Alternatieve covers

Zou, wat makkelijk was voor Ron, niet te eenvoudig worden voor onze lezer?

Onze bewaker Ron draagt in zijn vrije tijd graag vrouwelijke kleding. Dat zou, in een wereld met iets meer verbeeldingskracht en iets minder protocol, op het werk misschien ook moeten kunnen. Maar zo’n wereld is dit sanatorium helaas nog niet. Als CEO van Sanatorium Nervosa heb ik daar destijds toch een stokje voor gestoken; niet uit afkeer, niet uit angst, maar uit dat eigenaardige mengsel van verantwoordelijkheidsgevoel en institutionele lafheid dat zich zo graag vermomt als redelijkheid.

Even voor de duidelijkheid: Ron behoort tot geen enkele afkorting in het LHBTIQA-spectrum. Ron draagt in zijn vrije tijd graag vrouwelijke kleding. Er wordt in het boek niets gezegd over zijn genderidentiteit, noch over zijn seksuele oriëntatie. Kledingvoorkeur is genderexpressie, en die valt niet automatisch onder LHBTIQA-categorieën. Juist het feit dat hij niet netjes in een letter past is zijn kracht. Mocht men Ron willen onderbrengen in een afkorting, dan zou dat vooral iets zeggen over de behoefte van de lezer om orde aan te brengen, niet over Ron.

Ik zei: Was het maar zo makkelijk voor onze Ron, en meende dat ook. Want Ron bekleedt nu eenmaal een representatieve en gezagdragende functie, en gezag is hier een kostbaar, broos goed dat wij angstvallig proberen te bewaren door het zo herkenbaar mogelijk te houden.

Dat zegt waarschijnlijk meer over het sanatorium dan over Ron. Of over mij. Misschien over ons allemaal. Want terwijl Ron ’s avonds moeiteloos zichzelf kan zijn, moet hij overdag het uniforme gezicht dragen dat wij veiligheid noemen. En ik, ik draag het jasje van degene die beslist waar expressie ophoudt en functie begint. Discrimineer ik daarmee? Mogelijk. Maar dan wel op die keurige, weloverwogen manier die zich verschuilt achter woorden als context, kwetsbaarheid en orde. Dit boek is geen verontschuldiging, geen aanklacht en geen beleidsstuk. Het is hooguit een poging om Ron ruimte te geven waar ik die eerder heb ingeperkt; op papier, waar gezag minder dwingend is en kleding eindelijk mag zeggen wat zij altijd al wist.

Om veiligheidsredenen heeft Ron van E. (Dr. No) ervoor gekozen om niet op foto’s te verschijnen. Uiteraard blijft ook de achternaam van onze bewaker voor het publiek verborgen. Sommige bewoners van psychiatrische ziekenhuizen verblijven daar op gerechtelijk bevel in plaats van uit eigen keuze. Dit maakt het van cruciaal belang om streng te controleren wie het gebouw verlaat. Beveiligers ontvangen daarom vaak dagelijkse updates over wie wel en niet naar buiten mag of het gebouw mag verlaten. Evenzo kunnen artsen beperken wie een patiënt mag bezoeken, vooral als de bezoeker een gevaar vormt voor de patiënt. Beveiligers moeten erop toezien dat elke bezoeker geautoriseerd is en geen verboden voorwerpen, zoals wapens of drugs, het ziekenhuis binnenbrengt.

Alle medewerkers van psychiatrische ziekenhuizen hebben de plicht de privacy van patiënten te beschermen, maar beveiligers in psychiatrische instellingen weten vaak meer over patiëntgeschiedenissen dan collega’s in reguliere ziekenhuizen. Zo kunnen beveiligers aanwezig zijn bij therapiesessies of op de hoogte zijn van de dosering van medicatie die een patiënt gebruikt om angst te verminderen. De wet verbiedt beveiligers deze informatie met wie dan ook te delen — zelfs met familieleden — zonder specifieke, schriftelijke toestemming. Ik durf te stellen dat Dr. No op een bepaald moment in onze relatie meer over mij wist dan mijn verloofde.

Beveiligingsmedewerkers in psychiatrische ziekenhuizen vervullen vele rollen: van het beschermen van artsen en verpleegkundigen tot het bieden van gezelschap aan bewoners. In psychiatrische ziekenhuizen verblijft een zeer uiteenlopende groep mensen, variërend van personen die hulp zoeken voor relatief lichte psychische aandoeningen tot mensen die zijn opgenomen wegens strafrechtelijke ontoerekeningsvatbaarheid. Goede beveiligers doen daarom geen aannames over bewoners, maar blijven wel voortdurend waakzaam.

Een ongelukkige realiteit van het leven in een psychiatrisch ziekenhuis is dat sommige bewoners een gevaar vormen voor zichzelf. Beveiligers moeten alle bewoners beschermen. Dit kan betekenen dat zij kamers inspecteren op mogelijke risico’s, zoals schoenveters die gebruikt kunnen worden om zichzelf op te hangen. Het betekent ook dat zij moeten inschatten welk niveau van geweld gepast is bij patiënten die de controle verliezen. Zo kan iemand die een psychotische episode doormaakt eigendommen beginnen te vernielen en moet die persoon worden vastgehouden. Een goede beveiliger vermijdt overmatig en langdurig gebruik van dwangmiddelen, terwijl hij er toch voor zorgt dat patiënten geen gevaar vormen voor zichzelf of anderen.

