John McWhorter beschrijft in zijn boek Woke Racism hoe bepaalde vormen van sociale rechtvaardigheid een dogmatisch karakter kunnen aannemen, vergelijkbaar met religie. Ook de filosoof Sam Harris uit regelmatig zijn zorgen over de call-out culture, die volgens hem contraproductief is voor maatschappelijke vooruitgang. Hij pleit voor een eerlijker en constructiever debatklimaat. Ik moest aan deze specifieke kritiek van beide mannen denken toen ik hoorde dat sympathisanten van klimaatbeweging Extinction Rebellion naar het Mediapark in Hilversum waren getogen om bij het gebouw van de NOS te demonstreren tegen de publieke nieuwsvoorziening.
Het roept een ongemakkelijk gevoel op wanneer je kritiek moet leveren op mensen die je in veel opzichten als geestverwanten beschouwt. Je richt je pijlen liever niet op ‘woke’ of links activisme, omdat je de doorgaans goede intenties van de betrokkenen kent en er vaak genoeg zelf mee hebt ingestemd. Toch stuit mijn medeleven op een grens wanneer activisten instellingen als de media of de wetenschap tot vijand verklaren, enkel omdat die volgens hen onvoldoende verantwoordelijkheid nemen in het benoemen van structureel onrecht. Die kritiek werkt in mijn ogen tegengesteld, dus in strijd met het beoogde doel.
Volgens mij zijn de publieke omroep en de onafhankelijke wetenschap in Nederland nog altijd in staat tot redelijkheid en objectiviteit. Als zulke instituties bij voorbaat worden gewantrouwd, verdwijnt de voedingsbodem voor het soort open uitwisseling waarop een democratische cultuur drijft. Dan gaat het niet langer om verbinding of overtuiging, maar om afrekening. Wat resteert, is een strijd waarin alleen ‘de zuiveren’ nog recht van spreken hebben — met alle risico’s van uitsluiting, moralisme en intellectuele verschraling van dien. Juist wie oprecht gelooft in vooruitgang, rechtvaardigheid en empathie, zou zich moeten verzetten tegen zo’n gesloten houding. In het vermogen tot zelfkritiek binnen de eigen morele kring ligt misschien wel de grootste kracht van een werkelijk progressieve geest. Helaas zie ik dat vermogen steeds vaker plaatsmaken voor reflexen, groepsdenken en morele zelfverheffing.
Liever zou ik mij niet genoodzaakt voelen mij uit te spreken tegen vormen van activisme die voortkomen uit kringen waarmee ik mij verwant voel. Maar tussen de waarden die ik deel en de strategieën die ik niet langer kan verdedigen gaapt een kloof die ik onmogelijk met de mantel der sympathie kan bedekken. Er tekent zich een scherp spanningsveld af tussen idealistische zuiverheid en pluralistische weerbaarheid. Waar idealisten streven naar morele consistentie — waarbij elke nuance al snel als verraad geldt — vraagt een open samenleving juist om grijstinten, zelfonderzoek en het vermogen om de eigen overtuigingen te bevragen. Ontbreekt dat, dan dreigt activisme niet langer bevrijdend maar onderdrukkend te worden, en werkt het, hoe ironisch ook, mee aan het ondermijnen van persvrijheid en onafhankelijk onderzoek.
De eerder genoemde auteurs behoren onmiskenbaar tot het progressieve kamp, althans in hun overtuigingen over rechtvaardigheid, racisme en rationaliteit. Toch liepen hun sympathieën op een bepaald moment spaak, en juist daarin schuilt iets wezenlijks: de tragiek van interne kritiek. Wie zich uitspreekt tegen uitwassen binnen de eigen kring, wordt niet zelden als verrader gezien, alsof kritiek alleen legitiem is wanneer die van buiten komt. Neem Sam Harris. Hij mag dan geen academisch filosoof zijn in de strikte zin van het woord — hij publiceert niet in peer-reviewed tijdschriften — maar zijn werk getuigt van een diepgaande filosofische inzet. Zijn toon is vaak polemisch, zijn publiek breed, en dat maakt hem voor sommige academici moeilijk serieus te nemen. Toch werpt hij zich telkens weer op als verdediger van wetenschappelijke integriteit, rationeel debat en morele helderheid; de kernwaarden van een vrije samenleving.
Het vraagt moed om je, als publieksdenker, uit te spreken tegen activisme dat voortkomt uit je eigen ideologische kring. Vaak is zo’n moment pas bereikt nadat je talloze beschuldigingen, verdachtmakingen en misplaatste verwijten hebt moeten slikken. Wie zich in dat wespennest begeeft, moet kunnen onderscheiden tussen gedeelde idealen en problematische methoden, en bereid zijn daar openlijk stelling in te nemen. Dat kost tijd, energie en reputatie. Je zou hopen dat iemand als Harris zich volledig zou kunnen wijden aan grotere thema’s, zoals hij dat eerder deed in The Moral Landscape of Free Will. Maar de intellectuele huishouding binnen het eigen kamp vraagt om onderhoud. En zolang een kritisch geluid wordt verward met afvalligheid, blijft dat onderhoud noodzakelijk.
John McWhorter, taalwetenschapper aan de Columbia University, behandelt in Woke Racism hoe de antiracistische beweging is veranderd in wat hij noemt een ‘nieuwe religie’, compleet met dogma’s, ketterjachten en rituelen van publieke boetedoening. Volgens McWhorter verliezen sommige progressieve activisten hun greep op de realiteit zodra zij structureel racisme benoemen in situaties waarin nuance en context ontbreken. Zijn kritiek richt zich niet op het idealisme zelf, maar op de verabsolutering ervan. Wanneer elk verschil in uitkomst automatisch wordt gezien als bewijs van onderdrukking, verwordt rechtvaardigheid tot een gesloten systeem zonder ruimte voor tegenspraak of verzoening. Daarmee ondermijnen deze activisten het draagvlak voor de emancipatie die zij juist beogen.
Wat Harris en McWhorter gemeen hebben, is hun poging om binnen hun eigen invloedssfeer een onwelgevallige waarheid uit te spreken: morele zuiverheid zonder reflectie is gevaarlijk. Kritiek van binnenuit, zoals zij die eloquent verwoorden, is geen aanval, maar een noodzakelijke correctie; een poging om idealen te verbinden met realiteitszin. Juist nu, in een tijd waarin het morele kompas vaak plaatsmaakt voor groepsdruk, sociale media-verontwaardiging en performatieve rechtvaardigheid, is het zaak om terug te keren naar de kern van kritisch denken. Dat betekent: luisteren, twijfelen, nuanceren en durven spreken, ook als dat ongemakkelijk is. Misschien begint échte vooruitgang wel bij het erkennen dat onze bondgenoten soms ook onze gesprekspartners in kritiek moeten zijn.
Sam Harris spreekt zijn zorgen over call-out culture en cancel culture uit in meerdere contexten, maar het duidelijkst komt dit naar voren in zijn podcasts en essays, en in mindere mate in zijn boeken. Het is echter wel in het boek The Moral Landscape (2010) en meer expliciet in Free Will (2012) dat hij de basis legt voor zijn kritiek op moreel absolutisme en groepsdenken, ideeën die in nauw verband staan met zijn latere uitlatingen over call-out culture.
Als je specifiek op zoek bent naar een plek waar hij duidelijk en kritisch reflecteert op call-out culture als maatschappelijk fenomeen, dan zijn zijn podcast Making Sense (voorheen Waking Up) en diverse bijbehorende essays of interviews de meest directe bronnen. Hierin uit hij concreet en expliciet zijn zorgen uit over een bepaalde vorm van ‘wokisme’ als een contraproductief verschijnsel voor maatschappelijke vooruitgang.
Een samenstelling van zijn beste interviews zijn in een boek gevat.
In de aflevering The New Religion of Anti-Racism (2020) bespreekt Harris uitvoerig hoe de huidige sociale rechtvaardigheidsbeweging volgens hem religieuze trekken vertoont, inclusief het straffen van afwijkende meningen.
In de podcastaflevering Can We Pull Back From the Brink? spreekt hij over hoe online veroordeling en morele verontwaardiging het debat blokkeren.
Ook in zijn e-mails en teksten op zijn website (samharris.org) verwijst hij regelmatig naar het gevaar van ideologische zuiverheid en de manier waarop cancel culture nuance ondermijnt.
Geen zorgen: hier wordt waarde niet gelijkgesteld aan opbrengst.
Valt het je ook op hoeveel podcasts er tegenwoordig worden gemaakt die zogenaamd ‘gratis’ zijn, ware het niet dat ze bijna allemaal worden onderbroken door reclameboodschappen? Meestal klinken die als standaard spotjes, maar steeds vaker worden ze uitgesproken door de podcastmakers zelf. Met een ironische knipoog, een quasi-verontschuldigende toon, alsof ze er zelf ook niet helemaal achter staan. Het is een merkwaardig fenomeen: de makers erkennen impliciet de frictie tussen inhoudelijke integriteit en commerciële noodzaak.
Eenmansuitgeverij Cum Suis heeft zich voorgenomen dat het nooit serieus in zaken zal gaan. Het zal dus altijd bij spelevaren blijven wat betreft haar activiteiten.
Die ironie blijkt geen toeval. Ze vormt het schaamlapje voor wat in wezen een knieval is naar het zakenleven. Door te adverteren binnen hun eigen product – vaak in een luchtige, zogenaamd kritische toon – proberen de makers hun publiek te sussen: ja, we verkopen iets, maar we weten zelf ook hoe ongeloofwaardig we onszelf hiermee maken. De ironie wordt zo een beschermlaagje, een vorm van zelfrelativering die moet verhullen dat er wel degelijk werd gekozen voor een commercieel verdienmodel.
Wat hier wringt, is niet per se dat podcastsamenstellers geld willen verdienen – dat lijkt me begrijpelijk – maar dat de wervende praatjes de grens tussen inhoud en promotie steeds vager maken. De luisteraar weet niet meer precies wanneer hij naar een oprecht verhaal luistert, en wanneer hij wordt beïnvloed door marketing. Zelfs het persoonlijke, het ‘echte’, is verhandelbaar geworden, juist omdat het authentiek klinkt.
Schijnadvertentie voor een schijnbedrijf van een echtpaar met onwaarschijnlijke, wnat anagrammatische namen.
Misschien is dat de prijs van ‘gratis’ content in een wereld waar alles gemonetariseerd moet worden. Maar je kunt je afvragen: wat blijft er over van onafhankelijke stemmen als ze zichzelf voortdurend moeten verkopen? En wat gebeurt er met het vertrouwen van het publiek, als ironie het enige schild is tegen de sluipende invloed van commercie?
