Klusjes die uitgroeien tot existentiële vraagstukken

En dat alles in een onvindbaar boek van een onbekende schrijfster.

We zitten aan de altijd gezellige koffietafel in de bijkeuken van de wethouder en zoeken naar de naam van een Vlaamse schrijfster. Zijn vaste klusser kwam er mee. Nu breken we er gedrieënlijk ons brein op. Een boek waarvan hij wel de titel kent, die is gemakkelijk zat. Het heet De Klusser en het vertoont veel verwantschap met zijn eigen leven. Kom, hoe heet die vrouw nou toch?

De schrijfster laat je gniffelen om de herkenbaarheid van menselijke tekortkomingen en de kleine, ongemakkelijke waarheden van het bestaan. Ze schuwt de melancholie niet, maar balanceert die perfect met een humor die je tot nadenken stemt, waardoor je met een glimlach én een vleugje weemoed het boek dichtslaat. De vraag is wel: hoe heet de schrijfster? En luidt de titel van haar boek wel echt ‘De Klusser’?

Mensen van een jongere leeftijd dan wij, zouden al op Google zitten, of liever: een Chatbot raadplegen. Dat is niet wat wij als eerste geneigd zijn te doen. Die volharding van ons bevat een paradox: degene die het meeste baat hebben bij een digitaal hulpmiddel, spitten hun geheugen uit, terwijl jongeren, die nog fris van geest zijn, hun hersenen liever niet uitdagen als een AI-systeem het beter en sneller kan.

Griet Op de Beeck en Kristien Hemmerechts zijn de enige namen die ik op kan hoesten, maar nee, die zijn het allebei niet, verzekert de klusjesman. Verder komt er bij mij niets bovendrijven. Sterker nog: ik weet heel zeker dat er niets meer in zit. Het is niet zo verbluffend van het geheugen, vind ik, dat je, als je weet dat je iets weet, soms lang naar iets moet zoeken, tot het je te binnen schiet. Het raadselachtig mooie van je memorie is meer dat je in een splitseconde weet dat je iets niet weet.

Dit geldt, wat betreft de auteur, in ieder geval voor ons, de toehoorders. De klusser zit in dat andere proces; hij kan zichzelf wel voor z’n kop slaan. “Laat zitten”, troost de wethouder hem, “vertel ons eerst dat verhaal.” Nou goed, Het gaat over een vrouw die in een grote stad woont en een druk, enigszins chaotisch leven leidt. Ze besluit een klusjesman in te huren om wat zaken in haar huis op te knappen. Deze hulp blijkt echter meer te zijn dan alleen een handige Harry. Hun ontmoeting creëert een onverwachte band.

Dus onze klusjesman belandde ook in zo’n verhaal? Inderdaad ja. Wat begon als een zakenlijke relatie, kreeg al snel een meer persoonlijke en soms ongemakkelijke lading. De grens tussen privé en professioneel werd geschonden, nog voor het werk was gedaan. Sterker nog, de badkamer werd veel later betegeld dan gepland. Het kraantje bleef nog heel lang lekken. De passie vrat veel tijd op. Tot dusver nogal clichématig, denk ik stiekem. Eerlijk gezegd doet de titel me denken aan een bepaald soort film; een genre dat veel beter De Klusser kon heten.

Maar een ander thema uit het boek blijkt ook op te gaan voor de echte klusjesman, en dat maakt het al een stuk interessanter: de zoektocht naar betekenis. Net als de personages in het boek worstelde hij en zijn klant, na haar te hebben geschaakt voor het leven, met hun plek in de wereld en hun eigen verlangens en verwachtingen. “Is het een somber boek”, wil de wethouder weten? Oh nee, de kenmerkende humor en observaties van alledaagse situaties van de schrijfster, schijnen ruimschoots aan bod te komen.

Of, om zijn uitleg parafraserend over te nemen: de absurditeit van het moderne leven wordt met een droogkomische blik en scherpe dialogen blootgelegd. We moeten geen luidruchtige grappen verwachten; eerder een subtiele hilariteit die voortkomt uit onhandige sociale interacties, onvermijdelijke misverstanden en de soms ronduit bizarre logica waarmee de twee hun dagelijkse beslommeringen aanpakken.

Over die dagelijkse beslommeringen gesproken, waarvoor was de klusjesman eigenlijk naar hier gekomen? De wethouder legt uit dat er in de tuin een Acacia staat die om moet. De boom bezwijkt onder een klimop die zich er overwoekerend omheen heeft genesteld. “Is er echt geen redden meer aan?” vraag ik, mij richtend tot de klusser, om er ietwat betweterig aan toe te voegen: “kun je niet alleen de stam van de klimop doorzagen en wachten tot die is afgestorven?”

Onzin natuurlijk. “We hebben het te lang op z’n beloop gelaten” is zijn resolute antwoord. Terwijl ik berust in dit oordeel en ervan uitga dat hierover alles wel gezegd is, voegt de klusjeman er plotseling aan toe: “Sommige verbintenissen nemen alle ruimte in. Relaties kunnen opeens heel verstikkend zijn, een wurggreep die doet denken aan een liefde die te allesomvattend was.” Hij heeft wel drie verschillende zagen meegenomen. Het is duidelijk: beide planten moeten er voorgoed aan geloven.

Humans in space is very old school

There will be an efficiency of machines over humans in the vast, unforgiving expanse of space.

The ‘Fading Horizons’ trilogy by Noald “Varn” O’Donner is summed up by the captain’s statement in part 3: “Space doesn’t take prisoners, it takes everything.” Throughout the mission, he and his crew not only leave planets behind, but after each discovery, also parts of themselves. Varn O’Donner summarizes it like this: “We search for life among the stars, but it’s the losses that follow us home.” Varn is a nickname the author earned during his time at ISRO (Indian Space Research Organisation) in Bangalore.

O’Donner was born in 1959 in Wicklow, Ireland as the son of a local physician and a secondary school literature teacher.

RvN: Varn, welcome, and thank you for agreeing to this short interview. Let me start by asking: What brought you to Bangalore and ISRO? It seems quite a leap from your earlier work.

Varn O’Donner: Thank you, Ronald, it’s a pleasure to be here. Yes, it does seem like quite a leap. Before ISRO, I worked in a sanatorium in the US as a Social Worker and Occupational Therapist. My background is in medicine and psychology, and I specialized in stress management, particularly for high-intensity environments. When the opportunity came up at ISRO, they needed someone in a role like that; a specialist to help manage the psychological and physical stress the workers faced in such a demanding institution. Space research is thrilling but can be immensely taxing on the mind and body.

RvN: That’s fascinating. So it was your expertise in handling stress that brought you there. But during your time in India, something else sparked—your love for science fiction. Can you tell us how that came about?

VO: Yes, it was an unexpected discovery. Sci-Fi had always intrigued me, but it was in India, surrounded by cutting-edge space research and the unique cultural atmosphere, that I found the real inspiration. There’s something deeply resonant about the intersection of ancient philosophy and modern science that you encounter there. The vastness of space felt almost spiritual, and I started seeing Sci-Fi not just as a genre but as a way of exploring the human condition. It was also during this time that I earned the nickname ‘Varn,’ which has roots in Sanskrit and represents the diversity of human characteristics. It felt like the perfect fit, especially with how the experiences at ISRO shaped my writing.

RvN: That’s an insightful connection you make between science fiction and the human condition. Now, as someone who has written extensively about space exploration, I’m curious—do you think manned space travel will continue to be the future of exploration?

Is it O’Donner’s reflective nature? His thoughts seem to drift between his current life and the fictional worlds he has created. There is a pause, as O’Donner glances out of the window.

