan en afstand te nemen van autoriteit.
Opmerkelijk genoeg zien we een vergelijkbare tendens in de huidige tijd, zij het in een andere politieke context. Wat eens een linkse tegenbeweging was, wordt nu vaak als rechts beschouwd. Echter, als we de traditionele politieke tweedeling vervangen door een breder anti-establishmentdenken en een idee van hedonistische vrijheid, worden de verschillen minder absoluut.
Het is opvallend dat veel mensen, bij wijze van ‘zelfinvestering’, juist meer op zichzelf gericht raken. Ze ontwikkelen ‘geheime wapens’ waarmee ze anderen kunnen overtreffen in vitaliteit, weerstand kunnen bieden aan tegenstanders en nog harder kunnen meedraaien in de competitie.
Tijdens de pandemie is de ware aard van de westerse yoga- en mindfulnessgemeenschap aan het licht gekomen. Mijn eerdere negatieve, misschien wat generaliserende, uitspraken dateren van lang daarvoor, toen alles wat er over die gemeenschap werd gezegd bijna te mooi leek om waar te zijn. Mijn scepsis blijkt niet geheel onterecht te zijn geweest, hoewel ik moet erkennen dat nuances en complexiteit mijn eenzijdige perspectief geen kwaad doen.
Er bestaan talloze mensen die werkelijk profijt halen uit praktijken als yoga, meditatie en verwante activiteiten. Velen van hen worden er juist minder zelfzuchtig van, ontwikkelen een verhoogd bewustzijn van anderen en hun omgeving, en krijgen een dieper begrip van het grotere geheel. Ze zien door hun verhoogde bewustzijn de valkuilen in van competitie.
De vraag wanneer spiritualiteit oprecht is en wanneer deze als volkomen oppervlakkig moet worden aangemerkt, blijft mij wel bezighouden. De impact van meditatie op de menselijke hersenen is een onderwerp dat misschien aan experts moet worden overgelaten. Ik kan slechts stellen dat de effecten sterk kunnen variëren van persoon tot persoon.
Het is van groot belang dat de deugdzamen niet lijden onder de daden van de minder oprechten. Thich Nhat Hanh, de Vietnamese zenmonnik, benadrukt de onderlinge verbondenheid van alle dingen en legt uit dat niets geïsoleerd bestaat zonder enige relatie tot iets anders, en dat egoïsme nergens toe leidt. Zijn verzameling werk transformeert onmiskenbaar technieken uit de zenmeditatie in oefeningen van altruïsme.
Sta me niettemin toe om – tot slot – mijn aandacht te richten op de volgende verontrustende gevallen:
Tijdens de pandemie vertoonden organisaties zoals Stichting Moederhart en Vrouwen voor Vrijheid affiniteit met Forum voor Democratie. Verscheidene individuen die zichzelf als spiritueel bewust beschouwden, werden gezien in verband met Willem Engel en verklaarden openlijk hun steun voor Baudet. Degenen die vrijheid en verbondenheid met Moeder Aarde predikten, bevonden zich plotseling verstrengeld met klimaatontkenners van de uiterst rechtse beweging. Personen geworteld in welzijn onthulden onverwacht affiliaties met rechtse nationalisten en ultraconservatieven, waarbij ze een voorkeur toonden voor eigenrichting. Ze werden aangetrokken tot de Alt-right beweging, liepen in optochten mee met aso’s, hufters en andere boze witte mannen, lieten zich interviewen door Ongehoord Nederland en andere radicaal-rechtse mediaplatforms, en dit alles omdat de lockdown hen belette om deel te nemen aan yogalessen, pilates-workouts en sauna’s.
Dat stukje recente geschiedenis is iets wat ik voor altijd zal blijven onthouden.
Eigen welzijn eerst – Roxane van Iperen Essay over hoe de middenklasse haar liberale waarden verloor. Een kritische blik op individualisme, neoliberalisme en de afbrokkeling van solidariteit.