Vooral in instellingen waar strafrechtelijk ontoerekeningsvatbaren verblijven, spelen beveiligers een actievere rol dan in reguliere ziekenhuizen. Het kan zijn dat je wordt toegewezen aan een afdeling die je voortdurend moet patrouilleren, en in sommige gevallen krijg je zelfs de taak een specifieke arts of verpleegkundige te beschermen. Wanneer medisch personeel met een patiënt werkt, kun je bij de gesprekken aanwezig zijn en wordt van je verwacht dat je ingrijpt als de patiënt gevaarlijk wordt.

(fragment uit: https://sanatoriumnervosa.wordpress.com/)

Brief aan mijn voormalige teamleider

‘Ik sta aan het hoofd van een eenmans-collectief van volledig naar mijn hand te zetten entiteiten.’

Beste Leo,

Ik heb het eerder meegemaakt op Facebook: ik plaatste een bericht dat op meerdere manieren uit te leggen was, waarna iemand me publiekelijk vroeg of het wel goed met me ging. Zo’n vraag is in die context zelden oprecht; het is een retorische zet, bedoeld voor meelezers. De onderliggende boodschap was: “Kijk eens hoe vreemd hij doet.” Het bleek een poging om mijn omgeving te polsen: “Vinden jullie hem ook zo’n mafketel?” Een subtiele uitnodiging om gezamenlijk afstand te nemen van mijn vermeende excentriciteit.

Jouw bericht was van een heel andere orde, en dat waardeer ik. Juist omdat je de vraag in een persoonlijk bericht stelde, voelde ik de oprechtheid die ik altijd in jou als teamleider heb gewaardeerd: een mens die werkelijk hart heeft voor de ander. Natuurlijk werd ook jij getriggerd door mijn post; de afbeelding met alle anagrammen van mijn naam suggereert immers een zekere mate van ‘versnippering’. Maar ik heb niet het idee dat je bang was dat ik een klinische dissociatieve identiteitsstoornis had ontwikkeld. Je zag simpelweg dat ik weer eens van me liet horen en was oprecht benieuwd hoe het met de mens achter het bericht ging.

Welnu, het gaat goed met me. Om je vragen te beantwoorden: ja, ik ben nog steeds postbode, al doe ik dat tegenwoordig vier dagen per week. Ik bezorg de post in Arnhem, de stad waar ik inmiddels een heel prettig thuis heb gevonden. Wat die afbeelding betreft: de anagrammen zijn voor mij pure intellectuele spielerei. Het is een spel met identiteit dat nauw samenhangt met mijn eenmansuitgeverij. Er schuilt een bewuste paradox in de naam Cum Suis. Hoewel het “met de anderen” betekent, zijn die “anderen” in mijn geval de denkbeeldige schrijvers die ik zelf in het leven heb geroepen. Waar de wereld soms overweldigend dichtbij kan komen, kies ik ervoor om de fysieke anderen op afstand te houden en hen te vervangen door personages die ik zelf regisseer.

Je zou het kunnen zien als een artistieke noodzaak. Het opvoeren van al die pseudoniemen is geen uiting van een verwarde geest, maar een manier om verschillende invalshoeken te verkennen zonder de beperkingen van één enkele naam. Het is een veilige, gecontroleerde vorm van gezelschap. En dat de boeken op mijn site vaak “Mockups” zijn? Dat is voor mij niet vreemd, maar eerder een vorm van conceptuele kunst. Het is het visualiseren van een potentieel; de architectuur van een idee voordat de eerste steen daadwerkelijk is gelegd. Voor een buitenstaander lijkt het misschien alsof ik een luchtspiegeling verkoop, maar voor mij is het een noodzakelijke stap in het creatieve proces: het vormgeven van een wereld die er nog niet is, maar die in mijn hoofd al volledig bestaat.

In plaats van een klinisch syndroom (MPS?), is het eerder een passie voor de constructie. Ik bouw aan een universum waarin ik zowel de uitgever, de auteur als de compagnon ben. Een eenmans-collectief, zogezegd. En dan is er nog het punt waar mijn omgeving — vaak ongevraagd — het meest over struikelt: mijn schaamteloze gebruik van AI. Men werpt al snel termen op als ‘intellectuele armoede’, ‘gebrek aan authenticiteit’ of zelfs ‘valsspelen’. Ik zie dat fundamenteel anders. Voor mij is AI een medewerker, een medeontwerper en een klankbord dat precies die ‘ongrijpbare ander’ invult. Omdat het geen mens van vlees en bloed is, kan ik deze entiteit volledig naar mijn hand zetten zonder de ruis van interpersoonlijke frictie.

Ik blijf te allen tijde de architect. Ik lever de concepten, de eerste tekstuele aanzetten en de visie. Alles gaat door het filter van mijn eigen bemoeienis; ik heb zelf het kader geschapen — de uitgeverij, de blogomgeving, de hele context — waarbinnen deze experimenten kunnen bestaan. Ik voel me in de eerste plaats een kunstenaar. Alles wat op mijn pad komt en bruikbaar is, absorbeer ik en transformeer ik met behulp van mijn eigen creativiteit tot iets nieuws.

Het is opvallend dat de kritiek vaak komt van degenen die zelf zelden met iets origineels voor de dag komen. Ik heb dan ook weinig geduld met het dedain van mensen die de techniek niet begrijpen en mijn werkwijze vanuit een soort conservatisme veroordelen. Voor mij is het geen armoede, maar een verrijking van het instrumentarium waarover ik als eenling beschik.

Beste Leo, dit is in een notendop hoe ik er nu in sta. Ik ben nog steeds diezelfde eigenwijze geest die je kende van de NS, maar dan in een nieuwe omgeving en met een gereedschapskist die eindeloos veel groter is geworden.

Ik hoop dat het met jou ook goed gaat.

Hartelijke groet,

Ronald