VO: Well, here’s the thing—I actually don’t believe in manned space travel, at least not in the way we imagine it today. The reality of the future, in my view, is that exploration will be done entirely by the machines we create. Flesh-and-blood humans? Too fragile, too resource-intensive for the distances and timescales involved. We’ve barely scratched the surface of what robotics and AI can do, and I think they’ll be the true explorers of space. We might watch their journey, we might even feel connected to it, but physically? I don’t think we’ll be out there.

RvN: That’s quite a bold statement, especially for someone who has built a career on writing about human experiences in space. Does that affect how you approach your writing now?

VO: It does, actually. And that ties into something else I’ve been thinking about for a while now. To be honest, I don’t have much faith in the future of science fiction literature either. The visual culture we’re in today is simply too overwhelming. Films, series, documentaries—they dominate how we consume stories about the future. In many ways, literature has become more of a stepping stone—a precursor to a screenplay, or a concept that might eventually turn into a film or visual project. And the pace of technological change? It’s relentless. You write about one thing, and by the time it’s published, it’s already outdated.

The latest volume completes the trilogy |© Cum Suis

RvN: That’s a sobering view. Do you think Sci-Fi writers, like yourself, should adjust to that new reality?

VO: I think we already are. It’s not so much about resisting the change as it is about embracing it. Many of us are moving towards more visual mediums, collaborating with filmmakers, or even writing with the screen in mind. The traditional sci-fi novel might still have a place, but it’s increasingly becoming part of a broader ecosystem. To stay relevant, we have to adapt—just like the worlds we create.

The mood in the room subtly shifts as O’Donner’s words challenge traditional notions of space travel and literature. His voice carries a certain detachment, a realism that borders on cynicism, but his passion for the subject remains evident.

RvN: Varn, before we wrap up, I have to ask—what led you to publish with me at Cum Suis? You’ve had opportunities with bigger publishers, yet here you are with a smaller, independent press. What drew you to me?

VO: That’s an interesting question. Honestly, I’ve always felt that creativity thrives better outside the pressure of large, commercial systems. There’s a certain freedom you get with an indie publisher like Cum Suis, a space where you can take risks and push boundaries without worrying about fitting into a specific market trend. For me, it’s not just about getting the work out there; it’s about having a true dialogue with someone who believes in the work, from the editor to the readers. I found that with you. The personal connection, the shared vision—that’s rare in publishing today. I appreciate that you allow the work to breathe, to be what it needs to be, rather than squeezing it into a formula.

RvN: I’m incredibly honored to have you in my portfolio, Varn. Your work challenges the boundaries of science fiction and literature itself, and it’s a privilege to be part of that journey. I ‘m excited to see where your stories take us next.

VO: Thank you, Ronald. The feeling is mutual. It’s been a rewarding partnership, and I look forward to continuing to explore new horizons together.

As the interview draws to a close, there’s a sense of quiet camaraderie between us. The room feels lighter, filled with the warmth of mutual respect.

Noald “Varn” O’Donner’s perspective on space exploration reflects a growing trend in modern science fiction that emphasizes the practicality and efficiency of machines over humans in the vast, unforgiving expanse of space. His belief that robots, rather than humans, will be the key to interstellar discovery is grounded in several practical arguments.

Firstly, the limitations of the human body in space are well-documented. Human biology struggles to adapt to the extreme conditions of space travel, including exposure to radiation, bone density loss in low gravity, and the psychological toll of isolation. Robots, on the other hand, are not subject to these vulnerabilities. They can operate in harsh environments, withstand radiation, and perform tasks without the need for food, air, or rest.

Secondly, robots are more cost-effective. Sending humans into space requires vast amounts of resources—life support systems, safety measures, and fuel. Robots can be built to be more efficient, potentially enabling long-term missions without the need to return to Earth. They can also perform tasks autonomously or semi-autonomously, reducing the need for human intervention and making deep space missions more feasible.

From a storytelling perspective, Varn O’Donner might argue that robots represent a future where exploration is driven purely by logic, efficiency, and scientific discovery, unburdened by the emotional and ethical dilemmas humans face. His stance likely critiques the romanticized vision of human explorers bravely venturing into space, proposing instead a future where AI and robotics take the lead, allowing humanity to discover new frontiers from a distance, without risking lives.

In his view, humans in space might appear outdated because, as technology evolves, we could delegate our curiosity to machines that are far better suited for the task—allowing humans to stay on Earth or inhabit controlled environments, while robotic explorers pave the way.

De Liefdesbrigade

Fragment uit een brievenroman.

Lieve Gertrud,

Ik schrijf je deze brief omdat er iets tussen ons is voorgevallen dat ik niet kan negeren, en waarvan ik denk dat het nodig is om het uit te spreken, hoe moeilijk ook.

Moodboard c.q. schetsplan voor De Liefdesbrigade.

Je stuurde me onlangs die bandopname van de redevoering van Goebbels1. Ik heb ernaar geluisterd, en ik moet zeggen: het deed me huiveren. Niet alleen vanwege de stem van de geschiedenis die daar spreekt – een stem die aanzet tot haat, tot de dood van miljoenen – maar ook omdat ik het gevoel kreeg dat jij erdoor geraakt werd op een manier die ik moeilijk kan plaatsen.

Ik wil je niet beschuldigen. Maar ik voel me verplicht om open te zijn over wat dit bij mij oproept. De woorden die Goebbels gebruikt – over de ‘Mongolensturm’, over de verdediging van Europa tegen de Bolsjewisten – zijn doordrenkt met racisme, propaganda en misleiding. Ze zijn gericht op het ophitsen van een volk dat al jarenlang onderdrukt werd door terreur.

Wat mij trof, is dat deze toespraak, waarin een oorlogsmisdadiger zijn volk oproept tot de laatste wanhopige strijd, bij jou blijkbaar een emotionele snaar raakt. Dat maakt me bezorgd. En eerlijk gezegd: verdrietig. Niet om je te veroordelen, maar omdat ik me afvraag of je je werkelijk bewust bent van de historische lading en morele implicaties.

Mag ik je daarom iets vragen, met alle voorzichtigheid en respect die ik kan opbrengen? Hoe ben jij grootgebracht? Welke beelden van de geschiedenis zijn jou meegegeven? En voel je je werkelijk thuis bij zulke retoriek, of is er iets anders aan de hand? Ik vraag dit niet om je aan te vallen, maar omdat ik in verwarring ben geraakt over wie je werkelijk bent, en wat je beweegt.

Ik weet dat de wereld complex is. Dat het huidige geopolitieke klimaat gevoelens oproept over Oost en West, over dreiging en verdediging. Maar er zijn grenzen. Grenzen die we niet zomaar mogen verleggen omdat onze eigen tijd ook moeilijk is.

Ik hoop dat je begrijpt dat ik dit niet licht schrijf. Maar ook dat ik, ondanks alles, nog steeds geloof dat eerlijkheid – hoe pijnlijk ook – beter is dan wegkijken of zwijgen.

Met een dierbare groet,
Onno
van Dorreland

1 Over de historische context van de toespraak van Joseph Goebbels en de bevrijding van Berlijn

De redevoering die Joseph Goebbels hield in de nadagen van de Tweede Wereldoorlog, waarin hij de bevolking van Berlijn opriep zich te verzetten tegen de oprukkende Sovjetlegers, vond plaats in een periode waarin Nazi-Duitsland feitelijk reeds verslagen was. Goebbels, als minister van Propaganda, trachtte in deze speech de Duitse bevolking tot een laatste wanhopige verdediging aan te zetten. Hij deed dat met een combinatie van nationalistische retoriek, racistische beeldvorming (zoals het gebruik van de term “Mongolensturm”), en het mobiliseren van angst voor het “Bolsjewistische gevaar”.

