Wormvormig aanhangsel

Een wankel vorstenhuis en de vorstelijke vergeefsheid van een bijwoordelijke bepaling.

“Het besluit van een beschaving om over te gaan tot de afschaffing van de monarchie gaat niet over één nacht ijs”, aldus de Noorse commentator in het discussieprogramma waar ik zomaar inviel. Hij voegde daar aan toe: “Maar wat helpt en het proces versnelt is een goede rel, dat wel.” En daar ging het mis. Niet met de ondergang van de monarchie – die historische wetmatigheid voltrekt zich door alle schandalen immers geheel volgens schema – maar met mijn zorgvuldig gecultiveerde republikeinse focus. Terwijl de deprimerende feiten omtrent onze bovenbuur-royals voor de zoveelste maal de revue passeerden, bleef mijn aandacht steken. Onwrikbaar. Als een Noorse zalm in een håv (wat geloof ik Scandinavisch is voor fuik).

Mijn blik was gegijzeld door die laatste twee woorden: ‘dat wel’. De taaljongen in mij won het direct van de staatsrechtelijke criticus. De absolutie van de monarchie kon plotseling wachten; we hadden hier immers een acute taalkwestie aan de hand. Want wat is dat ‘dat wel‘ in hemelsnaam (om niet te zeggen: dan wel niet), semantisch en syntactisch gesproken? Wat voegt zo’n frase toe aan de mededeling, behalve een linguïstisch klopje op de schouder? Had de oorspronkelijke Noorse spreker daadwerkelijk een idioom gebruikt dat deze annex noodzakelijk maakte, of was de vertaalcomputer – die tegenwoordig ongetwijfeld door een oververhitte AI wordt aangestuurd – weer eens aan het overpresteren en hallucineren?

Laten we deze taalkundige bijvangst eens fileren. Syntactisch gezien is ‘dat wel’ een modale toevoeging, een soort nagedachte die functioneert als een restrictief voegwoordelijk bijwoord. Het zwom onverhoeds mee met de buit, zeg maar. Het is een zinsdeel met de allure van een wormvormig aanhangsel. Zoals de monarchie dat zelf trouwens ook is: een rudimentair aanwezig overblijfsel uit een feodaal verleden dat in een moderne democratie geen enkele heldere functie meer vervult, maar dat we toch maar laten bungelen totdat iemand die overbodigheid durft te elimineren.

Twee woordjes maar. Semantisch gezien doen ze iets fascinerends. Ze relativeren niet, maar accentueren juist de eerdere bewering door een hypothetisch contrast bij voorbaat uit te sluiten. Ze zeggen: “Mocht u twijfelen aan de kracht van een koninklijk schandaal, doet u dat dan vooral niet.” Is het overbodig? Strikt taalkundig: ja. Psychologisch: nee. Misschien zelfs noodzakelijk voor de nuance.

Ondertussen stort in Oslo het kaartenhuis ineen. Men spreekt daar over zeer serieuze zaken zo zwart als mishandeling, aanranding, cocaïnemisbruik, ongezonde koninklijke privileges en messentrekkerij. De monarchie wankelt op haar grondvesten. Maar de mens is een vreemd wezen dat zich in tijden van crisis laat afleiden door de gekste futiliteiten. Terwijl het volk aan de koninklijke stoelpoten zaagt, zit ik te dubben over de grammatica. Dat wel. Of óók. Correctie: méér nog. Ik bedoel: dan dat. Ik bedoel: dan dat ik me onledig houd met de eigenlijke kwestie. Begrijp je? Echt wel.

Het is een tragische constatering: ik probeer me te focussen op dit monarchische melodrama maar de associatieve kortsluiting in mijn brein is compleet. Om mezelf te kalmeren, bedenk ik juist iets dat helemaal losstaat van de koninklijke janboel, namelijk hoe het taalkundige aanhangsel ‘dat wel’ zich in andere Noorse contexten zou gedragen. “De Noren hebben een existentieel gebrek aan zonlicht, en toch is het een krachtig volk; maar goed, tegenwoordig slikt men vitamine-D en vroeger waren het Vikingen, dat wel!” Als we de AI-vertaalmachine de vrije loop laten, vermoed ik dat elk Noorse zin binnenkort met deze linguïstische staartmees eindigt:

“De fjorden zijn onpraktisch diep en de houtkachel verspreidt meer fijnstof dan een kolencentrale, maar met Noorse sokkenwol brei je de ellende zo weg, dat wel.”

“De Noorse trui zit volstrekt oncomfortabel en kriebelt tot op het bot, maar het ding zorgt niettemin dat je beschermd bent tegen tocht, dat wel.”

“Odin en Thor waren destructieve types met een ongezonde fixatie op hamers en runen, maar de Noorse mythologie is qua plotwisseling superieur aan de gemiddelde Netflix-serie, dat wel.”

“Spitsbergen ligt er koud en verlaten bij, ongeschikt voor menselijke bewoning, maar de ijsberen hebben er tenminste geen last van ronkende talkshows over falende prinsen, dat wel.

Het Noorse koningsdrama is een serieuze zaak – het biedt momenteel minder stabiliteit dan een Zweedse zelfbouwkast – maar zolang de vertaalcomputers ons trakteren op onverwachte taalkundige versieringen, wankelt mijn brein vrolijk mee. Morgen ga ik over tot de orde van de dag en de harde politieke realiteit. Denk ik. Of ik raak afgeleid door een verdwaalde puntkomma. De kans is aanwezig, dat zeker.

