Het pauwenverdict

Veroordeeld vanuit een zitvlak vol met veren.

Arthur van der Meer had een fout gemaakt. In zijn poging de toekomst van het vak te doorgronden was hij gestruikeld over datgene waarmee hij zich de laatste tijd intensief had ingelaten. Op aandringen van zijn hoofdredacteur toonde hij bereidheid om zich te begeven op het terrein waar journalistiek en technologie elkaar raken. Voordat hij die opdracht aanvaardde, keek Arthur, als zovelen, met veel kritiek en cynisme naar AI; nu hij er wat meer van afwist, zag hij ook de aangename kanten ervan.

Dat wilde niet zeggen dat je blind gebruik moest maken van het fenomeen. Maar de omissie van Van der Meer was, behalve oerdom, ook een uitglijder van iemand die iets probeerde; iemand die zich mengde in een debat dat ertoe deed. Wie werkt in de vuurlinie, weet dat snelheid en onzekerheid geen bijzaak zijn, maar de kern van het vak. Of die frontlinie nu een oorlogsgebied is of de rafelrand van een technologische omwenteling, informatie blijft fragmentarisch, tijd blijkt altijd schaars, fouten zijn nooit volledig uit te sluiten. Dat vormt geen excuus; het is de prijs van relevantie.

In zijn omgeving was er altijd dat type collega geweest dat opereerde in de veilige marges van het vak; de potsierlijke kunstkenner die de cultuurpagina’s mocht vullen met genodigde recensies en interviews. Deze persmuskiet liet zich graag fêteren door wie hij geacht werd te beoordelen, en produceerde aldus een obligate lofzang waarop niemand zat te wachten. Hij verwarde kritiek met beleefdheid, filterde elk risico uit zijn zinnen. Hij tikte positieve stukjes over exposities, praatte teksten uit catalogi na en kopiëerde openingstoespraakjes. Daar, op veilige afstand van de controverse, werd een reputatie opgebouwd zonder risico; een carrière zonder echte confrontatie.

Juist uit die hoek klonk nu het hardste oordeel over Van der Meer. Ziedaar de hypocrisie van de luie stoel. We hebben het over journalisten die hun hele loopbaan de weg van de minste weerstand bewandelen. Ze dagen de macht zelden uit. Ze verheffen ‘human interest’ tot de hoogste kunstvorm omdat het veilig is, omdat een zorgvuldig gecomponeerd verhaal over een cultuurdrager zelden iemand tegen de haren instrijkt. Hun grootste zonde is niet een onjuist citaat of een technologische misstap, maar een veel fundamentelere: ze doen er niet toe.

Waarom wordt die fout in de journalistiek maar zelden bestraft?






Een curieuze paradox

Omdat het maar zelden gebeurde dat een prominente journalist werd betrapt op AI-misbruik, ging de naam van Bennie van Bergen die week over ieders lippen. Hij kwam hoofdzakelijk negatief in het nieuws, wat hem – wie had dit ooit gedacht – opvallend koud liet. Hij werd als werknemer door zijn nieuwsorganisatie op non-actief gesteld, maar de journalist in Van Bergen ging gewoon door met zijn werk. Zodoende constateerde hij iets merkwaardigs; in de collectieve afrekening tekende zich een opvallend patroon af.

Hij ontdekte een verband dat anders nooit was opgevallen: hoe meer je te maken had met collega-journalisten die het literaire gehalte van wat je schreef het belangrijkste vonden, hoe groter de afwijzing. Hoe sterker iemands’ nadruk op vorm boven inhoud, hoe feller de veroordeling. Het waren de estheten van de redactieburelen, de fijnproevers van de interpunctie, de hoeders van stijl en toon, zij die hun carrière zorgvuldig hadden opgebouwd op veilige afstand van elke inslaande granaat, die als eersten opstonden om hem de maat te nemen.

Voor hen is een tekst een zorgvuldig gepolijst sieraad, wist Bennie; iets om te bewonderen, niet om te gebruiken. Geen kogel die doel moet treffen; geen boodschap die de wereld in moet voordat ze veroudert. Een waarheidsschending door AI-gebruik, hoe onbedoeld ook, wordt in dat universum niet beschouwd als een operationeel risico, een bedrijfsfoutje, maar als een esthetische misdaad. Pleitbezorgers van die parochie spreken dan ook zonder aarzeling van ‘een smet op het blazoen van de journalistiek’; een heiligdom waarin zij zichzelf tot hogepriesters hebben gekroond.

