Minder dan een eendagsmonnik

De weg naar het klooster en terug.

Het is best jammer dat een journalistiek stuk van literaire kwaliteit in het uitdijende archief van een krant verdwijnt terwijl de zoekmachine niet in staat blijkt het voor de dag te toveren. Ik vind de zoekfunctie van databanken bij dagbladen sowieso niet het beste dat een schrijver en zijn eventuele lezers zich kunnen wensen. Als je als particulier begint te browsen met een vaag idee van een titel, vang je meestal bot. Zoek je een specifiek stuk, dan zul je echt moeten weten onder welke aanhef het is opgeslagen. In zo’n geval komt een Chatbot nog beter van pas. Maar soms werkt die hulp van buiten net zo min. Dan blijkt een oud artikel helemaal niet in het beheersysteem te zijn opgenomen.

Een voorbeeld is een stuk van Hans Gülpen, dat ik nooit uit de annalen van De Gelderlander zou hebben opgediept als Hans het artikel niet naar boven had gehaald uit zijn eigen opgeslagen mappen met knipsels en aantekeningen. Het heet ‘Notities uit mijn cel’ en het gaat over zijn retraite in de abdij St. Benedictusberg te Vaals. Daar waren destijds nog zo’n vijftien monniken. Ze gingen zeven maal daags ter kerke om hun Schepper te prijzen en te bezingen. Deze religieuze toewijding ten spijt, bleven hun stemmen nagenoeg verstomd, want er heerste een gebod tot zwijgen. Hans verbleef jaarlijks een paar dagen met hen. In de hectiek van de tijd wordt serene rust enorm op prijs gesteld, vooral wanneer er een aureool van devotie omheen hangt. Er zijn plekken op deze aarde waar woorden overbodig lijken. Dat is fijn, dan hoef je er ook niet naar te zoeken.

In 1998 bestond de krant in kwestie 150 jaar. In een speciale jubileumeditie, chic uitgegeven in een box, kreeg het artikel een uitverkoren plek, maar zoals dat gaat met kranten die de reputatie hebben van vergankelijkheid, kwam de eeuwigheidswaarde die het stuk verdiende ook daar niet tot z’n recht. De dagelijkse krant verscheen toen nog op het klassieke broadsheetformaat. Hans, die de vroegere tijden met enige verheerlijking bekijkt, schreef dat de veelbelovende eenentwintigste eeuw nog moest beginnen en de Big Tech Brothers de mensheid nog niet tot slaaf hadden gemaakt. Zonder de constante afleiding door het eeuwige geratel van de online wereld leefde men destijds noodgedwongen in het nu; het leek op een vorm van mindfulness avant la lettre. Ik begrijp de bekoring die daarvan uitgaat, zeker als ik de indrukken en belevenissen van Hans lees.

Ondertussen mijmer ik over mijn eigen ervaringen met het kloosterleven. Die waren er namelijk ook, zij het dat ze nooit langer dan een uurtje op een namiddag hebben geduurd. De heiden in mij was altijd blij dat hij voor de avondval door dezelfde poort kon vertrekken als waar hij bij een beginnende schemering doorheen was gegaan; terug naar de roeken in het stoppelveld. Met die vogels voelde ik, geloof ik, meer verwantschap dan met de monniken, hoe mooi hun gregoriaans gezang tijdens de koordienst ook klonk. Ik had nooit meer stil gestaan bij die tochten richting de spirituele verlossing die mij, onverlost, verenigden met het gevederte des velds. In de afgelopen dagen heb ik er een essay over geschreven, waarover ik morgen zal uitwijden.

“Huh.”
“Benedicamus dominum.” Een diepe mannenstem galmt over de gang.
Weer die klop op de deur.
“Benedicamus dominum.”
Het wachtwoord, flitst door me heen. Wat was in godsnaam het wachtwoord? Lichte paniek maakt zich van me meester.
“Benedica….”
“Eh, deo gratias”, piep ik vanuit het duister van mijn cel.
“Deo gratias.”
Het is aardedonker, kwart voor vijf. Ik ben in Mamelis, Zuid-Limburg, op een steenworp afstand van de Duitse grens.
De dag begint in het klooster in St. Benedictusberg, abdij van de Benedictijnen. Als alle dagen, 365 maal per jaar.
Gasten als ik schieten in hun kleren, monniken gooien het habijt over hun hoofd. Een kwartier later zitten we allemaal in de kerk. Voor de metten. Anderhalf uur duren ze, negentig minuten, een eeuwigheid gevuld met hymnen en lauden, die beurtelings staand, buigend, en geknield worden gezongen.

Hans Gulpen – citaat uit: Notities uit mijn cel

Postscriptum 1:
Ik maak me geen illusies over de blijvende waarde van mijn stukjes, maar citeer hier graag uit ‘Notities uit mijn cel’, zodat meer mensen een idee krijgen van de verstilling en het inzicht die Hans op zijn retraite-adres vond en die in onze tijd van constante ruis zo zeldzaam zijn geworden.

Postscriptum 2:
Een lezer maakte mij erop attent dat het klooster zich in Mamelis bevindt. Dat is waar. De Abdij Sint-Benedictusberg bevindt zich in Mamelis, dat valt onder de gemeente Vaals, in de provincie Limburg (Nederland). Het adres is: Mamelis 39, 6295 NA Lemiers (Vaals).
Wat? Wordt naast Mamelis ook nog Lemiers genoemd?
Ja, dat is een klein kerkdorp van 690 inwoners, dat ook tot de gemeente Vaals behoort.
Maar hoe zit het nou precies; er wordt met drie plaatsnamen geschermd voor één en dezelfde plek.
Niet zo moeilijk hoor: de abdij ligt in Mamelis, maar het adres valt onder Lemiers. Mamelis is een gehucht binnen de gemeente Vaals, dat administratief onder Lemiers valt volgens het Cultureel Erfgoed. De Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed beschrijft de abdij letterlijk als “Lemiers – Mamelis 39”. In termen van plaats ligt het klooster “vrij in het landschap gesitueerd … tussen Wahlwiller en Lemiers”.
Oh, help, nu komt ook Wahlwiller om de hoek kijken.
Geen zorgen, postbode: De abdij staat fysiek in het gehucht Mamelis, maar voor post en administratieve doeleinden hoort Mamelis bij Lemiers, vandaar het Lemiers-adres. Zo, en spring dan nu maar op je fiets want je moet daar een brief bezorgen van bromsnor uit Wahlwiller. Wahlwiller is…
Nee, laat maar.

Als een Belgische filibuster

Veel te veel woorden en dan opeens doodstil.