Het is essentieel om te begrijpen dat deze toespraak niet los te zien is van het bredere historische en morele kader: Nazi-Duitsland was op dat moment een misdadig regime, verantwoordelijk voor de Holocaust en een verwoestende wereldoorlog. De Sovjet-Unie, hoe complex en later zelf ook gewelddadig in haar optreden, was in deze context een geallieerde macht die mede verantwoordelijk was voor het beëindigen van deze terreur.

De Slag om Berlijn, die eindigde in mei 1945 met de inname van de stad door het Rode Leger, markeerde het definitieve einde van het Derde Rijk. Voor de meeste Europeanen, inclusief Nederlanders, betekende dit het begin van de bevrijding. Hoewel het optreden van het Rode Leger op bepaalde plaatsen met geweld en wraak gepaard ging, is het historisch onhoudbaar om in deze specifieke context de Sovjets als de morele agressor te zien. Zij maakten deel uit van de coalitie die Europa verloste van het Nazisme.

Dat sommigen vandaag de dag – in het licht van de huidige geopolitieke spanningen – teruggrijpen op anti-Russische sentimenten, is begrijpelijk binnen de actualiteit. Maar het is historisch én ethisch onjuist om die gevoelens te projecteren op de situatie van 1945, waarin de Russen onmiskenbaar de bevrijders waren. De keuze om in deze context niet aan de kant van de bevrijders te staan, maar ontroerd te raken door een toespraak van een oorlogsmisdadiger, roept dan ook ernstige vragen op over het morele besef van het heden.

Lieve Onno,

Wat ben ik dankbaar dat je de moed hebt gehad om je gevoelens en vermoedens met me te delen. Het raakt me diep dat je dacht dat ik sympathie zou voelen voor wat Goebbels vertegenwoordigde maar ik begrijp het volkomen. Zeker als je alleen afging op de opname en niet wist van de achtergrond die ik zelden tot nooit met iemand deel.

Laat me je uitleggen waarom ik je juist die toespraak stuurde, en waarom ik daardoor emotioneel werd op een manier die anders is dan je vermoed hebt.

Ik werk, zoals ik je nu pas vertel, al geruime tijd samen met een organisatie die als doel heeft beginnende neo-nazistische bewegingen op te sporen, te infiltreren en hun netwerken bloot te leggen. We doen dit werk uiterst discreet, omdat openlijke afstand nemen ons onmogelijk zou maken binnen te komen waar we nodig zijn. Daarom moet ik soms, ook persoonlijk, poses aannemen die haaks staan op wie ik werkelijk ben.

Mijn Joodse afkomst – iets wat ik niet van de daken schreeuw, omdat het juist in dit werk tegen mij gebruikt zou kunnen worden – is voor mij een voortdurende bron van motivatie om alert te zijn op herlevende vormen van fascisme, racisme en antisemitisme. Wat ik jou stuurde, was geen uiting van bewondering. Integendeel. Ik ken deze toespraak tot in detail omdat ik analyseer hóe gevaarlijk en geraffineerd de retoriek was en hoezeer deze nog steeds, onder nieuwe vlaggen, mensen weet te raken.

Misschien had ik je beter moeten voorbereiden. Misschien was het naïef van mij om te denken dat jij mijn bedoelingen zou aanvoelen zonder uitleg. Dat je, uit oprechte morele verontwaardiging, mijn bedoelingen in twijfel trok, neem ik je daarom niet kwalijk. Het getuigt juist van je gezonde instincten en van je moreel kompas.

Je hebt volkomen gelijk dat de Russen in 1945 onze bevrijders waren. Tegelijkertijd hebben wij — ook historisch — te maken met het wrange besef dat vele Oost-Europeanen na de oorlog een nieuw soort onderdrukking kenden. Poolse families, Hongaren, Oost-Duitsers: ze werden niet ‘vrij’ in de zin waarin wij het beleefden. Dat is een historische tragiek, maar het verandert niets aan de rol die het Rode Leger speelde bij het verslaan van het nazisme.

Ik hoop dat deze uitleg iets van je verwarring wegneemt. En als je nog vragen hebt, of meer wilt weten over wat ik precies doe, ben je altijd welkom om het me te vragen. Voor mij is vertrouwen het hoogste goed en ik wil graag dat je weet dat je, ondanks deze pijnlijke vergissing, veilig bent bij mij.

Met hartelijke groet en respect,
Gertrud
Wiesenthal

Beste Onno,

Naar aanleiding van mijn eerdere brief voel ik, na enig beraad, de behoefte om nog een aanvullende, meer zakelijke toelichting te geven. Dit om elke mogelijke verwarring volledig op te helderen.

In mijn werk voor een organisatie die zich toelegt op de monitoring en bestrijding van opkomende neo-nazistische netwerken, is het essentieel om inzicht te hebben in historische propagandatechnieken en de manier waarop ze vandaag de dag opnieuw gebruikt kunnen worden. Onderdeel van deze taak is het analyseren van originele bronnen, waaronder toespraken van prominente figuren als Joseph Goebbels. Deze studie dient niet ter verheerlijking, maar ter preventie.

Mijn persoonlijke achtergrond (waaronder mijn Joodse afkomst) is voor deze werkzaamheden bekend bij de betreffende instanties maar wordt uit veiligheidsoverwegingen in mijn publieke leven niet benadrukt. De opname die ik je stuurde, maakte deel uit van een bredere analyse die ik op dat moment aan het afronden was. Mijn emotionele reactie was gericht op de gevaarlijke kracht van retoriek, niet op de inhoudelijke boodschap zelf.

Tenslotte: dat het Rode Leger in 1945 een bevrijdende rol speelde in Europa, staat voor mij buiten kijf. Dat de nasleep in Oost-Europa een andere vorm van onderdrukking met zich meebracht, is een historisch feit dat echter los staat van de context waarin Nazi-Duitsland destijds werd verslagen.

Ik vertrouw erop dat dit je een volledig beeld geeft van mijn positie en beweegredenen. Mocht je verdere vragen hebben, dan sta ik daar uiteraard voor open.

Met vriendelijke groet,
Gertrud
Wiesenthal

Beste Gertrud,

Hartelijk dank voor je tweede brief en de open en zorgvuldige toelichting die je daarin hebt gegeven. Ik heb grote waardering voor de helderheid en de kalmte waarmee je deze complexe situatie uiteenzet.

In alle eerlijkheid: ik besef nu des te meer hoe snel schijn kan bedriegen en hoe belangrijk het is om niet te snel te oordelen. Wat je met mij hebt gedeeld, vraagt om discretie en respect en ik wil je nadrukkelijk verzekeren dat je op mijn volledige vertrouwelijkheid kunt rekenen.

Omdat vandaag de dag is waarop wij gezamenlijk stilstaan bij de slachtoffers van oorlog en onderdrukking, wil ik je bij deze ook een gepaste en respectvolle dodenherdenking toewensen. Juist na ons gesprek van de afgelopen dagen voel ik des te meer hoe waardevol het is om te blijven herinneren en om te waken.

Nogmaals dank voor je openheid en je vertrouwen. Ik hoop dat we in deze geest verder kunnen gaan.

Met een allerhartelijkste groet,
Onno
van Dorreland

Houd van je buren maar haal de heg niet weg

Recensie van een roman in voortdurende transitie.

In de roman Houd van je buren maar haal de heg niet weg worden kleine menselijke drama’s gevangen. Vanuit het perspectief van een geamuseerd maar door schade en schande wijs geworden Einzelgänger – die luistert naar de naam Victor Weemans – ontvouwt zich een verhaal over nabijheid, verleiding, trouw en de dunne grens tussen bewondering en sarcasme.