Tegen die achtergrond wil ik iets zeggen over mijn eigen werk. Ik run een kleine, onafhankelijke uitgeverij, genaamd Cum Suis. Deze eenmanszaak heeft uiteraard geen aandeelhouders, maar kent ook geen verdienmodel met advertenties en geen verborgen commerciële agenda. Het wil gewoon een plek zijn waar ideeën en verhalen centraal staan zonder dat ze eerst door een marketingfilter hoeven.
De website cumsuis.org is en blijft vrij van advertenties. Geen banners, geen gesponsorde content, geen podcasts die onderbroken worden door stemmetjes die je vertellen wat je echt niet kunt ontberen. Want ik geloof dat sommige dingen niet verkocht hoeven te worden. Sommige dingen mogen gewoon bestaan, op eigen kracht, in hun eigen taal.
Cum Suis zal nooit commercieel worden, omdat ik geloof dat er ruimte moet blijven voor stemmen die niet inwisselbaar zijn. Voor boeken, verhalen en inzichten die niet gebonden zijn aan klikcijfers, verkoopstrategieën of algoritmes. In een tijd waarin zoveel content wordt gestuurd door economische belangen, wil ik juist vasthouden aan het onbetaalbare: onafhankelijkheid, eigenaardigheid, durf, nuance, ja misschien wel aan een zweem van gekte. Dat maakt het kwetsbaar, maar ook echt, vind ik.
In een wereld waarin alles financieel exploiteerbaar en geldgedreven lijkt te zijn, geloof ik dat juist het niet-verhandelbare waarde heeft: een vreemd verhaal, een onverwachte gedachte, een publicatie die nergens in past omdat niemand er op zat te wachten. Cum Suis is geen product, het is een houding. Een klein gebaar van trouw aan het idee dat je ook iets kunt maken zonder iets te hoeven verkopen. Dat ideeën niet pas tellen als ze economisch inzetbaar zijn. Hier wordt waarde niet gelijkgesteld aan opbrengst. Hier krijgt niets een prijs en maak ik niets te gelde ten koste van de inhoud. Hier duw ik lezers dingen door de strot waarbij als enig excuus geldt dat iedereen dit blogberichtje ten alle tijden kan verlaten.
Hoe zou de boodschap van dit bericht eruit zien, als ik iets te verkopen had?
Er is een eerste keer voor alles en voor Cum Suis markeert vandaag een mijlpaal om te vieren. Met trots kondigen we aan dat we ons allereerste opdrachtproject hebben voltooid: een prachtig vormgegeven brochure voor Serena, de bijzondere uitvaartorganisatie onder leiding van het toegewijde echtpaar Noor en Ron van Dalden.
Serena is niet zomaar een uitvaartdienst. Noor en Ron hebben hun levenswerk gewijd aan een diep menselijke missie: het bieden van afscheidsceremonies die net zo uniek zijn als de levens die ze herdenken. Met hun motto “Een uitvaart in uw stijl, met onze expertise” hebben zij talloze families bijgestaan in het zorgvuldig en respectvol vormgeven van een persoonlijk afscheid.
Om de geest van hun werk vast te leggen, wilden ze meer dan een brochure; ze droomden van een boek.
Een verzameling van duizend-en-één ideeën, geboren uit jarenlange ervaring, die laat zien hoe een afscheid persoonlijk, betekenisvol en onvergetelijk kan zijn. Van intieme plechtigheden in een familietuin tot muzikale eerbetonen op onverwachte locaties: Noor en Ron hebben de meest oprechte laatste wensen mogelijk gemaakt en deze zelf begeleid.
Voor Cum Suis was de samenwerking met Serena dan ook meer dan een professionele opdracht. Het was een ontmoeting van gedeelde waarden: de overtuiging dat elk leven een verhaal vertelt, en dat het goed vertellen van dat verhaal een diepe vorm van liefde is. We zijn vereerd dat we de pagina’s mochten vormgeven die de tederheid, creativiteit en toewijding weerspiegelen waarmee Serena haar families bijstaat. Een passend begin voor Cum Suis en een herinnering dat publiceren, in wezen, gaat over stem geven aan wat er écht toe doet.
Onno van Dorreland sr., de grootvader van de gelijknamige schrijver (waarvan Cum Suis enkele titels mocht publiceren), was een jonge postbode in Arnhem toen de Tweede Wereldoorlog uitbrak. Die zwarte periode zou gedurende geruime tijd de officiële uitoefening van zijn beroep aan banden leggen. De man zat echter niet stil. Hoewel de omstandigheden zwaar waren, verkeerde hij in de kracht van zijn leven.
Blauwe pakken? Dat gaat eigenlijk niet op voor de PTT-medewerkers. De pakken waren in de winter zwart en van wol, in de zomer groen en van katoen, en hadden een dubbele knopenrij. De pet bezat een rode bies.
Wat men later over hem zou ontdekken — hoewel nooit met zekerheid — was dat hij in stilte bleef rondgaan, zelfs toen de officiële postbedeling vanaf half augustus 1944 vrijwel tot stilstand kwam. Niet in uniform, niet met zijn vertrouwde leren tas, maar met de vastberaden tred van iemand die zijn weg kende, en zijn eigen route liep. Hij bezorgde geen brieven meer van gemeentewege, maar zogenaamde ‘witte post’. Deze post werd ‘wit’ genoemd omdat het geen officiële zegels of stempels droeg. Het ging puur om menselijkheid en de behoefte aan contact en hulp in de meest wanhopige tijden. Van Dorreland was geen saboteur, geen spion, geen held. Wat hij precies deed, bleef onduidelijk, zoals dat hoort bij hen die niet worden herdacht.
Wat wel met zekerheid overbleef, waren zijn gedichten. Zijn kleinzoon trof die later aan, achter een loszittende plank op zolder. Eén daarvan droeg de datum 10 april 1945, dus dat gedicht scheen slechts enkele dagen voor de bevrijding van Arnhem te zijn voltooid. In half uitgeveegd potlood, op een afgescheurde reep behang, noteerde hij bovenstaand vers.
In vredestijd was Onno van Dorreland sr. een vertrouwd gezicht geweest in de wijk Klarendal en het verder zuidoostelijk gelegen Spijkerkwartier. Elke ochtend deed hij zijn ronde langs de molen, de statige- en de arbeiderswoningen, de winkels en de café’s. De kinderen groetten hem, oude dametjes gaven hem thee met een koekje, en soms las hij een brief voor aan iemand wiens ogen niet meer zo goed wilden.
PTT-medewerkers onderschepten systematisch verraadbrieven. Ze openden voorzichtig brieven die bestemd waren voor Duitse instanties. Als ze daarin informatie vonden die landgenoten in gevaar bracht (bijvoorbeeld door Joden of onderduikers te verraden), waarschuwden ze de potentiële slachtoffers persoonlijk of schriftelijk met een kort bericht als ‘Wees voorzichtig’. Deze acties hebben ongetwijfeld levens gered en tonen een staaltje van burgerlijk verzet binnen een cruciaal staatsbedrijf.
De oude drogisterij De Bode op nr. 24 werd helaas opgedoekt op last van de bezetter.
In de nacht van 10 april 1945, terwijl het kanongebulder steeds dichterbij kwam en de lucht trilde van naderend geweld, zag hij in de verte de contouren van Elst, gehuld in rook en vlammen. Arnhem was sinds de mislukte Slag om Arnhem in september 1944 – een gewaagde maar tragisch verlopen geallieerde operatie – in Duitse handen gebleven. Men had de vernielde stad grotendeels ontruimd en leefde al maanden in afwachting van een nieuwe bevrijdingspoging. Nu trokken Canadese troepen eindelijk op vanuit het zuiden, en Elst – zwaar getroffen en in brand – lag op hun route naar Arnhem. In die gespannen nacht, met de bevrijding in aantocht maar nog vol onzekerheid, schreef hij een gedicht dat opmerkelijk licht van toon was. Jaren later zou zijn kleinzoon het beschouwen als een van de mooiste die hij ooit van de hand van zijn opa had gelezen. De man overleefde de oorlog en ook de vrede, hoewel hij daarvan slechts zes jaar heeft kunnen genieten. Onno van Dorreland sr. leerde nog wel de liefde van zijn leven kennen, en kreeg ook een zoon en een dochter. Hij stierf helaas vroegtijdig en onverwacht.
De postbezorging ging in Arnhem – en in grote delen van Nederland – door tijdens de Tweede Wereldoorlog, zij het met aanzienlijke verstoringen en beperkingen.
Voor de Slag om Arnhem (tot september 1944):
Beperkt maar functionerend: Over het algemeen bleef de PTT functioneren onder Duitse bezetting. Dit betekende dat brieven en pakketten nog steeds werden bezorgd, hoewel er natuurlijk censuur was en de bezetter de infrastructuur kon gebruiken voor hun eigen doeleinden.
Joodse postbodes: Zoals eerder vermeld, was er bijvoorbeeld een Joodse postbode, Elias Schaap, actief in Arnhem. Hij is een voorbeeld van de vele PTT-medewerkers die probeerden hun werk te blijven doen onder moeilijke omstandigheden.
Verzetswerk: Zoals het feitje over verraadbrieven al aangaf, gebruikten sommige PTT-medewerkers hun positie om verzetswerk te doen. Dit toont aan dat er ondanks de bezetting nog steeds een basisstructuur was.
Tijdens en na de Slag om Arnhem (september 1944 en daarna):
Catastrofale onderbreking: De Slag om Arnhem (Operatie Market Garden) in september 1944 had een verwoestende impact op de stad en daarmee ook op de postbezorging. Arnhem werd zwaar beschadigd, en een groot deel van de bevolking werd geëvacueerd.
Stakingen en logistieke problemen: Na Operatie Market Garden gingen Nederlandse spoorwegpersoneel in staking voor de rest van de oorlog. Dit had ernstige gevolgen voor de postdienst, omdat treinen en postwagens niet meer beschikbaar waren voor regulier transport.
Beperkte en vertraagde post: De postdienst raakte hierdoor ernstig verstoord. Post kon extreem lang onderweg zijn, en veel zendingen kwamen nooit aan. Er zijn voorbeelden van brieven die pas maanden of zelfs na de oorlog werden bezorgd, soms zelfs nadat de ontvanger al was omgekomen.
Rode Kruis en andere organisaties: In de periode na de Slag om Arnhem en tijdens de Hongerwinter speelden het Rode Kruis en andere hulporganisaties een cruciale rol bij het verzenden van berichten en pakketten naar en van getroffen gebieden, vaak via speciale routes en met goedkeuring van de bezetter.
