Het had wat minder fel gekund

Maar ja, die Wennemarsjes hebben losse handjes.

Het incident op de 1000 meter schaatsen tijdens de Winterspelen liet me niet los. Joep Wennemars werd tijdens zijn rit gehinderd door de Chinese schaatser Lian Ziwen, wat zijn kansen op een medaille ernstig schaadde. Dat Lian Ziwen vervolgens zijn excuses aanbood, getuigt van sportiviteit en fair play; het was een correcte en waardige reactie op een incident dat vrijwel zeker niet met opzet plaatsvond. Des te onbegrijpelijker was de reactie van Joep Wennemars zelf, die desondanks een slaande beweging naar hem maakte. Dat is gedrag dat niet past bij een topsporter die geacht wordt een voorbeeld te zijn voor anderen. Mijn verontwaardiging was dan ook groot.

Een boze volger op X en een enthousiaste volgster op BlueSky.

Die verontwaardiging bracht mij ertoe een brief te schrijven naar de Volkskrant, die de krant daadwerkelijk plaatste. Achteraf moet ik bekennen dat mijn bewoordingen wat aan de scherpe kant waren. Ik schreef dat topsporters narcisten van het ergste soort zijn en dat Joep voor het leven geschorst zou moeten worden. Als ik er nu op terugkijk, zijn dat wel erg harde woorden voor wat in essentie een onbezonnen gebaar was in een moment van intense frustratie en verdriet. Topatleten staan onder een enorme druk; dat is geen excuus, maar het verdient wel een plek in de beoordeling. Ik blijf bij het standpunt dat Joep zich sportiever had kunnen en moeten gedragen, maar geef toe dat mijn formulering niet helemaal in verhouding stond tot het vergrijp.

Wat vader Erwin Wennemars betreft, ligt de zaak anders en voel ik me minder geneigd tot matiging. Erwin sloeg in zijn opwinding over de prestaties van zijn zoon de bril stuk op de neus van een volstrekt argeloze toeschouwer. Dat is niet alleen onbezonnen gedrag, maar ook fysiek gevaarlijk voor een derde partij die er helemaal niets mee te maken had. Als je het zo leest, snap je eigenlijk niet hoe zoiets kan gebeuren. De man is een opgewonden standje, en dat vind ik een probleem, zeker gezien zijn publieke rol.

Erwin Wennemars zit immers aan tafel als commentator bij een sportprogramma op televisie. Vanuit die positie wordt van hem verwacht dat hij gezaghebbend en evenwichtig commentaar levert, en een zekere voorbeeldfunctie uitstraalt naar het kijkerspubliek. Een commentator die van de zijlijn anderen oproept tot kalmte en sportiviteit, maar zelf ontploft bij succes of tegenslag, geeft een tegenstrijdig en ongeloofwaardig signaal. Of hij die rol nog geloofwaardig kan vervullen in het licht van dit incident, is een terechte vraag die wat mij betreft nog niet beantwoord is.

Al met al schetst het geheel een familieportret van grote passie voor de schaatssport, maar ook van een zelfbeheersing die onder druk snel het onderspit delft. Passie is mooi, en het is onmiskenbaar dat de familie Wennemars leeft voor de sport. Maar passie zonder zelfcontrole is in de publieke arena geen kwaliteit; het is een risico. Voor de sport, voor het publiek, en uiteindelijk ook voor henzelf.

Bril aan gort. Als een ex-sportman zoiets flikt heet dat eufemistisch: ‘De voormalige vedette zat hoog in zijn emotie.’

Tirannie verpakt in vrijheid

Dat het land al heel lang ziek is, had iedereen kunnen weten.

Dat de VS een ‘liability’ zouden worden, hadden we niet voorzien in de tijd dat ze ‘alleen maar’ dictators in hun achtertuin in het zadel hielpen. Toen burgerrechten werden geschonden, noemden we dat binnenlandse aangelegenheden. Het waren waarschuwingen. Grote broer bleek een gewelddadige moralist.