Victor, een mislukt idealist op het gebied van de liefde, kijkt met een mengeling van ironie en oprechte verbazing naar zijn buren aan de andere kant van de heg: de ogenschijnlijk harmonieuze Nadine en haar echtgenoot Diederik, een man met een licht onbeholpen intellectuele uitstraling. Terwijl Victor door zijn eigen ervaringen – stukgelopen relaties, overspel en een diepgeworteld cynisme – geen illusies meer koestert over de houdbaarheid van romantische verbondenheid, bewondert hij tegelijkertijd de serene vanzelfsprekendheid waarmee zijn buren hun huwelijk lijken te bewaren.

Nadine stuurt hem regelmatig appjes met adviezen, als een vriendelijke, maar licht anachronistische gids, in een wereld die Victor allang achter zich heeft gelaten. Zij spreekt over trouw, over het belang van een frisse blik en het voorkomen van relationele luiheid. Victor, de geboren twijfelaar, vraagt zich af hoeveel daarvan werkelijk op zuiverheid berust en hoeveel op bewuste blindheid voor elkaars misstappen. Hij twijfelt niet zozeer aan hun liefde, maar wel aan de mythes die mensen nodig hebben om zichzelf daarin staande te houden.

De hoofdfiguur wordt mild maar genadeloos geschetst: Victor is niet enkel een rancuneuze buitenstaander, maar ook iemand die zijn eigen aandeel in eerdere mislukkingen onder ogen ziet. Zonder zichzelf te sparen – hij bekent bijvoorbeeld zonder omhaal een affaire te hebben gehad met de vrouw van een vriend – probeert hij zijn rol te vinden als ‘hofnar’ in het leven van Nadine en Diederik: degene die alles mag zeggen zolang hij niet te ver gaat. Maar hij weet: narren zijn nooit echt veilig.

Het boek ontleent zijn kracht aan de licht ironische, maar nooit bittermakende toon waarin de personages tot leven komen. De onderhuidse melancholie geeft de luchtige passages extra reliëf. Het verhaal is beeldend en levendig opgebouwd, met een scherp oor voor het ritme van de gedachtegang van een man die zichzelf bij vlagen serieus neemt, maar tegelijk beseft dat zijn waarheden net zo feilbaar zijn als die van zijn buren. De roman weet de banaliteit én de schoonheid van menselijke relaties treffend uit te lichten. Grote drama’s of onwaarschijnlijke wendingen blijven uit; het drama schuilt in het kleine, het alledaagse. In het onuitgesproken weten dat achter elke heg, hoe zorgvuldig ook gesnoeid, verhalen schuilgaan die nooit volledig verteld zullen worden.

Toch is Houd van je buren maar haal de heg niet weg niet helemaal verstoken van dramatiek. Onder de ogenschijnlijke kneuterigheid sluimert spanning, die op een bepaald moment een onschuldige grens overschrijdt. Een kleine, bijna achteloze daad — een misplaatste grap, een onverwachte bekentenis — brengt de vriendschap tussen de buren aan het wankelen. Wat volgt is geen schreeuwende breuk, maar een pijnlijke verschuiving, een stille verwijdering, die des te schrijnender is omdat niemand haar hardop durft te benoemen.

Het boek laat zien dat niet alleen grootse daden, maar vooral kleine misstappen ons leven tekenen. De fragiele balans waarop menselijke verbondenheid rust wordt scherp verbeeld, alsook hoe eenvoudig het is om, zelfs zonder kwade wil, die balans voorgoed te verstoren. Juist door grote drama’s te mijden, voelt de ingehouden ontwrichting des te wranger en echter.

Houd van je buren maar haal de heg niet weg is een ode aan de menselijke halfslachtigheid, verpakt in een luchtig maar trefzeker verhaal, een stille triomf voor wie houdt van romans die evenveel begrip tonen voor de drang naar trouw als voor de onontkoombare neiging tot falen.

Het gedicht ‘verdronken land’.

Uit: Het Eenmansimperium

‘Dichten of dijkverzwaren, dat is de kwestie’. Zo heette het gedicht dat ik in 2016 instuurde voor Turings Nationale Gedichtenwedstrijd. De onafhankelijke jury vond het goed maar ik won er geen prijs mee. Geen probleem. Op de lof die mij werd toegezwaaid kon ik maandenlang teren. De jury schreef:

Vooral op het gebied van muzikaliteit en ritme een ijzersterk gedicht. Die hele eerste strofe met enkel eenlettergrepige woorden werkt echt fantastisch. Tijdens het lezen kun je het gedicht ook meteen horen. Woordspel kan al snel te veel aandacht vragen binnen een gedicht en daardoor geforceerd aandoen, maar het waterwoordspel in dit gedicht met spoelen, drijven, wassen, lekken etcetera, blijft mooi in balans. Het is aanwezig, maar het wordt nooit teveel.
Naast een fantastisch ritme, bevat het gedicht ook nog eens een aantal geweldige regels zoals ‘Je kunt de vindingrijkheid van water nauwelijks overdrijven’ en de slotzin ‘Hij moet nog zoveel kwijt van zijn gemoedstoestand’.

Commentaar van de jury van De Nationale Gedichtenwedstrijd 2016.
Felipe IV a Caballo (1635-36), Diego Velázquez. (Museo del Prado / WWF). Het Prado Museum en het WWF plaatsten een nieuwe voorstelling van een klassiek schilderij naast het oude om ons op een originele manier op de ernst van klimaatopwarming (en dus van zeespiegelstijging) te wijzen. Over elkaar heen geprojecteerd is het effect zo mogelijk nog dramatischer, vind ik. (Met permissie) Ik zou kunst die esthetisch blijft maar ook begaan is met maatschappelijke vraagstukken, als de hoogste vorm van artistieke expressie willen bestempelen.

Later kreeg ik twijfels over het gedicht. Had het misschien aan de titel gelegen dat mijn inzending, ondanks die geweldige beoordeling, zelfs niet in de wedstrijdbundel belandde met de 100 beste gedichten? Was de verwijzing naar Shakespeare toch een beetje te flauw geweest?

Je zou er bijna van gaan drinken!

Om antwoord op die vraag te krijgen stuurde ik het gedicht het volgende jaar opnieuw in, maar nu genaamd ‘Verdronken Land’. De inhoud liet ik ongemoeid. Ook nu mocht mijn bijdrage op een goede beoordeling rekenen. Ik viel echter alweer niet in de prijzen. De misgelopen cheque vormde het probleem niet, maar hoe zat het met mijn eeuwige roem?

Ik moest er in berusten een ‘ijzersterke’ dichter te blijven voor een zeer beperkte kring van fijnproevers. Gelukkig had de jury weer enorm genoten. Men schreef:

Het geweldige aan dit gedicht is dat het heel erg grappig is terwijl het zichzelf doodserieus neemt. Ondertussen toon je hier een sterk taalgevoel en slaag je erin om die taal heel beheerst en vindingrijk te spinnen rond de centrale thematiek van het waarom van het schrijven. Sterk gedicht, waarvoor dank!’

Commentaar van de jury van De Nationale Gedichtenwedstrijd 2017.

Ik ben niet onopgemerkt gebleven. Men gunt mij mijn klaagzang. Nu ik kiezen moet tussen een bestaan als miskend poëet of ‘niet zijn’, blijkt de keuze snel gemaakt. To be or not to be? Niet te pathetisch graag. Er is geen sprake van een vraag, laat staan van een dilemma; zolang het water mij niet aan de lippen staat, valt er goed te leven in dit land.

Een semi-geëngageerd schrijver in een neoliberale rechtstaat kan opstandig van de daken schreeuwen hoe erg hij het vindt dat de wereld wegkwijnt door klimaatopwarming. (Het is nog erger dan buiten de prijzen vallen op een schrijfwedstrijd.) Er zelf tegen strijden komt in mijn geval neer op: erover schrijven. Ik maakte onze slappe houding t.a.v. de milieuproblematiek tot thema van dit gedicht en neem ook mezelf de maat.