De postbezorging ging in zekere zin door, maar in Arnhem werd dit na september 1944 zo goed als onmogelijk en onregelmatig door de enorme vernietiging en evacuatie.
In de bezettingsjaren werd de Menno van Coehoornkazerne kazerne door de Duitsers gebruikt. Op de eerste dag van (17 september 1944) van de geallieerde operatie Market Garden, bombardeerde een groep Britse jachtbommenwerpers de drie Arnhemse kazernes; de Engelsen wilden zo veel mogelijk Duitsers uitschakelen als voorbereiding op de operatie. De Willemskazerne brandde geheel uit. De Saksen-Weimarkazerne en de Menno van Coehoornkazerne ontsnapten aan dit lot. Wel troffen enkele bommen bedoeld voor de Van Coehoornkazerne nabijgelegen woonhuizen. In de Sintjanskerkstraat kwamen Engelse bommen neer die eigenlijk bedoeld waren voor de toenmalige kazerne aan Klarendalseweg een paar honderd meter verderop. De misrekening van de Engelse vliegers veroorzaakte een flinke schade. Ook vielen er diverse dodelijke slachtoffers.
Niet de melodie die ik in gedachten had, maar toch.
Tussen verliefd zijn of bevriend ligt heus geen wereld van verschil. Wie weet waartoe de liefde dient? Wie weet voortdurend wat hij wil?
Als dan wat tederheid ontstaat tussen van schuld doordrongen lijven. Als ik je strikt platonisch streel maar wij de liefde haast bedrijven.
Staart dan verliefd zijn of bevriend niet door dezelfde roze bril? Zeg me, verliefd zijn of bevriend, wat is nog eigenlijk het verschil?
Al heb je… mijn liefde…verdiend, blijf jij…toch maar liever…mijn vriend.
Tussen verliefd zijn of bevriend heeft men de grenzen aangegeven. Onze gevoelens, uitgekiend, ’t wordt allemaal precies omschreven.
Zo hou je van je man, zo van je hond, we worden in ’t nauw gedreven. Jij bent een homo, jij bent bie, dus wil je daar dan ook naar leven?
Of wij verliefd zijn of bevriend houd dat maar liever even stil. Zeg me, verliefd zijn of bevriend, wat is nog eigenlijk het verschil.
Al heb je… mijn liefde…verdiend, blijf jij…toch maar liever…mijn vriend.
Met dat verliefd zijn of bevriend voelden wij ons vaak verlegen. Je werd gezien, je werd gescreend, je had de hele wereld tegen.
Door dik en dun, wij met z’n twee, je kon ons niet meer zomaar scheiden. Wij vlogen op de wolken mee, er kwam geen ander tussenbeiden.
Of je bevriend bent of verliefd, daar staat een kind nog niet bij stil. Tussen verliefd zijn of bevriend, ligt heus geen wereld van verschil.
Al heb je… mijn liefde…verdiend, blijf jij…toch maar liever…mijn vriend.
(Tekst: Ronald van Noorden)
De eerste strofe stelde mij meteen voor een probleem. In het begin had ik dit:
Tussen verliefd zijn of bevriend ligt heus geen wereld van verschil. Een simpel bed, onaangediend vraagt het verlangen wat het wil.
Maar AI – die ik voor het vinden van een melodie gebruik – kon niet uit de weg met het woord ‘onaangediend’. Luister maar:
Toen verzon ik:
Tussen verliefd zijn of bevriend ligt heus geen wereld van verschil. Ik heb je lichaam niet verdiend maar waar een weg is, is een wil.
Dat vond ik weer te lichamelijk. Bovendien komt het woord ‘verdiend’ ook al voor in het refrein.
Een speciaal probleem vormde het gebruik van het woord ‘gescreend’ in de zevende strofe. In een nederlandstalig lied, maakt de zanger daar ‘geskréénd’ van. Luister maar:
Dat probleem bleek snel te verhelpen door in de geprompte tekst ‘geskrient’ in te vullen.
Daarna ging ik alweer te moeilijk doen in die vermaledijde eerste strofe met een paar onmogelijke zinnen:
Tussen verliefd zijn of bevriend ligt heus geen wereld van verschil. Wij weten waartoe liefde dient maar ook wat het verlangen wil.
‘Wij weten waartoe liefde dient’. Huh? Juist niet, dacht ik. En ook niet wat het verlangen of de begeerte wil. Die strofe werd dus ook geschrapt.
Er bestaan overeenkomsten tussen mijn zus en mij, maar de verschillen overheersen. Zo is zij een fervente reiziger en ben ik een minstens even enthousiaste thuisblijver. We delen genen maar geen gewoonten. Ja, erfelijk gezien zijn we ‘uitlopers’ aan dezelfde boom, maar wat onze economische omstandigheden betreft, vormt zij de bloeiende loot die exotische vruchten draagt, en werd ik, zo wilde mijn lot, een tamelijk onzichtbare tak in deze dendrologische metafoor. Je zou mij ook – om een bruggetje te slaan naar haar vakantie in Italië, waarvoor zij en haar man hun BMW i7 M70 van stal haalden – de wandelende tak van de familie kunnen noemen.
Mijn zus en ik vertegenwoordigen verschillende vervoersmiddelen: ik ben van de voetverplaatsingen (nooit verder dan de grens), zij bemant het vierwiel- en vliegsegment; veelal voor verre reizen. Zij voert die voornamelijk uit met haar man, havenbaron van een overzees bevrachtings- en expeditiebedrijf aan het Hollandschdiep in Moerdijk.
Hoewel mijn zus en ik op het gebied van levensstijl duidelijk elkaars tegenpolen zijn — zij de jetsetter, ik de huisfilosoof — is er geen spoor van kinnesinne tussen ons te bekennen. We vormen een harmonisch broeder-zusterpaar, al kruisen onze fysieke paden elkaar zelden. Misschien is het juist die geografische afstand die ons in staat stelt de band zo vlot en conflictvrij te houden. Zaten we vaker met elkaar aan tafel, dan zouden er mogelijk scheurtjes ontstaan in het gladgestreken familiecanvas; vooral wanneer het gesprek afglijdt naar politiek. Maar dankzij ons onderlinge instinct — of onze diplomatieke elegantie — slagen we erin zulke struikelblokken moeiteloos te vermijden. Dat doen we deels bewust, deels op de autopiloot, door keurig uit elkaars buurt te blijven.
Toch tonen we ons betrokken. Vlak voor haar vertrek vroeg mijn zus me bijvoorbeeld of ik het leuk zou vinden haar te volgen op Polarsteps.com, een digitaal reisdagboek waarin reizigers hun avonturen delen met foto’s, kaartjes en verslagen. Een soort Instagram, maar dan zonder selfies in de sportschool en mét kaartcoördinaten. Ze vertrekken voor een drieweekse wijnreis door Italië; een zorgvuldig uitgestippelde tocht langs wijngaarden, truffelmarkten en Michelinverleidingen. Zij en haar echtgenoot tuffen in hun glanzende bolide door het Italiaanse heuvelland, terwijl ik me in mijn monikkenmodus nestel achter m’n eeuwige beeldscherm en zo met hen meereis, waarbij ik af en toe een glas supermarktwijn voor mezelf inschenk en proost op hun belevenissen.
Ik heb me voorgenomen een geschikte, meelevende en bij vlagen zelfs geestige broer te zijn in mijn reacties op haar reisverslag. En eerlijk is eerlijk: tot nu toe stel ik mezelf — en, naar ik vermoed, ook de meelezende kring van medevolgers — niet teleur. Al moet ik oppassen dat ik niet te enthousiast raak. De verleiding is groot om haar wijnreis rijkelijk te voorzien van voetnoten, thematische zijsporen en semigeestige terzijdes.
Laten we wel wezen: het is natuurlijk háár voorstelling. Ik ben slechts toeschouwer, geen kleinkunstenaar. Ik houd het dus keurig binnen de perken: ik like, ik bewonder, ik informeer op vriendelijke toon naar Umbrische aangelegenheden en doe mijn bescheiden plasje over het in-vino-veritasfestijn. Geloof me, ik weet: het geheim van een goede familierelatie schuilt vaak in precies dát: interesse tonen, zijdelings contact houden, royaal zijn met ruimte, een licht ironische toon aanslaan. Hieronder kan de lezer oordelen of ik daarin ben geslaagd. Ik kies steeds maar één of een kleine selectie van de vele foto’s die per locatie door mijn zus worden ge-upload, en blur – uit discretie – de gezichten van haar en mijn zwager.
Zus: Dordrecht. En route!! Onze hond gaat altijd mee. Bijgeloof. Hij is al in veel landen geweest. We rijden naar Zwitserland. Hotelletje aan Vierwaldstättersee. Rit van ong 9 uur. Vanmorgen stond ik nog in de etensbak van onze kat Ralph te peuren om zijn schildklierpillen te verstoppen want hij at ze niet zoals gewoonlijk met een worstje. Pffffff LOSLATEN; even geen katten, geen kattenharen, geen allergiepillen (ach, ik hou van die beestjes). Broer: Geniet van de reis, het uitzicht én het haarloze hondengezelschap. Hij kijkt nu nog wat droevig, maar ik ken dat gladde, onbehaarde type: zijn innerlijke berggeit zal bij Basel ontwaken.
Zus: Luzern. Voor ons niet direct een bestemming die je uitkiest om een paar dagen te verblijven. Laat het nou een super leuke en mooie stad zijn. Wij bezochten de Altstadt en gingen kaasfonduen (want ineens heel veel zin in zo’n lekkere vette borrelende gruyerepan). We rijden met volle buikjes terug naar ons hotel en gaan liggen. Morgen naar Italië.
Broer: Wat een gezelligheid, ook voor mij als digitale meekijker. Dit is, voor een verstokte thuisblijver als ik, de meest sfeervolle en effectieve manier van reizen: mijn knip blijft gesloten maar mijn mond valt open.
Zus: Onderweg. Zwitserland. We nemen de route over de Gotthardpas in plaats van de tunnel en dan krijg je dit moois. Het is hier boven de 7.5Cº. We vervolgen zo onze weg via Como naar Faenza. Broer: Jullie initialen, vereeuwigd in een gletscherwand. Op de foto wel te verstaan. Helaas niet in de gletscher, want die trekt zich tegenwoordig terug met de snelheid van een smeltende ijsklont in een glas Franciacorta. Ik weet niets van wijn, dus dat van die Italiaanse bubbeltjes heb ik opgezocht. Bij nader inzien twijfel ik er aan of we hier naar een gletcher kijken. Boven de Gotthardpas? Correctie: het zal wel een aan de kant geveegde hoop sneeuw zijn. Maar goed, toch indrukwekkend. En ik leef mee.