Welkom op de tweede VrijMiPo, georganiseerd door eenmansuitgeverij Cum Suis. Vandaag presenteren we een gedicht over een man die veel woorden nodig had om tot een definitief stiltepunt te komen. Hij werd een zichzelf steeds nadrukkelijker manifesterende veelschrijver voor wie tenslotte het doek viel. Het leek mij goed om dit gedicht uit de mottenballen te halen toen ik las over de Belgische parlementariër Vincent Van Quickenborne die gedurende vijf vergadersessies zo lang mogelijk aan het woord probeerde te blijven. Door te filibusteren hoopte hij een wet over fraudeopsporing tegen te houden.

In het geval van Van Quickenborne werd hem de mond gesnoerd door de voorzitter die afgelopen woensdag ten einde raad, na 23 uur aaneengesloten luisteren, genoeg van hetzelfde had gehoord. Van Quickenbornes microfoon werd tot zijn eigen woede uitgezet. ‘U bent niet waardig’, riep Vincent richting de voorzitter. ‘U chanteert het parlement.’ Maar de voorzitter paste gewoon een regel toe: het kamerlid viel teveel in herhaling en dat is niet toegestaan. Nadat hij zelfs stambomen van collega’s had aangehaald om de tijd vol te praten, raakte zijn inspiratie op. Had hij maar origineel moeten blijven.

De ‘J.’ in het gedicht wordt het zwijgen opgelegd door de dood, waarvoor hij zelf heeft gekozen. Van Quickenborne voelde zich waarschijnlijk veel vitaler en dacht nog helemaal niet aan ophouden. Hij streed immers voor een goede zaak. Hij voerde zijn marathonspeech om een wetsvoorstel te blokkeren dat de overheid toegang zou geven tot ieders bankgegevens, waarna slimme algoritmes verdachte transacties uit die financiële berg kunnen opdiepen. Zo’n digitale speurhond vond hij een ernstige inbreuk op de privacy. En dus bleef hij praten. Heel lang. En tamelijk vol van zichzelf.

Ik vermoed dat ijdelheid bij langdradige toespraken een niet te onderschatten drijfveer is. De ‘J.’ in mijn gedicht is doordrenkt van diezelfde neiging tot opvallend aanwezig zijn; een soort van zelfvoldane profilering die uiteindelijk vooral potsierlijk blijkt. Zijn val komt voort uit dezelfde pronkzucht die hem overeind hield. Hij heeft in zijn leven weinig bereikt, maar kiest voor een afscheid dat groter is dan alles wat daaraan voorafging. Je zou bijna denken dat hij pas in het zelfopgelegde zwijgen beseft hoe overbodig hij eigenlijk was.

Het zal u niet verbazen: deze overpeinzingen richten zich uiteindelijk op mijzelf. Ook ik heb de neiging om te vervluchtigen in pathos. Ik verloor me jarenlang in gedichtjes die ik schreef vanuit een romantisch soort grootsheid die langzaam oploste in twijfel. Inmiddels ben ik op een leeftijd waarop ik weleens denk: had ik niet beter een echt vak kunnen leren? Overigens heb ik in m’n leven één beroep uitgeoefend dat me met enige trots vervulde. Ik was railverkeersleider voor Prorail. Je kunt dat worden door een interne opleiding van een maand of vier.

Helaas kwam aan die carrière van ‘treindienstleider’ op een zeker moment een einde door een veiligheidsfout. Dat falen heb ik verwerkt, maar sindsdien voelde ik me in geen enkele functie nog echt van nut. Het schrijven was een merkwaardige uitweg: een pure drang tot literaire aanwezigheid. In manische tijden schreef ik mezelf voorbij; in depressieve kwam er vrijwel niets van terecht. Uiteindelijk blijkt: er bestaan praktischer vormen van communicatie dan eindeloze speeches of gedichten die niemand leest. Hier volgt niettemin het gedicht ‘Waarom’, dat te vinden is op bladzijde 19 van de bundel ‘Het Eenmansimperium’.

📱🔄 Voor de juiste weergave van de bladspiegel en regelafbreking adviseer ik om je telefoon in landscape mode (horizontaal) te houden. Zo zie je het gedicht zoals het bedoeld is.

Waarom


Waarom J. moesten je zinnen opeens weer praalwagens zijn
in onze nietsvermoedende straten?
Waarom dat amalgaam van beeldenbrouw op onze
doordeweekse magen?
Wij waren het toch eens geworden dat het Poëtisch Tijdperk
voorbij was?

Hadden wij niet hartelijk gelachen op die avondjes
(waar we toch maar heengingen)
om de vijftiger halvegaren,
de tachtiger adjectieven-adventisten
en al die kleine stuiptrekkende stormlopers
daartussen en daarna?

Roerend eens wij – toch? – dat het warrige,
dat poëzie zo duister maakt,
en zo mooi voor sommigen,
niet meer was dan effectieve onduidelijkheid.
Dat je met boterzacht dichten geen beleid kon maken.
Dat het eigenlijk maar een vreemde en ook wat domme leer is
van hoe je dingen anders zegt?

Waren olla vogala niet volkomen doodgebroed?
Geen krachtig medium nee. Ons niet gezien. Voorbij.
Meer iets voor brave mensen.
Ik hoopte dat we dat hadden afgerond.

Maar nee hoor, net toen wij dachten dat je een woord
kon loslaten op het moment dat je
een woord moest loslaten
liet je jezelf los,

nadat je, ook weer zo pathetisch,
wel een half uur aan het randje had staan schreeuwen
dat er een briefje voor ons klaarlag
(dat eigenlijk geen brief was
maar een soort gedicht).

Wat een boodschap was dat.
Je had toch ook gewoon die pen kunnen wegsmijten
i.p.v. jezelf?

©Ronald van Noorden, ©2012 Uitgeverij Cum Suis

Gisteren is VrijMiPo begonnen

De stille introductie van een nu al achterhaalde traditie.

Voor het gedicht dat u zo gaat lezen wilde ik een aanleiding creëren die geworteld was in een geschiedenis die nooit echt tot rust is gekomen. Daarbij dacht ik terug aan iemand die ik werkelijk heb gekend: Richard, een journalist die zijn sporen vooral heeft verdiend in het Midden- en Zuid-Amerika van de jaren tachtig en negentig. Richard schreef altijd vanuit een diep gevoel voor rechtvaardigheid. Hij verslond de nieuwsberichten over El Salvador, Guatemala en Nicaragua. Over boeren, studenten en arbeiders die opstonden tegen dictators die, met stille of openlijke steun van de Verenigde Staten, in het zadel werden gehouden. Hij koos steevast de kant van de onderdrukten, de verdrevenen, de gemartelden. Hij schreef voor linkse bladen, met een felheid die hem niet alleen siert, maar die zijn stukken ook een morele helderheid gaf die destijds weinig journalisten wisten te bereiken.