Voordat het optrekkend vocht mij het land uit jaagt, laat ik hopelijk nog wat gedichten na.

Voor dit doel lijkt dichten misschien niet het aangewezen middel, maar dat is nu eenmaal wat ik doe. Voordat het optrekkend vocht mij het land uit jaagt, laat ik hopelijk nog wat gedichten na die de juiste toon bevatten om de humor ervan te waarderen.

Verdronken Land

Hoor hoe de dichter dicht dat vocht maar kracht onder
een kurk is, zee wat macht achter de duinen. Maar
lees de krant; één ramp spoelt alles aan de kant.

Je kunt de vindingrijkheid van water nauwelijks overdrijven.
Noch die van zuipers. Dus wij gebruiken ons verstand. Wie
voelt zich niet ontmand door de wassende waarheid?

Een hooggebergte vlijt zich lekkend neer in onze boezem,
terwijl de kust – die vervaarlijk oprukkende rand – haar
zilte lippen aan ‘t fronsend voorhoofd brandt.

‘Vaarwel mijn strand’. Shakespeare schijnt ons te verlaten.
Maar voordat groente brak smaakt en rivieren in zijn
verzen schijten, verhogen wij de scheidingswand.

Waar het ons tegenzat was hij wel vaker dissonant.
Als ‘de vis aardt naar de zee’, dan de dronkaard naar zijn
drank. Leg hem niet uit hoe hij aan lager wal belandt.

‘Onder water worden tranen onzichtbaar.’ O ja, hij laat vast
iets pathetisch na. Maar dood door verdrinking ligt niet voor
de hand. Hij moet nog zoveel kwijt van zijn gemoedstoestand.

Schrijver: Ronald van Noorden ©Cum Suis 2015

Het gedicht ‘Generatie Swipe’.

Uit: schrammenbloed

Het onderstaande gedicht werd in 2016 ingestuurd voor deelname aan de Turing Nationale gedichtenwedstrijd (nu genaamd: De Gedichtenwedstrijd). Ik noemde het toen Tinderella. Alle gedichten in de tweede ronde werden voorzien van een persoonlijke feedback.

Assepoester heeft geen tijd meer om te wachten tot de fee haar koppelt met de man van haar leven. Tegenwoordig moet ze daar zelf voor zorgen! Gelukkig bestaat er zoiets als de dating-app Tinder. Meet Tinderella. Een romantische verbinding komt vaker niet tot stand dan wel. Ze veegt de mindere goden in één vloeiende beweging aan de kant.

Die luidde voor dit gedicht:

Zeer mooi, erg vakkundig gedicht dat iets van de tijdsgeest perfect verwoordt. Vooral in de laatste helft overtuigt dit gedicht, want aanvankelijk klinkt de combinatie van het zeer traditionele rijmschema, het moraliserende thema, en het afstandelijke perspectief nogal belerend (wat niet wil zeggen dat de ‘les’ niet helemaal terecht is). Naar het einde toe komt er meer plaats voor ambiguïteit (vrij willen zijn van ‘dwangprofeten’, niet meer te hoeven ‘kreunen voor de eeuwigheid’ is begrijpelijk) en neemt het gedicht de lezer volledig mee. De ‘wij’-vorm, die impliceert dat elk van ons (ook Tinderella zelf dus) zo tot oppervlakte en tijdelijk vermaak wordt herleid, is uitstekend gekozen. De v-v-v alliteratie aan het einde (prachtige zin!) roept perfect de snel herhaalde swipe-beweging op, maar doet het gedicht ook mentaal nagalmen in de leegte. Virtuoos.

Jury van Turings Nationale Gedichtenwedstrijd 2016

Tja, als je zo’n waardering krijgt (virtuoos!), kun je jezelf de vraag stellen wat je nog meer moet doen om in de prijzen te vallen. Toch is het verstandiger om je daar niet op te fixeren en je tevreden te stellen met het deskundige commentaar van de voorjury. Het ging om een persoonlijke beoordeling van medewerkers van de poëzietijdschriften Awater en Poëziekrant.

Het gedicht is nu opgenomen in de bundel Het Eenmansimperium

Ik deed mijn voordeel met deze professionele feedback. Ik veranderde alleen nog de naam van het gedicht. Ik noemde het een tijdlang Her ‘Tinder’ Touch. Het gedicht is nu opgenomen onder de naam Generatie Swipe in de bundel Het Eenmansimperium, uitgegeven door uitgeverij Cum Suis.

Generatie Swipe


Je passies zijn niet groot en kort van duur,
de smaak van het moment beheerst je leven,
de stemming van de dag of van een uur
beïnvloedt onophoudelijk je streven.

Je dient de gril van je gemoed; al geven
wanen geen voldoening, een nieuw geloof
is goed voor even (je moet er blind en doof
voor zijn, of gek, of in het nauw gedreven).

Goeroes, wonderdokters, dwangprofeten,
al die dwazen voor bepaalde tijd
die je te woord staat tegen beter weten…

Wie kreunt nog voor de eeuwigheid?
Je haalt ons binnen en je moet ons kwijt;
wij worden met een vingerveeg vergeten.

Schrijver: Ronald van Noorden © 2016 Cum Suis


Voor de geïnteresseerden, hier een kleine geschiedenis van de ontwikkeling van dit gedicht. In 2012 noemde ik het RP (naar de datingsite Relatie Planet die in die tijd nog populair was). Het gedicht eindigde minder sterk toen, namelijk met de zin: ‘wij worden met een muisklik weer vergeten!’ In 2016 doopte ik mijn gedicht om tot ‘Tinderella’, in 2017 tot Her ‘Tinder’ Touch, en nu noem ik het Generatie Swipe. Het is onder die naam opgenomen in de bundel Het Eenmansimperium.

Gedachten over poëzie, gevolgd door het gedicht ‘kruimeldief’.

Uit: Schrammenbloed

Ik acht alle kunst – ook de toegepaste – een vorm van overdrijving, maar zeg er meteen bij dat ik overdrijving niet vervelend vind. Bij een bepaalde vorm van poëzie hangt het erom, de laatste tijd. Ik ben geneigd om afstand te nemen van de ontoegankelijke variant, zeker van de moeizame voortbrengselen die alleen maar complex lijken en verder niet verrassen.

Frederic Bennett – Climbing Mount Olympus

Mijn blik ketst af op een bepaalde vorm van poëzie. Ik twijfel niet aan mijn bevattingsvermogen maar wel aan mijn goede wil. Ik snap iets van het waarom van dichterlijk bedoelde uitingen, maar ik sluit me inmiddels steeds bewuster af voor werk dat het gewoon niet heeft voor mij.

Veel gedichten zijn, met een beetje moeite, inhoudelijk goed te begrijpen. Ze dragen een prettige boodschap uit, verpakt in een boeiend thema. Ze vervelen niet en maken de voorstelling niet te simpel. Dat is één kant van het poëtisch spectrum. Daarnaast is er het soort van poëzie dat voor literatuur wil doorgaan maar geen waarachtigheid bevat. Wat is daarmee aan de hand?

Zit er teveel ijdelheid achter? Ach nee, waarom zou een dichter geen praalhans mogen zijn? Gaat het de schrijver meer om de luister van woorden dan om de boodschap? Ook niet, dat kan hele aangename poëzie opleveren vol taalvernieuwing. Ontbeert het hem aan inspiratie? Ach, waarom zou je enorm gemotiveerd moeten zijn? Soms dient een goed gedicht zich aan terwijl je niets van plan was.