Zus: Faenza. Casa Spadoni. We zijn er, na een best wel vermoeiende reis met veel verkeer, is het aankomen in een oase van rust en schoonheid. Deze oude zijdefabriek is omgetoverd tot een betoverend paradijsje. We worden omvergeblazen door al het fraais om ons heen. Deze agriturismo staat bekend om haar restaurant en boerderij, ergens verderop, waar de Mora Romagnola varkens genieten van hun leven in de vrije natuur. Het zijn bijna zwarte varkentjes met lange slagtanden en kleine oogjes. De hammen en worsten die van ze gemaakt worden schijnen heel bijzonder te zijn. We gaan ze vanavond proeven. Onze vakantie is nu echt begonnen. Dit prachtige, eerste onderkomen is heerlijk van temperatuur (26Cº).
Broer: Van bijna file naar fijne varkens, wat een reis! En dan landen in een voormalige zijdefabriek, dus dan weet je wel hoe zacht je vanavond slaapt. Het is voor mij als meeliftpassagier ook een hele leerzame reis. Die Mora Romagnola’s klinken als een motorclub maar blijken gewoon smakelijke zwijntjes met karakter. Ik kijk reikhalzend uit naar jullie culinaire verslag, want ze moeten wel een keer in de pan natuurlijk, die verwende haute-couture hamleveranciers met hun bio-bubbelleventje, hun jaloersmakende bergzichtbestaan en ondierlijke vrije-uitloopfilosofie. Eet smakelijk en truste voor straks.
Zus: Nou, daar lig ik dan, aan ‘t zwembad, om kwart voor 8. Dacht even wat baantjes te gaan trekken, maar IK BEN TE VROEG😂. Ze zijn het nog aan ‘t reinigen. Dan maar even zonnen, het is al warm. Jur ligt nog trouwens; onder de draperieën. We gaan na het ontbijt naar Ravenna, daar schijnt een prachtige Basiliek te zijn met de mooiste mozaïeken.
Broer: Met het zwijnenvlees nog heerlijk verterend in de maagjes, op weg naar mozaïek in de basiliek, zeg ik: let vooral op de steunberen! Die werden ruim duizend jaar later toegevoegd (bron: wikipedia). In het gewelf houden engelen het Lam Gods omhoog (bron: wikipedia). Neem vooral de gladde hond mee: dieren lijken toegestaan. Veel plezier vandaag.
Zus: Wij werden er stil van, ZO MOOI, die piepkleine mozaïektegeltjes, wat een werk. Van een afstand lijkt het geschilderd. Dit is de stad ook waar Dante heeft geleefd en is gestorven. We hebben alles gelopen en een ticket gekocht voor de hele reutemeteut. Je bent zoet voor een uurtje of drie. Goed te doen. Heerlijk geluncht.
Broer: Wauw, je zou er gelovig van worden. Of licht in het hoofd (wat, zoals wij weten, hetzelfde is).
Zus: Onderweg naar ons volgende adres, wijken we even van de route om Gubbio te bezichtigen, een vd mooiste dorpjes in Italie; middeleeuws, en ja, dat is bij meer mensen bekend. Hoe druk zal dat zijn in het hoogseizoen. We doen ‘t op z’n Japans: erin en eruit. Is echt mooi en ik stel me er allerlei middeleeuwse taferelen bij voor. Er loopt een riviertje door het dorp. Stel je voor, vroeger, alle viezigheid uit die huisjes in die rivier. We lunchen ergens in the middle of nowhere, tussen de locals. De eerste truffelgerechten zijn binnen. Wat eten die Italianen VEEL: primi, secondi. Wij hebben de helft van onze primi laten staan. Was lekker en helemaal niet duur, dat is ook wel eens leuk. Nu op weg naar La Ghirlanda. High expectations.
Broer: Goed bezig, jullie! Ik heb ooit een Italiaan gekend die zijn gangen achterstevoren at: quartari, tertiari, secondi, primi… lift-off! Daarna ging hij als een raket.
Zus: Ooit las ik een blog van een fotograaf. Ik had namelijk een camera gekregen van Jur. Ik ging dus beetje googelen naar fotografeertips. Op die blog plaatste hij een foto van een prachtige mansion in Italie. Ik werd er meteen verliefd op, MAAR waar bevond het zich en heette het? Dat moest ik dan maar zien te raden; jammer joh. Maar je begrijpt het misschien al: ergens tijdens mijn favoriete bezigheid – het zoeken naar mooie plekjes op deze aardbol – vond ik het. Daar was ie dan: La Ghirlande. Nou, daar MOEST ik heen en zo geschiedde. Broer: Gevonden! Machtig mooi. Geweldig als je er wat geld tegenaan kunt kletteren. Dan zie je nog eens wat.
Zus: Gualdo Cattaneo. Vanochtend wandeling langs de wijnvelden en een prachtig wijnhuis bezocht, lunch in Montefalco, weer zo’n middeleeuws plaatsje met fresco’s in de kerk, moeder wat is ‘t verzengend heet. We gaan op de terugweg langs de super en slaan wat dingen in want vanavond eten we voor ons huisje overlooking de prachtige vallei. Het hotel is inmiddels fully booked want 2 juni is hier een feestdag dus lang weekend gasten. Naast ons, aan ons vast zit nog een kamer, niet wetende dat het verhuurd is hoorden we een zeer klagelijk gejank, als van een hond. Ik op zoek naar Claudia, een Spaans temperamentvol meisje die ons gisteren ontving en ook de enige die Engels spreekt. Claidia niet te vinden, dan maar de keuken in, met handen, voeten en geluiden mijn verhaal gedaan want wat nou als daar een dier opgesloten zit, misschien bij het schoonmaken naar binnen geglipt. Uiteindelijk duidelijk geworden dat het een hondje is van een jong stel wat aan ‘t zwembad ligt pffffff ook weer opgelost. Broer: Marjan (in steenkolen-Italiaans maar met Italiaans temperament): “Scusi! Cane! Dentro! Awoe awoe! Nessuno! Porta chiusa! Forse… pulizia? Aiuto!” Italiaanse Chef Jolly (allroundchef met noordelijke rust, in droog Brits accent): “Blimey, no need for a panic, love. It’s just the young couple’s mutt. Gets all dramatic the moment they’re out of sight. Little bugger thinks he’s been abandoned by the Queen herself.”
Zus: Spoleto, prachtig!! Je parkeert je auto, neemt 7 roltrappen en begint je wandeling op het hoogste punt, hier vandaan uitzicht op het aquaduct, dan wandel je naar beneden via prachtige oude pleinen en gebouwen, schattige straatjes, heel mooi allemaal. We lunchen buiten de stad want na zo’n stad willen wij groen om ons heen, stilte en local cuisine dus gegoogeld en gelukkig schot in de roos: heerlijke risotto met blauwe bessen en Italiaanse rookkaas, daarna een lekkere vette tiramisu met veel mascarpone. Jongens, WAT een heerlijk land. Broer: De geest van Paul Valéry leeft voort (“Il faut toujours redescendre.”). Eerst met zeven roltrappen naar boven, dan alleen maar dalen, en eindigen in een risottoverrukking. Pure decadentie, pure poëzie. Italië zoals het bedoeld is: zonder zweet, mét mascarpone. Voor wie vindt dat klimmen het uitzicht bederft, oftewel: voor de fijnproever die het hemelse zoekt met machinaal gemak, en het aardse viert met de beste wijnen. Wat een land inderdaad! Ik geloof trouwens dat wat Valéry zei, filosofisch bedoeld was; als metafoor voor het leven of het creatieve proces. Maar er is een fraaie karikatuur uit ontstaan van lieden die graag van de schoonheid van de bergen genieten, maar het fysieke afzien van de klim vermijden. Enfin, ik wijk alweer uit. Dit is natuurlijk jullie podium, niet het mijne. Vergeef me: ik ben slechts een losgeraakt brokstuk dat iets te luidruchtig de helling afrolt, op weg naar een dalbeekje. In de diepte van het ravijn, waar ik thuishoor, wacht voor mij pas verkoeling.
Zus: Gualdo Cattaneo. Vandaag, 2 juni, is een nationale feestdag in Italie, we gaan naar Assisi, tenminste dat was het plan maar beetje dom plan want EN nationale feestdag EN super aantrekkelijke plaats waar iedereen heen wil. Politie leidt je om naar parkeerplaats buitenaf waar bussen klaarstaan: dat doen we dus niet. Change of plans; het wordt Bevagna, ik heb hier iets over gelezen. Bevagna leuk en weer zeer oud, maakt eigenlijk niet uit waar je heen gaat hier in Umbrie, het is allemaal prachtig. Nog niet zo overloaded als Toscane. Wij hadden weer fantastische lunch boven op een berg. Nu terug in onze mansion want bloedheet, dus met boek bij het zwembad onder de olijfboom.
Broer: Dagboekaantekening, 2 juni: ‘We lieten de bewonderaars van Franciscus in de file staan en werden door de stilte van Bevagna bevangen. Soms leidt een omleiding tot een openbaring. We zochten het goddelijke in Assisi, maar vonden de genade in Bevagna, alwaar de eerder genoemde heilige F. van Assisi tegen vogels stond te prediken.’ Zus: Een mooiere beschrijving kan IK niet geven Ron; we boffen toch maar dat je ‘meereist’.
Zus: Even een moment van diep besef hoe heerlijk we het hebben; dat we samen heppiedepeppie zijn en dat we van dit wonderschone deel van Italie met haar fantastische cultuur en indrukwekkende geschiedenis mogen genieten. En dan ook nog op deze manier. Thuis zijn onze heerlijke kinderen met wie het zo lekker gaat. Dit allemaal bij elkaar; ik ben een gezegend mens.
Zus: Assisi is een bedevaartsoord en de geboorteplaats van Franciscus van Assisi. Wij waren zeer onder de indruk. Weet niet wat dit kan overtreffen. Heet wel: 30Cº. En je klimt je een ongeluk. We laten de komende dagen de oude stenen maar even voor wat ze zijn. ‘For now’ ietwat verzadigd op dit gebied. Het wordt tijd voor wat wijnproeverijen 🍷. Back to the homebase; we trekken ons weer terug aan het zwembad waar niemand is (en dat is maar goed ook want ik ruil vandaag mijn badpak in voor een bikini). Nog even een voetnoot: bedankt Truus voor de goede zorg voor Ralph want dat was weer even een dingetje. Nu kan ik echt volledig genieten ❤️
Broer: Die Franciscus was een sobere knakker. Dat iemand zich wil bekeren tot een leven van armoede en zich daartoe terugtrekt tot de eenzaamheid van een kluizenaar, komt enigszins logisch op mij over. Maar om je vervolgens aan de melaatsen te gaan wijden? Kijk nou toch uit jongen, je was al zo ziek op je twintigste! Nou goed, je wordt natuurlijk niet zomaar de eerste der Franciscanen (vergeleken daarmee had de laatste der Mohicanen het makkelijker). Zijn geschiedenis vormt een prachtig contrapunt met jullie escapades. Ik zou zijn voorbeeld vooral niet volgen. Morgen wacht er wijn, en zo moet het zijn.