Maar er was één domein waarop die helderheid wegviel, waarop de nuance zoekraakte: dat van zijn eigen familiegeschiedenis. Richard was de zoon van repatrianten die de Bersiap aan den lijve – of liever: in de nabijheid van hun eigen ouders, vriendengroepen, en afbrokkelende gemeenschappen – hadden gevoeld. Het ging om mensen die beschadigd uit Indonesië waren teruggekeerd, en dat verdriet had zich in Richard vastgezet als een oude splinter die nooit helemaal werd verwijderd of kon uitzweren.

Over het lot van studenten in San Salvador sprak hij met grote empathie en militante solidariteit. Maar zodra het over Indonesië ging, over de onafhankelijkheidsstrijd, de politionele acties, de pemoeda’s, en de complexe verstrengeling van daderschap en slachtofferschap, veranderde zijn toon. Daar kon hij niet meer de journalist zijn die afstand bewaart. Zijn betrokkenheid werd familiair, zijn oordelen hard, zijn redeneringen scheefgetrokken door een loyaliteit die hij niet kon of wilde afleggen.

Voor mijn gedicht besloot ik van die spanning gebruik te maken, maar dan in een fictieve vorm. Ik verzon een oud-journalist (deels geïnspireerd door Richard, deels door de verhalen van andere kinderen van oud-Indiëgangers, KNIL-militairen, Molukkers en Indische Nederlanders) die aan het einde van zijn carrière een boekje publiceert over de Bersiap. In dat boek probeert hij te verklaren waarom dit deel van de geschiedenis volgens hem nooit eerlijk is verteld. Hij bekritiseert de Indonesische zwijgzaamheid over geweld tegen niet-inlanders, maar veracht het idee dat Nederland überhaupt iets te verwijten valt.

Zijn toon is die van iemand die geen rust vindt in het verleden dat hij heeft geërfd. De trauma’s van zijn ouders worden de argumenten van zijn boek; hun angst wordt zijn rechtvaardiging. Hij schrijft niet zozeer om recht te doen aan de geschiedenis, maar om recht te doen aan hen, aan hun pijn, aan wat ze hebben doorstaan; of wat hij meent dat zij hebben doorstaan.

Er gaat een zekere tragiek van uit, juist omdat ik Richard kende: hoe iemand die zo scherp, zo eerlijk, zo moedig kon schrijven over andere wereldconflicten, toch een blinde vlek bewaart voor het koloniale verleden waarvan hij zelf een erfgenaam is. Hoe jammer zou het geweest zijn als mijn vriend die kleine kronkel in een boekje had geperst, alsof hij daarmee niet alleen zijn ouders, maar ook zichzelf wilde vrijpleiten. Gelukkig heeft hij dat gelaten, maar in zijn nalatenschap zijn wel aanzetten tot zo’n poging gevonden.

Wie opgroeit met ouders die verwond zijn, zoekt soms de rest van zijn leven naar een vorm van rechtvaardiging die die wonden verzacht. De fictieve oud-journalist in mijn tekst draagt dat verlangen met zich mee. Niet als een politiek standpunt, maar als een morele erfenis. Uit die spanning, uit dat verlangen naar rechtvaardiging en dat misplaatste morele zelfvertrouwen, ontstond een (gelukkig) nooit geplubliceerd boek alsook het gedicht dat u zo gaat lezen. De ‘je’ die daarin wordt aangesproken is geen werkelijk bestaande persoon, maar een samenstelling van stemmen uit die generatie; een echo van Richard, maar ook van vele anderen.

Misschien, als ik heel eerlijk ben, richt het gedicht zich niet alleen tot die verzonnen man, gebaseerd op een journalist die ik echt heb gekend, maar ook tot een bepaalde versie van mijzelf. Een denkbeeldige ik die óók had kunnen eindigen met een boekje dat eigenlijk meer een verdediging is dan een verhaal. Een ik die krampachtig probeert te bewijzen dat zijn verleden, zijn standpunten, zijn twijfels allemaal een sluitende logica volgen. Zo’n ik die, in zijn pogingen tot rechtvaardiging, alleen maar weerstand oproept en onbedoeld laat zien waar zijn rafelrandjes zitten.

Daartegenover zou dan het andere deel van mij moeten staan: de blogberichtenschrijver van wie u hier een stukje leest, en het parmantige, ouderwets aandoende dichtertje dat ik soms ook ben. Hopelijk zijn dat figuren die geen gelijk hoeven te krijgen. Ik weet niet of dat hier gelukt is. Ik kan mijn andere ikken goed met schamperheid beschrijven, dat wel. Het zou mooi zijn als ik ooit verlost raakte van de hardnekkige drang om iemand – inclusief mezelf – te overtuigen, zodat ik niet steeds wegzink in de modder van goedpraterij en ander zelfbedrog, maar me eenvoudig kan beperken tot het ontmaskeren van waarheden, hoe ongemakkelijk die ook zijn.

📱🔄 Voor de juiste weergave van de bladspiegel en regelafbreking adviseer ik om je telefoon in landscape mode (horizontaal) te houden. Zo zie je het gedicht zoals het bedoeld is.

De kommaneukers van Cedille

Hoe een stijlboekfetisjist en een muggenzifter hun hang-ups bevochten.

Ten aanzien van iets zo onbeduidends als een haakje onder een s – beter bekend als de cedille – deed zich een steeds overbodiger wordende woordenwisseling voor, die mijn geduld, mijn verstand, mijn tolerantie en een vriendschap op de proef zouden stellen. Dat vraagt om wat uitleg. Ik begon met de bewering dat de letter ş (uitspraak: s-cedille) niet voorkwam op standaard Nederlandse of Engelstalige toetsenborden. Dat is gewoon waar, dat kun je makkelijk nagaan.

Daarna beweerde ik dat ik de letter ook niet voor de dag kon toveren door middel van het ingedrukt houden van de Alt-toets, gevolgd door het intypen van een ASCII-code. ASCII is een standaard tabel van 128 tekens en daar zit geen s-cedille bij. Ook de zogenaamde Alt-code werkte niet, noch de zogenaamde Unicode. Ik kon dat op mijn eigen toetsenbord aantonen; er verscheen namelijk wel een teken, maar niet de s-cedille.

Het maakte in feite niet uit dat een makkelijke toetsenbordcombinatie niet werkte. Ik vond, na te lang zoeken, een alternatief dat een iets grotere omweg vereiste, maar me wel bij mijn doel bracht. (Voor de andere zeikertjes onder ons: een druk op Win + R toverde de Run-prompt tevoorschijn. Daar kon ik ‘charmap’ invullen, wat de Character Map liet zien in elk font dat ik maar wilde. Daar kon ik de ş kopiëren en in mijn eigen tekst plakken.) Ziezo, dat was gebeurd.

Later wilde ik Yeşilgöz alsnog de schuld geven want er zou nog meer overbodig gedoe ontstaan.

Ja maar…het werd echt vervelend hoor. Had ik de moeite genomen om precies uit te vinden hoe ik die verdomde s-met-cedille kon oproepen – vertraging alom – zou het bovendien overbodig blijken!