Toen de VS vol trots hun democratie exporteerden naar bevriende naties, had het al veel weg van idealisme met een teveel aan spierballen. Maar wij zagen daarin nog niet de proefversie van iets dat later intern — binnen hun eigen nog wankele rechtsstaat — vervaarlijk zou worden uitgehold. En het kon ons kennelijk weinig schelen dat ze die democratische idealen niet in hun eigen achtertuin duldden.

In die nabijgelegen invloedssferen creëerden de VS bewust bestuurlijke ontwrichting en chaos. Ze faciliteerden dictators van twijfelachtige regimes en verkochten hen staatsgrepen als stabiliteitsupdates van een computersysteem. Wij beschouwden dat blijkbaar als normale buitenlandse politiek, want hoewel Nederland een kwart eeuw geleden nog veel linkse stemmers telde, ontstond er maar weinig effectief verzet.

Ook in hun eigen opbouwstaat werd de rassenscheiding nog lang met vlagvertoon verdedigd en werden burgerrechten met tegenzin toegekend. We noemden dat een pijnlijk verleden, en onderkenden daarin niet een blijvende bestuursstijl. Toch veranderde er in de VS niet snel iets ten goede, hoezeer de juiste weg ook met veelbelovende woorden door opeenvolgende presidenten werd uitgestippeld en beleden.

Wij beschouwden al dat wanbeleid aan de andere kant van de oceaan als ruis in de marge, in plaats van als tekens aan de wand. Dat de VS zelf ooit een geopolitieke bedreiging voor ons zouden worden, kwam gewoon niet voor in het draaiboek. Zo’n plotwending was te ondenkbaar; die stond niet op de verpakking van hun geopolitieke ondernemerschap, dat ons overigens veel prachtige overzeese producten opleverde.

Een deel van de pers in Amerika heeft kans gezien om gevrijwaard te blijven van corruptie. Zij stelt de misstanden geloofwaardig aan de kaak. Ik wilde iets visueels gebruiken in mijn blogbericht en vond gemakkelijk wat ik zocht. Er bestaan krantenpagina’s met foto’s en koppen over Amerikaanse betrokkenheid bij staatsgrepen en steun aan dictatoriale regimes. Protestfoto’s uit de jaren ’50 tonen demonstranten vóór het Witte Huis tegen Latijns‑Amerikaanse dictators waar de VS mee omgingen. Dat illustreert dat Amerikaanse betrokkenheid al vroeg controversieel was.

Een voorpagina van The New York Times van 20 augustus 1953, die een door Amerika gesteunde staatsgreep in Iran (tegen premier Mohammad Mossadegh) in beeld brengt, is berucht. De krant doet verslag van het omverwerpen van een gekozen leider en de perceptie daarvan. Dit is historisch relevant omdat het een van de duidelijkste voorbeelden is van een Amerikaanse rol bij het verwijderen van een niet-communistische, democratisch gekozen leider; een gebeurtenis die veel historici als symbool gebruiken voor latere invloeden in Latijns-Amerika en elders.

Documentatie van Amerikaanse steun aan regimes zoals in Brazilië (1964) of Congo (met Mobutu) bevat foto’s in kranten en archieven. De hierboven afgebeelde voorpagina toont de tekst “Senators see FBI report on Kissinger and wiretapes” naast beelden van de VS die een dictatuur in Chili steunen. De historische nieuwsgebeurtenissen rond Watergate, wiretapping, en de kwalijke rol van Kissinger zijn ook elders uitgebreid beschreven en in beeld gebracht; vaak op de voorpagina van grote kranten.

De fascinerende rol van de Washington Post in de oude, nog objectieve, hoedanigheid, hoef ik hier niet te memoreren. Toen de Pentagon Papers werden gepubliceerd, stond dat prominent op de voorpagina van The New York Times in 1971. Dat verhaal legde de focus op geheime, controversiële Amerikaanse buitenlandse politiek en de Vietnam‑oorlog. In de jaren 1970 waren er veel voorpagina‑koppen in Amerikaanse kranten over Watergate, de Nixon‑administratie en de publieke verontwaardiging over illegale afluisterpraktijken.