Zus: Vin Santo. Vandaag staat in het teken van wijn proeven. Vroeg op want de eerste wijngaard ligt een uur van ons vandaan in Toscane. Jur had thuis al de meest interessante opgezocht. Super tour, compleet met proeverij, en ook wijn gekocht. Daarna naar een wijndomein waar we 3 of 4 jaar geleden ook waren. Ik wist nog waar, want ik heb daar de heerlijkste dessertwijn ever geproefd: VIN SANTO! Je kunt mijn bad ermee vullen en ik drink ‘t langzaam leeg. Wij lunchen er en drinken nog meer wijn. Jur kent mij natuurlijk al 37 jaar; voor mij geen juwelen. Na het betalen komt ie aan met een schattig kistje met twee lieflijke flesjes Vin Santo. Mijn dag kan niet meer stuk. Broer: Wonderlijk eigenlijk, dat die cypressen er zo slank bij blijven, en zo dapper rechtop blijven staan, tussen al die wijnranken.
Zus: Vandaag, onze laatste dag in Umbrie, gaan we naar Orvieto. Uurtje rijden. Daar is ook weer een wijnhuis en sowieso gaan we de stad zien want het schijnt er prachtig te zijn. En inderdaad, die DUOMO!! We kijken weer onze ogen uit. Dan speelt ineens uit het niets de organist Toccata con Fuga van Bach. Mooier wordt ‘t niet. We laten het hierbij, eten een broodje en gaan naar het wijnhuis Castella della Sala; in een kasteel dus. We kopen wat wijn die thuis nog wat liggen kan (meestal lukt dat bij ons niet) en sluiten maar weer af bij het zwembad. Jur zal waarschijnlijk met de Engelsman, die ook in het hotel verblijft, gaan kletsen over wijn. We kregen tot nu toe heel veel tips van hem. Hij is een fanatieke collector, is overal geweest, heeft thuis een kelder vol met ZOVEEL wijn dat ie die in zijn leven niet meer opkrijgt. Wij moeten nog steeds een wijnkast gaan uitzoeken. Broer: Scan ik die streepjescode, begint er een Fuga te toccelen.
Zus: Loreto op een mooie pinksterdag. Bij toeval deze basiliek ontdekt. Blijkt 1 van de 3 meest belangrijke in heel Italië te zijn. Gelovigen uit de hele wereld trekken hiernaar toe. Vanochtend pakten we de auto om een rustig strandje op te zoeken. Dat lukte niet door een aaneenschakeling van Italianen die op hun vrije dag op weg waren naar hun favoriete strandlido’s. AFSCHUWELIJK en absoluut een no go. De enige plek waar het wat rustig was, bleek een ‘hondenstrand’ maar omdat we geen eten bij ons hadden, zijn we doorgereden. Weg van de kust, en toen dus Loreto aangedaan, dat op een steenworp afstand ligt van het massatoerisme. Ongelooflijk, zo mooi! We hebben besloten om net als gisteren te gaan lunchen bij Il Ritorno (simpele maar heerlijke pan op tafel, prima karaf huiswijn). Voor vanavond hebben we brood en beleg gekocht. Straks zijgen we neer ‘by the pool’; best wel blij om wat vroeger terug te zijn.
Broer: Als ik moest kiezen tussen een plebejeruittocht, een playaroedel of een papenritueel, zou ik de lido’s en het hondenstrand ook achter me laten, het basiliekje meepikken, en daarna vliegensvlug naar die heerlijke pan met voedsel Ritorneren.
Zus: Sirolo. Vandaag met de shuttlebus van het hotel naar een fraai strand. Dit is vele malen aangenamer omdat het busje veel verder naar beneden rijdt dan wij met onze auto kunnen doen. Toch alsnog een flinke afdaling, maar goed, prachtige baai. Onze eerste dag zonder bezichtigingen, helemaal gewijd aan zwemmen, zonnen en lezen. We lunchen boven het strand dus weer klimmen en dan weer terug. Pan met tagliatelle en seafood. Mijn 4e Tiramisu deze vakantie en deze is ECHT de beste, precies de juiste verhoudingen. Ik ben er gek op en ik MOET en zal nog ijs eten ook, maar dat doe ik in Toscane, daar gaan we overmorgen heen. Morgen boottrip langs de Conero kust, naar strandjes waar je met de auto niet kunt komen. Waarschijnlijk snorkelen. Wel heel vroeg op want boot vertrekt om 09.30 vanuit Numana; half uur van tevoren aanwezig, half uurtje rijden, tsjonge jonge, maar wel een must want deze kuststrook is bjoetifoel. Eerlijk gezegd is La Marche, in tegenstelling tot Umbrië, een deel van Italie waar we niet verliefd op zijn geworden. Dus dit is een eenmalige ervaring!
Broer: Is genoteerd. Resumerend (op grond van enkele proefondervindelijke constateringen tot nu toe): 1. La plache: eenmalig (vooral vanwege de vele plebejers met hun platitudes in strandpaviljoenen). 2. Diepliggende, met de eigen bolide onbereikbare, baaien: eenmalig (mits met shuttlebus door hoteleigenaar gebracht). 3. Tiramisu: te onweerstaanbaar dus continuerend (mits bikini definitief in de koffer in de kofferbak achter slot en grendel blijft). 4. Bezienswaardigheden: valt te bezien (zijn er hoogteverschillen? is er een liftje? Oordeel wordt per geval geveld; steen kan je gaan opbreken maar bordkarton is ook weer niet de bedoeling). 5. Wijnproeverijen: behoeft geen betoog (het doel van de reis mag niet uit het oog worden verloren, zelfs niet als we dubbel zien). 6. Wijn bij de maaltijd: onuitputtelijk (laat maar komen, laat maar stromen; wij zijn tenslotte doorleefde oenologen cq. smaakbewuste sommeliers). 7. Umbrië: behoeft geen betoog (de naam spreekt boekdelen: komt van het Latijnse ‘umbra’, wat ‘schaduw’ of ‘luwte’ betekent, hoewel anderen beweren dat de naam ‘Umbria’ te maken heeft met ‘het samenkomen van vissen in de paartijd om eieren te leggen’, waar ook niets mis mee is). 8. Boottochten: dit oordeel is nog hangende (of liever: dobberend. Aan de kade van Numana; zie morgen).
Zus: Met een volle boot naar spaggia di Due Sorelli. Tijdens de tocht daarheen geeft de intens gebronsde kapitein uitleg over ????, wij verstaan er HELEMAAL niets van; thuis maar taalcursus doen. Strand is mooi, wij zijn qua rotsformaties in de Algarve zeer verwend, dus die twee zusjes, mwah, wel mooi die witte gesteenten, het maakt de zee superblauw en onze lifeguard kleurt er ook prachtig bij 😵💫. Eenmaal terug maken we nog een wandeling door Sirolo en lunchen we wederom bij Il Ritorno, deze keer neem ik als dolce de Semifreddo di Mandorle, het beeld van de lifeguard snel verdringend. Broer: ‘Il Ritorno’ doet z’n naam echt eer aan (tot zover mijn kennis van het Italiaans). Zaten jullie op de SIMBA of de CALIPSO en ging die BIMBO met die letters op haar BIBSA ook mee? (Doe mij dan maar een Moltofreddo).
Zus: Enoteca Tognoni wordt vermeld in iedere blog over Bolgheri. Het plaatsje is piepklein maar oh zo schattig. We zijn vroeg en reserveren een tafel in de Enoteca. We hebben daar de mogelijkheid om mooie wijnen te proeven per glas (je kiest uit 5 en 10 cl). We hebben nog wat tijd en rijden naar een wijnhuis in de buurt, een beroemde ook, en daar doen we een bescheiden proeverijtje. We zijn blij nu eindelijk in HET wijngebied van Italie te zijn. De natuur is overweldigend mooi hier. Weg van die naaldbomen, is het klimaat hier anders; je ziet al best wat grote trossen. Terug in Bolgheri proeven we de duurdere wijnen want ‘why nut’. Tenslotte houden we van een stevige. Op de rondjes onder aan het glas staat naam en prijs van een fles. Wij vinden de wijnen lekker maar worden niet omvergeblazen. Die Sassicaia (meest beroemde wijn hier)? MWAH. We hadden flink op onze wijnapp gezocht en komen erachter dat we net zo goed naar Boonstoppel in Dordt kunnen gaan. MAAR toch een leuke ervaring! Broer: Nondeju. Wat heerlijk als je de middelen hebt om je hier aan over te geven zonder wakker te liggen van de prijzen. Ik besef weer eens dat ik een enorme krent ben, ontstaan uit een slecht gerijpte, zure druif. Als de wijn me niet omver zou blazen, dan wel de rekening. Wat fijn dat jullie daar zo ontspannen mee omgaan. Jullie hebben elkaar echt gevonden; een gouden combi!
Tot zover deze vergaande vorm van meebeleven. Ik herinner mij Italië als vakantieland voornamelijk vanuit het perspectief van een puber op de achterbank van een vierkante Fiat met roestplekken (waarvoor ik mij schaamde, zoals voor alles op die leeftijd). Mijn ouders moesten zonodig die kant op en ik werd te onvolwassen geacht om thuis te mogen blijven. Het werd een hectische ervaring vol…Italianen.
Andermans pelgrimages werkten op mij zelden aanstekelijk, maar van deze Polarstepspresentatie stond ik paf; waarschijnlijk omdat ik passief – want vanaf mijn vaste thuispost – kon participeren. Ook het schematische kaartje dat de BMW-verplaatsingen bijhield werkte aanlokkelijk. Meebeleven dekt de lading niet; het voelt alsof ik een reis heb geadopteerd. Voor het eerst begrijp ik iets van de onblusbare behoefte aan buitenlandse belevenissen. Dit was een prachtig avontuur.
Spiritualiteit heeft mij nooit kunnen bekoren, en dat is nog zacht uitgedrukt. Eerder dan een zoektocht naar waarheid, zie ik het als een verzamelpunt van onbewezen aannames, metafysisch geneuzel, en een schimmige liefde voor het ongrijpbare. Een mélange van beweringen zonder falsificatiemogelijkheid, zoals Karl Popper zou zeggen, wat voor mij voldoende is om het bij het oud papier van de intellectuele geschiedenis te schuiven.