Yeşilgöz was nog luidkeels aanwezig in de politiek, maar haar naam met cedille vond geen doorgang. Het behoorde niet tot de correcte Nederlandse spelling. Althans niet tot de punctuatie zoals een bekende kranten- en tijdschriftenuitgever die propageert. Dit leerde ik van een oud-journalist van De Gelderlander, die voor die krant op een zeker moment ook een heus stijlboek heeft geschreven. Met andere woorden: als hij niet wist wat de juiste schrijfwijze was, wie dan wel?

Met enige tegenzin deed ik dus precies wat hij voorschreef. Ik veranderde alle s’en met cedilles in gewone s’en en maakte daar braaf (en bozig) melding van:

Daar stokte het gesprek. En ik voelde een opborrelend vermoeden: had hij eigenlijk wel gelijk? De vraag bleef me achtervolgen als de appendix die ik mijn schaduw noem. En dus begon ik – koppig als ik misschien ben – aanvullend onderzoek te doen. Niet uit noodzaak, maar uit pure behoefte aan gerechtigheid (het wijsneuzerige equivalent van een middelvingertje in de lucht).

Wat blijkt: Ja, op macOS kun je speciale letters oproepen door een toets ingedrukt te houden; maar alleen als het systeem daarvoor is ingesteld. De standaard toetsenbordindeling van een Mac laat die ş namelijk helemaal niet zien. Daar kom je pas achter als je diep genoeg graaft, en ik groef natuurlijk diep (op zoek als ik was naar mijn gelijk). Ik las: ‘de pop-up met diakritische varianten verschijnt alleen als je de juiste input source hebt geactiveerd, zoals de Turkse layout of ABC-Extended.’

En hoogstwaarschijnlijk – ik durf zelfs te zeggen: met een mate van wetenschappelijke zekerheid – had mijn vriend die instelling niet. Met andere woorden: zijn zelfverzekerde ‘De ş zit gewoon onder de s hoor’, GETYPT OP ZIJN MOBIELTJE, maakte een bestudeerde indruk, maar zonder aangepaste Mac-instellingen is dat even waar als zeggen dat je “gewoon” Turks kunt praten als je maar hard genoeg probeert.

Pas toen overviel mij een gevoel van berusting. Misschien zelfs iets van superioriteit, al wil ik dat niet hardop toegeven. Onze vriendschap was niet gebroken; alleen licht beschadigd door een haakje onder een s waarover wij beiden struikelden, ieder op z’n eigen, irritant eigenzinnige, manier.

Uiteindelijk bleek die cedille slechts een detail. De ego’s erachter bezaten aanzienlijk meer overbodige aanhangsels.

Postscriptum:

Ik schreef dit stukje met een milde glimlach en met de warmte in mijn hart die ik koester voor Hans Gülpen: een Limburgse jongen met vier doopnamen en een achternaam die officieel twee bescheiden puntjes draagt. Dat trema heeft hij in de ruim dertig jaar dat hij redacteur was voor De Gelderlander echter nooit gebruikt. Toen zelfs de cedille in Yeşilgöz bij hem geen genade vond, begreep ik: voor Hans is overbodigheid geen detail, maar een ergernis van de hoogste orde. Des te wonderlijker vind ik het dat hij onvermoeibaar mijn pathetische epististels, met altijd wat slordigheden in de interpunctie, blijft lezen. Met dat in gedachten draag ik dit blogbericht met plezier (en een vleugje sardonisch genoegen) aan hem op.

En we noemen hen: FUSIE

De enig denkbare, nieuwe naam voor GroenLinks/PvdA.

Taalbureau Taaljongen.nl stond voor een klassiek keuzeprobleem: hoe noem je iets dat zichzelf nog niet kent? De fusie van GroenLinks en PvdA vroeg om een naam die zowel historisch als toekomstbestendig was, zonder dat hij zich vastbeet in ideologische grond. Een naam die niet rood, groen of progressief hoefde te heten, maar wél klonk als iets waar iedereen – zelfs de twijfelaar – zich kortstondig in kon herkennen. Taaljongen.nl besloot het simpel te houden. Zo simpel, dat het bijna brutaal werd: FUSIE. Geen slagzin, geen symbool, geen kleur. Alleen het feit zelf.

Er is die mysterieuze ruimte tussen wat gezegd wordt en wat bedoeld is. FUSIE belichaamt die ruimte: een naam die ademt, zweeft, zich vormt en weer oplost. Omdat woorden niet alleen iets betekenen, maar vaak ook iets verbergen. FUSIE is een naam die zichzelf ontkent en daardoor overeind blijft; die niets verklaart, maar alles suggereert. Een politieke wolk die uiteenvalt in letters, om zich daarna weer moeiteloos te herschikken tot iets nieuws.

Dat lijkt banaal, maar is het niet. In een tijd waarin politieke partijen zich verdringen om het meest moreel klinkende label, koos Taaljongen.nl juist voor de lege doos en maakte die leegte tot kracht. FUSIE zegt niets over waar men voor staat, maar alles over waar men vandaan komt: een samenvoeging van twee entiteiten die ooit dachten dat hun verschillen belangrijk waren.

Het bureau weigerde bewust woorden als links, sociaal, progressief, groen of solidair. Zulke termen, zegt Taaljongen.nl, ‘functioneren als seizoensgebonden parfums; aangenaam bij lancering, bedenkelijk bij hergebruik.’ Een naam, daarentegen, moet kunnen overleven wanneer idealen weer verschuiven, standpunten afbrokkelen en partijprogramma’s herschreven worden.

En dat is precies wat FUSIE doet. Of de partij over vijf jaar samengaat met Volt, met D66, of met een paar overgelopen liberalen, het maakt niet uit. De naam blijft actueel. FUSIE is toekomstbestendig, want ze beschrijft geen toestand, maar een beweging. Taaljongen.nl noemt het ‘de enige naam die zichzelf in stand houdt door voortdurend van samenstelling te veranderen.’ Een politieke paradox, verpakt als merkstrategie.

Taaljongen.nl onderzoekt de grillen en de gratie van taal: hoe woorden zowel onthullen als verhullen. FUSIE is daarvan het schoolvoorbeeld; een naam die weigert partij te kiezen, en juist daardoor de essentie raakt. Ze zegt niets, maar roept alles op: beweging, vermenging, compromis. Een woord dat niet vastlegt, maar loslaat. Taaljongen.nl weet dat woorden soms meer macht hebben als ze níet te veel willen zeggen. FUSIE is een naam die elke inhoud overleeft.

Bedelbrief aan een ballenjongen

Is de bal pas rond als ze richting een doel rolt?