De vrije pers in de VS bestond en bestaat. De verontwaardiging was er altijd en is momenteel weer groeiende, nu er een absolute gek aan de macht blijkt. De pers roert zich, de democraten hervinden hun kracht en wij hier lijken inmiddels ook helemaal klaar met de geweldadige narcist die de wereld tart met zijn waanzin. We lazen de handleiding van de zieke staat wat laat. Maar nu zijn we wakker.

You brought some joy inside my tears

Maar helaas gaat morele beoordeling de discussie over een sportprestatie domineren.

In de NRC stond een artikel van Anne Buunk en Sara Khosdelazad. Ik plaats het hier (met impliciete toestemming) omdat ik er iets over kwijt moet.

Na Jutta Leerdams olympische goud op de 1.000 meter volgden reacties die we de laatste tijd steeds vaker zien in progressieve kringen. Terwijl de schaatsster haar sportieve hoogtepunt beleefde, verschoof de publiekelijke aandacht razendsnel van het ijs naar haar morele status. De kern van de kritiek: wie haar sportprestatie bewondert, valideert indirect de omstreden uitspraken van haar Amerikaanse partner, Jake Paul.

Zo werd het bejubelen van Leerdams eigengereidheid door Marijn de Vries in haar NRC-column door critici afgedaan als ‘wit feminisme’. En Ruby Sanders stelde op OneWorld zelfs dat wie Leerdam een podium biedt, bijdraagt aan de normalisering van een fascistisch wereldbeeld. Sport en privéleven zijn volgens haar onlosmakelijk verbonden: alles is politiek.

Jake Paul staat inderdaad voor alles waar progressieve mensen, waar wij onszelf ook toe rekenen, tegen in opstand komen. Maar de felle kritiek op Leerdam, en met name op de mensen die haar toejuichen, legt een dieper probleem bloot. Het is een voorbeeld van een vorm van hedendaags activisme waarin morele zuiverheid belangrijker lijkt geworden dan maatschappelijke verandering.

In haar boek Actie! (2026) noemt politiek filosoof Nori Spauwen dit fenomeen treffend „moreel purisme”. Bij de morele purist wordt de focus op perfectie zo dwingend, dat het een verstikkende werking heeft. Morele paspoorten worden gecontroleerd en wie ook maar één millimeter afwijkt van de ‘ideale’ koers, is de vijand. Dit mechanisme beperkt zich allerminst tot de schaatsbaan.

We zien hetzelfde wanneer klimaatactivisten worden afgeserveerd omdat ze één keer in een vliegtuig zijn gestapt, of wanneer iemand wordt veroordeeld om een ongelukkige woordkeuze in een verder vlijmscherp betoog. In plaats van de pijlen te richten op systemische ongelijkheid, keert de beweging naar binnen. In de ergste vorm leidt dit morele purisme tot een vorm van superiorisme: de eigen standpunten zijn de enige juiste en staan nooit ter discussie.

Dit purisme is uitputtend, ineffectief en vertraagt daadwerkelijke verandering. Een beweging die alleen nog uit de ‘moreel volmaakten’ mag bestaan, krimpt per definitie tot een machteloze splintergroep. We maken de drempel om mee te doen zo verstikkend hoog, dat veel bondgenoten zich niet meer durven uit te spreken uit angst voor publieke terechtwijzing.

Bovendien is het micromanagen van elkaars leven niet alleen ineffectief, het is ook vreselijk saai. Activisme zonder humor, satire en relativering verliest aantrekkingskracht. Terwijl we elkaar de tent uitvechten over de vraag of een gouden medaille wel ‘zuiver’ genoeg is, lachen de werkelijke aanjagers van ongelijkheid in hun vuistje. Elke minuut die we besteden aan deze interne zuiverheid, is een minuut waarin de werkelijke ongelijkheid blijft bestaan.