Wat mij stoort is dat de zelfverklaarde spiritueel niet zozeer zoekt naar waarheid, maar naar bevestiging. Bevestiging van een innerlijke overtuiging die zich zelden tot nooit laat storen door empirisch bewijs of logische consequentie. Ik hoorde één van hen beweren dat voelen een vorm van weten is; een uitspraak die een belediging impliceert van zowel de cognitiewetenschap als de menselijke rede. Ik heb weinig belangstelling voor iemand die zich met chakra’s, trillingen of kosmische energie bezighoudt. Het vergt een onnatuurlijke mate van zelfbeheersing om in diens bijzijn mijn kritische reflex niet onmiddellijk te laten afgaan.
Binnen de milieufilosofie – een discipline waar ik mij voor het doel van dit boek in begeef – gaan helaas ook geregeld stemmen op van mensen die rechtstreeks uit de esoterische ether lijken te zijn neergedaald. Een ongemakkelijke waarheid, maar niet geheel onverwacht: de filosofie als alfadiscipline heeft van oudsher een zwak voor grootse claims zonder harde data. En als er één tak binnen de filosofie is waarin men met open armen de metafysica ontvangt – al dan niet met wierook en kristallen – dan is het wel de milieufilosofie.
Daar, waar de aarde als entiteit wordt bezongen en ‘Moeder Natuur’ met een hoofdletter wordt aangesproken, ligt het risico van de conceptualisering altijd op de loer. De aarde wordt een subject, de wind een stem, de boom een raadgever. We glijden ongemerkt van Heidegger naar horoscopen. De grens tussen poëtisch spreken en pseudo-intellectueel bezweren is dunner dan men denkt, en menig milieufilosoof blijkt niet bestand tegen de verleiding van een goed geformuleerde onwaarheid.
Wanneer ik het woord ‘spiritualiteit’ hoor, doemt in mijn geestesoog een bonte stoet op: sjamanen met vogelveertjes, goeroes in linnen gewaden, tantrische therapeuten, auralezers, klankschaalmasseurs, astrologische analisten, reikimeesters, ‘lichtwerkers’ die zichzelf in Atlantis menen terug te vinden, en zelfverklaarde visionairen die hun inzichten te danken zeggen te hebben aan microdoseringen paddo’s in de Pyreneeën. Hun gezwollen taalgebruik en messiaans zelfvertrouwen wekken niet alleen verveling, maar ook een zekere antropologische fascinatie: hoezeer kan de mens zich loszingen van de werkelijkheid zonder zichzelf krankzinnig te noemen?
Ik heb niets tegen spiritualiteit zolang zij zich beperkt tot poëzie en andere onlogische zaken, maar ik zou wensen dat zij zich verre houdt van de wetenschap. Wanneer zij zich opwerpt als morele of epistemologische gids, rest mij slechts één houding: de ironische distantie van iemand die de dansvloer verlaat zodra de panfluit begint te spelen.
Kortom: ik ben iemand die bij het woord spiritualiteit automatisch denkt aan wierook, windgongen, en mensen die met hun ogen dicht tegen bomen praten. Dat zegt misschien meer over mij dan over hen, maar het is belangrijk dat de lezer weet uit wiens pen dit komt. Ik ben een kind van de Verlichting, van empirisch bewijs en logische redeneringen. Mijn band met de natuur is eerder die van een bezorgde wetenschapper (al bezit ik geen academische graad) dan die van een zingende sjamaan.
Toch — of misschien juist daarom — moet ik in dit hoofdstuk stil staan bij stemmen die buiten het klassieke milieufilosofische discours vallen: de inheemse denkers, de mystici, de kruidenheksjes, de tovenaars en de voorouderfluisteraars. En dat doe ik dus niet om hen in een museum van ‘authentieke wijsheid’ te plaatsen, maar om hun ideeën serieus te nemen voor wat betreft de bescherming van de natuur dat zij bepleiten. Want op dat gebied reiken wij elkaar de hand.
1. De vergeten kosmologieën
In veel westerse milieufilosofie wordt de mens gezien als een actor met verantwoordelijkheid tegenover zijn omgeving. In veel inheemse tradities ligt die verhouding radicaal anders: daar is de mens niet zozeer verantwoordelijk voor de natuur, maar onlosmakelijk onderdeel ervan. Dit verschil lijkt semantisch, maar is fundamenteel. De idee dat een rivier rechten kan hebben, zoals voorgesteld door het Māori-volk in Nieuw-Zeeland, heeft inmiddels zelfs juridische gevolgen gehad: de Whanganui-rivier kreeg in 2017 de status van rechtspersoon.
Dat wil zeggen: de rivier heeft ‘juridisch een ziel’. Ik geef toe, bij mijn eerste lezing fronste ik de wenkbrauwen. Wie beheert dan het bankaccount van deze bezielde watermassa? Heeft zij ook recht op pensioen? Maar onder de ironie schuilt een ongemakkelijke vraag: is het onzin, of is het slechts ongewoon voor mijn eigen denkkader? En wie bepaalt dat kader eigenlijk?
2. Totems, taboes en ecologisch evenwicht
In veel inheemse culturen reguleren spirituele taboes het gedrag ten aanzien van de natuur. Jagen op een bepaalde soort mag slechts in een bepaald seizoen, of enkel door leden van een specifieke clan. Niet vanwege een ecologisch rapport, maar omdat de geest van het dier rust nodig heeft. Vanuit een wetenschappelijk standpunt lijkt dit primitief, tot je merkt dat het in de praktijk vaak leidt tot duurzame omgang met ecosystemen.
De ironie? Ons datagedreven milieubeheer komt vaak minder ver dan deze ‘onwetenschappelijke’ benaderingen. Misschien komt het omdat ons beheer vaak managementtaal is, en niet meer dan dat: ‘biodiversiteitsstrategie’, ‘landschapsvisie’, ‘herintroductieprogramma’. Woorden zo glad dat ze nergens meer grip op krijgen. Daartegenover staat een mythisch denken waarin een walvis een voorouder is, een berg een levende entiteit, en een jachtmisser een morele overtreding. Ik rol met mijn ogen, maar niet zonder enig schuldgevoel. Want wie is hier eigenlijk de naïeveling? Hoe ongerijmd ook, het nettoresultaat van deze overtuiging is daadwerkelijke bescherming van de natuur, en dat valt moeilijk te ridiculiseren. Hoe absurd de premissen ook zijn, de uitkomst – natuurbehoud – is onweerlegbaar effectiever dan veel, wetenschappelijk onderbouwde, beleidsdocumenten
3. Het sjamanistische klimaatgesprek
“Luister naar de Aarde”, zegt de sjamaan. “Zij fluistert via stormen, smeltende gletsjers en verdwijnende koraalriffen.” Ik, in mijn misschien iets te saaie blogberichten-naar-actieboek-presentatie, citeer daarentegen uit artikelen over CO₂-uitstoot en verwijs naar IPCC-rapporten. Ik krijg de indruk dat de Aarde daar niet veel zin in heeft. Ik weet natuurlijk dat het niet het IPCC is dat mensen in beweging brengt, maar de persoonlijke verhalen.
Verhalen waarin de planeet niet slechts een bol vol data is, maar een persoon met emoties, woede, lijden. Het zijn precies die sjamanistische elementen die ons een taal geven om te rouwen om wat verloren gaat. Misschien begrijpen we de opwarming, maar voelen we haar niet. En dat laatste is iets waarin de spiritualiteit iets weet wat de wetenschap allicht verloren is.
4. De problematische romantiek
Maar laat me ook niet in de val trappen van de modieuze bewondering voor ‘de ander’. Het verheerlijken van inheemse wijsheid kan net zo koloniaal zijn als haar negeren. De westerse mens is er meester in geworden om de ander te reduceren tot een decoratief geweten: een wijze man met veren op het hoofd, die op een klimaatconferentie een traan laat over Moeder Aarde, waarna de CEO’s van Shell en ExxonMobil beleefd applaudisseren en dan weer overgaan tot de orde van de dag.
Dit hoofdstuk is dus niet bedoeld als spiritueel zelfhulpmoment. Ik schrijf dit niet vanuit een tipi. Ik heb geen medicijnwiel naast mijn laptop. En als iemand me uitnodigt voor een cacao-ceremonie, denk ik vooral aan maagzuur. Maar wél stel ik voor dat we andere manieren van denken over de mens-natuurrelatie toelaten in ons gesprek; niet als exotisch bijgerecht, maar als alternatieve hoofdschotel. Mits we ook daar kritisch mogen kauwen, en niet alleen eerbiedig zwijgen.
Epiloog: Van ongemak naar inzicht
Dit hoofdstuk schrijf ik met enige tegenzin, en misschien juist daarom was het nodig. In de confrontatie met stemmen die mij vreemd zijn, merk ik hoe beperkt mijn eigen denkkader is en hoe snel ik neig tot cynisme als vorm van zelfbescherming. Misschien is het precies dat: een zelfbeschermingsmechanisme tegen de gedachte dat de planeet geen spreadsheet begrijpt. Dat zij misschien liever in rituelen spreekt, in rooksignalen en dansen, in regens die niet meer komen en vogels die de weg kwijt zijn.
En misschien — heel misschien — is het tijd dat ik leer luisteren, zelfs als ik het belachelijk vind.
Aan één iemand moet ik hier nog even heel respectvol aandacht besteden…
Hij hoort hier eigenlijk niet helemaal thuis. Hij is geen sjamaan, geen inheemse denker, geen priester van een vergeten natuurreligie. Hij brandt geen salie, draagt geen kralenketting, en bij mijn weten heeft hij nooit een trancereis gemaakt onder begeleiding van een trommel. Toch blijft hij maar opduiken, tussen al die spirituele stemmen als een oude, koppige meteoroloog die per ongeluk in een zweethut is beland en daar begint over CO₂-moleculen. Ik heb het over James Lovelock.
James Lovelock (1919–2022) was een van die zeldzame figuren die zich met evenveel gemak bewoog tussen laboratorium en kosmos. Oorspronkelijk opgeleid als chemicus, werkte hij als onafhankelijk onderzoeker, zonder academische aanstelling, maar mét indrukwekkende bijdragen aan NASA, de Royal Society en de milieuwetenschappen in het algemeen. Hij ontwikkelde onder meer de Electron Capture Detector, een instrument dat het mogelijk maakte uiterst kleine hoeveelheden verontreinigende stoffen in de atmosfeer op te sporen — technologie die mede leidde tot het verbod op cfk’s.