Geachte heer Wagendorp,

Dankzij één van uw laatste columns weet ik dat de scout van een piepklein voetbalteam in Zweden onopvallende spelers aandraagt waardoor de club Goliaths als IFK Göteborg en AIK Fotboll verslaat. Ondertussen gaat hij als postbode door met postbezorgen want dat moet natuurlijk ook gebeuren.

Na het lezen van uw stukje dacht ik: wie beter dan meneer Wagendorp om mijn postbodeverhalen te waarderen, zodat hij ze eventueel aan de redactie kan doorgeven. U schrijft over een postbode met scoutkwaliteiten; ik hoop een postbode te zijn met schrijfkwaliteiten.

Ik zag opeens de gelijkenis. U zou een schrijver kunnen zijn die zich even als talentontdekker opwerpt. Mijn verhalen gaan niet over sport. Niemand kan u op dat terrein naar de kroon steken. U moet vooral doorgaan met uw prachtige columns over dat veelbewogen thema.

Ik mag minder ervaren zijn dan u, maar ik schrijf deze brief met voldoende zelfvertrouwen om mij aan u te durven presenteren. Ik begrijp dat ik mij alleen maar in de kijker kan spelen door goed te schrijven; dat blijft het eerste en het laatste criterium voor succes.

Wilt u zo vriendelijk zijn om een blik te werpen op de bijgevoegde columns? Ook een postbode met scoringsdrang heeft een scout nodig. In één van mijn toekomstige postbodeverhalen zou sprake kunnen zijn van een voetbalcolumnist die mijn talent zag. Dat stukje zou ik graag een keer schrijven.

Bert Wagendorp: In elk goed voetbalverhaal is sprake van een postbode

Conny Braam sprak

Maar over één ding was zij niet te spreken.

En ik maar hopen dat Conny Braam gedurende haar prilste jeugd in mijn huis had gewoond. Mevrouw Braam, de beroemde anti-apartheids activiste die begin jaren zeventig samen met vluchtelingen van het regime van Vorster een solidariteitsbeweging oprichtte die zich ontwikkelde tot een van de belangrijkste pijlers van het ANC. Helaas lag haar jeugd niet achter mijn voordeur, maar zes deuren verder. Ik weet dit van overbuurman R.. Hij schreef mij: ‘Op nr 27 woonden ze. Het Akzo pensioenfonds heeft die woningen ontwikkeld en de medewerkers konden ze huren. Als ze van baan veranderden mochten ze blijven wonen. In de jaren 60 konden mensen het huis kopen voor 15000 tot 24000 gulden.

Conny Braam: “Ben je al eens in de Beatrixstraat geweest? Mijn vader huurde daar een huis van de AKU. Het was piepklein. Ik krijg het nu nog benauwd als ik eraan denk. Ons huishouden, mijn ouders, twee broers en ik, was ook totaal naar binnen gekeerd. Niet opvallen, dat was het credo.”

Hoewel de huizen in mijn straat erg op elkaar lijken, is het rijtje waarin ik woon (35 t/m 61) van de Rooms-Katholieke kerk geweest, en dus ook in opdracht van die heilige moederparochie gebouwd. Dat vind ik een prettig gegeven: dat een atheïst en antimonarchist in een huis komt te wonen waar het bisdom de scepter zwaaide (via haar woningbouwvereniging St. Joseph). Alsof het lot mij een vorm van hypocrisie opdringt waarover ik moet nadenken. En het wordt nog interessanter. Dezelfde overbuurman wist mij te melden dat in mijn huis de familie Koetsier heeft gewoond, waarvan de vader kerkmeester was die onder andere toezicht moest houden tijdens de mis in de Sint Janskerk. Dat gebouw, met de proporties van een kathedraal, prijkt boven alles uit aan de noordoostkant van mijn straat.

Voordat ik over de functie van kerkmeester uitweid, en vooral over hoe Koetsier hier invulling aan gaf, eerst even terug naar Conny Braam. Als je weet dat onze doorgewinterde vrijheidsfanate zich in haar herinneringen uiterst negeatief uitlaat over haar vroege jaren in de Beatrixstraat, is het misschien gek dat ik het jammer vind dat ze niet bij mij heeft gewoond. Behalve strijdmadame ontwikkelde Conny zich ook tot een voortreffelijke schrijfster, die in haar memoires nauwelijks een vriendelijk woord reserveert voor haar tijd in Arnhem. Ik ben vastbesloten om al haar werk te lezen waarin die onwelgevallige jaren in volle glorie voorbij trekken. Een klein tipje van die sluier kreeg ik al voorgeschoteld in een interview dat Conny gaf aan een journalist van De Gelderlander.

Dit interessante stukje werd door R. mijn kant op gedirigeerd. Ik ben mijn straatgenoot alweer erkentelijk. (Ik werd trouwens ook heel aangenaam verrast door de naam van de interviewer van het krantenartikel; hij heet Hans Gülpen en ik beschouw hem als een vriend. In zijn artikelen laat hij de puntjes boven de U weg dus hij denkt dat hij de krant, in de meer dan dertig jaar dat hij daarvoor heeft gewerkt – als vaste kracht en freelancer – ‘een royale badkuip aan drukinkt’ heeft bespaard. Over Hans later meer.) Een ander aspect uit de mij toegestuurde informatie betreft de huisnummers 11 t/m 15. Die bestaan niet. Misschien was het de bedoeling bij het blok 5,7,9 boven- en benedenwoningen te bouwen. Op het kantoor van het Pensioenfonds wist men in ieder geval één ding heel zeker: er zou nooit een huis met nummer 13 mogen komen.

Niets menselijks was de stervelingen in mijn straat vreemd. Dat ze naar een prinses werd genoemd had natuurlijk te maken met loyaliteit en verbondenheid met het Huis van Oranje. Ook dat is een vorm emotionele projectie, oftewel een vertrouwen zonder bewijs. Nee, niet religieus, maar een gevoel van toewijding aan een instituut dat men niet rationeel hoefde te verklaren; de monarchie als symbool van morele standvastigheid, wat een bijna religieuze verering opriep. Oranjeloyaliteit is een soort van burgerlijk bijgeloof: een seculiere vorm van devotie, waarin koninklijke symbolen en rituelen de plaats innemen van traditionele religieuze vormen. Het koningshuis als iets heiligs, iets bovenmenselijks dat het land bijeenhoudt; dat lijkt sterk op religieus symbolisme: de vorst als moreel kompas, als symbool van continuïteit en nationale identiteit.

Wat ik maar zeggen wil: geloof, haat en bijgeloof tierden welig in mijn straatje. Jammer dat Conny Braam niet in mijn huis is opgegroeid; anders had ik kunnen beweren dat haar opstandige geest nu al bezit van me heeft genomen. Ach nee, laat maar; ik besef meteen dat zo’n gedachte ook weer iets van een geloof verraadt.

De stuka-piloot die niet stuk wilde

Een overlevingskunstenaar aan de verkeerde kant van het verleden.