Ik denk dat wat werkt zich bevindt binnen een kleine marge van te elitair en te banaal. Op het scherp van die snede balanceert het zo’n beetje. De schrijver die zich op die richel handhaaft toont evenwicht. Zijn positie kan nog steeds wankel zijn maar zijn werk toont harmonie en stabiliteit. Het voor de hand liggende aan de ene kant en het onbegrijpelijke aan de andere, zijn slechts een kleine misstap verwijderd van de ideale route. Maar een goede schrijver maakt geen misstappen, althans niet op dit terrein.

Er blijft weinig over aan genotsbeleving als je mee moet voelen met een taal die omwille van de originaliteit bewust ontoegankelijk is geworden. De inspanning die je moet doen om het geschrevene te begrijpen, staat de schoonheidservaring in de weg. Hetzelfde geldt voor een resultaat waarin de literaire kwaliteiten teveel aan de kant zijn geschoven. Dan voelt het allemaal te plat, te laag, te min.

Het is lastig om te voldoen aan de criteria van wat ik zelf mooi vind aan poëzie. De beeldspraak die ik voor mijn dilemma hanteer werkt voor mij best aardig, maar deel ik – omdat die zo cliché is – liever niet met anderen. Tot nu toe dan. Ik maak even een uitzondering op mijn regel om uit te leggen hoe ik tot onderstaand gedicht kwam. Noem het een gelegenheidsmetafoor, ik moet u tenslotte op de hoogte brengen [sic].

Als ik mijmer over het geheim van goede poëzie zie ik steeds die berg voor me met dat smalle pad naar boven. Mijn voeten vinden geen houvast [andermaal sic]. Als je dat doortrekt kun je het al gauw een zangberg noemen. Durf je nog onverschrokkener de uitgesleten paden te betreden, dan houd je jezelf staande, onder Apollo’s leiding, op Helicons flanken, om uiteindelijk uit de bron te drinken van het zuiverste water.

Aan die, uit de hoge borst van moeder aarde ontspringende levensader, kon je, in verheven tijden, als serieus poëet, traditioneel je dorst naar dichtvermogen lessen. Dat zuivere water heette inspiratie. De kostbare bron moest een beetje ver en onbereikbaar gesitueerd worden, opdat niet iedere zelfverklaarde muzenzoon er z’n voordeel mee zou doen. Zo werd het dichten een elitaire aangelegenheid.

Symbolisch gezien weet ik precies wat ik goede poëzie vind. Een goed gedicht kan over alles gaan zolang de vervaardiger de afgronden van hoogdravendheid en platitude maar weet te mijden. In het volgende gedicht houd ik de bedreiging van het overgecompliceerde volgens mij goed op afstand. We zien hier geen gekunsteld gewrocht dat alleen nog door de maker is te duiden.

Ik ben ook niet aan het rijmen geslagen. Het is – al zeg ik het zelf – geen onbenullig gelegenheidsversje geworden. Maar oh jee, ik heb de daad van het dichten naar een berg verplaatst en daar ligt laagheid op de loer. Die massieve puist was maar niet weg te slaan uit mijn voorstellingsvermogen. Ik knijp hem helemaal uit – als ik zo vrij mag zijn – en of dat niet gaat stinken? Juist de banaliteit van het leentjebuur spelen op de flanken van een historisch monument (om niet te zeggen artefact) leek mij een aardig issue.

Naast dat wat anderen al op zangbergen hebben uitgespookt – en bij Helicon, dat is een hoop! – leek mij dit ‘niemendalletje’ een grappige uitbreiding van het beeld van de berg als behoeder van de inspiratiebron. Ik stel mij als kruimeldief zowel bescheiden op als onbeschoft. Ik treed de traditie met voeten. Ik eer en verteer. Ik beoefen hetzelfde vak als de grote voorgangers, die ik ogenschijnlijk bewonder, maar hak en pak naar believen.

Ik ben wel klaar met de mythologie van de hoogvlakte. Er mag uiteindelijk geen poëtische berg meer overblijven.

Kruimeldief

Ik mik wel op iets hogers
– Hartz, Olympus, Helicon of Mont Ventoux –
maar wil het dal nog voor de avondval bereiken
(mijn liefste zangberg leidt een kabelbaan naar boven).

Als ik steel zijn het maar schilfers
van ’t Papier Massief der Grote Literaten,
wat kiezelstenen roofgoed naar het eigen nest;
ik leg ze uit als stratenmaker in m’n eigen straatje.

Zie mij, toevallige raper in het
voorportaal van eeuwenoude groeven,
die slechts bevrijdt wat toch al loszat.
Perfectie kan me wat. (Misschien is dat te merken?)

(Uit: Schrammenbloed; © 2012 Cum Suis; Auteur: Ronald van Noorden)

Claude Lorrain – Apollo en de Muzen op berg Helicon

Het gedicht ‘Oproep’.

Uit: Schrammenbloed

Locatie: een hiphopkelder van een middelgrote stad in de provincie. Je zou de avond saai noch inspirerend kunnen noemen. De optredens waren, tot dan toe, tamelijk voorspelbaar. Terwijl de tent toch ‘Home of the Brave’ werd genoemd. Die naam was trouwens ook niet origineel.

Toen ontstond er plotseling commotie. Een man van rond de zestig had het podium betreden. Dit kon best de volgende act zijn. Of een vader die zijn kind zocht. Een gezagsdrager misschien, die iets gewichtigs had te melden? Hij droeg een politiepet, maar dan zo één die ook voor style item kon doorgaan.

Solovlucht van een bipolaire copiloot. (Het Eenmansimperium, ©Cum Suis)

Hij zei op zoek te zijn naar een weggelopen hond en wilde een oproep plaatsen. Iemand moest van deze wending in het programma op de hoogte zijn, want op zijn aangeven werd op de achtergrond een begeleidingsband gestart. Al snel bleek dat hij het Beat Box tempo niet kon bijhouden. Eigenlijk reciteerde hij meer dan dat hij rapte.

Poëzie met een grote P leek een beetje naar de achtergrond verdwenen.

Misschien maakte dit onderdeel uit van zijn optreden? Een poëtisch protest in een voormalig gemeenschapshuis waar nu alleen nog ruimte was voor Breakdance, bboy, hiphopdance, popping, DJ, Turntablism, scratchen, Rap en Graffiti workshops? Poëzie met een grote P leek een beetje naar de achtergrond verdwenen.

Hij droeg een prozaïsch gedicht voor over ene ‘Raaf’ die misschien voor hem op de vlucht was of in het geheim een ‘terloops gezin’ had gesticht. Het beest kon ook zijn opgepakt door ‘witgejaste mannen’ en nu ergens in ‘een tuig’ staan alwaar zijn ‘kwijl werd opgemeten’.

Klein straatschenderig wezen, waar hang je uit? Wie
heeft je ’t laatst gezien? Ik stelde geen condities aan je
zwerftocht, maar dat je steeds terugkwam gaf mij hoop
(al was het honger dat je naar je hok dreef).

Tot zover deze zoektocht naar zijn huisvriend. Door het gejoel dat uitbrak kon men de rest van de voordracht niet meer horen. De schrijver/performer begon te jammeren dat het een schande was, maar zo werkte dat hier. Het publiek had een mening en bepaalde. Deze grijsaard wist gewoon te weinig beats in een minuut te stoppen waardoor de boombooms met hem aan de haal gingen en de protesterende buurtjongeren voor zijn boodschap bedankten.

Je moest de stem van de auteur er gewoon niet bij horen, noch hem er bij zien.

Het heeft niet aan de woorden gelegen, concluderen sommigen. Je moet de stem van de auteur er gewoon niet bij horen, noch hem zien optreden. In de rust van een bundel en bij onstentenis van zijn wat al te grote gedrevenheid komt het geschrevene prachtig geserreerd over. Dit lijkt zo’n geval waar we vorm en vent moeten scheiden in het belang van de schoonheidsbeleving. 