Toch is Lovelock vandaag vooral bekend vanwege een gedachte die hem decennialang zowel hoon als bewondering opleverde: de Gaia-hypothese.
De Gaia-hypothese: van intuïtie tot intellectuele provocatie
In Gaia: A New Look at Life on Earth (1979) introduceerde Lovelock zijn beroemd geworden hypothese: de aarde is geen louter levenloze planeet waarop toevallig biologische processen plaatsvinden, maar een zichzelf regulerend systeem waarin levende wezens en hun omgeving samenwerken om omstandigheden voor leven in stand te houden.
Het is geen new age-fantasie, maar een systeemtheoretisch model dat stelt dat de biosfeer, atmosfeer, oceanen en bodem met elkaar samenwerken op een manier die lijkt op homeostase in een organisme. Volgens Lovelock is de aarde als een lichaam waarin temperatuur, zuurgraad, zuurstofniveau en andere variabelen niet toevallig op leven bevorderende waarden blijven, maar actief gestuurd worden door levensprocessen zelf.
Hij noemde deze hypothese naar de Griekse godin Gaia — op voorstel van zijn vriend, de romanschrijver William Golding (bekend van Lord of the Flies) — en daarmee was de verwarring compleet. Want hoewel zijn ideeën voortkwamen uit wetenschappelijke observatie en wiskundige modellen, kreeg hij in de ogen van critici de geur van wierook mee. Men hoorde niet ‘systeemtheorie’, maar ‘moeder aarde’.
De vervolgrit: van Gaia naar The Revenge of Gaia
In The Revenge of Gaia (2006) klinkt Lovelock onheilspellender. In deze latere fase van zijn leven presenteert hij Gaia niet langer als een zorgzame moeder, maar als een entiteit die terugvecht. Als wij de planetaire balans te zeer verstoren — door ontbossing, vervuiling en CO₂-uitstoot — zal Gaia op haar eigen manier corrigeren. En die correctie hoeft niet mensvriendelijk te zijn. Denk: hittegolven, zeespiegelstijging, mislukte oogsten, pandemieën.
Zijn taal wordt hier poëtischer, en dat was voer voor sceptici. Toch bleef Lovelock zijn hypothese met meetbare data onderbouwen. Hij betoogde dat de aarde geen bewustzijn heeft, maar dat haar systemen zich gedragen alsof ze een organisme is. Dat onderscheid is cruciaal: Gaia is geen godin, maar een metafoor voor een planetaire feedback-loop.
Wat Lovelock daarmee doet, is wetenschap laten klinken als spiritualiteit, zonder de logica van het eerste of de aantrekkingskracht van het tweede te verliezen.
Filosofie op de rand van het redelijke
Lovelocks filosofie is ongemakkelijk precies omdat ze de grens tussen kijken naar en luisteren naar de aarde vervaagt. Waar traditionele milieufilosofie de mens als moreel actor positioneert binnen een kwetsbare natuur, draait Lovelock het om: de mens is een bijproduct van een veel groter systeem dat geen morele actor nodig heeft. Niet ‘wat doen wij de aarde aan?’, maar: ‘hoe lang duldt zij ons nog?’
Wat zijn werk zo bijzonder maakt, is dat hij met wetenschappelijke precisie spreekt over een entiteit die geen stem heeft — en haar tóch een stem geeft, zonder haar te romantiseren. Hij is geen profeet van het esoterische, maar een natuuronderzoeker die het aandurft om patronen in het ecosysteem als betekenisvol te behandelen.
Je hoeft zijn Gaia niet te aanbidden om haar serieus te nemen.
Waarom Lovelock niet zweverig is
De reden dat Lovelock niet in de mist van spiritualiteit verdwijnt, is omdat zijn hypothese toetsbare voorspellingen oplevert. Hij voorspelde bijvoorbeeld al in de jaren zeventig dat het aantasten van het regenwoud de temperatuurregeling van de planeet zou verstoren. Dat is inmiddels meetbaar gebleken. Zijn werk heeft ook invloed gehad op klimaatmodellen, aardwetenschap, systeemecologie en zelfs op ideeën rond geo-engineering.
Zweverig is Lovelock niet. Eerder ongemakkelijk visionair.
Een discipline die de aarde centraal stelt (en soms uit het zicht verliest).
The GreenXtreme – Hoofdstuk 3
Ergens halverwege de twintigste eeuw begon het te dagen: de ecologische crisis was niet slechts een kwestie van wetenschappelijke modellen of beleidsmaatregelen, maar een existentieel vraagstuk. Een moreel appel, een cultureel trauma, een beschavingskwestie. Het ging niet langer alleen om wat we konden doen, maar om wie we waren, als soort, als samenleving, als bewoners van een kwetsbare planeet. Zo ontstond de milieufilosofie: een tak van de wijsbegeerte die het menselijk denken opnieuw wilde wortelen in de aarde.
Milieufilosofie vormt een denkdiscipline in de schaduw van de catastrofe. Tussen activisme en abstractie, tussen ecosysteem en empathie, groeit een filosofie die niet langer slechts vraagt wat de mens moet doen, maar wat de mens is, wanneer hij luistert naar de aarde. Met Haraway, Latour en anderen treedt de milieufilosofie buiten haar oorspronkelijke kaders. Zij wordt een veelstemmige, interdisciplinaire praktijk waarin de aarde niet alleen onderwerp is van denken, maar mededenker, actor, participant. De filosofie die zich opnieuw met de aarde verbindt, moet niet alleen de wereld begrijpen, maar ook zichzelf heruitvinden.
Aanvankelijk stond dit nieuwe veld nog in de schaduw van de klassieke ethiek en politieke theorie. Milieufilosofen vroegen zich af of bomen rechten konden hebben, of rivieren belangen, of soorten intrinsieke waarde. Zulke vragen waren ongewoon, lastig te beantwoorden en, voor sommigen, onuitstaanbaar abstract. Niet zelden raakte de milieufilosofie verstrikt in een taalveld vol academisch jargon, metafysische spitsvondigheden en morele subtiliteiten, mijlenver verwijderd van het smeltende poolijs, de uitdijende woestijnen en de op hol geslagen klimaatmodellen waarmee activisten, burgers en beleidsmakers dagelijks werden geconfronteerd.
Dit filosofische isolement maakte dat de milieufilosofie — ondanks haar diepe urgentie — lange tijd het karakter van een nichecultuur hield. Een bezigheid voor vakgenoten in conferentiezaaltjes, eerder dan een bron van inspiratie voor concrete verandering. Toch vonden sommigen binnen dit veld wél manieren om de kloof tussen denken en handelen te overbruggen en om een taal te vinden waarin de aarde zelf weer kon spreken. In dit hoofdstuk volg ik die ontwikkeling: van het eerste, schuchtere gefluister over ‘intrinsieke waarde van de natuur’ tot het radicalere denken van ecocentristen, deep ecologists en ecofeministen, die probeerden om mens en wereld niet langer als tegengestelden, maar als verweven werkelijkheden te denken.
We zullen kennismaken met pioniers zoals Arne Naess, Holmes Rolston III, Val Plumwood en anderen, wier denken — hoe verschillend ook — getuigt van één gedeelde overtuiging: dat de ecologische crisis vraagt om een omwenteling in het denken zelf. Daarmee betreden we een filosofisch landschap waarin ethiek, identiteit en ecologie steeds inniger verstrengeld raken.
Van diepe ecologie tot ecofeminisme
Een van de eerste stemmen die werkelijk resoneerde in het pas gevormde veld van de milieufilosofie was die van de Noorse filosoof Arne Naess (1912–2009), grondlegger van de zogeheten diepe ecologie (deep ecology). Waar veel milieudenken bleef steken in utilitaire overwegingen — hoe kunnen we de natuur behouden omdat we haar nodig hebben? — pleitte Naess voor een radicaal andere houding. Hij introduceerde het idee van het ecologische zelf: een zelf dat niet ophoudt bij de huid, maar zich uitstrekt tot ecosystemen, bergen, rivieren. Voor Naess was ecologische verantwoordelijkheid geen plicht jegens iets externs, maar een uiting van zelfzorg in de breedste zin.
“Het zelf wordt verruimd en verdiept tot het zich identificeert met alle levende wezens. Zorg voor de natuur is dan geen altruïsme, maar een vorm van verlicht eigenbelang.” — Arne Naess, Ecology, Community and Lifestyle (1989)
Naess’ denken vond navolging, maar ook kritiek. Sommigen verweten de diepe ecologie een abstract, universeel mensbeeld waarin de sociale verhoudingen uitgewist werden. Hier treedt Holmes Rolston III (geb. 1932) naar voren, een Amerikaanse denker die juist sterk hamert op de unieke waarde van soorten, ecosystemen en evolutie als morele bron. Zijn pleidooi voor een earth ethics bepleitte een moreel kader waarin natuurlijke processen intrinsiek betekenisvol zijn, onafhankelijk van menselijk nut.
“De natuur heeft niet alleen een geschiedenis, zij ís geschiedenis. En die geschiedenis verdient respect.” — Holmes Rolston III, Environmental Ethics (1988)
Een geheel andere, maar even fundamentele wending in de milieufilosofie kwam uit feministische hoek. Denkers als Val Plumwood (1939–2008) toonden aan hoe de westerse traditie de natuur eeuwenlang had onderworpen en hoe dat parallel liep met de onderdrukking van vrouwen, inheemse volken en ‘de ander’. In haar werk bekritiseert Plumwood het dualistische denken dat mens tegenover natuur plaatst, subject tegenover object, rede tegenover lichaam.
“De natuur werd gezien als het vrouwelijke andere: passief, exploiteerbaar, zwijgend. Het is tijd om die stilte te doorbreken.” — Val Plumwood, Feminism and the Mastery of Nature (1993)
Ecofeministen boden meer dan kritiek. Ze boden ook nieuwe modellen van denken, geworteld in zorg, relatie, en wederkerigheid. Hun bijdrage aan de milieufilosofie is niet alleen politiek, maar epistemologisch: zij vragen hoe we weten, wie er mag spreken, en welke stemmen — ook die van bomen, wolven of getijdenstromen — systematisch uitgesloten blijven.
Een korte uitbreiding op het voorgaande:
Hoewel Naess vaak als de vader van de diepe ecologie wordt beschouwd, ontstond er al snel een bredere familie van denkers die zich met soortgelijke thema’s bezighielden. In de jaren zeventig en tachtig nam het aantal filosofische stemmen dat de natuur niet langer beschouwde als decorstuk of hulpbron, maar als moreel referentiepunt, gestaag toe. Velen baseerden zich op ecologische wetenschap, maar gaven daar een existentieel, soms spiritueel accent aan, zonder noodzakelijkerwijs religieus te worden.