Bennie moest heimelijk lachen. Hij noteerde: ‘Hun eigen handelingen zijn heel ritueel, hun geschrijf zit vol herhaling. Dat maakt hen volstrekt inwisselbaar.’ Hij meende een curieuze paradox op het spoor te zijn.

Brief aan mijn voormalige teamleider

‘Ik sta aan het hoofd van een eenmans-collectief van volledig naar mijn hand te zetten entiteiten.’

Beste Leo,

Ik heb het eerder meegemaakt op Facebook: ik plaatste een bericht dat op meerdere manieren uit te leggen was, waarna iemand me publiekelijk vroeg of het wel goed met me ging. Zo’n vraag is in die context zelden oprecht; het is een retorische zet, bedoeld voor meelezers. De onderliggende boodschap was: “Kijk eens hoe vreemd hij doet.” Het bleek een poging om mijn omgeving te polsen: “Vinden jullie hem ook zo’n mafketel?” Een subtiele uitnodiging om gezamenlijk afstand te nemen van mijn vermeende excentriciteit.

Jouw bericht was van een heel andere orde, en dat waardeer ik. Juist omdat je de vraag in een persoonlijk bericht stelde, voelde ik de oprechtheid die ik altijd in jou als teamleider heb gewaardeerd: een mens die werkelijk hart heeft voor de ander. Natuurlijk werd ook jij getriggerd door mijn post; de afbeelding met alle anagrammen van mijn naam suggereert immers een zekere mate van ‘versnippering’. Maar ik heb niet het idee dat je bang was dat ik een klinische dissociatieve identiteitsstoornis had ontwikkeld. Je zag simpelweg dat ik weer eens van me liet horen en was oprecht benieuwd hoe het met de mens achter het bericht ging.

Welnu, het gaat goed met me. Om je vragen te beantwoorden: ja, ik ben nog steeds postbode, al doe ik dat tegenwoordig vier dagen per week. Ik bezorg de post in Arnhem, de stad waar ik inmiddels een heel prettig thuis heb gevonden. Wat die afbeelding betreft: de anagrammen zijn voor mij pure intellectuele spielerei. Het is een spel met identiteit dat nauw samenhangt met mijn eenmansuitgeverij. Er schuilt een bewuste paradox in de naam Cum Suis. Hoewel het “met de anderen” betekent, zijn die “anderen” in mijn geval de denkbeeldige schrijvers die ik zelf in het leven heb geroepen. Waar de wereld soms overweldigend dichtbij kan komen, kies ik ervoor om de fysieke anderen op afstand te houden en hen te vervangen door personages die ik zelf regisseer.

Je zou het kunnen zien als een artistieke noodzaak. Het opvoeren van al die pseudoniemen is geen uiting van een verwarde geest, maar een manier om verschillende invalshoeken te verkennen zonder de beperkingen van één enkele naam. Het is een veilige, gecontroleerde vorm van gezelschap. En dat de boeken op mijn site vaak “Mockups” zijn? Dat is voor mij niet vreemd, maar eerder een vorm van conceptuele kunst. Het is het visualiseren van een potentieel; de architectuur van een idee voordat de eerste steen daadwerkelijk is gelegd. Voor een buitenstaander lijkt het misschien alsof ik een luchtspiegeling verkoop, maar voor mij is het een noodzakelijke stap in het creatieve proces: het vormgeven van een wereld die er nog niet is, maar die in mijn hoofd al volledig bestaat.

In plaats van een klinisch syndroom (MPS?), is het eerder een passie voor de constructie. Ik bouw aan een universum waarin ik zowel de uitgever, de auteur als de compagnon ben. Een eenmans-collectief, zogezegd. En dan is er nog het punt waar mijn omgeving — vaak ongevraagd — het meest over struikelt: mijn schaamteloze gebruik van AI. Men werpt al snel termen op als ‘intellectuele armoede’, ‘gebrek aan authenticiteit’ of zelfs ‘valsspelen’. Ik zie dat fundamenteel anders. Voor mij is AI een medewerker, een medeontwerper en een klankbord dat precies die ‘ongrijpbare ander’ invult. Omdat het geen mens van vlees en bloed is, kan ik deze entiteit volledig naar mijn hand zetten zonder de ruis van interpersoonlijke frictie.