Het is bovendien ironisch dat juist zij die strijden voor de autonomie van de vrouw, Leerdam nu reduceren tot een verlengstuk van haar partner. Door haar succes volledig te laten samenvallen met het wereldbeeld van de man aan haar zijde, ontnemen we haar precies waar het feminisme voor vecht: een eigen identiteit en moreel gewicht, los van haar privéleven. Het is wrang dat we uitgerekend op het moment van haar grootste sportieve succes een moreel tribunaal over haar privéleven openen.

De strijd voor gelijkheid en inclusiviteit is geen wedstrijd in wie het meest vlekkeloos leeft. Echte verandering ontstaat niet door individuele morele perfectie, maar door de bereidheid om ondanks onze tekortkomingen de handen ineen te slaan. In een complexe wereld zijn fouten onvermijdelijk; de focus moet dan ook verschuiven van het obsessief bestraffen van elke misstap naar het vermogen om te leren en weer samen door te gaan.

In een tijd waarin alles direct op scherp wordt gesteld, is een beetje mildheid juist heel krachtig. Het geeft ons de ruimte om de groep weer groter te maken, in plaats van iedereen af te serveren die niet precies jouw route volgt. Laten we onze energie daarom inzetten waar ze thuishoort: bij het bestrijden van ongelijkheid zelf, voordat iedereen is afgehaakt.

Anne Buunk is klinisch neuropsycholoog in het Universitair Medisch Centrum in Groningen. Ze is actief als Dolle Mina. Sara Khosdelazad is psycholoog in opleiding en onderzoeker. Ze is actief als Dolle Mina.

Ik ben het eens met de schrijfsters. Ik wilde een voorbeeld geven van een andere schaatster: Joy Beune. Zij verdiende wat bij door bloot in de Playboy te verschijnen. Moreel hoog in de boom zittende mensen vielen over haar heen; ook een soort van moreel purisme.

Inhoudelijk is dat naar mijn mening een vergelijkbaar voorbeeld, al zitten er ook verschillen tussen beide situaties. Als je kijkt naar het mechanisme dat de auteurs beschrijven, zit de overeenkomst vooral in de manier waarop morele beoordeling het gesprek over een sportprestatie of autonomie overneemt.

In het NRC-stuk gaat het bij Jutta Leerdam om kritiek die indirect via haar partner Jake Paul loopt: bewondering voor haar sportieve succes zou volgens critici impliciet diens politieke of maatschappelijke standpunten legitimeren. Columnisten zoals Marijn de Vries en stemmen in media als OneWorld (waaronder Ruby Sanders) werden onderdeel van die discussie. De auteurs koppelen dat aan wat filosoof Nori Spauwen “moreel purisme” noemt: de neiging om mensen langs een morele meetlat te leggen die nauwelijks afwijking toestaat.

Bij Joy Beune zie je een vergelijkbaar patroon wanneer haar keuze om naakt in Playboy te verschijnen leidde tot morele verontwaardiging: de discussie verschoof van haar sportprestaties naar haar persoonlijke keuzes. Critici koppelden haar handelen aan bredere morele of ideologische oordelen (“dit schaadt vrouwen”, “dit is niet feministisch”, enzovoort). Haar autonomie als individu kwam onder druk te staan doordat anderen bepaalden wat een “juiste” keuze zou zijn. Dat lijkt sterk op wat de NRC-auteurs beschrijven: een vorm van activisme waarbij persoonlijke morele zuiverheid centraal komt te staan, soms meer dan structurele kwesties.

Er zijn ook verschillen: bij Leerdam gaat de kritiek over associatie met een partner en diens ideeën. Bij Beune ging het om haar eigen keuze over seksualiteit en zelfpresentatie. Ironisch genoeg raakt dat tweede voorbeeld misschien nóg directer aan feministische autonomie: de vraag wie bepaalt wat een vrouw met haar lichaam mag doen.

Als je het abstract maakt, draait het in beide gevallen om hetzelfde spanningsveld: wordt iemand beoordeeld op haar prestaties en eigen handelen, of op een moreel totaalplaatje dat anderen samenstellen? Dat is de kernovereenkomst: het risico dat morele toetsing omslaat in sociale disciplinering, waardoor ruimte voor nuance, humor of individuele vrijheid kleiner wordt.