Zo ontwikkelde de Amerikaanse filosoof J. Baird Callicott een variant van milieufilosofie die voortbouwde op de ideeën van de ecoloog Aldo Leopold, met name diens land ethic. In plaats van enkel morele relaties tussen mensen te overwegen, pleitte Leopold (en Callicott in zijn spoor) voor een ethiek waarin ook land, water, planten en dieren als leden van een morele gemeenschap werden beschouwd. De natuur is niet langer object, maar gemeenschap; niet iets buiten ons, maar iets waar wij als burgers deel van uitmaken.
“Een ding is juist wanneer het de integriteit, stabiliteit en schoonheid van de biotische gemeenschap bevordert. Het is verkeerd wanneer het dat niet doet.” — Aldo Leopold, A Sand County Almanac (1949)
Maar ook deze benadering riep vragen op. Is het voldoende om ‘de natuur’ als collectief moreel subject te zien, of verdwijnt daarmee juist het concrete lijden van individuen — mens én dier — naar de achtergrond? Sommige dierenethici, zoals Tom Regan en Peter Singer, zagen in het ecocentrisme een onwenselijke verschuiving van aandacht: waar bleef het individu in deze holistische ethiek? Kan men een ecosysteem redden door individuele dieren te doden, zoals ecobeheer soms voorschrijft in de strijd tegen invasieve soorten of overpopulatie? De spanningen tussen milieufilosofie en dierenethiek zijn nooit helemaal verdwenen en markeren een blijvend debat over schaal, waarde en verantwoordelijkheid.
Tegelijkertijd bleven ecofeministen wijzen op de politieke dimensies van milieudenken. Karen Warren, Carolyn Merchant en Greta Gaard breidden het ecofeministisch denken verder uit en verbonden de ecologische crisis aan kapitalistische exploitatie, koloniale geschiedenis en patriarchale cultuurpatronen. Merchant, historica van de wetenschap, liet in The Death of Nature (1980) zien hoe de mechanisering van het wereldbeeld in de zeventiende eeuw gepaard ging met een veranderende houding ten opzichte van de natuur: waar de aarde voorheen als een voedende moeder werd gezien, werd zij nu benaderd als een inert mechaniek (te onderwerpen, te ontleden, te controleren).
“Wanneer de natuur haar ziel verliest, verliest de mens zijn maat.” — Carolyn Merchant, The Death of Nature (1980)
Ecofeminisme werd daarmee niet alleen een kritiek op traditionele milieufilosofie, maar een uitnodiging tot verbreding: aandacht voor stemmen die uitgesloten bleven, voor contexten waarin destructie geen abstract probleem is, maar dagelijkse realiteit. Het verbond de zorg voor de aarde met sociale rechtvaardigheid, en het denken met het lichaam, de taal van de aarde met die van de gemeenschap.
Sommige ecofeministen trokken dit nog verder door met het concept situated knowledges*, een idee dat later krachtig werd uitgewerkt door Donna Haraway, op wie we in het volgende deel terugkomen. Wat telt als kennis, zo luidde hun vraag, en wie bepaalt dat? De klassieke, neutrale, afstandelijke blik van de wetenschapper of filosoof werd hiermee verdacht: misschien is het juist de betrokken, belichaamde, lokale blik die het meest recht doet aan de complexiteit van ecologische relaties. (*‘Situated knowledges’ verwijst naar het idee dat alle kennis gevormd wordt vanuit een specifiek standpunt; belichaamd, gesitueerd, en nooit volledig objectief. Juist door deze situering kan kennis recht doen aan de complexiteit van de werkelijkheid.)
Van ecofeminisme naar posthumanisme en new materialism
De roep om situated knowledges, belichaamde perspectieven en relationele vormen van weten, kreeg vanaf de jaren negentig een krachtige uitwerking in het werk van Donna Haraway. Haar beroemde essay A Cyborg Manifesto (1985) en latere werken zoals Staying with the Trouble (2016) stelden niet alleen vragen over gender en technologie, maar ook over de manier waarop mensen, dieren, machines en ecosystemen met elkaar verweven zijn. Haraway pleitte voor een denken in netwerken van symbiose, wederzijdse afhankelijkheid en ‘making kin’, nieuwe verwantschappen tussen soorten en systemen.
“We moeten andere verwanten maken als we willen overleven. Verwantschap is geen bloedband, maar een kwestie van keuze en zorg.” — Donna Haraway, Staying with the Trouble (2016)
In haar denken wordt milieufilosofie een kwestie van meervoudige verbondenheid: met dieren, machines, verhalen en het onbekende.
Ook Bruno Latour (1947–2022), socioloog en filosoof van de wetenschap, droeg bij aan een radicaal andere visie op de rol van natuur in het denken. In plaats van natuur en cultuur als gescheiden domeinen te behandelen, sprak Latour over hybride actoren, waarin mensen, dingen, technologieën en organismen gezamenlijk handelen. Zijn werk (We Have Never Been Modern, Facing Gaia) benadrukt dat het moderne wereldbeeld — waarin de mens als enige actor boven of buiten de natuur staat — nooit echt gewerkt heeft.
“De aarde is niet ons decor. Ze is een actor die terugspreekt.” — Bruno Latour, Facing Gaia (2015)
Latour’s werk breekt definitief met het idee van een passieve natuur en luidt een tijdperk in waarin niet-menselijke actoren deel gaan uitmaken van het morele en politieke denken.
Binnen het posthumanisme wordt deze kritiek op het antropocentrisme nog verder uitgediept. Posthumanisten stellen niet alleen de mens als maat aller dingen ter discussie, maar ook het idee van een autonome, rationele, afgescheiden mens. Ze denken in termen van netwerken, assemblages, ecologieën van interactie. De grens tussen mens en niet-mens — of tussen leven en niet-leven — wordt poreus. Een belangrijke stem hier is die van Rosi Braidotti, die pleit voor een affirmatief posthumanisme: een denken waarin menselijke beperkingen worden erkend én waarin nieuwe mogelijkheden van solidariteit tussen soorten ontstaan.
Verwant hieraan is de opkomst van het new materialism, een stroming waarin materie zelf als actief, betekenisvol en veranderlijk wordt opgevat. Denkers als Jane Bennett (Vibrant Matter) onderzoeken hoe dingen — van plastic tot stroomdraden, van rivieren tot virussen — een zekere vitaliteit en agency bezitten. Deze stroming sluit aan bij ecologische vragen, maar verbindt die met inzichten uit wetenschapstheorie, feminisme en politieke filosofie.
Een bijzonder invloedrijke, eigentijdse denker in deze context is Timothy Morton, die het begrip hyperobject introduceerde: entiteiten zoals klimaatverandering, nucleair afval of de biosfeer, die zo grootschalig, diffuus en langdurig zijn dat ze ons gewone begrip overstijgen. Voor Morton vraagt ecologisch denken om een esthetische en existentiële heroriëntatie. Zijn dark ecology biedt geen geruststelling, maar een confrontatie met het onvermijdelijke verweven-zijn van alle leven, inclusief het destructieve.
“We zijn niet in de natuur; we zijn natuur. En dat is misschien wel onze grootste angst.” — Timothy Morton, Dark Ecology (2016)
Wat al deze denkers verbindt, is hun weigering om de mens als middelpunt van betekenis te behouden. In plaats daarvan richten ze de aandacht op relaties, verwevenheden en het besef dat denken zelf slechts één vorm van respons is, ingebed in lichamen, landschappen, en technologische netwerken. De milieufilosofie wordt hier geen poging om over de natuur te spreken, maar om mét haar te denken.
Nog even overBruno Latour
De Franse socioloog en filosoof Bruno Latour (1947–2022) speelde een sleutelrol in het verbreden van het milieufilosofisch denken. Bekend van zijn werk over wetenschapspraktijken en zijn ontwikkeling van de actor-netwerktheorie (ANT), keerde Latour zich tegen de klassieke moderniteit en haar harde scheiding tussen natuur en cultuur. In zijn invloedrijke boek We Have Never Been Modern (1991) stelde hij dat deze scheiding een fictie is: een mythe die wetenschap presenteert als objectief en los van sociale praktijken, en politiek als puur menselijk domein. In werkelijkheid, betoogde hij, zijn natuur en samenleving altijd al verstrengeld geweest.
“We hebben nooit in een zuiver moderne wereld geleefd. Onze wereld is altijd samengesteld geweest uit hybriden, netwerken van mensen en niet-mensen.” — Bruno Latour, We Have Never Been Modern (1991)
Latour stelde voor om niet alleen mensen als handelende wezens (actoren) te beschouwen, maar ook niet-mensen: machines, virussen, bossen, satellieten. In zijn actor-netwerktheorie zijn deze entiteiten deel van dynamische netwerken waarin allianties worden gevormd en werkelijkheden gezamenlijk worden geproduceerd. Wetenschap is in dat licht geen neutrale ontdekking van een voorgegeven waarheid, maar een proces van co-productie waarin zowel menselijke als niet-menselijke actoren een rol spelen. De natuur is daarbij geen decor, maar medespeler.
In zijn latere werk — met name Facing Gaia (2015) en Down to Earth (2017) — verbond Latour zijn inzichten explicieter met ecologische vraagstukken. Hij zag de klimaatcrisis niet alleen als een milieuprobleem, maar als een crisis van de moderniteit zelf: een ineenstorting van de categorieën waarmee we dachten de wereld te begrijpen. De aarde is daarin niet langer een passief object, maar een actor die ons confronteert en antwoord eist.
“De aarde is niet langer het stabiele podium van ons handelen, maar een speler die het toneel meebepaalt.” — Bruno Latour, Facing Gaia (2015)
Latour pleitte voor een terrestrische politiek: een manier van denken en handelen die uitgaat van plaatsgebondenheid, onderlinge afhankelijkheid en gedeelde kwetsbaarheid. In plaats van de aarde als levenloos decor te beschouwen, riep hij op om onszelf opnieuw te positioneren: niet als heersers, maar als aardbewoners temidden van andere aardbewoners.
Zijn bijdrage aan de milieufilosofie is daarmee niet primair ethisch of spiritueel, maar epistemologisch en politiek: ze raakt aan vragen over agency, verantwoordelijkheid en gemeenschap in een wereld waarin alles met alles verbonden is. Latours denken vormt een brug tussen wetenschapssociologie, ecologie en posthumanistisch denken, en dwingt ons het begrip ‘natuur’ fundamenteel te herzien.
“Het verschil tussen natuur en samenleving is geen gegeven, maar een verdeling die we telkens opnieuw maken en moeten herzien.” — Bruno Latour, We Have Never Been Modern (1991)