Oproep

Klein straatschenderig wezen, waar hang je uit? Wie
heeft je ’t laatst gezien? Ik stelde geen condities aan je
zwerftocht, maar dat je steeds terugkwam gaf mij hoop
(al was het honger dat je naar je hok dreef).
Makke vos, waar ben je nu? Werd je soms meegelokt
door witgejaste mannen? Sta je ergens in een tuig en wordt
je kwijl gemeten? Jij was toch nooit te paaien met een
plakje? Jij tilde toch je poot op voor de boomstille garde?

Kreeg je niet genoeg te kluiven? Of heb je soms weer
een terloops gezin gesticht? Enig schepsel dat ik binnen
liet nadat ik elke ingang had gedicht, hier spreekt je baas,
blaf me toe in het vertrouwd geïnfecteerd gewoefwaf.
Hoeveel manden heb ik niet vervangen? Wie leerde jou met
pijn en moeite 5 bevelen waaronder blijf en zit en hier? Wie wist
het meest van rabiës, loopse teven, wie trok de teken uit je vacht,
en heeft je, na je ongeval, op al je poten teruggebracht?

Joeg iets in mij de huiver door je leden? Maar je eerste plas
werd zonder morren opgedept, de tweede tijdig ondervangen,
en toen je zindelijk genoeg was mocht je de berber voor
de haard beslapen. Jij lieve op je eigen staart jagende idioot,
braaf beest waar ik soms mijn handen aan heb afgeveegd,
kras aan mijn deur, vertrouw je neus voordat de nestgeuren
vervagen. Ik smeek je Raaf, als je nog leeft,
keer langs het spoor terug dat aan ons kleeft.

Ronald van Noorden ©Cum Suis

Gedachten over René Stoute, gevolgd door het gedicht ‘René / Renate’.

Uit: Het Eenmansimperium

Voordat René Stoute een verhalenbundel schreef met een meeslepende titel, scheen hij een onverschillig stuk vreten dat bietsend en gappend door de hoofdstad zwierf. Dit vertelde mij althans een oud klasgenoot, die ook naar Mokum was verhuisd. De mannen waren geen vrienden, wel lotgenoten, twee grachtengordeljunks met schrijfaspiraties. De klasgenoot beweerde te zijn afgekickt. Zijn writersblock bleek onherstelbaar.

Renate is op 19 maart 2000 op negenenveertigjarige leeftijd overleden.

Ik leefde in Amsterdam in dezelfde periode als zij. Ik verbleef ook veel op straat. Die kennis uit mijn provinciestad kwam ik regelmatig tegen. Hij versperde mij de weg omdat hij iets belangrijks had te melden. Het kwam er altijd op neer dat hij geld van mij wilde. Stoute zag ik nooit. Hij ziet er bleek uit op een foto uit die tijd die ik op internet vond. In levende lijve is hij voor mij onzichtbaar gebleven. ‘Maar is dat laatste niet juist het kenmerk van zulke jongens?’ probeerde de steeds vager wordende bekende.

Het gedicht R/r is ontstaan nadat ik had gelezen van de geslachtsverandering van schrijver en dichter René Stoute. Renate is op 19 maart 2000 op negenenveertigjarige leeftijd overleden.

Het leven van Stoute is in mijn ogen één van de meest tragische Nederlandse schrijverslevens in de literaire geschiedenis van ons taalgebied.

De tweede regel van mijn gedicht bevat een verwijzing naar de titel van haar debuut; de verhalenbundel ‘Op de rug van vuile zwanen’. Het werk kwam uit in 1982. De schrijfster zou vanaf toen nog ruim tien jaar als man door het leven moeten.

Niet alleen de titel sprak me aan, ook het boek deed me veel indertijd, mede omdat ik in de beschreven periode zelf nogal zieltogend door Amsterdam zwierf. Ik voelde verwantschap met de junk die al schrijvend probeert zijn verslaving te boven te komen. Het vervolg is voorspelbaar en dramatisch.

Waardering kan zo belangrijk zijn. Zou het hem een opleving hebben gegeven?

In 1991 bracht de schrijver zijn behoefte aan travestie aan het licht achter een, bewust transparant gehouden, façade van fictie. Terzelfdertijd kwam Maarten ‘t Hart met een soortgelijke boodschap. Die was niet zozeer in literatuur vervat maar werd veel openlijker uitgedragen. Ik vroeg mij af of diens belijdenis eerder een provocatie was dan een daadwerkelijk verlangen om gekleed te gaan als lid van de andere sekse. Het antwoord doet er niet toe. Feit is dat alle media-aandacht zich richtte op de in, weinig modieuze, vrouwenkleding uitgedoste ‘t Hart. Waarschijnlijk vanwege zijn grotere bekendheid als publieksschrijver. Ik gun hem die aandacht. Hij is een groot schrijver. Zijn uitdossing was allesbehalve glamoureus. Een dragqueen leek hij zeker niet. Maar ook dat doet niet ter zake. Wat ik mij nu afvraag is of een soortgelijke aandacht iets voor Stoute had kunnen betekenen. Waardering kan zo belangrijk zijn. Zou het hem een opleving hebben gegeven?

De gendertransformatie die Renate niet lang daarna onderging verliep allesbehalve gemakkelijk. Het schrijven wilde ook niet meer zo. Het lichaam van de schrijfster werd herinnerd aan een slopend drugsverleden middels opspelende leverkwalen. Ook stress was een constante factor. Een combinatie van problemen werd de schrijfster fataal. René heeft een veel te kort bestaan als Renate mogen doorbrengen.

Het leven van Stoute is in mijn ogen één van de meest tragische Nederlandse schrijverslevens in de literaire geschiedenis van ons taalgebied. Zij verdient dan ook meer dan mijn ene gedichtje. Soms is het triest dat je werk niet wordt opgepikt zoals je voor ogen stond. Vaker is zo’n misverstand alleen maar lachwekkend. Doorgaans ook best wel begrijpelijk.

Ik heb onderstaand gedicht indertijd opgestuurd om mee te doen aan Turings Nationale Gedichtenwedstrijd. Ik was blij dat ik met mijn bescheiden eerbetoon de eerste ronde haalde en minder opgetogen dat het niet terechtkwam in de selectie van de laatste 100 (dan wordt het opgenomen in een verzamelbundel). Mijn uitverkoring voor althans die eerste schifting had als voordeel dat het gedicht van een kort commentaar werd voorzien door een vakjury. Men had er het volgende over te zeggen:

‘Het begin is sterk, met de Niels Holgersson-achtige beschrijving, daarna wordt het cryptisch en onhelder. Concentreer je op een beeld en werk dat uit.’

Ik had een tamelijk helder beeld van de door Amsterdam zwervende junk toen ik het schreef. Zoals ik boven al suggereerde heeft het indertijd niet veel gescheeld of ik was zelf in het drugscircuit terecht gekomen. Het moet een worsteling geweest zijn voor Stoute om daarvan afgekickt verslag uit te brengen. De verhalen die hij bij De Arbeiderspers inleverde dienden dan ook ingrijpend geredigeerd te worden.

Ook ik kon wel wat redactieadviezen gebruiken indertijd. Zo had ik wat mannelijke persoonsvormen door vrouwelijke moeten vervangen. Ik had ieder misverstand over mijn onderwerp kunnen wegnemen door in de titel gewoon de man en de vrouw bij naam te noemen. Die veranderingen heb ik onderstaand doorgevoerd:

René / Renate (over R. Stoute)


Haar neus nog vol van wat hij had gedaan
– hij had op zwanenruggen meegevlogen –
werden de uren gram voor gram gewogen
waarin zij leerde op zichzelf te staan.