Fragment nummer 2 uit van de brievenroman: De Liefdesbrigade

Lieve Gertrud,

Na onze eerdere brieven, die me op een dieper niveau hebben geraakt dan ik had voorzien, merk ik dat mijn aandacht – misschien zelfs mijn waakzaamheid – is blijven hangen bij bepaalde historische figuren. In de context van onze gesprekken en jouw werk, kwam ik onlangs de naam tegen van iemand die ik nog niet kende: Hans-Ulrich Rudel.

Drie verschillende uitgaven van Mein Kriegstagebuch, het oorlogsdagboek van Hans-Ulrich Rudel, dat nog altijd populair is in ultra-rechtse kringen. Het geldt als lectuur onder deze hedendaagse populistische en neo-fascistische bewegingen om de verkeerde redenen. Onder hen wordt Rudel helaas als een cultheld beschouwd. Zij menen in zijn militarisme en onbuigzaamheid een ‘voorbeeld’ te zien. Het zou mooi zijn indien er een biografie verscheen die leesbaar was voor historisch geïnteresseerden die niet gecharmeerd zijn van autoritaire ideologieën maar zuiver het verhaal van het veelbewogen leven van Rudel als een historisch verslag willen overzien.

Gezien je historische kennis en je professionele inzet bij het blootleggen van hedendaagse extremistische netwerken, ga ik ervan uit dat deze naam je bekend is. Toch wil ik hem graag met je bespreken, misschien juist omdat ik benieuwd ben naar jouw blik, die steeds zo zorgvuldig en genuanceerd is.

Zoals je wellicht weet, was Rudel een van de meest onderscheiden soldaten van het Derde Rijk; door Hitler persoonlijk zelfs geëerd met het enige bestaande exemplaar van het Gouden Ridderkruis met Eikenloof, Zwaarden en Briljanten. Hij vloog duizenden missies, vernietigde honderden Sovjettanks, en werd ondanks zware verwondingen telkens weer ingezet. Zijn militaire dossier leest als een bizarre heldenepiek, waarin uithoudingsvermogen, fanatisme en loyaliteit op een griezelige manier samenkomen.

Wat me echter vooral trof – en waarover ik graag jouw visie zou horen – is Rudels rol ná de oorlog. Zijn onverbloemde nationaal-socialistische overtuigingen, zijn contacten met andere oud-nazi’s in Latijns-Amerika, en zijn publicaties waarin hij de nazi-ideologie geen strobreed in de weg legde, maken hem tot een van de beruchtste representanten van het naoorlogse revanchisme.

Zijn oorlogsdagboek, Mein Kriegstagebuch, is in sommige kringen haast een cultboek geworden. Het is opmerkelijk hoe open hij daarin spreekt, niet alleen over zijn militaire successen, maar ook over zijn ideologische overtuiging, die hij na de oorlog nauwelijks heeft afgezworen. Dat maakt het tot een beklemmend document: een combinatie van frontverslag, heldenverering en onverholen apologetiek.

Een stripalbum waarin Rudel wordt opgevoerd als een held van de tegenpartij.

Wat me bezig blijft houden – en ik zeg dit met de voorzichtigheid die onze briefwisseling inmiddels kenmerkt – is hoe deze figuren een zekere aantrekkingskracht blijven uitoefenen op mensen. Niet vanwege hun moorddadige ideeën, hoop ik, maar vanwege het aura van ‘kracht’, ‘trouw’ of ‘prestatie’ dat hen wordt toegeschreven. Hoe zie jij dat? Hoe duid je zo’n fascinatie in het licht van je werk?

Ik schrijf je dit niet vanuit sensatiezucht, maar uit een oprechte behoefte om te begrijpen hoe zulke verhalen blijven circuleren. En misschien ook om te toetsen waar bij jou de grenzen liggen tussen onderzoek, interesse, en morele afschuw; grenzen die jij eerder zo helder hebt kunnen markeren, en waarvan ik hoop dat je me opnieuw iets wilt uitleggen.

Met mijn warme groet, en in verbondenheid,
Onno van Dorreland

Lieve Onno,

Wat een merkwaardig toeval; of misschien moet ik zeggen: wat een onvermijdelijkheid in het grote archief dat onze herinneringen blijken te zijn. Want ja, ik ken hem, die Hans-Ulrich Rudel. En ik moet je bekennen dat ik mij, na jouw verwijzing, opnieuw in zijn levensloop heb verdiept. Dat wil zeggen: ik heb mij laten onderdompelen in wat gerust een mengeling van walging en bewondering genoemd mag worden.

Van eenvoudig Fahnenjunker (heerlijk, die barokke Duitse rangaanduidingen die ergens tussen opera en kazerne in hangen) tot succesvol Stukadoor. Je begrijpt mijn woordspeling, want hij was natuurlijk die gevreesde Stuka-piloot, specialist in het ‘pleisteren’ van Sovjettanks met bommen. En na een obligaat ‘Wir haben es nicht gewusst’ krijgsgevangene gespeeld te hebben — zijn militaire carrière eindigend met letterlijk geknakte vleugels want hij werd mank — bleef hij figuurlijk met zijn hoofd in de wolken, in de ideologische contreien van Argentinië.

Een man dus, die duidelijk zijn verdiende straf is ontlopen. Of beter gezegd: hem handig ontweken heeft, met een flair die ik met tegenzin als geniaal moet typeren. Ik denk dat zijn grote intelligentie hem meermaals uit penibele situaties heeft gered. Hij moet een listige piloot zijn geweest met een groot strategisch overzicht, een mensenkenner in zijn omgang met Hitler (die hij kennelijk met een zekere intimiteit ontmoette), een indrukwekkende, slinkse overste in zijn contact met de geallieerden, en een taaie overlever toen hij besloot te emigreren naar oorden waar de morele temperatuur milder was voor lieden van zijn soort.

Hij bleef zijn principes trouw, maar het waren niet de meest gezonde principes. Hij was, kortom, een rotzak die op onverklaarbare wijze respect afdwong. Al deze woorden zijn van mij. Wat mij nu intrigeert: is er ooit een fatsoenlijke biografie aan hem gewijd? Iemand die hem niet als held, maar als symptoom heeft durven beschrijven? Jij vraagt je dit ook af dus ik zal er verder onderzoek naar doen.

Ik steek niet graag de loftrompet af over iemand die tot het tegenkamp behoort, maar ik geloof dat ik moet constateren — met al mijn afkeer paraat — dat hij zonder meer de ‘beste’ soldaat was die de Tweede Wereldoorlog heeft voortgebracht. In de zin van: effectief, trouw, meedogenloos, onaantastbaar en ideologisch consistent tot in het graf. Het is een akelige gedachte. Maar de waarheid is zelden zacht.