Lezersreacties:

Dat wel, dat wel? Wat ben jij snel afgeleid Ronald. Rel, del, del, wie trekt er aan de bel en geeft er een schop onder de derrière van het hele koninklijke stel?
(Bram de Jager, Deventer)

Je wordt bedankt. De vreselijke misstappen van de kroonprinselijke stiefzoon transformeren in mijn hoofd nu ook tot absurdistisch gerijm. Een opeenvolging van schandalen, rigoureus afgewisseld met idiote woordcombinaties: Huisvredebreuk, dat wel. Slachtofferhulp, oorlel. Prinselijk privilege, kasteelbel. Messentrekkerij, what the hell. Kroonprinselijk debacle, welk een gezwel!
(Kees Groenewegen, Vlaardingen)

Op de koffie komen met een verre vriend

Een vloeibaar compromis tussen taal en therapie.

Het begon met een bericht dat ze in een vlaag van acute machteloosheid naar een verre vriend had gestuurd. Haar zoon leed aan een weigerachtige apathie die in Japan hikikomori wordt genoemd; het hardnekkig binnenskamers blijven, de wereld buiten de deur houden tot een hanteerbaar minimum. Alleen ging het hier niet om extreme opsluiting, maar om een moeizaam bevochten compromis; er bestond in Nederland immers leerplicht. Twee uur per dag moest hij proberen tussen andere kinderen te overleven. Twee schamele uren; een schijntje voor de onderwijsinspectie, een loodzware expeditie voor de dertienjarige.

En toen was daar die dinsdag. Een oudere jongen had gevraagd of hij kwam chillen. En of hij rookte. Een banale, alledaagse interactie, maar voor haar zoon de psychologische equivalent van een aardverschuiving. Prompt weigerde hij zijn woensdagafspraak na te komen. Er moest onderhandeld worden. Kon het niet een uurtje later, want de concentratie bleek nu weg. ‘Terwijl hij überhaupt maar TWEE UURTJES gaat!’ had ze getypt, de frustratie in kapitalen op haar scherm hamerend. ‘En ik heb er dus vrij voor moeten nemen. Terwijl er feitelijk NIETS aan de hand is!’

Uit machteloosheid op de Wiener Melange gedrukt. Misschien lag de oplossing in iets wat zij altijd voor wansmaak had versleten.

De verre vriend, die zich graag tooide met de titel van taalkundige, reageerde met de voor hem kenmerkende breedsprakigheid. Hij bezat de irritante neiging om alledaagse problemen te verheffen tot een existentieel toneelstuk, gezegend met een aplomb dat verdacht veel weg had van een zanger met sterallures die allang op z’n retour is (denk aan Herman van Veen); badend in zijn eigen metaforen en immer overtuigd van de helende werking van welgekozen, goed gearticuleerde woorden.

Hij stuurde geen troost, hij stuurde een etymologische beschouwing. Haar woede over de mislukte woensdag prevelde hij weg als een kwestie van perspectief. Haar zoon zag tegen alles op als een berg, had zij uitgelegd, maar de verre vriend sloeg die klein tot een bult. En een bult, zo dicteerde hij vanuit zijn ivoren toren, was slechts een minieme verheffing in het landschap die kon worden gladgestreken met een niet eens zo’n omslachtige aanpak. Een plan B zeg maar, waarbij de vraag overigens onbeantwoord bleef wat dat alternatief dan wel mocht inhouden.

Nu zat ze hier, in de steriele stilte van de wachtruimte. De onbeholpen beeldsprakerigheid bracht, althans wat de taal betreft, misschien toch een verbintenis teweeg. De bultmetafoor van de verre vriend en háár bergvergelijking doorbraken in elk geval een hoogteverschil in naam. Misschien kon ze haar zoon doen inzien dat hij inderdaad bergen van molshopen maakte en dat het die bult z’n eigen schuld was dat alles onoplosbaarder leek als gevolg van overdrijving; het gigantisch lijkende obstakel kon ook slinken als je het positief benaderde.

Even, uit een behoefte aan overzicht in deze beroerde situatie, verbeeldde ze zich dat het hele dilemma slechts een kwestie was van semantiek en dat ze momenteel meer had aan die verre veelprater dan aan heel het geschoolde therapeutendom dat zich nu op haar probleemkind stortte. Ze klapte het boek dicht dat ze in de wachtkamer zat te lezen, liep naar de koffiecorner en drukte voor het eerst van haar leven op ‘Wiener Melange’; een combinatie van toevoegingen en smaken die haar altijd pervers had geleken.

Het apparaat produceerde een laatste mechanische rochel en vulde het bekertje met een schuimende, drielagige substantie. Ze pakte het warme plastic beet en keek naar de troebele overgang van koffie, melk en cacao. Het was een onwaarschijnlijk brouwsel; een vloeibaar amalgaam waarin de smaakwerelden die ze altijd strikt gescheiden had gehouden, nu noodgedwongen in elkaar overliepen. Ze nam een voorzichtige eerste slok. De smaak was intens, vreemd en absoluut niet te vergelijken met de voorspelbare, bittere filterkoffie die ze normaal gesproken dronk om de tijd te doden. Het was zoet en tegelijkertijd krachtig. Het zette haar zintuigen direct op scherp.

Terwijl de warmte door haar keel zakte, besefte ze dat deze mengeling haar eigenlijk helemaal niet tegenstond. Integendeel. Het was alsof die verre veelprater met zijn bultmetafoor zojuist hoogstpersoonlijk door de cacao heen roerde en haar uitdaagde. Waarom had ze eigenlijk altijd zo braaf geloofd dat alleen de bittere, zwart-wit diagnoses van de deskundigen de juiste remedie waren? Als taal rekbaar was, en als smaken konden muteren, dan waren er misschien heel andere, onorthodoxe routes om haar zoon weer op de rails te krijgen.