Ik blijf te allen tijde de architect. Ik lever de concepten, de eerste tekstuele aanzetten en de visie. Alles gaat door het filter van mijn eigen bemoeienis; ik heb zelf het kader geschapen — de uitgeverij, de blogomgeving, de hele context — waarbinnen deze experimenten kunnen bestaan. Ik voel me in de eerste plaats een kunstenaar. Alles wat op mijn pad komt en bruikbaar is, absorbeer ik en transformeer ik met behulp van mijn eigen creativiteit tot iets nieuws.

Het is opvallend dat de kritiek vaak komt van degenen die zelf zelden met iets origineels voor de dag komen. Ik heb dan ook weinig geduld met het dedain van mensen die de techniek niet begrijpen en mijn werkwijze vanuit een soort conservatisme veroordelen. Voor mij is het geen armoede, maar een verrijking van het instrumentarium waarover ik als eenling beschik.

Beste Leo, dit is in een notendop hoe ik er nu in sta. Ik ben nog steeds diezelfde eigenwijze geest die je kende van de NS, maar dan in een nieuwe omgeving en met een gereedschapskist die eindeloos veel groter is geworden.

Ik hoop dat het met jou ook goed gaat.

Hartelijke groet,

Ronald

Niet allemaal tegelijk graag

Hoeveel ballen kan één man in de lucht houden?

Lieve Ana,
Namens de hele staf van Sanatorium Nervosa willen wij jou kolossaal bedanken voor je inspanningen, vooral nu de donkere dagen op ons af denderen en onze overmoedige slede, zoals ieder jaar rond deze tijd, in een nogal steile afdaling dreigt te raken. Jij bent ons stille genie, het Manusje-van-Alles die onze chaos in de meest perfecte work flows omzet. Zonder jou zouden Ronda Dolan-Vernon’s dossiermappen in een versnipperaar zijn verdwenen, Rev. Dr. Ann Lando-Ono’s […] in een gebedshuis veranderen, en zouden Noald ‘Varn’ O’Donner’s ergotherapie-elastieken in een gordiaanse knoop zijn geeindigd!

Zoals je weet, sta ik, de Ronald van Noorden-variatie die momenteel de lakens uitdeelt (en soms de vloeren dweilt), op het punt om een… eh… interne retraite te beginnen. Dit brengt ons bij de zwaarmoedige kant van de mij vertrouwde, maar soms verwarrende, bipolaire stoornis. Terwijl ik op mijn ‘normale’ dagen, in de manische fase, de CEO/patiënt speel die barst van de ideeën (zoals het aanleggen van een helihaven op het dak of het adopteren van 73 therapiekatten), is er nu een verschuiving. De depressieve fase die eraan komt, impliceert dat de energie en het enthousiasme totaal wegvloeien.

Wat betekent dat voor jou, Ana? In mijn manische fase zou ik misschien roepen dat je voor Kerst een gouden eenhoorn als bonus krijgt! Maar als depresieveling: Ik zal de komende weken de ‘afwezige aanwezige’ zijn. Ik ben er wel, in mijn kamer, maar mijn aanwezigheid zal lijken op een stilgelegde ventilator; functioneel in de herinnering, maar niet meer in beweging. Ik heb geen puf om zelfs maar een simpele to-do-lijst te maken.

Kortom: De bipolaire stoornis is een constante achtbaan. Nu ga ik even omlaag, en daarom wordt de roep op jouw talenten, om de boel draaiende te houden, des te groter! Alle zeven van onze hardwerkende krachten (zie de foto!) staan te popelen om jou te prijzen. Ana, bedankt dat je in deze ‘hoog-laag’-tijden de constante factor bent. Geniet van de komende feestdagen. Rust uit wanneer je kunt. En weet dat we intens dankbaar zijn voor jouw inzet. Met de meest correct gespelde groeten, namens het hele Nervosa-team,

Ronald van Noorden (Huidig CEO/Baas in eigen bed)

Ronda Dolan-Vernon (Psychiater): “Ana’s ordening is mijn zen. Ze is de enige die de anagrammen van onze patiëntencijfers begrijpt. Onno van Dorreland (Psycholoog): “Ana is de stabiliteit. Zonder haar zouden de therapieschema’s meer op een schilderij van Escher lijken dan op een plan.” Rev. Dr. Ann Lando-Ono (Kapelaan): “Zij is een zegen, een wonder. Dorrena von Nøland: “Moge haar ‘ø’ van Nøland eeuwig correct gespeld blijven.”