Hartelijks,
Gertrud Wiesenthal

De neiging om Rudel als een held neer te zetten, ook aan geallieerde zijde, is groot; een neiging die zelden stil lijkt te staan bij zijn onverminderde trouw aan het nazisme.
Dat Rudel, een overtuigde nazi tot ver na de oorlog, nog steeds als luchtvaartheld wordt gevierd — ook door zijn voormalige tegenstanders — zegt meer over onze fascinatie voor moed dan over ons historisch besef.
De heldenstatus die Rudel ten deel valt, zelfs buiten nazi-gezinde kringen, roept vragen op over de scheiding die men meent te kunnen maken tussen technische bekwaamheid en moreel failliet.

De post herpakt: van puin tot wederopbouw

Een vers voor als Arnhem was bevrijd.

Onno van Dorreland sr., de grootvader van de gelijknamige schrijver (waarvan Cum Suis enkele titels mocht publiceren), was een jonge postbode in Arnhem toen de Tweede Wereldoorlog uitbrak. Die zwarte periode zou gedurende geruime tijd de officiële uitoefening van zijn beroep aan banden leggen. De man zat echter niet stil. Hoewel de omstandigheden zwaar waren, verkeerde hij in de kracht van zijn leven.

Blauwe pakken? Dat gaat eigenlijk niet op voor de PTT-medewerkers. De pakken waren in de winter zwart en van wol, in de zomer groen en van katoen, en hadden een dubbele knopenrij. De pet bezat een rode bies.

Wat men later over hem zou ontdekken — hoewel nooit met zekerheid — was dat hij in stilte bleef rondgaan, zelfs toen de officiële postbedeling vanaf half augustus 1944 vrijwel tot stilstand kwam. Niet in uniform, niet met zijn vertrouwde leren tas, maar met de vastberaden tred van iemand die zijn weg kende, en zijn eigen route liep. Hij bezorgde geen brieven meer van gemeentewege, maar zogenaamde ‘witte post’. Deze post werd ‘wit’ genoemd omdat het geen officiële zegels of stempels droeg. Het ging puur om menselijkheid en de behoefte aan contact en hulp in de meest wanhopige tijden. Van Dorreland was geen saboteur, geen spion, geen held. Wat hij precies deed, bleef onduidelijk, zoals dat hoort bij hen die niet worden herdacht.

Wat wel met zekerheid overbleef, waren zijn gedichten. Zijn kleinzoon trof die later aan, achter een loszittende plank op zolder. Eén daarvan droeg de datum 10 april 1945, dus dat gedicht scheen slechts enkele dagen voor de bevrijding van Arnhem te zijn voltooid. In half uitgeveegd potlood, op een afgescheurde reep behang, noteerde hij bovenstaand vers.

In vredestijd was Onno van Dorreland sr. een vertrouwd gezicht geweest in de wijk Klarendal en het verder zuidoostelijk gelegen Spijkerkwartier. Elke ochtend deed hij zijn ronde langs de molen, de statige- en de arbeiderswoningen, de winkels en de café’s. De kinderen groetten hem, oude dametjes gaven hem thee met een koekje, en soms las hij een brief voor aan iemand wiens ogen niet meer zo goed wilden.

PTT-medewerkers onderschepten systematisch verraadbrieven. Ze openden voorzichtig brieven die bestemd waren voor Duitse instanties. Als ze daarin informatie vonden die landgenoten in gevaar bracht (bijvoorbeeld door Joden of onderduikers te verraden), waarschuwden ze de potentiële slachtoffers persoonlijk of schriftelijk met een kort bericht als ‘Wees voorzichtig’. Deze acties hebben ongetwijfeld levens gered en tonen een staaltje van burgerlijk verzet binnen een cruciaal staatsbedrijf.

De oude drogisterij De Bode op nr. 24 werd helaas opgedoekt op last van de bezetter.

In de nacht van 10 april 1945, terwijl het kanongebulder steeds dichterbij kwam en de lucht trilde van naderend geweld, zag hij in de verte de contouren van Elst, gehuld in rook en vlammen. Arnhem was sinds de mislukte Slag om Arnhem in september 1944 – een gewaagde maar tragisch verlopen geallieerde operatie – in Duitse handen gebleven. Men had de vernielde stad grotendeels ontruimd en leefde al maanden in afwachting van een nieuwe bevrijdingspoging. Nu trokken Canadese troepen eindelijk op vanuit het zuiden, en Elst – zwaar getroffen en in brand – lag op hun route naar Arnhem. In die gespannen nacht, met de bevrijding in aantocht maar nog vol onzekerheid, schreef hij een gedicht dat opmerkelijk licht van toon was. Jaren later zou zijn kleinzoon het beschouwen als een van de mooiste die hij ooit van de hand van zijn opa had gelezen. De man overleefde de oorlog en ook de vrede, hoewel hij daarvan slechts zes jaar heeft kunnen genieten. Onno van Dorreland sr. leerde nog wel de liefde van zijn leven kennen, en kreeg ook een zoon en een dochter. Hij stierf helaas vroegtijdig en onverwacht.

De postbezorging ging in Arnhem – en in grote delen van Nederland – door tijdens de Tweede Wereldoorlog, zij het met aanzienlijke verstoringen en beperkingen.

Voor de Slag om Arnhem (tot september 1944):

  • Beperkt maar functionerend: Over het algemeen bleef de PTT functioneren onder Duitse bezetting. Dit betekende dat brieven en pakketten nog steeds werden bezorgd, hoewel er natuurlijk censuur was en de bezetter de infrastructuur kon gebruiken voor hun eigen doeleinden.
  • Joodse postbodes: Zoals eerder vermeld, was er bijvoorbeeld een Joodse postbode, Elias Schaap, actief in Arnhem. Hij is een voorbeeld van de vele PTT-medewerkers die probeerden hun werk te blijven doen onder moeilijke omstandigheden.
  • Verzetswerk: Zoals het feitje over verraadbrieven al aangaf, gebruikten sommige PTT-medewerkers hun positie om verzetswerk te doen. Dit toont aan dat er ondanks de bezetting nog steeds een basisstructuur was.

Tijdens en na de Slag om Arnhem (september 1944 en daarna):

  • Catastrofale onderbreking: De Slag om Arnhem (Operatie Market Garden) in september 1944 had een verwoestende impact op de stad en daarmee ook op de postbezorging. Arnhem werd zwaar beschadigd, en een groot deel van de bevolking werd geëvacueerd.
  • Stakingen en logistieke problemen: Na Operatie Market Garden gingen Nederlandse spoorwegpersoneel in staking voor de rest van de oorlog. Dit had ernstige gevolgen voor de postdienst, omdat treinen en postwagens niet meer beschikbaar waren voor regulier transport.
  • Beperkte en vertraagde post: De postdienst raakte hierdoor ernstig verstoord. Post kon extreem lang onderweg zijn, en veel zendingen kwamen nooit aan. Er zijn voorbeelden van brieven die pas maanden of zelfs na de oorlog werden bezorgd, soms zelfs nadat de ontvanger al was omgekomen.
  • Rode Kruis en andere organisaties: In de periode na de Slag om Arnhem en tijdens de Hongerwinter speelden het Rode Kruis en andere hulporganisaties een cruciale rol bij het verzenden van berichten en pakketten naar en van getroffen gebieden, vaak via speciale routes en met goedkeuring van de bezetter.