Ik vind dat een irritant fenomeen en wilde erop reageren met een provocatie. Vandaar mijn posting.

Ze doet slechts afstand als voorzitter en leider

Vastgereden in de drek van mijn wensgedachten, begrijp ik nu dat ze de stem voor het platteland nog luider gaat vertolken.

Even dacht ik dat ze er mee op zou houden. “Rijd de tractor maar voor, ik betaal de transportkosten.” Maar ze doet slechts afstand als leider. Ze blijft actief als Kamerlid. Ze blijft boeren mobiliseren. Ze trekt alleen de kar niet meer. Dit is geen koerswijziging; dit is stationair draaikonten op het erf.

Het wederzijds onbegrip is uit balans

Compassie en dialoog dichten de kloof niet meer.

Fascistisch gedrag contextualiseren met verzachtende verklaringen oogt angstig en doelloos. Compassie voor klootzakken schaadt hun slachtoffers. Kwaad met strafrecht aanpakken is geen schande. Stop de slappe vergevingsgezinde psychotalk.

In een van zijn columns haalt Sander Schimmelpenninck fel uit naar het pleidooi van Bernice Franssen, die oproept tot meer compassie en dialoog met radicaal-rechts om de maatschappelijke kloof te dichten.

Volgens de columnist is deze benadering gebaseerd op een naïeve en elitaire misinterpretatie van filosofische concepten, waarbij onterecht wordt gesuggereerd dat er sprake is van een gelijkwaardige ‘cyclus’ van wederzijds onbegrip. De tekst stelt dat empathie een effectief instrument kan zijn in een therapeutische een-op-een-setting, maar dat het volstrekt tekortschiet als politiek antwoord op een beweging die de democratische rechtsstaat actief probeert te ondermijnen.

In plaats van de “toonpolitie” te volgen en begrip op te brengen voor onverdraagzaamheid, pleit de schrijver voor een strijdbaardere houding. Het idee dat men fascistoïde overtuigingen met zachtmoedigheid kan bestrijden, wordt afgedaan als een gevaarlijke vorm van paternalisme die de kwaadwilligheid van de tegenstander uit het oog verliest. De conclusie is helder: in de confrontatie met vijanden van de democratie is het winnen van de ideologische strijd belangrijker dan het bewaren van de lieve vrede of het vermijden van conflict.

Het gaat hier om een klassiek conflict tussen de ethiek van de dialoog en de ethiek van de weerbare democratie. De kern van de kritiek in de column is eigenlijk een fundamenteel meningsverschil over de aard van politiek:

  • Bernice Franssen (en de stroming die zij vertegenwoordigt) ziet politiek als een proces van heling en verbinding, waarbij onbegrip de bron van het probleem is.
  • De columnist ziet politiek als een strijd tussen onverenigbare waarden, waarbij het niet gaat om een gebrek aan begrip, maar om een fundamenteel verschil in intentie (kwaadwilligheid versus democratie).

Het is interessant om te vermelden dat dit debat in de politieke filosofie bekendstaat als de “Paradox van de tolerantie” van Karl Popper. Deze stelt dat als een samenleving onbeperkt tolerant is, zelfs tegenover degenen die intolerant zijn, de toleranten uiteindelijk zullen worden vernietigd en de tolerantie met hen.

De achterkant van de ontamerikanisering

Dank Marcia voor de plastische voorstelling van zaken.

We ontamerikaniseren onze digitale systemen of anders: “Vol overgave de dikke lillend-witte Amerikaanse presidentiële reet likken.” Marcia Luyten plaatst het woord ‘ondernemen’ in een nieuwe ‘konttext’. Het vult een afzichtelijk gat, zeg maar. ONT- of KONTamerikaniseren, that is the question.

De democratie is een kostbaar goed

Met iedere aanslag sloopt Israël zijn eigen rechtstaat.