Zijn laatste boek ging over spijt
van wonden die tot bloedens toe genezen,
verdriet dat hangt rond ieder afscheid
en ‘t heft in eigen hand dat zich laat vrezen.

Zoveel uitleg deed de geest geen goed.
‘t Verleden dat zij trachtte te verdrijven
kon hij zo nuchter niet beschrijven
of ‘t kroop haar toch weer in het bloed.


Schrijver: Ronald van Noorden © 2012 Cum Suis

Naschrift:
Zoals wij weten speelt Nils Holgersson de hoofdrol in een kinderboek van Selma Lagerlöf. Ik wist van dit jochie alleen maar dat hij voor straf was omgetoverd in een duimgroot wezen. Ik geloof wel dat ik het kinderboek vroeger bezat maar verhalen over kleine mensen schoof ik altijd meteen aan de kant.

Op wikipedia leerde ik dat Nils zijn lot een beetje had verdiend. Hij had namelijk een kabouter gevangen genomen en geweigerd hem vrij te laten. Nils was sowieso een nogal naar wezentje voordat hij uitvloog. Bijna alle wezens op de boerderij waar hij woonde maakten kennis met zijn sadistische trekjes. Toen hij er in slaagde om mee te vliegen op de rug van zwanen en hij zijn woonplaats dus achter zich kon laten leek iedereen blij dat hij weg was. Voor hem begon er een leerzaam en louterend avontuur.

Toen ik op zoek ging naar wat meer informatie over de titel van Stoutes’ boek, en dan met name het feit dat ‘zijn’ zwanen vuil zijn, werd er, ter verklaring, op sommige plaatsen ook naar een versregel van Paul van Ostaijen verwezen. ‘t Is grappig om te lezen dat veel mediabronnen elkaar wat dit betreft napraten maar dat niemand de gewraakte regel ook daadwerkelijk kan citeren. Die is er dan ook niet.

Wij hebben, volgens mij, geen sprookjes nodig, noch citaten uit het werk van Ostaijen, om ‘Op de rug van vuile zwanen’ te verklaren. De titel verwijst naar het bestaan als heroïne-junk dat Stoute tot zijn 27ste heeft geleid. Zowel de ‘zwanen’ als het ‘vuile’ ervan worden met dat gegeven afdoende verklaard.

Inleiding op het gedicht ‘veertien richels, veertien sonnetten’.

Uit: Schrammenbloed

In mijn top veertien van reizigers die naar plekken gaan waar ze niets te zoeken hebben, staat de bergbeklimmer bovenaan. Deze hoogtehobbyist of beroepsklauteraar haalt de ecologische voetafdruk van een gemiddelde vakantieganger op z’n sloffen. Zijn leven is een zinloze verspilling van aardse middelen teneinde zijn egocentrisme in verticale banen te leiden.

Klimmen is zonder meer slecht voor het milieu. Daarmee vergeleken kunnen we de verstilde activiteit van een schrijver bijna deugdzaam noemen. Maar veel auteurs zoeken spannende onderwerpen en daarvoor gaan ze vaak de deur uit. Van alle reisboekenschrijvers – op zich al een heel vervuilend volkje – is de inkt van de klimboekenschrijver het meest bezoedeld. Eerst moet je schade aanrichten alvorens de schande te kunnen beschrijven.

IJdelheid reikt ver in valse verzinsels, terwijl de geldingsdrang maar niet van de grond komt. Het lukt westerlingen vaak niet om de top te bereiken zonder sherpa’s. Wie kent hún namen?

Of het allemaal naar waarheid is opgetekend valt trouwens te betwijfelen. Soms wordt er te hoog opgegeven over de prestaties. Wat de bereikte hoogte in werkelijkheid was blijft in nevelen gehuld. IJdelheid reikt ver. Een narcist fabuleert – als je ’t mij vraagt – gemiddeld iets gemakkelijker dan normale stervelingen. Verzonnen triomfen zijn niet van de lucht in de klimsport.

Ik weet niet of Ronald Naar als voorbeeld kan dienen. Hij beschreef hoe hij de top van de 8125 meter hoge Nanga Parbat bereikte. Zijn reisgezel Frank Moll stelde dit in twijfel. Naar klom opnieuw in de pen. Dat was wat de man deed: hij schreef of hij steeg. Tussendoor schoot hij plaatjes als zelfverklaard fotograaf. Echter: een selfie op die berg ontbrak helaas. Er is nooit een topfoto geschoten c.q. opgedoken.

Bergbeklimmer Frank Moll uitte zijn twijfels in een interview met het blad Op Pad. Ook hier hebben we met een klimboekenschrijver te maken, maar omwille van het bovenhalen van de waarheid, zoals hij het zelf – akelig nobel – verwoordde, raakten de eigen klimprestaties een beetje ondergesneeuwd en begon hij de man, die hij ooit zo bewonderde, zwart te maken.

Iedere bergsporter met een handig pennetje kan een oeuvre opbouwen in veelvoud: 1. Beschrijving van de eigen reis naar de top (het klassieke reisboek). 2. Het in twijfel trekken van de claims van andere klimmers (het klokkenluidersgenre). 3. Het verdedigen van jezelf als anderen jouw woord in twijfel trekken (de polemiek of het verdedigingsgenre). Frank Moll is uiteindelijk vooral de schrijver geworden van de roman ‘Hoog Verraad’, een categorie op zich waarin alle eerder genoemde categorieën aan bod komen maar dan in fictievorm.

Naars verweer werd misschien wel zijn grootste krachttoer. ‘Hoge toppen vangen veel wind’ is een aardig boek geworden maar iedereen overtuigen lukt nooit. Hij schreef (en procedeerde) tegen de klippen op om zijn versie van de toedracht te bewijzen. Toch wel triest voor megalomane topsporters als, na al dat ijle streven op onmogelijke plekken, boos geschrijf in een kamertje thuis de meest verwoestende kracht wordt van je levenslange geldingsdrang.

Frank Moll is door de rechter het zwijgen opgelegd. Hij mocht in het openbaar niet meer zeggen dat Naar een leugenaar was. Koos hij daarom voor literaire middelen? De lezer krijgt een fictievariant voorgeschoteld met personages die meteen doen denken aan hemzelf en Naar. We lezen over een klimvriendschap die eindigt in wederzijdse haat. Kan de waarheid zo belangrijk zijn? Of de fabricage van een boekje dat voor literatuur moet doorgaan?

We zien hier vooral een paranoïde obsessie, vergelijkbaar met wat het klimmen zelf was voor beide klimmers. Beide mannen hadden veel te bewijzen. Ze zaten elkaar als boze haantjes in de weg. Wat Naar betreft denk ik: waarom niet berusten in het feit dat ‘het zelf’ wel weet waar het geweest is? Je zou zeggen dat de ware vorm van ‘zelfrealisering’ zonder dit welles nietesspelletje kon.

Maar erg zen zijn ze niet, die klimmers. Anders zouden ze wel afzien van het klimmen en wat meer in hun hoofd reizen. Dat is bovendien veel beter voor het milieu.

Veertien richels, veertien sommetten

Dat hijgend zich naar bergtoppen begeven,
op eigen kracht, om ’t planten van een vlag,
als acrobatentoer, spektakelstunt, en het verslag
in beeld gebracht, is dat hun hoogste streven?

Naar boven willen reiken, uit ijdelheid,
in ijle lucht, om de volharding van de geest,
of om te zeggen: daar en daar zijn wij geweest,
lijkt mij zo plat, zo’n opgezochte strijd.

Wat ik als kind in huis wel deed op treden,
dromend van steiltes en bereikte hoogten,
op richels pal staand, theatrale schreden,

heb ik nooit in werkelijkheid beoogd, en
wat ik liever zag, uit leedvermaak tevreden,
is dat ze vallen; zijn ze snel beneden!