Het relaas van het ontslag van Onno’s moeder.
Met Kantoorliefde anno 1960 heeft Onno van Dorreland een opmerkelijk boek geschreven: half familiekroniek, half aanklacht tegen de verstikkende moraal van het begin van de jaren zestig. De ondertitel Het relaas van mijn moeders ontslag klinkt bureaucratisch, bijna droog, en dat is precies de wrange ironie die door het hele boek heen sluimert.

Van Dorreland vertelt het verhaal van zijn moeder, een vrouw die weigerde zich neer te leggen bij het voorspelbare levenspad dat haar generatiegenotes werd voorgehouden: jong trouwen, kinderen krijgen, de eigen ambities opbergen. Zij wilde een carrière, wilde zichzelf zijn. Maar in de kantoorwereld van begin jaren zestig was dat al een vorm van rebellie. Vrouwen die trouwden, dienden op te stappen of werden eruit gewerkt. Het huwelijk gold als een stilzwijgend ontslagformulier.
Dan gebeurt wat niet had mogen gebeuren: een kantoorromance. Een collega maakt haar het hof en er bloeit in het geniep een relatie op. Totdat het uitkomt. En dan toont de hypocrisie van die tijd zich in zijn meest venijnige vorm. De man blijkt getrouwd, heeft kinderen; details die hij angstvallig verzwegen had. Maar waar je zou verwachten dat hij ter verantwoording wordt geroepen, gebeurt het omgekeerde. Zij krijgt ontslag. Hij blijft gewoon zitten. Sterker nog: hij ontkent zijn aandeel, minimaliseert de affaire tot een onbenullige flirt, en laat haar vallen als een baksteen.
Van Dorreland schrijft met ingehouden woede, maar ook met een scherpe pen. De opmerking dat hij “blij is dat deze man niet zijn vader is geworden” heeft iets van zwarte humor; een zoon die zijn eigen ontstaansgeschiedenis welhaast bedankt voor een gemiste kans op een waardeloze vader. Het is die droge toon die het boek draaglijk maakt, die voorkomt dat het een slachtoffer-epos wordt.
Want een slachtoffer is zijn moeder niet geworden, althans niet in de ogen van haar zoon. Zij ontmoette later een betere man, trouwde, werd moeder. Maar – en hier zit de angel van het boek – ze werkte nooit meer. Ze werd inderdaad die huisvrouw die ze juist niet had willen zijn. Van Dorreland wijst er nadrukkelijk op dat dit niet haar keuze was, niet haar zwakte, maar het resultaat van een maatschappij die geen ruimte liet voor herstel of een tweede kans. Een vrouw met zo’n ‘smet’ op haar blazoen kwam er niet meer bovenop.
Het boek leest als een persoonlijke afrekening, maar overstijgt het individuele verhaal. Van Dorreland schetst een tijd waarin vrouwen structureel werden achtergesteld – lagere lonen voor hetzelfde werk, dubbele moraal bij seksueel gedrag, ontslag bij huwelijk – en laat zien hoe die mechanismes niet abstract waren, maar levens verwoestten. Echte levens. Zoals dat van zijn moeder.
Kantoorliefde anno 1960 is geen prettig boek, maar wel een noodzakelijk. Het combineert persoonlijke geschiedenis met maatschappijkritiek, pijn met precisie, verontwaardiging met verdriet. En het doet dat met een literaire finesse die voorkomt dat het verzandt in sentiment. Een indringend portret van een tijd die gelukkig voorbij is, en een waarschuwing dat rechtvaardigheid nooit vanzelfsprekend is.