Why Wellness Sells – Colleen Derkatch Derkatch analyseert hoe de wellness-industrie collectieve sociale problemen presenteert als individuele verantwoordelijkheden. Ze bespreekt hoe deze benadering mensen afleidt van structurele oorzaken van gezondheidsproblemen en hoe dit kan leiden tot het negeren van maatschappelijke solidariteit.
The Wellness Syndrome – Carl Cederström & André Spicer Een filosofisch-sociologische kritiek op de obsessie met gezondheid, positiviteit en zelfoptimalisatie — ten koste van autonomie en kritisch denken.
Strange Rites – Tara Isabella Burton Een beschrijving van hoe nieuwe vormen van spiritualiteit en wellness het traditionele geloof vervangen — vaak zonder kritisch denken.
The Wellness Trap – Christy Harrison Harrison onderzoekt hoe de wellness-industrie, onder het mom van gezondheid en zelfzorg, vaak desinformatie verspreidt en mensen vatbaar maakt voor complottheorieën. Ze legt uit hoe deze industrie inspeelt op angsten en onzekerheden, wat kan leiden tot het afwijzen van reguliere medische zorg en het omarmen van pseudowetenschappelijke ideeën.
Standvastig – Svend Brinkmann Brinkmann bekritiseert de zelfhulpcultuur die voortdurend aandringt op zelfverbetering en persoonlijke groei. Hij betoogt dat deze focus op het individu kan leiden tot narcisme en het negeren van maatschappelijke verantwoordelijkheden.
McMindfulness – Ronald Purser Een scherpe kritiek op hoe mindfulness is gekaapt door neoliberale en commerciële belangen, los van de oorspronkelijke boeddhistische context.
Complotdenkers – Maarten Reijnders Behandelt ook het spirituele complotdenken (bijv. QAnon met new-age trekjes) en hoe dit samenhangt met wellnesscircuits.
Ze trouwde met een jongen in de verpakking van een man.
Een thema, een diepe duik, talloze invalshoeken; Cover Story Magazine blijft trouw aan zijn naam en opzet. Elk nummer staat volledig in het teken van één onderwerp, dat van voor tot achter wordt verkend, ontleed en soms ook voorzichtig opgetild uit de schaduw. In deze meimaand buigen we ons over een fenomeen dat op het eerste gezicht onschuldig aandoet, zelfs charmant: Het Peter Pan syndroom.
Voor wie de term vaag bekend voorkomt uit de psychologie of de popcultuur: het Peter Pan syndroom verwijst naar volwassenen – doorgaans mannen – die weigeren volwassen verantwoordelijkheden op zich te nemen. Ze blijven hangen in een jeugdige levensstijl, mijden engagement, en worstelen met het idee van ouder worden. Dat lijkt misschien een detail, een eigenaardigheid zelfs, maar de realiteit is vaak schrijnender.
Psycholoog en gedragswetenschapper prof. dr. Malcolm D. Harrow, gespecialiseerd in volwassenontwikkeling en relationele dynamieken, gaat vanaf pagina 15 diep in op het fenomeen. Met scherpe analyses en voorbeelden uit zijn praktijk laat hij zien hoe het syndroom niet alleen de persoon zelf beïnvloedt, maar ook zijn of haar omgeving.
Een schrijnend én herkenbaar verhaal komt van Maaike en Jens van Zalinge, een echtpaar uit Deventer dat op het eerste gezicht gelukkig getrouwd is. Toch knaagt er iets. Jens is grappig, creatief, zorgeloos; precies dat wat Maaike ooit aantrok. Maar inmiddels is zij 62, moeder van twee volwassen kinderen, en zoekt ze houvast in de toekomst. Jens leeft nog steeds met één voet in Neverland. De ironie van de coverquote is sprekend: “Mijn ouders juichten toen ik iemand van mijn eigen leeftijd ontmoette. Maar Peter Pan is geen ideale partner, zodra je klaar bent om Neverland te verlaten.”
Hun verhaal leest als een liefdesverklaring en een waarschuwing tegelijk. Het illustreert hoe lastig het is om samen te leven met iemand die weigert de sprong naar volwassenheid te maken, hoe charmant en liefdevol hij ook is.