Voor de zoveelste keer

Wat was het verschil tussen pleonasme en tautologie ook alweer?

Ik kom uit de tijd dat Google je beste vriend was als je iets wilde weten. Chatbots of AI? Die waren er nog niet, of in elk geval niet zoals nu. Zoeken was een hele onderneming: je typte een paar zorgvuldig gekozen trefwoorden, want een complete vraag stellen leverde meestal niets op. Vervolgens kreeg je een lange lijst met websites, waarvan de helft niet relevant leek. Je opende een paar tabbladen, klikte van link naar link en hoopte dat je ergens het juiste antwoord vond. Het werd een digitale speurtocht, waarbij je soms meer tijd kwijt was met zoeken dan aan de vraag zelf.

Om de zoveel tijd lieten we ons door google uitleggen wat een pleonasme ook alweer is en wat een tautologie. Daarna kwam er zelfs een echt AI-hulpje op de markt. ChatGPT was maandenlang de chatbot met dat beetje extra. Het taalprogramma dat even vooropliep in de ontwikkeling omdat je er gewoon mee kon communiceren en bruikbare antwoorden van kreeg zonder taalfouten, maakte veel indruk op ons. Die gaven we dus de eer. Natuurlijk werd het binnen de kortste keren bijgehaald door al die andere kunstmatig intelligente taalmodellen die nog steeds als een razende aan het werk zijn om zichzelf te verfijnen met ‘supervised’ en ‘reinforcement’ leertechnieken. En terwijl zij beter en beter werden, werden wij kritischer.

Mijn vrienden en ik grepen vaak naar Google als we in een discussie vastliepen en begonnen te bekvechten. Was het nou ‘i.e.’ of ‘e.g.’? Was een tomaat een vrucht of een groente? Zo’n vraag kwam altijd op het verkeerde moment, vaak midden in een gezellig gesprek. We wisten best dat we het antwoord al eens hadden opgezocht, en eigenlijk ook dat het ergens diep in ons eigen brein lag opgeslagen. Maar in plaats van ons geheugen te pijnigen, vulde een van ons snel een term in. Terwijl de ander riep: ‘Nee, zoek op die manier!’ zaten we alweer samen te scrollen, op zoek naar dat ene antwoord dat iemand gelijk zou geven.

Het grappige is dat we dachten dat AI alles makkelijker zou maken. Toch zitten we naar aanleiding van de antwoorden vaak nog evenlang te discussiëren en te scrollen. We stellen onze vragen nu aan een chatbot die ons relatief sneller uitsluitsel geeft, maar ons ook steevast op een nieuwe speurtocht stuurt met de vraag wat hij nog meer voor ons kan betekenen. Het simpele dilemma dat om de zoveel tijd opduikt is bijvoorbeeld het verschil tussen pleonasme en tautologie, waarbij en passant ook contaminatie mag worden uitgelegd. Mijn siliconen Socrates slooft zich steevast voor mij uit (‘Zal ik…’ enzovoort) en ik merk dat ik deze meedenkende papagaai niet wil teleurstellen (‘Nou graag, als je dan toch bezig bent’). Terwijl ik weet dat de geest uit die fles geen ziel heeft.

Het heeft trouwens te maken met luiheid dat we genoemde termen steeds door elkaar halen; pleonasme, tautologie, contaminatie. Een ezelsbruggetje zou helpen maar zelfs de inspanning van het verzinnen van een goede geheugensteun, lijkt ons op het moment dat we, vol schaamte, om het aloude antwoord verlegen zitten, teveel moeite. Ook dat vroeg ik daarom maar eens aan mijn veelbelovende, algoritmische assistent: ‘Verzin een ezelsbruggetje voor het onthouden van wat een pleonasme is.’ Het antwoord van wat, naar ik hoop, ooit de vriendelijke autokorrekt van mijn gedachte zal worden, was teleurstellend: ‘Natuurlijk, hier is een ezelsbruggetje om te onthouden wat een pleonasme is: Pleonasme? Overbodig hè! Want als je het weglaat, dan is het ook al oké.’