Mijn eerste associatie was: napalm. De tweede: Zyklon B. Wat de Israëlische regering van de geschiedenis had kunnen leren, is dat verschrikkingen niet moeten worden herhaald. Maar Netanjahu c.s. verspreidt zenuwgas in woorden en daden.

https://www.volkskrant.nl/buitenland/israel-sproeit-landbouwgif-in-grensgebied-libanon-en-syrie-rampzalige-gevolgen-voor-de-grond~bff93157/

De paradox van de agro-industrie

Agro-industrie & boerocratie doen denken aan anarcho-primitivisme: landbouw als bron van een cliëntelistische staat die boeren helpt via subsidies en uitzonderingsregels. Resultaat: een sector die vasthoudt aan een vervuilend overlevingsmodel. En die critici bedreigt.

De begrippen agro-industrie en ‘boerocratie’ vertonen een sterke ideologische verwantschap met het anarcho-primitivisme. Deze stroming voert de wortels van hiërarchie en sociale dwang terug naar de neolithische revolutie: het moment waarop de mens overstapte van het jagen en verzamelen naar vaste landbouw. In deze visie was de ‘uitvinding’ van de boer de noodzakelijke voorwaarde voor de geboorte van de staat, die immers afhankelijk was van belastbare overschotten.

In de moderne tijd heeft de staat de agro-industrie verder vormgegeven via een complex stelsel van prijssteun, garanties en uitzonderingsbepalingen. Dit beleid was primair gericht op schaalvergroting en maximale productie, waarbij de ecologische grenzen vaak ondergeschikt werden gemaakt aan economische belangen. Hierdoor is een systeem ontstaan waarin boerenbedrijven structureel afhankelijk zijn geworden van subsidies en industriële input (zoals kunstmest en bestrijdingsmiddelen).

Deze ‘lock-in’ creëert een situatie waarin de agrarische sector vastzit in een kapitaalintensief model. De weerstand tegen strengere milieunormen komt dan ook voort uit een economisch overlevingsmechanisme: binnen het huidige agro-industriële kader is de overstap naar een natuurinclusieve bedrijfsvoering voor velen financieel onhaalbaar zonder de volledige afbouw van het huidige systeem.

PS: Ik spreek in het BlueSky-bericht van een cliëntelistische staat, omdat ik wil wijzen op de politieke “vriendjespolitiek” waarbij de staat de agrarische achterban tevreden houdt met gunstige regels in ruil voor steun. Misschien had ik nog beter kunnen kiezen voor het woord corporistisch. Een corporatistische staat kenmerkt zich namelijk door de nauwe verwevenheid tussen de overheid en grote belangengroepen (zoals de agro-industrie). Dit dekt precies de lading van de ‘boerocratie’: een systeem waarin beleid, subsidies en uitzonderingsregels worden afgestemd op de belangen van de gevestigde machtsblokken. En dan is er een nog ontoegankelijker woordencombinatie, namelijk ‘Interventionistische staat’. Dat is een neutrale, wetenschappelijke term voor een staat die de markt kunstmatig stuurt (via die subsidies en prijssteun).

Mijn Valentijn, who bist du?

Wellicht surveilleert hij stiekem boven mijn huis.

Ik geloof dat ik vriend Peter ben verloren omdat ik hem plaagde met zijn Drone-cursus. Voor de studie en materiaalaanschaf gebruikte hij zijn Persoonlijk Ontwikkelbudget (POB). Daar mag iedere werknemer van Prorail uit putten voor opleidingen, trainingen, workshops of loopbaanactiviteiten. Je kunt dit binnen fiscale grenzen grotendeels zelf inzetten, zonder aparte toestemming vooraf. Het resterend budget mag worden meegenomen naar het volgende jaar. Peter had er vorig jaar geen beroep op gedaan; vandaar dat hij ditmaal tweemaal € 1.000 kon inzetten. De aanschaf van de drone en toebehoren werden als essentieel gezien om het vliegbrevet met goed gevolg te kunnen halen.

“Hé, ben je iets nuttigs gaan doen met je speeltje?”, schreef ik bij dit knipsel uit de Volkskrant dat niet over ‘mijn’ Peter gaat maar over dasseninspecteur Peter Klaver.