Uitgeverij Cum Suis is trots op deze editie van alweer de negende jaargang in opdracht van Cover StoryMagazine en tevreden met de rijke schakering aan invalshoeken die dit themanummer biedt. Een magazine dat niet alleen leest als een dossier, maar ook als een spiegel en soms: een wake-up call.
In de uitgestrekte natuurgebieden van de Republiek Aseria is onlangs een bijzonder kunstwerk voltooid: een sculptuur van Amerikaans president Donald Trump, uitgehouwen in een imposante wand van zandsteen. Het project, gerealiseerd onder toezicht van het Ministry of Tourism and Culture, markeert een vernieuwende benadering van monumentale kunst, waarin tijd, verval en reflectie centraal staan.
De titel van het project, Rushmore Don’t Rush, verwijst op speelse wijze naar Mount Rushmore, waar vier Amerikaanse presidenten voor de eeuwigheid in graniet zijn vereeuwigd. In Aseria koos men juist voor zandsteen: een gesteente dat, onder invloed van weer en wind, snel zal eroderen. De boodschap is helder: geen haast om te blijven, maar de wijsheid om te verdwijnen.
De ondertitel van het project, “Let’s not immortalize a madman,” is een citaat van de gerespecteerde Aserische staatsman Eldrin Vass, voormalig Minister van Staatsveiligheid en Cultuur. Tijdens de voorbereidende debatten wees Vass op de gevaren van het vereren van controversiële leidersfiguren door ze letterlijk in steen te vereeuwigen. Zijn woorden vonden brede weerklank, en leidden tot een symbolische beslissing: niet het idee van onverwoestbare grootsheid zou centraal staan, maar juist de erkenning van menselijke feilbaarheid en de vergankelijkheid van macht.
Om deze boodschap te ondersteunen, heeft uitgeverij Cum Suis een informatieve en esthetisch prikkelende folder samengesteld, in opdracht van het Ministry of Tourism and Culture. De folder begeleidt bezoekers door de thematiek van het kunstwerk en nodigt hen uit om getuige te zijn van het natuurlijke proces van erosie; een proces dat langzaam, maar onvermijdelijk, de scherpe trekken en opgeblazen zelfbeelden zal uitwissen.
Toeristen worden van harte uitgenodigd om het werk te bezoeken en jaar na jaar de subtiele veranderingen te volgen. Zo wordt Rushmore Don’t Rush niet slechts een statisch monument, maar een levende les in nederigheid, geschiedenis en de verstrijking van tijd.
In the vast natural landscapes of the Republic of Aseria, a remarkable artwork was recently completed: a sculpture of American President Donald Trump, carved into an imposing sandstone cliff. The project, realized under the supervision of the Ministry of Tourism and Culture, represents an innovative approach to monumental art—one in which time, decay, and reflection take center stage.
The title of the project, Rushmore Don’t Rush, playfully references Mount Rushmore, where four American presidents have been immortalized in granite. Aseria, by contrast, deliberately chose sandstone—a rock that, under the influence of wind and weather, will erode rapidly. The message is clear: no rush to remain, but the wisdom to disappear.
The project’s subtitle, “Let’s not immortalize a madman,” is a quote from the respected Aserian statesman Eldrin Vass, former Minister of State Security and Culture. During the preparatory debates, Vass warned of the dangers of venerating controversial leaders by literally carving them into stone. His words resonated widely and led to a symbolic decision: the focus would not be on indestructible greatness, but on the recognition of human fallibility and the transience of power.
To support this message, the publisher Cum Suis—commissioned by the Ministry of Tourism and Culture—has produced an informative and aesthetically engaging brochure. The brochure guides visitors through the themes of the artwork and invites them to witness the natural process of erosion: a slow but inevitable force that will gradually erase the sharp features and inflated self-image.
Tourists are warmly invited to visit the work and observe its subtle transformations year after year. In this way, Rushmore Don’t Rush becomes more than a static monument; it becomes a living lesson in humility, history, and the passage of time.