De postbezorging ging in zekere zin door, maar in Arnhem werd dit na september 1944 zo goed als onmogelijk en onregelmatig door de enorme vernietiging en evacuatie.

In de bezettingsjaren werd de Menno van Coehoornkazerne kazerne door de Duitsers gebruikt. Op de eerste dag van (17 september 1944) van de geallieerde operatie Market Garden, bombardeerde een groep Britse jachtbommenwerpers de drie Arnhemse kazernes; de Engelsen wilden zo veel mogelijk Duitsers uitschakelen als voorbereiding op de operatie. De Willemskazerne brandde geheel uit. De Saksen-Weimarkazerne en de Menno van Coehoornkazerne ontsnapten aan dit lot. Wel troffen enkele bommen bedoeld voor de Van Coehoornkazerne nabijgelegen woonhuizen. In de Sintjanskerkstraat kwamen Engelse bommen neer die eigenlijk bedoeld waren voor de toenmalige kazerne aan Klarendalseweg een paar honderd meter verderop. De misrekening van de Engelse vliegers veroorzaakte een flinke schade. Ook vielen er diverse dodelijke slachtoffers.

Klusjes die uitgroeien tot existentiële vraagstukken

En dat alles in een onvindbaar boek van een onbekende schrijfster.

We zitten aan de altijd gezellige koffietafel in de bijkeuken van de wethouder en zoeken naar de naam van een Vlaamse schrijfster. Zijn vaste klusser kwam er mee. Nu breken we er gedrieënlijk ons brein op. Een boek waarvan hij wel de titel kent, die is gemakkelijk zat. Het heet De Klusser en het vertoont veel verwantschap met zijn eigen leven. Kom, hoe heet die vrouw nou toch?

De schrijfster laat je gniffelen om de herkenbaarheid van menselijke tekortkomingen en de kleine, ongemakkelijke waarheden van het bestaan. Ze schuwt de melancholie niet, maar balanceert die perfect met een humor die je tot nadenken stemt, waardoor je met een glimlach én een vleugje weemoed het boek dichtslaat. De vraag is wel: hoe heet de schrijfster? En luidt de titel van haar boek wel echt ‘De Klusser’?

Mensen van een jongere leeftijd dan wij, zouden al op Google zitten, of liever: een Chatbot raadplegen. Dat is niet wat wij als eerste geneigd zijn te doen. Die volharding van ons bevat een paradox: degene die het meeste baat hebben bij een digitaal hulpmiddel, spitten hun geheugen uit, terwijl jongeren, die nog fris van geest zijn, hun hersenen liever niet uitdagen als een AI-systeem het beter en sneller kan.

Griet Op de Beeck en Kristien Hemmerechts zijn de enige namen die ik op kan hoesten, maar nee, die zijn het allebei niet, verzekert de klusjesman. Verder komt er bij mij niets bovendrijven. Sterker nog: ik weet heel zeker dat er niets meer in zit. Het is niet zo verbluffend van het geheugen, vind ik, dat je, als je weet dat je iets weet, soms lang naar iets moet zoeken, tot het je te binnen schiet. Het raadselachtig mooie van je memorie is meer dat je in een splitseconde weet dat je iets niet weet.

Dit geldt, wat betreft de auteur, in ieder geval voor ons, de toehoorders. De klusser zit in dat andere proces; hij kan zichzelf wel voor z’n kop slaan. “Laat zitten”, troost de wethouder hem, “vertel ons eerst dat verhaal.” Nou goed, Het gaat over een vrouw die in een grote stad woont en een druk, enigszins chaotisch leven leidt. Ze besluit een klusjesman in te huren om wat zaken in haar huis op te knappen. Deze hulp blijkt echter meer te zijn dan alleen een handige Harry. Hun ontmoeting creëert een onverwachte band.

Dus onze klusjesman belandde ook in zo’n verhaal? Inderdaad ja. Wat begon als een zakenlijke relatie, kreeg al snel een meer persoonlijke en soms ongemakkelijke lading. De grens tussen privé en professioneel werd geschonden, nog voor het werk was gedaan. Sterker nog, de badkamer werd veel later betegeld dan gepland. Het kraantje bleef nog heel lang lekken. De passie vrat veel tijd op. Tot dusver nogal clichématig, denk ik stiekem. Eerlijk gezegd doet de titel me denken aan een bepaald soort film; een genre dat veel beter De Klusser kon heten.

Maar een ander thema uit het boek blijkt ook op te gaan voor de echte klusjesman, en dat maakt het al een stuk interessanter: de zoektocht naar betekenis. Net als de personages in het boek worstelde hij en zijn klant, na haar te hebben geschaakt voor het leven, met hun plek in de wereld en hun eigen verlangens en verwachtingen. “Is het een somber boek”, wil de wethouder weten? Oh nee, de kenmerkende humor en observaties van alledaagse situaties van de schrijfster, schijnen ruimschoots aan bod te komen.

Of, om zijn uitleg parafraserend over te nemen: de absurditeit van het moderne leven wordt met een droogkomische blik en scherpe dialogen blootgelegd. We moeten geen luidruchtige grappen verwachten; eerder een subtiele hilariteit die voortkomt uit onhandige sociale interacties, onvermijdelijke misverstanden en de soms ronduit bizarre logica waarmee de twee hun dagelijkse beslommeringen aanpakken.

Over die dagelijkse beslommeringen gesproken, waarvoor was de klusjesman eigenlijk naar hier gekomen? De wethouder legt uit dat er in de tuin een Acacia staat die om moet. De boom bezwijkt onder een klimop die zich er overwoekerend omheen heeft genesteld. “Is er echt geen redden meer aan?” vraag ik, mij richtend tot de klusser, om er ietwat betweterig aan toe te voegen: “kun je niet alleen de stam van de klimop doorzagen en wachten tot die is afgestorven?”

Onzin natuurlijk. “We hebben het te lang op z’n beloop gelaten” is zijn resolute antwoord. Terwijl ik berust in dit oordeel en ervan uitga dat hierover alles wel gezegd is, voegt de klusjeman er plotseling aan toe: “Sommige verbintenissen nemen alle ruimte in. Relaties kunnen opeens heel verstikkend zijn, een wurggreep die doet denken aan een liefde die te allesomvattend was.” Hij heeft wel drie verschillende zagen meegenomen. Het is duidelijk: beide planten moeten er voorgoed aan geloven.