Mwah, dat viel tegen. Ik had de betekenis van het stijlfiguur wel weer helder, maar misschien was ik niet specifiek genoeg geweest. Nogmaals: ‘Verzin een ezelsbruggetje voor het onthouden van wat een pleonasme is; eventueel met het woord plee erin.’ Antwoord: ‘Plee-pleonasme, dubbeldik, dubbelop en dubbel-knipperend met de ogen: allemaal overbodig en onnodig dubbel.’ Jezus, wat een gelul. Ook niks dus. Het antwoord was nog gekker dan mijn vraag. Nou goed, dan maar gewoon het verzoek om wat sublieme voorbeelden. (Ik wilde absoluut geen uitleg meer van het begrip zelf, op wat voor manier dan ook, want dat beschouw ik, zo langzamerhand, als een belediging van m’n intellect en m’n geheugen).

‘Witte sneeuw’, ‘ronde cirkel’ en ‘nat water’ werden als eerste uitgebraakt door het siliconen orakel. ‘Nee, nee, ChatGPT, ik wil geen mislukte indianennamen maar grappige en intelligente voorbeelden van pleonasmen.’ De digitale betweter kwam zijn veel te voor de hand liggende pavlovreacties nauwelijks te boven, tenzij je ‘mondelinge communicatie’ een beter voorbeeld vindt. Bij ‘voorafgaand aan de deadline’ begon ik pas een beetje gelukkiger te worden. Ik moest zelfs nadenken. Toen was ik kostbare minuten verder en had ik gevoelsmatig echt de bottomline bereikt met mijn goedmenende mechanische wijsneus. Het zelf verzonnen stukje moest de deur uit.

Maar wacht, de beleefde robot met een antwoord op alles (maar dan ook alles) was nog niet klaar met me.

Chatbot: ‘Zal ik een aantal voorbeelden geven die de verschillen illustreren tussen bepaalde taalkundige begrippen die mensen vaak willen begrijpen en waarvoor ze AI raadplegen?’
Ik: ‘Nou…uh…nee, daar zit ik eigenlijk niet op te wachten. Hoewel…als het niet teveel moeite is…ja, doe toch maar.’ (Mijn manier van communiceren is sindsdien steeds zakelijker geworden.)

Allusie vs. Citaat: Een allusie verwijst naar een bekend persoon, werk, gebeurtenis, etc., zonder dit letterlijk te citeren. Een citaat is een letterlijke weergave van woorden uit een bron.

Hyperbool vs. Eufemisme: Een hyperbool is een overdrijving, terwijl een eufemisme een verzachtende uitdrukking is die wordt gebruikt om iets onaangenaams of beledigends te vermijden.

Ironie vs. Sarcasme: Ironie verwijst naar een situatie waarin de werkelijke betekenis anders is dan de letterlijke betekenis. Sarcasme is een vorm van ironie waarbij iemand het tegenovergestelde zegt van wat hij bedoelt, vaak met een spottende ondertoon.

Acroniem vs. Initialisme: Een acroniem is een woord dat wordt gevormd door de beginletters of -klanken van andere woorden samen te voegen en als een nieuw woord uit te spreken (bijv. NASA). Een initialisme is vergelijkbaar, maar de letters worden afzonderlijk uitgesproken (bijv. BBC).

Synoniem vs. Antoniem: Synoniemen zijn woorden met een vergelijkbare betekenis, terwijl antoniemen woorden zijn met een tegenovergestelde betekenis.

Allegorie vs. Metafoor: Een allegorie is een verhaal, gedicht of beeld dat een diepere symbolische betekenis heeft, terwijl een metafoor een figuurlijke uitdrukking is waarbij een directe vergelijking wordt gemaakt tussen twee ongerelateerde dingen.

Archetype vs. Stereotype: Een archetype verwijst naar een universeel patroon of model, terwijl een stereotype een overdreven generalisatie is over een bepaalde groep mensen.

Satire vs. Parodie: Satire is een stijl van schrijven of kunst waarbij menselijke ondeugden, dwaasheden en misstanden worden bekritiseerd of bespot. Een parodie is een nabootsing of imitatie van een specifiek werk, meestal met de bedoeling om het belachelijk te maken.