Mijn kritiek op die geldsmijterij is dat de kosten van zulke emolumenten tot stijgende prijzen van treinkaartjes en trajecttoeslagen leiden (die toch al niet mals zijn). Daar was hij het overigens mee eens. Maar ja, zijn tegenargument klonk ook niet onlogisch: de mogelijkheden bestonden nu eenmaal. Hij maakte daar dus gewoon maar gebruik van. Zou ik niet hetzelfde hebben gedaan als ik nog treindienstleider was?

Die vraag moet ik schuldig blijven. Ik maakte ooit een veiligheidsfout en verliet het bedrijf voortijdig. Misschien ben ik sindsdien gevoelig voor alles wat met verkeersleiding te maken heeft. Het is een feit dat ik het altijd als een deceptie heb ervaren dat ik daar zelf de hand in heb gehad. Niet alleen in het abrupte einde van mijn loopbaan, maar ook in de manier waarop ik sindsdien naar spoorzaken ben blijven kijken; alsof ik nog steeds langs de kant van het emplacement sta, terwijl de treinen zonder mij vertrekken.

Ik was ook nooit de beste verkeersleider, moet ik eerlijk zeggen. Ik ging altijd wat nerveus naar het werk. Anderen leken het overzicht moeiteloos te bewaren; zij spraken over het omzetten van wissels, het vrijgeven van rijwegen en het uitschakelen van bovenleidingen alsof het schaakzetten waren. Bij mij zat er altijd een fractie twijfel tussen waarnemen en handelen. Niets dramatisch, meestal niet eens zichtbaar voor collega’s, maar genoeg om je eigen vertrouwen langzaam uit te hollen. Die ene veiligheidsfout was misschien onvermijdelijk. Achteraf voelt hij bijna logisch, alsof hij al jaren onderweg was.

Misschien kijk ik daarom zo scherp naar alles wat met het spoor te maken heeft. Niet uit superioriteit; eerder uit een mengeling van spijt en nostalgie. Jaloezie speelt waarschijnlijk ook mee. Peter staat nog midden in het bedrijf, tussen de dienstregelingen en het koffieautomaat, waar het gesprek altijd ergens over storingen, collega’s of reorganisaties gaat. Hij hoort daar nog bij. Ik niet meer.

Dat persoonlijk ontwikkelbudget is trouwens ooit door de vakbond binnengehaald, althans zo gaat het verhaal. Een verworven recht, bedoeld om werknemers wendbaar te houden in een sector die voortdurend verandert. Nieuwe technieken, digitalisering, drones blijkbaar ook. In theorie een prachtig idee: mensen de kans geven zichzelf opnieuw uit te vinden zonder meteen afhankelijk te zijn van leidinggevenden of budgetrondes. In de praktijk betekent het soms dat iemand met twee keer duizend euro aan opgespaard budget thuiskomt met een drone die meer kost dan mijn eerste auto.

En daar begon dus het plagen. Bovenop mijn eerste kritiek stapelde ik wat kleine opmerkingen richting Peter (zie afbeeldingen). Aanvankelijk was het onschuldig. Een opmerking hier, een krantenknipsel daar. Ik vond het geestig; precies scherp genoeg om grappig te zijn, zo dacht ik. Maar Peter reageerde niet. Humor werkt uitstekend zolang beide partijen weten dat het een grap is. Maar ergens onderweg verloor ik misschien dat kompas. Misschien omdat ik eigenlijk niet met hem sprak, maar met mezelf, met de versie van mij die ooit ook recht had gehad op cursussen, certificaten en nieuwe kansen.

Sindsdien is het stil. Ik ben inmiddels benieuwd naar die dronefilmpjes. Waar vliegt hij zoal heen als vreemde vogel en wat brengt hij in beeld? Ik kijk steevast naar boven als ik mijn huis verlaat.

Mijn begeleidend commentaar bij dit knipsel uit de NRC luidde: “Jij haalt de krant wel vaak, de laatste tijd.” Het ging overigens om een interview met de opiniepeiler Peter Kanne.